Skip to main content
Internet Archive's 25th Anniversary Logo

Full text of "Oud Holland"

See other formats


Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



m^B^mmtwn r ij-»- 



OUD-HOLLAND. 



I 8 8 3. 



OUD-HOLLAND 



VOOR DK 



Geschiedenis der Nederlandsche Kunst, 
Letterkunde, Nijverheid, enz. 

ONDER REDACTIE VAN 

M«. A. D. DE VRIES Az., 

Ondir-Diretttur van 'i Kijkt Prtntmialmtt, 
EN 

M». N. DE ROEVER, 

AdJHHft-Arritvarit dir gimriutt Amittrdawt. 



Eerste Jaargang, 1883. 



Ter Drukkerij van ue Uitgevers Gebroeders Binuer, 
Warmoesstraat, 174. — AMSTERDAM, 1883. 




JAN 1957 



EÉNHUWELIJK 

VAN 

REMBRAND T, 

WAARVAN DE EERSTE AFKONDIGING TWEE EEUWEN NA ZIJN DOOD HEEFT PLAATS GEHAD, 

M«. N. DE ROEVER. 



E klassieke, zoo niet de meest klassieke van onze vaderland- 
sche letterkundigen en kunstvrienden, Mr. C. VosMAER, gaf in 
1877 den tweeden geheel omgewerkten en verbeterden druk in het 
licht van zijn „Rembrandt, sa vie et ses oeuvres" (la Haye, 
Martinus Nijholï). 

Ik zal het niet wagen een oordeel te vellen over het 

tweede gedeelte van dien omvangrijken arbeid, waarin de gevierde 

schrijver beproefde een chronologische en een systematische 

catalogus op te maken van Rembrandt's werken — schilderijen, 

prenten en teekeningen samen, en ik wil den schrijver zelfs niet volgen, waar hij, in het 

eerste gedeelte, des meesters leven in verband met de vele bekende kunstwerken van zijn 

hand beschouwt. Wie zich tot het eerste in staat wil rekenen, moet nïet alleen 

Rembrandt's werk tot het onderwerp van een levensstudie hebben gemaakt, maar hij moet 

bovendien gewapend zijn met de kennis, opgedaan in alle musea van de beschaafde wereld, 

waar de prins onzer schilderschool door zijne als heilige ktetnoodiËn vereerde kunstwerken 

vertegenwoordigd is. Van Petersburg tot Madrid, van Londen tot Weenen, van Napels 



2 • EEN HUWELIJK VAN REMBR^VNDT. 

tot Kopenhagen voert de ijzeren noodzakelijkheid hen, die den kunstenaar in zijn werk 
willen leeren waardeeren. En dit en-zigzag trekken is zóó onmisbaar voor de waardeering 
van den kunstenaar, dat de eenige fouten, die men in het tweede deel van Vosmaer's werk 
kan aanwijzen wellicht uit het niet gehoorzamen aan deze noodzakelijkheid voortvloeien. 
Wie critiek wil uitoefenen mag niet beneden den gecritiseerde staan, maar moet zijn onder 
werp beter meester zijn dan hij. Aangezien schrijver dezer regelen nog slechts weinig 
van Rembrandt's meesterstukken in 't buitenland gezien heeft, acht hij zich tot geen critiek 
over dit deel gerechtigd. 

Iets anders is het, om een oordeel uit te spreken over dat gedeelte van Vosmaer's 
boek, waarin de schrijver den persoon van Rembrandt en zijne naaste omgeving, — bloed- 
verwanten, leerlingen, vrienden en bekenden — aan den lezer poogt voor te stellen; waarin 
hij de spaarzame feiten en de slechts weinig talrijker overleveringen rangschikt, weegt en 
omwerkt tot een geheel, dat, met een klaarheid grooter dan men op grond van het weinige, 
dat bekend is, kan verwachten, U een beeld levert van den kring, waarin de prins onzer 
schilderschool verkeerde. Vosmaer is er VoSMAE§ voor, om U het beeld van den grooten 
meester in verschillende tijdperken van zijn leven met zoo breede, schilderachtige trekken af 
te malen, dat ge onwillekeurig wordt meegesleept door den stroom van sympathie en heilige 
bewonderende liefde voor meester en meesterstukken beide, die Vosmaer van de eerste tot 
de laatste bladzijde over zijn boek heeft uitgestort. Ja zelfs koude naturen moeten bij. de 
lectuur in zooverre winnen, dat ze nu althans geen onbekendheid met des schilders leven 
en levensomstandigheden — maar al te vaak harde beproevingen — kunnen voorwenden. 

Tal van jaren, eeuwen bijkans, was Rjembrandt's persoonlijkheid miskend, verduisterd 
door scheeve voorstellingen, praatjes en overleveringen, die klaarblijkelijk niet door een den 
meester toegenegen geest waren uitgestrooid ot geboekt. Thans staat de krachtige zeven- 
tiende eeuwsche gestalte ons voor de oogen, onder het licht, dat zij verdient, 't Is Vosmaer's 
verdienste, dat hij ze ons schetste, dat in zijn werk de REMBRANDT-litteratuur haren waar- 
digen verwerker en vertolker vond, die ook in het buitenland heeft leeren waardeeren, wat 
de ijver van menigen historiker en van zoo vele onderzoekers uit het stof der archieven 
heeft opgedolven. 

Vosmaer toch was niet de man van eigen bronnen-onderzoek. Hier en daar mag 
hij een nieuw feit aan 't licht hebben gebracht, over 't algemeen bouwde hij op de grondslagen 
van het onderzoek van anderen. Zijn kracht ligt in de verwerking, daarom geeft hij meer 
nieuwe conclusien dan nieuwe bizonderheden. Het is soms uiterst leerrijk den bestaanden 
voorraad van gegevens kritisch te onderzoeken en om te werken. Niet zelden komen uit eene 
nieuwe groepeering ook nieuwe lichtpunten te voorschijn, die ons nopen personen en zaken 
uit een geheel ander oogpunt te beschouwen. Zulk een studie mag opgewogen worden 
tegen een ijverige bronnenstudie, met het doel om het bestaande na te werken of nieuwe 
feiten aan 't licht te brengen. Zulk een schrijver mag men 't niet al te euvel duiden, als hij 
het eerste heeft verzuimd en zich heeft nedergelegd bij de uitkomsten van den dorren 



EEN HUWELIJK VAN REMBRANDT. 3 

arbeid van anderen. Heeft het onderzoek der bronnen eenmaal plaats gehad, waarom zal 
die schrijver ze dan nog eens raadplegen? Op het onderzoek van deskundijg^en mag hij 
zich toch verlaten? Waar zou 't heen, indien men de voorzichtigheid zóó ver zou moeten 
voeren, om alles, wat door autoriteiten op dit gebied werd ontdekt, te gaan nawerken ? 
Maar daarom is het juist voor een ieder, die van het nasporen hoofdzaak maakt, een eerste 
vereischte, om uiterst nauwkeurig, maar meer nog om uiterst voorzichtig te zijn, en zich 
zelven steeds te wantrouwen, opdat hij niet door een verkeerde lezing, een verkeerd be- 
grepen woord, een gewaagde onderstelling misschien, zich zelven en allen^ die hem hun 
vertrouwen zullen schenken, op een dwaalweg voere. 

Dat dit maar al te vaak is geschied, en dat zelfs mannen van gezag daaraan 
schuldig worden bevonden, moge voqr velen een sp oorslag zijn tot eigen onderzoek, hij^ 
die op de gegevens van zulke marinen voortbouwt, kan niet in staat van beschuldiging 
worden gesteld, wanneer het later blijkt, dat zijn bronnen hem bedrogen. 

Integendeel, aangeklaagd, mag hij de aanklacht terugwerpen naar hem, die er aan- 
leiding toe gaf. 

Een merkwaardig voorbeeld van zulk afkeurenswaardig en lichtvaardig omspringen 
met bronnen, leverde IMMERZEEL, met zijn opgaaf, dat REMBRANDT den 19*» Juli 1664 op 
't St. Anthonis-kerkhof begraven werd. Toen D'. ScHELTEMA in zijn redevoering »het 
leven en de verdiensten van Rembrandt van Rijn" (Amst. 1853) bewezen had, dat niet 
dit kerkhof, maar een graf onder 't tempelgewelf van DE Keyzer's meesterstuk, — de Wester- 
kerk — , Rembrandt's gebeente omsloten hield, en dat zijn sterfdag kort vóór den 8**~ October 
1669 moest gesteld worden, heeft hij "te zelfder tijd aangewezen op welke losse gronden 
Immerzeel's opgave berustte. Hij vond namelijk in 't begrafenisboek van 't bedoelde kerk- 
hof, dat er op den gegeven datum een zekere Rembrandt van Ruynen werd ter aarde besteld. 

Vijf jaren levensverschil zegt iets, wanneer de werkkracht van den man, dien 't 
betrof, nog niet was uitgedoofd. Hoeveel kwestién en raadselen door de vaststelling van 
dien sterfdag zijn J>eslist en opgelost, laat ik over te berekenen aan ieder, die schilderijen 
van den meester gejaarmerkt met getallen hooger dan 1664 weet aan te wijzen. 

Is thans Rembrandt's leven in de tijdperken van zijn jeugd en middelbare jaren, 
dank zij talrijke nasporingen en gelukkige ontdekkingen vrij goed bekend, het gordijn, dat 
de tijd voor zijn ouderdom heeft geschoven, is slechts even opgelicht. Duisternis en \Taag- 
teekens overal. Een veld dus rijp voor allerlei gissingen en, gelijk we zullen aantoonen, 
rijk ook aan het dwaallicht van een onzuiver bronnen-onderzoek, dat aan 't heldere licht 
der waarheid afbreuk doet. 

• Het valt niet te betwijfelen of voortgezet onderzoek zal, zij het ook niet binnen 
de eerste jaren, het gordijn wegschuiven, dat ons tot dusverre Rembrandt in zijn laatste 
levensjaren aan het oog onttrok. Reeds zijn de archieven der weeskamers met de plaat- 
selijke archieven vereenigd en voor den onderzoeker opengesteld. Er bestaat uitzicht, 
dat van de oude rechterlijke archieven weldra hetzelfde zal kunnen gqzegd worden. Dan 



4 EEN HUWELIJK VAN REMBRANDT. 

blijft nog een hoogst gewichtig depot gesloten, dat in naburige landen evenzeer voor 
. wetenschappelijke mannen toegankelijk is. Ik bedoel de bewaarplaats der oude notariëele 
protocollen. Hoe rijk deze bron is, en welke oogst zij belooft, wordt terstond duidelijk aan 
hem, die maar even in de localen verwijlt. Ik gewaag hier opzettelijk van de oude notariëele 
minuten, omdat men — wanneer men tot de openstelling overging, — de protocollen over 
het tijdperk van de laatste loo a 150 jaren kon gesloten houden. De zaken van over- 
grootouders en betovergrootouders van thans levende personen, zegft men, gaan niemand 
aan. Uitmuntend ! maar open dan althans een veld voor de kennis van vroegere generatiën. 
Hun leven en werken behoort geheel tot de historie. Moeten nu zoo kostbare getuige- 
nissen daar nederliggen, om, gelijk C. van Alkemade zeide, langzaam door vocht en mot 
en schietworm en in vergetelheid te vergaan, of moeten ze eens in vlammen omkomen 
zonder dat ze zijn dienstbaar gemaakt aan de wetenschap.^ Tot dusver geven de autori- 
teiten op deze vraag een toestemmend antwoord. Laten we hopen, dat het oogenblik 
niet verre meer zijn zal, waarop het antwoord ontkennend zal luiden, en laat ieder, die er 
belang in stelt, pogingen aanwenden, om het daartoe te brengen. 

Zoolang men nu niet m§t nieuwe gegevens kan aankomen, is het al veel waard 
om de bestaande van onjuistheden te zuiveren. Ik wensch daartoe eene bijdrage te leveren 
in dit opstel. 

Na de ramp van 1656 verliet Rembrandt zijne woning op de St. Anthonis-Breestraat 
Er is geen grond om aan te nemen, dat dit aanstonds gebeurde, daar het huis eerst op 
den i«> Febfuari 1658, aan Lieven Symonsz en Samuel Geerdinck verkocht werd, en uit 
de veilconditien blijkt, dat er op dat oogenblik nog goederen van den meester in het huis 
voorhanden waren. Evenmin is het uitgemaakt, of hij toen reeds de woning op de Rozen- 
gracht betrok. De eerste berichten, die we van zijn verblijf daar ter plaatse hebben, zijn 
van den \cfi^ februari 1668, toen TiTUS VAN Rhijn ten huwelijk aanteekende. Er ligt 
dus nog een tijdsverloop van tien jaren tusschen beide. Ongelukkigerwijze zijn de verponding- 
boeken van dit kwartier over dien tijd verloren geraakt, zoodat we voorloopig niet kunnen 
vaststellen, wanneer hij zich daar vestigde, welk huis door hem werd bewoond. Daar 
staat tegenover, dat dit een feit is van te weinig beteekenis, dan dat we ons daar voort- 
durend om zouden blijven bekommeren. Het doet tot de kennis van den persoon des 
meesters of van zijne omgeving weinig of niets af. 

Ik meende hierop even te moeten wijzen, vóór ik tot mijn eigenlijk onderwerp overga. 

Een al te vlijtig onderzoek heeft een persoon binnen den kring van des kunste- 
naars na£tste omgeving gevoerd, die geen aanspraak heeft op die eer, daar zij in werke- 
lijkheid slechts bij de dii minores behoorde. 

Die persoon is Rembrandt's voorgewende tweede, of zoo men wil, derde huisvrouw 
Catharina van IVijck. In weerwil van haar zelve, heeft zij zich plotseling door het na- 
geslacht gepaard gezien aan een man, die haar niet heeft gekend, misschien nooit heeft 



EEN HUWELIJK VAN REMBRANDT. 5 

gezien. Zij is dan ook geene indringster. die men bits de deur wijst, maar eene lijdelijke 
figuur, stilzwijgend berustende in een toestand, door haar niet in 't leven geroepen, die 
men den arm ten geleide behoort te bieden, wanneer men haar zachtkens ter zijde voert. 
Het is een plicht der hoffelijkheid, haar weder uit dien kring, waarin zij zich niet 
kan hebben thuis gevoeld, te verlossen. Van uit het schimmenrijk zal zij mij voorzeker 
vriendelijk dankend toelachen, en dit zou reeds eene voldoende belooning zijn, indien ik niet 
overtuigd was, dat het opheffen van dwalingen te allen tijde nuttig en wenschelijk, kan 
't zijn nog nuttiger en nog wenschelijker is, wanneer zij aanleiding hebben gegeven, dat 
een persoonlijkheid als Rembrandt onder een ander licht* werd beschouwd dan hij verdient, 

VosmaeR mocht in zijn levensgeschiedenis niet zwijgen van eene betrekking, die na 
den dood van Saskia bestond tusschen den meesteren zijn dienstmaagd Hendrickie Jaeghers, 
elders met haar patrónym Hendrickie Stoffels genoemd. Het was in het jaar 1654, dat 
Hendrickie zich voor den kerkeraad der Nederduitsch Hervormde Gremeente te verantwoorden 
had over zekere geruchten, den kerkeraad ter oore gekomen, van eene betrekking tusschen 
haar en haren meester, niet passend voor eene jonge ongehuwde dochter. Of zij nog 
gepoogd heeft, de verdenking van zich af te wenden, mogen we betwijfelen, want weinige 
maanden later schonk zij het levenslicht aan een dochter, die bij den doop, waarbij 
Rembrandt als vader stond, den naam van Cornelia ontving. Bestond deze in het oog 
van den kerkeraad evenzeer als voor de wet ongeoorloofde betrekking tusschen beide per- 
sonen reeds lang.^ De archieven wijzen het niet uit, maar laten het vermoeden. Immers, 
reeds in 1652, op den 15*^ Augustus, werd er een kind, dat Saskia niet tot moeder kan 
hebben gehad *), doch dat, blijkens het doodboek van die kerk, Rembrandt LuBBERTSZ. *) 
van Rijn tot vader had, uit het sterfliuis op de Breestraat gebracht en in de Zuiderkerk 
begraven in een eigen graf, waarvan het nummer niet staat opgegeven, en dat, daar we 
in de grafboeken geen graf ten name van Rembrandt vonden vermeld, wel aan een zijner 
* vrienden zal hebben toebehoord. 

Tot voor korten tijd meende men nog, dat des meesters liefde voor Hendrickie 
even spoedig verdween als ze opgekomen was. Doch mijn vriend Mr. G. Moll maakte in zijne 
dissertatie „de Desolate Boedelskamer te Amsterdam" (Amst. 1879) bl. 206, gewag van eene 
resolutie van commissarissen, geregistreerd in de Praeferentie-RoUe deel IV, in dato 
13 Maart 1658, waarbij zij Hendrickie Jaghers toestonden een eikenhouten kast, die 
ongetwijfeld bij vergissing onder Rembrandt*s boedel was opgeschreven en ten verkoop 
aangeslagen, uit den boedel na zich te nemen, indien zij wilde beledigen, dat die kast haar 
eigendom was. Het blijkt hieruit in de eerste plaats, dat HENDRICKIE haren heer na zijn 



I) Saskia liet bij haar dood, voorgevallen in Joni 1642, slechts één kind: Titus na. 

') Het behoeft dunkt me nauwelijks betoog, dat de doodgraver zich hier vergiste, en in stede van Rembrandt 
H^mensx. Rembrandt Lubber is% schreef. De verponding-boeken over dit kwartier van de jaoen 1650 — 5 3 wijzen uit, 
dat er geen andere Rembrandt van Rijn op de Breestraat woonde. 



6 EEN HUWELIJK VAN REMBRANDT. 

ramp niet had verlaten, maar tevens blijkt er uit, dat er in wederzijdsche verhouding 
geene verandering was gekomen. Was zij des meesters huisvrouw geworden, en Avj^ren 
zij in gemeenschap van goederen gehuwd, dan was haar goed met Rembrandt's in- 
boedel verkocht geworden en dan had zij ook geen enkel meubelstuk uit den boedel kunnen 
behouden. Waren zij daarentegen buiten gemeenschap van goederen gjehuwd, dan hadden 
commissarissen den titel, krachtens welken zij afzonderlijk goed kon bezitten, wel dienen 
te vermelden. 

We mogen alzoo vaststellen, dat Rembrandt in 1658 nog niet was hertrouwd. Ja 
het komt mij voor, dat Vosmaer, op gronden, waartegen niets valt in te brengen, aantoonf, 
dat VAN Rijn in Januari 1665 nog niet ten tweede male was gehuwd, (blz. 335.) 

Van deze Hendrickie weten we niets meer dan de drie hier gemelde magere gegevens, , 
tenzij we mogen aannemen, dat overleveringen, die men vroeger op Sa*skia toepaste, maar 
die, sedert mengbaar doopceel heeft kunnen lichten, op haar van geene toepassing blijken 
te zijn, betrekking hebben op de persoon van Rembrandt's tweede liefde. 

Hou BRAKEN verhaalt, dat onze schilder gehuwd was met een boerinnetje van Rarep 
of Ransdorp — (dat kan Saskia niet zijn) — die menigmaal door Rembrandt is afgebeeld. 
Het beeld, dat Houbraken van haar geeft, is kennelijk gevolgd naar Saskia's bekende 
portretten. Houbraken was een leerling van Samuel van Hoogstraten, die op zijn beurt 
een leerling van Rembrandt was. Dat gold voor eene bevestiging van Houbraken's gezag. 
Men weet echter hoe het gaat met overleveringen, en het vermoeden ligt voor de hand, 
dat Houbraken Saskia's portretten voor die van het Ransdorpsche boerinnetje — liever 
boerendochter — hield, die Rembrandt in de laatste jaren, althans van 1652 — 1658, even 
veel als huisvrouw was. Dit vermoeden bracht Dr. Scheltema er toe, om aan te nemen, dat 
Rembrandt in 1656 met Hendrickie was hertrouwd, en om, toen de trouwboeken hier 
ter stede geen licht gaven, dat huwelijk te Ransdorp te zoeken, ofschoon dan om onver- 
klaarbare redenen de huwelijlcsafkondigingen (die toch in de plaats van het wettige domicilie' 
moesten geschieden) hier zouden zijn verzuimd. Daarin ligt het beste bewijs voor het 
niet hertrouwen van den meester. 

Ik zou ieder, die in de persoon van Hendrickie Stoffels belang stelt, durven aanraden 
om in de doopboeken van Ransdorp een onderzoek naar hare ouders en haren leeftijd 
in te stellen. Ik geloof, dat zijn onderzoek niet vruchteloos zal zijn. 

We zeiden zooeven, dat VoSMAER op onomstootelijke gronden aantoonde, dat 
Rembrandt vóór 1665 niet kan hertrouwd zijn. Wat belette hem om zich met Hendrickie 
in den echt te begeven.^ Vele redenen kunnen daarvoor hebben bestaan, waarvan wij 
geen spoor meer zullen ontdekken. Maar er is één, die we mogen gissen. Saskia besprak bij 
testament aan haren echtgenoot het vruchtgebruik der goederen van TiTUS, tot hertrouwen 
toe. 't Is mogelijk, dat Rembrandt buiten deze inkomsten niet kon leven en daarom 
genoodzaakt was een leven in concubinaat te leiden, waar hij onder betere omstandigheden 
een wettig huwelijk zou hebben verkozen. 




EEN HUWELIJK VAN REMBRANDT. 7 

Maar kan het tweede huwelijk dan niet na 1665 hebben plaats gehad ? 

Van 1665 tot 1669 bleven Rembrandt slechts vier levensjaren over. Voorzeker, op 
S7jarigen of op hoogefen leeftijd is een huwelijk denkbaar, maar wie beweert, dat het heeft 
plaats gehad, dient daarvoor betere bewijzen aan te brengen dan die, wdke in het 
bekende boekje van W. BüRGER ^^Rembrandt, Discours sur sa vie et son génie" (Paris 1866) 
zijn aangevoerd voor een huwelijk tusschen Rembrandt en Catharina van Wijck. 

In deze belangrijk geannoteerde uitgaaf van Dr. Scheltema's reeds vermelde Rede- 
voering, maakt de verdienstelijke kunstkenner (pag. 153) gewag vaneene gewichtige ontdek- 
king, die van het hertrouwen van onzen schilder. Dit zou blijken uit een onderschrift 
bij de vermelding van Rembrandt's • begrafenis in het doodboek van de Westerkcrk. 
BüRGER vertaalt hetgeen daar te lezen zou staan, als volgt: 

Le 21 Décembre 1674 Catharina van Wijk la veuve, a déclaré n'avoir aucun moyen 
pour pouvoir démontrer que ses enfants ont eu quelque chose de 1'héritage du père. Ce que 
Catharina Thennis Blankerhoff, la tante, atémoignéêtrevrai*). Présent M. Hinlopen. 

Het verdient opmerking, dat dit huwelijk, zoolang men niet kon bewijzen, dat 
Hendrickie vóór 1665 overleden was, den meester onder verdenking bracht, van de trouwe 
ziel, die jaren lang aan zijne zijde de plaats van Saskia vervulde, te hebben verstooten. 
Mochten wij de acte gelooven, dan zou Catharina tusschen 1665 en 1669 Rembrandt 
nog vader hebben gemaakt van de twee kinderen, die hij, blijkens het genoemde dood- 
boek, bij zijn overlijden minderjarig achterliet. Op deze verrassende ontdekking voort- 
bouwende is Vosmaer het spoor geheel bijster geraakt. Pas had hij uitgemaakt, dat geen 
tweede huwelijk vóór 1665 kon hebben plaats gehad, of hij waagt de gissing, dat een 
paneel in de gallerij van het Brunswijksche museum bewaard, en door hem onder de werken van 
1664 gerangschikt, een familietafereel, waarop eene vrouw met drie kinderen is afgemaaid, wel 
Catharina van Wijck met hare beide kinderen, benevens Cornelia, Rembrandt's onechte 
dochter, kon voorstellen, ofschoon de persoon, die als vader van het drietal de vrouw ver- 
gezelt, op Rembrandt's bekende -portretten niet geleek. Spitsvondig tracht hij aan te toonen 
en zich zelven diets te maken, dat deze personen niet zonder doel zóó gegroepeerd 
werden als we hen op de schilderij kunnen zien, maar dat alles neemt niet weg, dat hij 
later toch weer te weinig van de zaak blijkt te gelooven om in de genealogie van de familie 
VAN Rhijn (blz. 454) èn Hendrickie èn Catharina als echtgenooten te erkennen. Een paar 
\Taagteekens spreken veelbeteekenend voor dien rechtmatigen twijfel. 

Ook ik heb bij de lezing van Vosmaer's en van BüRGER's boeken dienzelfden twijfel 
gevoeld. Ziehier mijne overwegingen. 

Rembrandt werd niet in de klasse der armen ter aarde besteld, en voor zijne 
begrafenis werd alleen aan het recht van de kerk ƒ 15.— betaald. ') Kan men hiermede 



ï) De vertaling is niet geheel juist. Men vergeUjke de authentieke opgave hierachter. 

2) Mr. A. D. de Vries Az. deelde mij uit zijne aanteekeningen mede, dat Rembrandt niet werd begraven in 



8 EEN HUWELIJK VAN^ REMBRANDT. 

rijmen, dat zijne weduwe vijf jaren later zou komen verklaren, dat REMBRANDT als een arme 
drommel gestorven was en bij zijn overlijden niets ter wereld bezat? Rembrandt's werkkracht 
was na de ramp van 1656 niet verlamd. Hij kan dus een voldoend inkomen hebben gdiad. Zijn 
tijdgenooten stelden zich in 't algemeen voor, dat zijne nalatenschap niet onaanzienlijk 
zou zijn. Wel meldt Houbraken, dat hij minder naliet dan men vermoedde, maar van 
armoede rept hij met geen enkel woord. 

Maar daar was meer. Wanneer eenige jaren na het overlijden van een der 
e^chtgenooten de achtergeblevene ter weeskamer verscheen om te verklar^, ^ dat de eerst- 
stervende niets had nagelaten, dan kwam tegelijkertijd een der naastbestaanden der kinderen 
van de zijde des overledenen mede, om de waarheid dier verklaring te bevestigen. Hier 
zien we een tante van de kinderen, Catharina Theunisdr. Blanckerhoff, deze 
verklaring van onvermogen staven. Had er hier geene uitzondering op den regel plaats, 
dan moest Catharina Blanckerhoff, een behuwd-zuster van Rembrandt zijn. Wie had 
dien naam ooit onder de bloedverwanten des meesters aangetroffen? 

Eindelijk had ik nog een derden grond. Het trof mij, dat BURGER, die — ik mocht 
het aannemen — hier wel goed zou hebben vertaald, zeide, dat de bedoelde aanteekening 
geschreven was y,au dessous" van de beg^rafenis-inschrijving, terwijl het mij, bij het raadplegen 
van de doodboeken ter weeskamer, steeds gebleken was, dat dergelijke aanteekeningen 
boven die inschrijving en er om heen werden gesteld. 

Vóór we verder gaan is het noodig met een enkel woord over de inrichting dier 
doodboeken te spreken. 

Volgens de weeskeuren waren de doodgravers van kerken en kerkhoven verplicht om 
wekelijks die dooden ter weeskamer aan te geven, die met achterlating van minderjarige > 
kinderen, of kindskinderen wier ouders vooroverleden waren, begraven , waren. Die opgaven 
werden ter weeskamer overgeschreven in boeken. Gemakshalve had men voor iedere kerk 
of ieder kerkhof een afzonderlijk deel bestemd. Die boeken waren in gewoon folio formaat, 
en op iedere bladzijde werden met de noodige tusschenruimte vier of vijf begrafenissen opge- 
schreven. Die opengelaten ruimte diende om later aanteekemingen of verklaringen als die van 
Catharina van Wijck aan de acte te kunnen toevoegen, of, indien er „bewijs" geschiedde, 
te kunnen verwijzen naar de weesboeken. 

Doodgravers uit dien tijd waren echter, (de goede niet te na gesproken) geen 
menschen, die berekend waren voor eene nauwkeurige administratie, of die genoeg letter- 
kundig waren ' om de namen, die hun werden opgegeven, zuiver te spellen. Niet zelden 
vergaten ze iemand op te geven, niet zelden schreven ze zoo gebrekkig, dat men naar 



graf No. 153, waarin zijn zoon Titus en verscheidene andere van Rhijn''s — ook bij Vosmaer genoemd — zijn 
bijgezet, en evenmin in graf No. 143, dat aan de familie van Loo heeft toebehoord. 

Uit deze aanteekeningen, vermeerderd met hetgeen mij omtrent de van Loo*s bekend was, maakte ik het als 
bijlage hierachter gevoegde geslachtsUjstje van Titus' echtgenoote op. 



EEN HUWELIJK VAN REMBRANDT. 



9 




den naam des overledenen raden moet Werd nu later, wan- 
neer een nagebleven echtgenoot de kinderen „bewijzen" wilde, 
ontdekt, dat de eerst-overleden echtgenoot in het boek was 
overgeslagen, dgn werd op het blad, waarop hij had behooren 
te staan, in zulk een tusschenruimte de begrafenis k posteriori 
ingeschreven en de verklaring op de boven aangegeven wijze 
er om heen gesteld Op deze wijze naderden de schrifturen 
betreffende verschillende personen elkaar vaak op eene lastige 
^^^^ en soms, gelijk ook hier, op eene gevaarlijke wijze. 

Wat toch is het geval. 

De begrafenis van Jan Theunisz Blanckerhoff, die 
2 onmondige kinderen naliet, w^rd door den doodgraver niet 
opgegeven en stond in het register diensvolgens niet vermeld. 
We zeiden reeds, dat dit vaak gebeurde. Toen nu den 21 'De- 
cember 1674 de weduwe, Catharina van Wyck, ter weeskamer 
compareerde om de bekende verklaring te doen, werd dit alles 
zoo dicht in elkaar in dé ruimte tusschen twee begrafenis-acten 
geschreven, dat het mogelijk was het er voor te houdeh, dat het 
betrekking had op den persoon, wiens begrafenis er boven stond 
vermeld. Ongelukkigerwijs was dit Remérandt. 

Ik laat hier ter zijde de geheele plaats uit het register 
facsimileeren, om een denkbeeld van de mogelijkheid van die 
vergissing te geven. 

Rembrant van reyn, schilder rosé 

gracht 8 8ber 2 

den 21 Decemb. 1674 heeft Catharina van Wyck de Weduwe 
verklaert geen mic^delen te hebben om haer kinderen yets 

Jan Theunisz Blanckerhof. 2 

voor vaders erf te kunnen bewijzen, 't welck Catharina 

Theunis Blanckerhof de moey getuygde waeraghtigh 

te syn. prs.(=: present) de Hr.Hinlopen (een van de Weesmeesters.) 

Catharina van Wyck heeft dus nooit iets met Rem- 
BRANDT te maken gehad, althans op 't stuk van een huwelijk 
niet. Zij, zoowel als hare kinderen behooren in Rembrandt's 
gezin niet thuis, nu ze er eenmaal zijn binnen gekomen, moeten 
ze onverbiddelijk naar buiten worden geleid. 

Doch: è quelque chose malheur — in casu: erreur — 
est boni 



10 EEN HUWELIJK VAN REMBRANDT. 

Voorzeker zal Catharina van Wyck nooit hebben gedacht, dat qpen door haar te 
doodverwen als echtgenoot van een man, die de hare nooit is geweest, ten slotte de nage- 
dachtenis van haren heuschelijken man een dienst zou doenl We zullen hierop zoo straks 
terugkomen. 

Maar wie, vraagt men, zijn dan de twee minderjarigen, waarvan het doodboek bij 
de vermelding van Rembrandt's ter aarde bestelling gewaagt? 

Ik geloof, dat ik het U zal kunnen zeggen. 

Zeker is CORNELIA, die op Rembrandt's overlijden den leeftijd van 15 jaren had 
bereikt, een van beide. Maar de andere, juist op deze komt het aan.^ Hier kan, dunkt 
mij, aan geen ander gedacht worden dan aan TiTUS' dochtertje, op 't QOgenblik, dat 
haar goederen ter weeskamer werden aangegeven, den 20 Nov. 1669, pas tien maanden 
oud. Van rechtswege was Rembrandt voogd over dit kleinkind, daar het weesrecht de 
wettelijke voDgdij van de moeder niet erkende* *) Door Rembrandt's dood moest er alzóo in 
de voogdij over twee minderjarigen voorzien worden. 

Toen TiTUS van Rhijn stierf, was zijn kind nog niet geboren. Hij stierf dus kinder- 
loos en daarom vinden we zijn begrafenis ook niet in 't doodboek van de Westerkerk ter 
weeskamer opgeteekend. Weesmeesteren droegen alzoo van 't bestaan van dit kind geen 
kennis, en konden dientengevolge, ofschoon noch TiTüS, noch zijne vrouw, Magdalena 
VAN Loo, de weeskamer had uitgesloten *), niet aanstonds bij de geboorte voor de belangen 
van de halfverweesde TiTUS optreden. Nauwelijks was de legitieme voogd echter ter ruste 
gelegd, of het moest ter Weeskamer ontdekt worden, dat TiTUS' huwelijk niet kinderloos 
was gebleven, en het was de taak van Weesmeesteren, om in de voogdij te voorzien. Drie 
dagen na het begraven van Rembrandt werd daarom Fran(;ois van Byler tot voogd over 
TiTiA VAN Rhijn aangesteld (Voogdij boek D blz. 179). 

Zorgden de Weesmeesters op deze wijze voor een van de twee minderjarigen, die 
door Rembrandt's overlijden onverzorgd achterbleven, aan anderen was .de zorg voor 
CORNELIA, des meesters dochter, opgedragen. Rembrandt had blijkbaar de weeskamer bij 
testament uitgesloten, en evenzeer bij testament een voogd benoemd*). Daarom vinden 
we ook in het weeskamer-archief niets, van hetgeen op deze voogdij betrekking heeft. 
Des te meer kunnen we te weten komen van het beheer, door Fran(;:ois van Bijler over 
TiTiA VAN Rhijn's goederen gevoerd, 't Is niet onbelangrijk daarbij even stil te staan, omdat 
ze ons wellicht een enkele bijdrage voor de kennis van Rembrandt's vermogens- toestand 
gedurende zijn laatste levensjaren verschaft. 

Vooraf zij het ons vergund hier iets in te vlechten over Rembrandt's zoon TiTUS 
VAN Rhijn, wiens geschiedenis ook al niet zuiver tot ons is gekomen. 



^) ^g^« ordonnantie voor de Weeskamer van Amsterdam, art. 36. (Handv. v. Noordkirk LI. 641.) 

') Vermoedelijk zijn beide ab-intestato gestorven. De seclusie van de Weeskamer was reeds te dien tijde 

nagenoeg een vaste formule in het testament geworden. 

') Zoolang de notarieele protocollen niet voor onderzoek openstaan, zal dit stuk, dat evenzeer als de inventaris 

ende scheiding van Rembrandts boedel van 't hoogste gewicht voor zijne biografie is, wel nocit aan *t licht komen. 



EEN HUWELIJK VAN REMBRANDT. U 

Bij de beende gedingen over de moederlijke nalatenschap k^-am TiTUS eerst onder 
voogdij van Jan Verbout, en later van Louis Craeijers. Deze laatste legde rekening 
en verantwoording van de door hem gehoudeti administratie ter weeskamer af den 
22 Juni 1665. Dit blijkt uit den klapper op de rekeningen, deel I, blz. 215. De rekening 
zelve is echter niet te vinden, daar al de rekeningen van de jaren 1643 — '684 ontbreken. 

TiTUS woonde, gelijk we reeds gezegd hebben, bij zijn vader, toen hij op den 
loden Februari 1668 aanteekende met Magdalena van Loo. Na zijn huwelijk ging hij 
inwonen bij zijne schoonmoeder, in y,de Gouden Schael", op den Singel over de Appelmarkt 
VosMAER zegt, dat zijne bruid de dochter was van Dr. Albertus van Loo en van Cornelia 
VAN Uylenburgh en alzoo eene nicht van TiTUS. Hij volgt hier de opgave van D^. Scheltema 
(vgl. Discours p. 68). Reeds gaf Henry Havard in een goed bewerkt opstel getiteld „Ie fils 
de Rembrandt" {PArt et les Artistes Hotlandais^ t. I, p. 83) eenigen twijfel over deze 
familie-betrekking te kennen. Men zal ook moeten erkennen, dat de waarschijnlijkheid er 
niet voor pleit, als men bedenkt, dat Dr. Albertus van Loo een inwoner van Leeuwarden 
was, en dat de verhouding tusschen de beide zwagers nooit van den vriendschappelijksten 
aard was geweest. Mocht men, waar 't geldt een jonkvrouw uit het friesche geslacht VAN Loo, 
verwant aan de edelste friesche familiön, verwachten, dat aan hare opvoeding niets had 
ontbroken^ en dat zij evenals bijkans alle dames van goeden huize, een fraaie hand had 
geschreven, Magdalena van Loo, Titus' bruid, had het in de lofTelyke peniiekonst niet 
zeer ver gebracht. En bovendien voerde de inventaris der bezittingen van TiTiA, door 
Havard gepubliceerd, ons, wat de ligging der vaste goederen aangaat, niet terug naar 
Friesland, maar vrij wat eenvoudiger naar de Gravenstraat te Amsterdam, waar, blijkens 
de verponding-boeken, de Wed. Jan van Loo en Jan van Loo geërfd waren. De hier 
genoemde weduwe Jan van Loo was niemand anders dan ANNA HUYBRECHTS, die bij de 
huwelijksaanteekening van hare dochter Magdalena, als moeder mede voor Commissarissen 
van de huwelijkszaken verscheen, en meter was bij den doop van hare kleindochter TiTiA 
VAN Rhijn. Dit blijkt behalve uit de graf boeken van de Westerkerk, uit een schepenkennis 
van 17 April 1670 (Schepenkennisboek P. P. P. blz. loi), 

Magdalena van Loo was dus een deftige burgerdochter en geen jonkvrouw van 
aanzienlijken huize gelijk men tot dusverre meende. 

De weduwe Jan van Loo werd den 13 Aug. 1669 begraven. Zij had zes kinderen 
gehad waarvan een vóór haar overleden was. De vijf overigen deelden hare nalatenschap, 
en daarom zien we aan TiTiA VAN Rhijn bij plaatsvervulling voor hare moeder een vijfde 
in enkele vaste goederen toebedeeld^). 



*) Behalve V* i"^ vaste goederen, bezat Titia Ys in twee ijzeren kisten, en in „een winckel met eenighe kraeltjes 
en kleijne pareltjes". Deze laatste woorden kon Havard niet ontcijferen. Het vermoeden ligt voor de hand, dat 
de onde Jan van Loo evenals zijn zoon zilversmid en juweRer was. 

Oponerkelijk is het, dat Titia van Rhijn in een paar jaren tijds ouders, twee grootouders, twee tantes en een 
oom verloor. 



12 EEN HUWELIJK VAN REMBRANDT. 

Wij hebben reeds gezegd, dat drie dagen na Rembrandt's begrafenis FRANgoiS 
VAN Byler, haar oom, door de weesmeesters tot voogd over TiTiA werd aangesteld. Hij heeft 
hare goederen voordeelig geadministreerd, maar hij en zijne vrouw deden meer voor haar. 
Op den 26 Februari 167 1 verscheen FRANgoiS VAN Byler voor weesmeesteren om te ver- 
klaren, dat hij geheel voor de opvoeding van zijn pupil zou zorgen, haar te zijnent zou 
huisvesten en y,in kost en kleeding", gelijk men toen zeide, zou onderhouden alles voor de 
som van ƒ 300 's jaars. (vgl. Weesboek 33. blz. 27). Zij is dus met haar neef en toekom- 
stigen echtgenoot opgegroeid. 

Als men den staat en inventaris der goederen van TiTiA, gelijk ze door Havard *) 
worden medegedeeld, aandachtig gadeslaat, dan kan men bijkans bepalen wat zij van haren 
vader en wat zij van hare moeder erfde. Ongetwijfeld ziet men uit het eerste nummer op welke 
wijze Louis Craeijers de goederen van zijn pupil, TiTlA's vader, belegd had, terwijl het 2« en 
3« bewijzen, dat TiTUS, meerderjarig geworden, zijn geld bij particulieren verkoos uit te 
zetten. Te zamen bedraagt dit ƒ 10.000. — , behalve den inboedel, de schilderijen en de 
kunstboeken, onder numero 9 opgegeven, die bij verkoop ƒ 2.000. — opbrachten. De 
nummers 4 tot en met 8 vertegenwoordigen de erfenis van hare grootmoeder VAN Loo, 
waarover ik zoo even sprak. Waren de Inventarissen 1650 — 1700, niet evengoed verdwenen 
als de rekeningen, dan zouden we gelegenheid hebben gehad de kunstverzameling van 
TiTUS nader te leeren kennen. 

Havard heeft ons medegedeeld, dat den 27 Augustus 1670, door Weesmeesters aan 
TiTiA een voogd Pieter sahlier (^ic?) werd toegevoegd om voor haar recht op de goederen 
nagelaten door REMBRANDT VAN Rhijn op te komen, hangende de processen betreffende 
de nalatenschappen van REMBRANDT en van TiTUS van Rhijn. 

Ik stelde mij voor, dat uit het schepen-archief zou blijken, waarover dit proces had 
geloopen. Ik raadpleegde den inventaris van dit archief in 1876 door Mr. W. H. Eli AS opge- 
maakt, en meende reeds van een gelukkige vondst zeker te zijn, toen ik daar vermeld zag, dat 
de ordinarfs rolle van 1661 — 1795 aanwezig was, ofschoon ze eerst met het tiende deel begon. 
Een nader onderzoek op de archief-zolders wees echter uit, dat er een abuis in den inven- 
taris was geslopen en dat de deelen thans gemerkt i en 2 liepen over het tijdvak van Januari 1661 
tot Februari 1665, maar dat No. 3 eerst met November 1674 begon. Een hiaat dus van 9 jaren. 
Andere banden van het rechterlijk archief gaven ook niet wat ze naar de beschrijving te oor^ 
deelen beloofden, zoodat ons hier weder de weg tot verder onderzoek is afgesneden. Hadden we 
maar verlof om in 't archief der notariëele protocollen te snuffelen ! Alle nadere ontdekkingen 
liggen daar als het ware bedolven. 

Ik ben hét niet eens met Havard, als hij op grond van de ontdekking van deze 
procedures zegt, dat Rembrandt insolvent gestorven is. Ik meen, dat daaruit juist het 
tegenovergestelde valt optemaken. Noch de heer Havard, noch ik zou zoo dwaas zijn om 



*) YgL L'art et les artistes HoUandais, t. I p. 95. 



EEN HUWELIJK VAN REMBRANDT. 13 

te gaan procedeeren over eene nalatenschap^ waarvan het bedrag gelijk nul was, en ik 
beweer, dat men in de XVII* eeuw, als 't ,op geldzaken aankwam al even verstandig was . 
Ziet men de beschikking van Weesmeesters, betreffende de benoeming van PlETER Sahlier 
aandachtig over, dan leest men tusschen de regels door, dat Weesmeesters de belangen 
van de minderjarige verkort achtten. Waarschijnlijk had Rembrandt een voordeelige be- 
schikking gemaakt ten behoeve van het kind van Hendrickie Jaghers, waardoor TiTiA 
min of meer werd benadeeld, althans in de oogen van Weesmeesteren. Bij gebreke van de 
stukken in het schepen-archief is het niet uittemaken, wanneer en hoe het proces ge- 
ëindigd is. 

Mogelijk is het, dat we daarvoor toch een vingerwijzing bezitten, in een der ad- 
ministratieve handelingen van FraN(;ois van Byler, Titia's voogd, die opgesomd worden 
achter den staat en inventaris van hare goederen. 

Van Byler incasseerde gelden — o. a. die van den verkoop vaaTlTUS' inboedel — 
en kocht soliede obligatiön daarvoor aan, waartoe hij ter weeskamer de bereids opgebrachte 
gelden lichtte. Tot op 3 Maart 1671 was er alzoo voor TiTiA een som van ƒ S^S^- — ^^ 
kas. Op dien dag liet hij zich die gelden uitbetalen en legde er op denzelfden dag 
eene obligatie ten laste van 't gemeene land van Holland en Westfriesland, dd. 17 April 1653, 
ten name van Jan Six, groot ƒ 10,000. — voof in de plaats. Ik weet niet of deze obli- 
gatiën toen wel a pari stonden, maar ze zullen in 1671 wel hooger dan SiYj Pet. hebben 
gegolden. Al wat van Byler er meer dan die koers voor heeft gegeven, moet TiTiA 
door erfenis verkregen hebben. En die erfenis kan niet gekqmen zijn van hare grootmoeder 
VAN Loo — die erfenis was reeds begrepen in het 1/5 van al de door dén staat en inventaris 
opgesomde vaste goederen *) — evenmin van hare later overleden tante Elisabeth, die 
Sara van Loo en Fran(;ois van Byler tot erfgenamen had nagelaten. Van wien mag 
die nu anders afkomstig zijn dan van Rembrandt, den grootvader, over wiens nalatenschap 
de erven wel een jaar lang kunnen getwist hebben? 

Is deze onderstelling niet te gewaagd, dan levert dit weesboek het bewijs, dat 
Rembrandt*s halve nalatenschap, na aftrek der proceskosten, nog eenige duizende 
guldens bedroeg. 

Te waarschijnlijker wordt deze onderstelling, wanneer men in aanmerking neemt 
dat VAN Byler later geen ontvangposten had te verantwoorden. 



Ik zou 't hierbij kunnen laten, indien ik niet schuldig was te bewijzen, dat de 



<) Men kan hier evenmin denken aan het te gelde maken dier goederen. Was dit geschied dan zouden Wees- 
meesters dit, evenals zij 'c bij de andere posten deden, in margine hebben aangeteekend. 



14 EEN HUWELIJK VAN REMBRANDT. 

vergissing, die Catharina van WijCK aan Rembrandt tot echtgenoot gaf, haren 
wezenlijken gemaal ten goede zou komen. 
Hier moge dus iets volgen over 

JAN THEUNISZ BLANCKERHOFF. 

Deze ware gemaal van Catharina is ook eenmaal lid geweest van het St. Lucas-gild, 
en ook zijn naam is bij het nageslacht niet onbekend gebleven. Jan Theunisz Blanckerhoff 
werd — volgens de bekende biographische werken over Nederlandsche kunstenaars — op 
Kopper-Maandag van den jare 1628 te Alkmaar, waar. zijne moeder vroedvrouw was, 
geboren. In 1640 kwam hij in zijn geboortestad in de leer bij AREND CiNSEER en den 
igdcn October 1649 werd hij als meester aangenomen^). Hij is eenige malen naar Rome 
geweest, alwaar hij den ietwat naar het zihe nat riekenden bentnaam Jan Maat opliep, 
en schijnt juist door vele zeereizen zijn talent voor het schilderen van zee-, haven- en 
kustgezichten te hebben ontwikkeld. Zijn werken zijn zeldzaam, maar aan allen is het 
merkbaar, dat de schilderachtige italiaansche strandgezichten hem in 't hoofd bleven spelen, 
lang nadat hij weder den vaderlandschen bodem had betreden. Hij schijnt een vroolijken, 
levenslustigen, .eenigzins lichtzinnigen aard te hebben gehad en de kenners beweren, dat 
zijn schilderijen aan zijn karakter beantwoorden door hunne lichtzinnige weinig zorgzame 
behandeling. HOUBRAKEN verbaalt ons, dat hij even los van leven als los in 't schilderen 
was, maar hij was geestig en konstig, en dat vergoedde onder zijn kunstbroeders veel. 
Aan die » konstigheid" schijnt hij 't te danken te hebben gehad, dat hij tot twee malen toe 
in de jaren 1665 en 1666, als „ervaare schilder van zeezaaken" door gecommitteerden ter 
admiraliteit van Amsterdam op een goede ^age (die van adelborst) en onder 't genot van 
kost en verblijf in de kajuit werd uitgezonden, om bij de expeditie tegen de Engelschen, 
die toen op touw werd gezet „occasie te hebben van te konnen teekenen oft schilderen 
hetgunt remarquables tusschen de weedersydse vlooten zal komen te passeeren" •). 

't Schijnt, dat hij omstreeks die jaren te Amsterdam woonde. Toch heb ik te ver- 
geefs in de poorterboeken naar zijne aanneming als burger der stad gezocht. 

De berichten van 'zijn dood zijn met elkaar in strijd. HoUBRAKEN vcrliaalt, dat hij 
vroeger altijd gehoord had, dat Blanckerhoff in 1669 te Amsterdam overleden was, ^) 
doch hij voegt er aanstonds bij, dat zekere Johannes Voorhout beweerde, dat hij in 
1674 te Hamburg zijnde, Blanckerhoff daar nog had ontmoet. Johannes Voorhout 
had dit HoUBRAKEN zelf verteld. 



^) Archief voor Ned. Kunstgeschiedenis onder Redactie van Fr. D. O. Obreen, deel II, blz. 30 en 48. 

*) Mededeeling van Jhr. Rammelman Elsevier in de Navorscher van 1853 bl. 161. 

3) In 't Archief voor Ned. kunstgesch. blz. 30, staat achter zijn naam als sterfjaar ook '1669 opgegeven, doch 
*t is in 't oorspronkelijke bepaald later, misschien wel door Houbraken zelven er bij geschreven. Van geen 
anderen daar genoemden schilder uit de XVIIe eeuw wordt het sterfjaar opgegeven. 



EEN HUWELIJK VAN REMBRANDT. IS 

Men ZOU ze^en, 't kan niet duidelijker I En toch moeten we hier aan Houbraken's 
zegsman twijfelen. Hier immers hebben we een ofÜciefil stuk voor ons, waar uit blijkt, 
dat zijne weduwe en zijne zuster ter weeskamer hebben verklaard, dat hij omstreeks den 
8"™ October 1669 in de Westerkerk is begraven. Wonderlijk schijnt het evenwel, dat de 
in het archief van den burgerlijken stand berustende begrafenisboeken van de Westerkerk 
van zijne teraardebestelling geen gewag maken. Wij weten, dat men dit moet toeschrijven aan 
dezelfde oorzaak, waardoor zijn naam werd overgeslagen in de doodboeken der weeskamer. Zulk 
een omissie van den doodgraver, of van den koster, die de kladboeken door den doodgraver 
gehouden, gewoonlijk slechts in 't net overschreef, was in dien tijd niet onmogelijk. Ik 
heb wel gevonden, dat de koster in zijn boek scht-eef: ^begraven Pieter, maar hoe hij 
verder heet, ben ik vergeten" of »nog is er een begraven, maar het briefje, dat ik daar 
van had, is verloren geraakt." Evengoed gebeurde het, dat de doodgraver een doode 
geheel vergat op te teekenen. In sommige begrafenisboeken vindt men dit vele jaren 
later verbeterd, doch dit geschiedde lang niet altijd. Mij dunkt, dat we eene verklaring 
van vrouw en zuster meer moeten vertrouwen, dan die van JOHANNES Voorhout. 

Catharina van Wijck is den 23 December 1674 wederom ten huwelijk aange- 
teekend — ■ we zeiden, dat het doen van „bewijs" aan de kinderen meestal kort voor 
't hertrouwen plaats had, en we hebben hier de proef op de som. 

De acte van kerkelijke huwelijks-aanteekening leert ons, dat Catharina van WijCK, 
weduwe „van Jan BlankerOF seeschilder", wonende op de Achterburgwal bij de Ros- 
marijnsteeg, hart en hand had toegezegd aan Barend Barendsz, een kleermaker, geboortig 
van Munster, weduwnaar van Jannetje Pietersen, te dien tijde op den Singel woonachtig. 

De bewering van Johannes Voorhout begint thans het karakter te krijgen van 
eene beschuldiging van bigamie tegen Catharina van WijCK ingebracht, terwijl de authen- 
tieke acten beslissen voor het bovengemelde „dit-on" van Houbraken. 

De l)erichten voor de levensbeschrijving^ van onzen „ervaare schilder van zeezaaken" 
zijn thans vermeerderd met de wetenschap, dat hij met Catharina vaN WijCK gehuwd 
was, dat hij eene zuster had mede Catharina genaamd, dat hij zonder eenig fortuin 
natelaten, met achterlating van weduwe en twee minderjarige kinderen in 1669 te Amsterditm 
is overleden en in de Westerkerk begraven werd. , >. 



êmi 



i' '? I 



ff 1 8 sËSf 8 Ijs j -" - s-vEï<^ "'S g ö 5rï> 




r.ïf-i 



M 



s< 1 b'|i.sv s.lsisls-l.iï3§ 



r : 









|i?iiillrïl?iifSiirsi|ilf\ 



SlïS-?. 



er o " ■' 



= 5" 5-Sf " '^^ 5=8 qrc 



s sip'i 



i ^*B 






gl^ B 8. B 

ril-! 






VONDELIANA. 



I. 

VERGETEN GEDICHTEN 
Joost van den Vondel, 

DOOR 

Mr. A. D. de vries Az. en J. H. W*. UNGER. 



EEN onzer dichters mag zich verheugen in zulk een prachtige 
uitgave zijner werken als Vondel ten deel viel. 

De twaalf rijk-versierde deelen, die aan de pers der 
Heeren BiNGER het aanzijn te danken hebben, zijn voor elke 
bibliotheek een sieraad en nimmer werd misschien met meer 
liefde een taak volbracht dan die welke Mr. J. van Lennep 
van 1855 — 1868 vervulde, toen hij een zijner lievelingsdichters 
en tevens zich zelven een monument stichtte, dat memgen 
- - - jongere sedert heeft opgewekt tot liefde voor onze letterkunde 

en voor het glorievolle tijdperk onzer zeventiende-eeuwsche geschiedenis. 

Toch worden er personen gevonden, die met minder gunstige oogen de pracht- 
uit^ve aanzien, en die, telkens en telkens teleurgesteld, een der twaalf prachtbanden 
dichtslaan, als ze den inhoud met de oorspronkelijke handschriften of uitgaven van des 
dichters werken vergelijken. Het zijn die vrienden onzer letterkunde, die meer wetenschap- 



18 VONDELIANA. 

pelijke eischen stellen voor het uitgeven van een onzer klassieken dan van Lennep zich 
zelven deed en die het betreuren, dat aan het in het licht geven van Vondel's werken 
niet meerdere studiën van de bronnen zijn voorafgegaan dan in 1855 is geschied. 

Reeds Dr. Penon heeft er in zijne uitmuntende dissertatie over Vondel's 
hekeldichten ^) op gewezen höevele gebreken van Lennep*s uitgave aankleven en 
niemand, die der zake kundig is, zal de juistheid der beweringen van dezen Groninger 
geleerde miskennen. Toch vergete men niet, dat VAN Lennep in dezen .geen oogenblik 
gemeend heeft het laatste woord te spreken en dat zijn doel veel meer is geweest, 
door het uitgeven van een prachtuügave^ Vondel's roem alom te verbreiden dan een streng 
wetenschappelijk werk te leveren. Als bewijs voor deze opvatting van VAN Lennep's plan 
mogen zijne eigen woorden dienen uit een brief aan den heer DE Jager (15 Mei 1850), waarin 
hij schrijft: „Ik moet arbeiden voor een prachtuitgave^ niet voor een eigenlijk gezegde 
kritische uitgave*\ maar vooral ook de omstandigheid, dat een man als van Lennep, toen 
hij zijn taak ondernam, niet begonnen is met het vervaardigen van een bibliografie van 
VONDEL*S werken. Had hij dit gedaan hoe zou zijne uitgave er bij gewonnen hebben ; zonder 
een bibliografie en de studiën, die met het samenstellen daarvan gepaard gaan, is het niet 
alleen onmogelijk de kronologische volgorde der gedichten met juistheid vast te stellen, 
maar is het ondoenlijk den juisten tekst van ieder gedicht op te sporen en de verschillende 
varianten, die zich telkens voordoen, mede te deelen en te bepalen wat in ieder gedicht, 
hetzij door VONDEL zelven hetzij door Brandt of anderen, werd veranderd. 

Zooals de prachtuitgave nu voor ons ligt, stemt zij voorzeker tot dankbaarheid, maar 
niet minder tot onvoldaanheid. Men onthoude VAN Lennep den lof echter niet, die hem 
toekomt; hij heeft, bij zijn poging om VONDEL bij een deel van het Nederlandsche volk in 
huis te brengen, tevens de eerste poging gewaagd om de gedichten kronologisch te rang- 
schikken en door ze in verband met des dichters leven te beschouwen, een beeld van den 
dichter en zijne omgeving ontworpen, dat voor en na hem door niemand met meer juist- 
heid en meer historische trouw werd geteekend. 

Niet alleen om den wille van de juistheid van den tekst en der kronologie echter is 
het Jte betreuren dat het samenstellen van een goede bibliografie aan de uitgave niet is 
voorafgegaan. Hij, die zich met een dergelijk werk bezig houdt, neemt zooveel boeken 
en handschriften, portretten en andere prenten ter hand, die direct of indirect met zijn 
onderwerp in verband staan, dat de verrassingen, die hem* telkens worden bereid, schier 
zonder einde zijn. 

De schrijvers dezer regelen, die zich, na de Vondeltentoonstelling in 1879 (bij welke 
gelegenheid door een hunner een proeve van Vondel-bibliografie werd geleverd in de tweede 
afdeeling van den katalogus ^), hebben vereenigd om te zamen de Vondel-bibliografie 



») Blz. 154 vlg. 

*) Verschenen bij Gebroeders Binger, te^'Amsterdam. 



V o N D E L I A N A. 19 

tot stand te brengen, hebben sedert veel aangetroffen, wat aan van Lennep en de personen, 
die zich na hem met Vondel bezighielden, geheel onbekend is gebleven. Zij wenschen 
in dit tijdschrift een rubriek te openen, om nu en dan het een en ander, wat tot aanvulling 
van VAN Lennep*s Vondel kan strekken, te publiceeren en doen een beroep op de wel- 
willende medewerking van hen, die daarvoor het hunne kunnen bijdragen. Ten eerste 
beginnen zij met de mededeeling van een achttal grootere en kleinere gedichten, die in 
de uitgaven van Brandt (Franeker 1682), van Lennep en van Vloten of in eenige 
vroegere of latere niet voorkomen en dus terecht kunnen worden genoemd : 

VERGETEN GEDICHTEN VAN JOOST VAN DEN VONDEL. 

In de Dietsche Warande van 1875 bl. 389 werd reeds door een onzer een vergeten 
gedicht van VONDEL aan het licht gebracht. Het was een fraai lofdicht „op de Neder- 
lantsche oorlogen van den doorluchtigen Romain Famiaen Strada," te vinden voor een 
Hollandsche vertaling van dit werk, welke van 1655 dagteekent. De vroegere druk ^) 
van deze vertaling, die het jaar 1649 voerde, en die ons toen slechts bij name bekend 
was^ is ons sedert ter hand gekomen^ en wij hebben kunnen constateeren dat het lofdicht 
ook in deze uitgave voorkomt zonder eenige variant aan te bieden. 

In de Spectator van 1879, ^1- ^S^ werd een tweede gedicht van Vondel naar 
een handschrift, dat op het Amsterdamsche archief berust, voor het eerst gedrukt; deze 
hartelijke Wellekomst, die Vondel in het laatst van 1627 zijn Haagschen vriend CON- 
STANTYN HUVGENS toezong, werd nogmaals gepubliceerd door den heer Leendertz in 
den Navorscher van 1880, vergezeld van een antwoord van Huygens, dd. y^Amstelod. 
Januar, 1627." «) — 

Gelijk men weet is er slechts één Fransch gedicht van VONDEL bekend, 't Is het 
lange gedicht dat men voor de eerste uitgave van Vondel's Pascha vindt en dat tot titel 
voert: yMpistre è Monseigneur Jean Michieh van Vaerlaer *) mon singulier anty** 



>) De eerste uitgave werd V Amstelredaniy Gedruckt hij Nikolaas van Ravesteyn A©. cId Id c xlix. De 
tweede: Tot Rotterdam voor AndrUs van Hoogenhuyte, ... 1655. Beide zijn in 8«. 

Waar 't ons mogelijk is, znllen wij nu eu dan iets meedeelen omtrent de Amsterdamsche boekverkoopers 
en boekdrukkers. Tol nog toe is slechts zeer weinig van hunne levensbijzonderheden bekend. Nicolaas van 
Ravesteyn was de zoon van Paulus Aertsz van Ravesteyn; hij ondertrouwde te Amsterdam den 24 Febr. 1635 op 22 jarigen 
leeftijd met Anna Rotgans. Hij woonde toen op de Oostermarkt en werd bij zijn ondertrouw door zijn vader geassisteerd. 
Deze laatste, die te Dordrecht geboren was en bij zijn eigen ondertrouw op den 29 Mei 1608 voorkomt als „letter* 
zetter, oud 21 jaren, wonende tot Dordrecht" heeft zich later te Amsterdam gevestigd. Hij huwde EUsabeth Sweerts 
Manuels dr. (vgl. Kerkelijke huwelijksproclamatien te Amst. van 29 Mei 1608 en 24 Febr. 1635). 

*) Op bi 29 van den Catalogus der Vondel-tentoonstelling vindt men nog een drieregelig versje aan Garbrecht 
Hooft, dat aldaar voor het eerst naar Vondel's handschrift werd gedrukt 

*) In de iCerkelijke huwelijksproclamatien te Amsterdam staat op 12 Nov. 1609 aangeteekend de ondertrouw 
van Johan Michielst van Vaerlaer (geboortig) van Keulen oud 31 jaer won(ende) sedert 13 jaer in de Warmoesstraat, geen 
ouders hebbende, geassisteert met Adriaen van Kossvelt zijn zwager t(er) e(enre) en Chris tina Pieiers Ruijtenborgh 
oud 18 j. won. op de Oudezijds Afterburghwal geass. mst Pieter G2rritsz Ruytenborgh en Aelken Pieiers dr. haer 
vader ep moeder. Zij werden gehuwd in de Oude kerk op 29 Nov. door den predikant Kasparus van der Heijden. 



20 VONDELIANA. 

Van Lennep noemt het terecht hoogst merkwaardig en ten spijt van den gedwongen en 

overdreven stijl ^^gandsch niet ontbloot van gloed." Na de lezing ligt de opmerking voor 

de hand, dat men gerust kan aannemen, dat het slechts te wijten is aan de schaarschheid 

der tot ons gekomen handschriften van VONDEL en aan het feit, dat men zich nog slechts 

weinig moeite heeft gegeven om de bibliotheken te doorzoeken, dat niet reeds meerdere 

Fransche gedichten van VONDEL voor den dag zijn gekomen. De sporen van Vondel's 

studie der Fransche taal beperken zich tot het genoemde gedicht van 1 6 16, zijn vertalingen 

uit Bartas (De Vaderen en de Heerlijckheit van Salomon van 1616 en 1620) en het 

afschrift van HuYGENS onuitgegeven gedicht U anatomie^) dat van 1626 dagteekent. Tot 

hetzelfde tijdperk van Vondkl's leven, een tijdperk dat nog op een nauwgezet onderzoek 

wacht en dat in de laatste jaren al heel stiefmoederlijk is behandeld, moeten twee epigram- I 

men gebracht worden, waarmede wij het aantal van Vondel's Fransche verzen kunnen 

vermeerderen. De aanleiding tot het schrijven dezer epigrammen 'was de volgende. In de jaren 

1615 en 1616 had de zeevaarder Willem Corneliszoon Schouten, die van Hoorn geboortig, 

was, een reis rondom de wereld ondernomen en met Jacob LE Maire ^), die als opperkoopman 

de reis mededeed, een straat ontdekt, welke naar laatstvermelde werd genoemd. Deze 

ontdekking trok de algemeene aandacht, want het omzeilen van de zuidelijke punt van 

Amerika kon langs den nieuwen weg veel gemakkelijker geschieden dan door de nauwere en 

veel gevaarlijker straat van Magellaan. De boekverkooper Jan Jansz, *) te Amsterdam op 

V Water in de Pascaerty gaf in 161 8, ongeveer een jaar na de terugkomst van Schouten, 

diens Journael in het licht, en schijnt VONDEL te hebben aangezocht dit werk met een 

klinckert te versieren. VONDEL voldeed aan dien wensch; men kan zijn gedicht in de 

uitgave van VAN Lennep vinden *). Intusschen moest het journaal ook in vreemde talen *) 

verschijnen en in 1619 gaf Jan Jansz., voor deze gelegenheid „Jan Jansson, libréire 

demeurant sur TEau a la Carte Marine'*, die vertaling in het licht onder den titel: 

- yjjournal ou Description dv merveillevx voyage de Guillavme Schovten .... Comme 
„(en circum-navigeant Ie Globe terrestre) il a descouvert vers Ie Zud du destroit de Magellan 
„un nouveau passages jusques k la grande Mer de Zud. Ensemble, Des avantures admirables 
„qui luy sont advenues en descouvrant de plusiers Isles, & peuples estranges." Het was 



») Cat Vondel. No. 104*. 

*) Zijn vader Isaac Ie Maire was een der voom^iamste begunstigers der expeditie. Jacob Ie Maire mocht het 
vaderland niet terugzien maar overleed op den terugtocht 22 December 1616. 

') Zijn zoon Jodocus Jansonius^ die in 1613 of 1614 te Amsterdam werd geboren en aldaar op 11 December 
1642 met Francina van Offenberg ondertrouwde, was boekverkooper als zijn vader. Elen dochter van Jan Jansz. die 
Susanfia Jansonius genoemd werd, geboren in 1624 of 25, ondertrouwde 7 Januari 1655 met den 26 jarigen boek- 
verkooper JellU Valckenier, die te Delft geboren maar op de ,^eerecay" te Amsterdam gevestigd was. Jellis Val- 
ckeniér werd bij zijn ondertrouw „geassisteert" door Isaack Commelijn (zie de kerk. huw. procl. te Amsterdam.) 

**) .Dl. I bl. 776. Ook hier is het wederom te betreuren, dat van Lennep de varianten niet heeft vermeld ; 
de oorspronkelijke vorm van den Klinckert verschilt veel van den latere. Vondel heeft de drie laatste regels, 
waarschijnlijk in 1644, door geheel andere vervangen. 

*) Over de verschillende uitgaven en vertalingen van het Journal vergelijke men : Tiele les Jourtiaux des 
navigateurs Neerlandais, Amst. Fred. Muller 1867. bl. 40-56. 




VONDELIANA. ' 21 

voor dit 4*. boekske dat Vondel de beide fransche epigrammen vervaardigde, die wij boven 
noemden en waarvan de letterlijke tekst aldus luidt: 

SUR l'admirable navigation 

DE 

GVILLAUME SCHOVTEN. 

Natif de Hoorn. 

EPIGRAMME 

|e Thiphys ^) baptizant les Tritons jamais veus, 
Et rendant tousiours mieux nous F Inde tributaire 
Sur l'autel de Neptune or a payé ses voeux, 

Et s'est fait immortel dans Testroit de Ie Maire. 

A V T R E, 

l'Estroict de Magellan^ mena9ant de naufrage 
Nos Nefs, k deux costez emmuré de Rochers, 
Mettez or en oubli, car d'un plus seur passage, 

Est Schouten porte-clef, pour vaguer 1'vnivers. 

I. V. VONDELEN. 

Onder de bronnen, die voor de letterkundige geschiedenis van onze 17e eeuw in 
het algemeen en meer bijzonder voor de Vondelstudie, nog slechts zeer spaarzaam zijn 
geraadpleegd en die toch veel bevatten, wat tot opheldering van menig duister punt dienst 
kan doen, mogen de dikwijls zeldzame maar toch talrijke liedeboekjes niet worden vergeten. 

Het onderwerp verdient een afzonderlijke behandeling; hij die zich zou willen aan- 
gorden om dezen, dikwijls juist niet zeer helderen, stroom van gedichten te doorworstelen 
zal zijn moeite ruimschoots beloond vinden, wanneer het zijn doel is, gegevens voor onze 
kunstgeschiedenis in den ruimsten zin van het woord, te verzamelen ^). Een liedebóekje 
waarvan ons voor eenigen tijd de inzage zeer verraste is het 12^ boekje dat tot titel voert : 

„Cupidoos Lust-hof, Bestaende In verscheyde Nieuwe Voysen, Minne-klachten Bruylof- 
„sangen, Knip-vaersjes, Kusjes, Lofdichten, Herders-kout, Boere Vrijagien ende andere 




1) Thiphys is de stuurman van het schip der Argonauten. 

^ Als liedeboekjes, die meer speciaal op Amsterdam betrekking hebben, vermelden wij hier: 

Het eerste deel van d* Amsteldamsche Minnezuchj ens t* Amstelredam Gedruckt voor Aeltie Verwou... 
Anno 1643. 

Amsteldamse Vrolikheyt t* Amstelredam. Voor Hendrik Maneke Boeckverkoopsr in de Barrende-steeg, bij 
St. Antonis Merckt in den Sacxsischen Bijbel, Anno 1649 12**. 

Amsterdamsche Vreugdtrumife \ Amsterdam uit de Boeckwinkel van Michiel de Groot 1660. I2^ 

d Amsterdamse Kordewagen, Tot Amsterdam Bij Jacob Vinckel... Anno 1662. 120. 

Over den Amsterdamschen Pegasus vergelijke men het in deze aflevering voorkomend opstel: De Dichter van 
de Roemster van den AemsteL 

Wellicht zal in dit tijdschrift later een volledige opgaaf der Amsterdamsche liedeboekjes verschijnen. 



22 VONDELIANA. 

„Vermakelickheden noyt voorhenen in Druk geweest. Voorgestelt Door de Voomaemste 
„Liefhebbers. t'Amsterdam by Ioa'NNES van DEN Bergh, Boekverkooper bczyden 't Stadt- 
„huys, Anno 1662." ^) 

Het zou ons niet verwonderen, indien dit liedeboekje verzameld was door den 
advocaat-poeet JOANNES Blasius, wiens loopbaan voor van Lennep een raadsel schijnt 
geweest te zijn •), maar van wien heel wat valt meetedeelen, als men de letterkundige en 
tooneelgeschiedenis van het derde vierendeel der 17e eeuw in al haar achteruitgang zou 
willen doorloopen. •) Hoe dit zij, het is niet aan hem, noch aan den poeet-herbergier Jan 
Zoet, noch aan zijne medebroeders in het gild der poëtasters I. Van Breen, I. Bara, 
Dubbels, J. Neuye, M. W. de Jonge, H. Bruno, e. a., wier dichterlijke voortbrengselen 
men in dezen „lusthof* aantreft, dat dit liedeboekje zijn belangrijkheid ontleent Die heeft 
't slechts te danken aan hèt volgende gedicht, dat, voor zoo vér wij weten, na 1662 nimmer 
werd herdrukt en dat wij den belang^stellenden lezer als een der vergeten gedichten van 
den grootsten onzer dichters durven aanbieden : 

BRUYLOF-STRYT. 




|oo droegh Cleopatra, 
In schoonheydt sonder ga, 
Den dapperen Antoon 
Haer Scepter met haer kroon 
5 En rijck op, met haer trou. 
Toen hij na Parten sou: 
Hij dacht om geene Parten, 
Maar koos voor desen slagh 
Een Velt-slagh van twee harten. 

2. 

10 Hy had sijn Fulvia 
Vergeten, alsoo dra, 
Sijn hert, en al sijn sin 
Viel op dees* Coningin, 



1) Joannes van den Bergh, boeckverkoopcr, van Amsterdam geboortig, ondertrouwde 27 Nov. 1659 als 
23 jarig jongman, Joanna Wastelier. Hij woonde toen op de Warmoesgraft. (zie Kerk. huw. pr. te Ams^) In 
welke famieljebetrekking hij stond tot Jacohus van den Bergh, boeckverkooper in de Gasthuysmolen-steegh, naest 
de Heere-gracht in de Amsterdamse Bibliotheeck, die in 166 1 Vondels gulden winckel va nieuw gewaad en in het 
volgende jaar yacob Koemans Schauwspels Beschouwing (v. L. lx 335) uitgaf, kunnen wij niet meedeelen. 

2) V. L. VU. 783. 

*) Sedert wij dit schreven is een studie van Dr. J. ten Winkel over dezen Blasius bij de Erven F. Bohn te 
Haarlem verschenen. 



VONDELIANA. 2S 

Die Caesar, 's aertrijcx roem, 

« 

1 5 Haer eerst ontioken bloem , 
En jeught, had opgedragen: 
En hem, die 't al versloegh, 
Had in haer schoot verslagen. 

3. 

Sy tarte Antoon ten slagh, 
20 Soo dra als sy hem sagh. 

Met dat aenminnigh oogh. 

Met dien gespannen boogh. 

Der winckbrau, met dien schicht, 

En strael uyt haer gesicht: 
25 Sy tart hem aen te trecken, 

Het bedt sal 't vlacke veldt 

Van desen veldtslagh strecken. 

4 

Ontseyt den Oorloogs gast, 

Maer ongeharrenast. 
30 Ontseyt hem naakt en bloot 

Om door een korter dood 

Te raken uyt 't gevecht. 

Sy komen regelrecht 

Malkanderen aengeronnen, 
35 Sy vechten beyd' om prijs 

En blijven beyd' verwonnen. 

5 

Sy. triumpheren bey 
In 't lieflick velt-geschrey, 
Het soet versoet het suyr, 
40 Het heelende quetzuyr. 

De brant den brant verkoelt, 

De pijn wordt niet gevoelt; 

Dan met een soet verlangen. 

De wonden weer so ras genesen als ontfange. 



Reg. 28. Ontseyt =: uitdagen, bestrijden. 

Reg. 36. In den oorspronkeiyken tekst staat verwom/en. 



24 ..V O N D E L I A N A. 



45 De heyrkracht van August 

Heeft nimmer uyt geblust 

Den brant van haer gemoet, 

Noch liefd' tot 's Bruygoms bloet; 

Sy mint heni naer zijn doot, 
50 En geeft haer boesem bloot 

Ten besten wrede slangen, 

Veel eer dan in triumph sich aen August gevangen. 

7. 

Augusta, volght het spoor, 

De dart'le gaet u voor 
55 Op d'oever van de Nijl, 

Geraeckt van Venus pijl: 

Uw Bruygom heet van min 

Haelt u met blijschap in, 

Viert Hymens toorts, en gangen, 
6o En leyt de Bruyt te bed met hemelsche gesangen. 

J, v. Vondel. 

De bruiloftsdichten van VONDEL dragen zeer zeker in velerlei opzicht het kenmerk 
van den tijd, waarin ze vervaardigd werden. Ook in dezen Bruilof-strijt is voor den, misschien 
al te kieschen, smaak van een igeeeuwschen would-be-moralist veel te vinden, wat hij meent 
niet oirbaar te moeten achten: die keurige bedenke echter, dat, wat hij afkeurt, op een 17e 
eeuwsche bruiloft als gewone kost werd beschouwd. Ook dit gedicht is weer een bewijs 
hoe Vondel zich steeds boven het gewone peil weet te verheffen en hoe hij, ook als hij 
„Cupido's Lusthof ' binn.entreedt, al zijne dichtende tijdgenooten ver achter zich laat. Reg, 
53 — 60 duiden aan dat deze „bruilof-stryt" werd gedicht bij gelegenheid van het huwelijk 
van een bruidspaar, waarvan de bruid als Augusta kon worden toegesproken. Het is ons 
niet gebleken wie hiermede kan worden bedoeld. — Er bestaat geen reden het gedicht - 
voor ouder te houden dan het tijdperk, waarin het liedeboekje in het licht kwam. — 

Schijnen de Hedeboekjes slechts zelden gebruikt te worden door hen, die zich met 
onze letterkundige geschiedenis bezighouden en in dit vak een rechtmatigen naam hebben 
verkregen, nog veel minder schijnen zij doordrongen van de meening dat de studie der 
werken van hen, die de beide schitterende phalanxen der Nederlandsche schilder- en g^ra- 
veerschool vormen, bij de. beoefening van hunne wetenschap niet mag worden verwaarloosd, 



Reg. 58. Haelt u\ in den oorspronkelijken tekst staet in voor //. 



VONDELIANA. 25 

maar daarvan een onderdeel moet uitmaken. De zeventiende-eeuwsche schilders en graveurs 
en hunne werken spelen ook in de letterkundige geschiedenis hunner dagen een groote 
rol. Green enkele dichtbundel kan worden opengeslagen, geen enkel dichterleven worden 
bestudeerd zonder dat men zich te bewegen heeft op het terrein, dat meer speciaal als 
kunstgeschiedenis wordt gequalificeerd. En toch hoe weinig zijn de meeste letterkundigen 
op dat terrein te huis. Om bij VAN Lennep te blijven, voor hem is alles wat met de 
Nederlandsche schilder- en graveurkunst in verband staat schier een gesloten boek. Hij 
heeft zich bijna nimmer de moeite getroost een der kunstwerken, die Vondel bezongen 
heeft, te gaan zien en toch was zeker het meerendeel van die kunstwerken zelfs in de stad 
zijner inwoning te vinden. Had hij b.v. aan de graveurs en hunne werkeneenige aandacht 
geschonken van hoe menig gedicht had hij daardoor den oorspronkelijken tekst en het juiste 
laar van vervaardiging kunnen opsporen, van hoe. menig persoon, .die hij in Vondel's 
omgeving aantrof, had hij een schets kunnen geven, van wien hij nu heeft verklaard niets 
te weten en die hij daarom met het voorvoegsel een zekere in het rijk der duisternis doet 
neerdalen. 

Het aantal prenten op welke gedichten van Vondel voorkomen telt men bij tien- 
tallen. ^) De ons bekende leveren al dadelijk een drietal tot nog toe geheel onbekende 
gedichten die in geen enkele uitgave van Vondel's werken worden aangetroffen en die 
wij hier zullen laten volgen. 

Ten eerste dan een bijschrift op een portret van den Haarlemschen priester Willem 
van den Zande. Het portret, een meesterwerk van graveerkunst, dat wij te danken hebben 
aan het graafijzer van den vorst aller burinisten, den in 1658 overleden CORNELIS ViSSCHER, 
, is genomen naar een door P. SouTMAN in 1652 geschilderd portret; het stelt een man van 
ongeveer veertig jaar voor, wiens lange afhangende sluike haren op het achterhoofd door 
een kapje zijn bedekt. Zijn gunstig uiterlijk maakt zijn portret tot een der meest aantrek- 
kelijke van al die welke CORNELIS ViSSCHER *) in zijn korten maar vruchtbaren levensloop 
heeft gegraveerd. Het borstbeeld is gevat in een ovale omlijsting, die voor een muur staat, 
waarop twee brandende graflampen zijn geplaatst, terwijl van boven in het midden het 
wapen ') van van den Zande een plaats heeft gevonden. Het omschrift in het ovaal leert 



') Hiertoe behoort ook een prent van den graveur Reiuier van Persijn (l&ter gecopieerd door zijn leerling 
Hendrick Bary) voorstellende de portretten van de glasschilders Wouter en Diederick Crabeth. De daarop voorko- 
mende gedichten zqn bij VAN Lennep geheel vergeten, ofschoon ze in de editie van Brandt (Franeker 1682) te 
vinden zijn (bl. 590 en 591.) Van Vloten plaatste deze gedichten op het jaar 1671. Zij behooren minstens tien jaar 
vroeger, want Persijns fraaie gravure is gedagteekend (in tweeden staat) 1661. 

•) Wussin wijdde aan dezen graveur en zijne werken een zeer belangrijke monografie. Het portret van van den 
Zande wordt bij hem onder No. 54 beschreven. Comelis Visscher graveerde, zooals algemeen bekend is, ook Vondel*s 
portret, in 1657. (Zie Cat. Vondel-tentoonstelling ï^o. 16.) . 

*) Gedeeld, van boven een paard, van onderen links een zwemmende visch, rechts een famieliemerk. 



26 VONDELIANA, 

ons dat van DEN Zande den 3o»ten Augustus 1614*) werd geboren en 12 October i6sa 
overleed. Onder het portret staat: 

Wie Sande zijnen zwier en ommetreck wil geven, 
Die tekene zijn deught en onbesproken leven, 
En wat in 's Herders ampt vereischt wort en begeert. 
Zoo leeft hij in zijn print godtvruchtigh en geleert. 

I. V. V. • 

Het tweede gedicht vindt men onder de afbeelding van den Amsterdamschen 
pastoor Jacob Vlieger. Ook van Lennep spreekt van dezen geestelijke en zijn portret» 
De gravure zelve is hem echter slechts bekend uit de Batavia Sacra^ en schijnt 
hem nooit onder de oogen te zijn .gekomen. Zij geeft het borstbeeld te aanschouwen van 
een reeds bejaard persoon, die een kapje op het hoofd heeft en in eenvoudig gewaad 
gekleed is. Op den achtergrond rechts hangt aan een kolom een schild, waarop een 
vrededuifje is gezeten. Het schild bevat het volgende opschrift; Ad^. 7?*. D^.M^.Iacobi 
Vligeri Amstelodamensis^ Pastoris fidelisy Memoria. A*. . MDCLI. xxv Apr. Aetatis LXVI. 
Sac. XLll. Op de gravure staat geen naam van graveur, toch durven wij verzekeren dat 
zij het werk is van dienzelfden Dirck of Theodorus Matham, die omstreeks 1640 
Vondels portret ') naar Sandrart heeft gegraveerd en aan wien VONDEL een gedicht *) 
ter eere van den graveur HENpRiCK GoLTSiUS heeft opgedragen. Onder Vlieger's 
portret vindt men deze regels van Vondel: 

Telt vry de Deughden op, die 't Herders-ampt betamen> 
Zy blincken ongemeen in lACOB al te zamen; 
Die vrome Worstelaer, in 'theyligh worstelperck, 
Wort ;?oo best uitgebeelt ter eere van Godts Kerck. 

. IVSTE. 

Waar men Vondel met de spreuk yuste ziet optreden, gebeurt het meermalen dat 
men een latijnsch dichter met de spreuk Pie hem ziet vergezellen. Zoo ook hier, naast 



() Dit geboortejaar schijnt niet van elders bekend te zijn. Van den Zande. die wellicht te Haarlem geboren 
is, werd in 1642 lid der vereeniging, die onder den naam van Het vUumscke orator ie bekend staat. Op 3 October 
1645 werd hij in genoemde plaats Sacellanus curatui, dat is: een der vier priesters aan wien onder één pastoor de 
geestelijke belangen der Katholieken waren opgedragen (vgl. Chronicon congregationis Domini Jesu. Rijssel 1740* 
Batavia Sacra. «nz.) 

«) Cat. VoNDEL-Tent. No. i. 

') Zie V. L. III. 97 vgl. XII. 180. Van Lennep plaatst dit gedicht op 1630, Van Vloten op 1646. Er is 
reden voor om het niet vroeger dan 1644 te plaatsen, want in de uitgave van Vondels gedichten van dat jaar (Cal. 
Vond. Tent. No. 154) komt het niet voor. Van Lennep beweert zeer ten onrechte in de laatst aangehaalde plaats 
van zijn uitgave dat DiRCK Matham reeds in 1646 overleden was. In 1674 graveerde hij nog het portret van den 
Amsterdamschen burgemeester Gilles Valckenier. Wij zullen nog dikwijls gelegenheid hebbeo, op dezen Matham, 
die, evenals zijn vader, een der sieraden der Nederlandsche graveerschool is, in dit tijdschrift terug te komen. 






VONDELIANA. 27 

de medegedeelde regels staat het vierregelig latijnsch gedicht dat Van Lennep (VI bl. 
lOS) meedeelt maar waaivan de ónderteèkening iriet door hem wordt genoemd. Wie de 
persoon is, die zich achter dat Pie verschuilt, durven wij niet raden. Dat hij met 
Vondel in betrekking heeft gestaan is zeker. Niet alleen vindt men op de plano-uitgave 
van Vlieger's uitvaart (Cat. Vondel Tent. N*. 282) de beide zinspreuken onder Latijnsche 
en HoUandsche verzen, maar ook onder het portret van den pastoor Mebius *) treden de beide 
dichters weder te zamen op. *) Maar er is meer, opk onder den Hollandschen koorzang, die 
Vondel's Altaergreheimenissen vooraf gaat (v. L. IV. 459) staat in de oorsppcnkelijke 
edities de zinspreuk PIE ; van Lennep en van Vloten hebben verzuimd die onder^ 
ieekening overtenemen en daardoor het doen \'X)orkomen, alsof deze koorzang van Vondel 
zelven wis. Het is te wenschen dat omtrent dezen, met Vondel in verband staanden 
dichter, op wien niemand de aandacht schijnt gevestigd te hebben, weldra meer licht 
worde verspreid. •) 

Maar laat ons tot het derde der gedichten^ die wij wenschen mede te deelen, over- 
gaan. Het is een bijschrift op het portret van Mr. Claes van Dalen^ Chirurgijn binnen 
Amsterdam. Dit portret is het werk van Antony van Zylvelt een niet onverdienstelijk 
graveur en teekenaar. Hij heeft van Paelen naar het leven geteekend en daarna zijne 
teekeiving in het koper overgcibracht *). Het stelt den heelmeester voor, gezeten bij een 
tafel, waarop eenige opengeslagen medische boeken en een doodshoofd liggen. Hij schijnt 
omstreeks 50 k 60 jaar oud te zijn. Indien dit zoo is, dan kan het portret van omstreeks 
1665 of wat later dagteekenen want blijkens de onderschriften van het portret werd van 
Daelen in 161 3 te Rotterdam geboren •). Vondel's versregels luiden aldus: 

Zoo leeft van DAELEN, met een kennis begenadight. 
Die geen krijghs reetschap zoekt, dat lichamen beschadight. 



I) Ook door Corn. Visschbr baar zijn eigen teekening gegraveerd. Het bijschrift van Vondel vindt men bij 
V. L. VL 124. 

J) Verder vindt men gedichten met de spreuk Pie onder de portretten van Philippus Rovenius, Joannes 
Wachtelaer en Alexander vu, alle door^ Corn. Visscher gesneden, en onder het portret van Stephen Gracht 
door Th« Matham. öok ,,de Bloemkrans van verscheiden gedichten 1659" bevat een zijner gedichten, getiteld „Op 
een Onchristelijk Harder,**' in „de HoUantsche Pamaé'*' vindt men van zijn hand een grafschrift op den pastoor Jacob Olt. 
Nog is ons een plano-blad bekend, waarop drie gedichten met Pie onderteekend, gedrukt zijn, boven welke hetzelfde 
zeldzame prentje van Corn. Visscher voorkomt, dat in den Cat. Vondel-Tent onder No. 303 wordt beschreven. 
Deze drie gedichten zijn : lietzelfde gedicht, dat onder het reeds genoemde portret van Alexander vii staat en twee 
ander* die van 1647 en 1^52 dagteekenen, ter eere van dien Paus, toen hij nog den naam droeg van Fabius Chisius. 

') Er bestaan nog twee in plano gedrukte gedichten waarvan het een onderteekend is Justï tt pie 1649, het 
ander Pie. Het eerste voert tot titel: Goede reys Toegewenscht den... Heere Adriaen Pauw... gaende tot 
vóorspraeck. . . voor den koningh van Engeland, het tweede is getiteld: op de trouwlootheit der Engelschen. 

<) De prent is gemerkt: Antony van Zylvelt ad vivum dellneavit et sculp. 

*) Claes Cornelisse van Dalen van Rotterdam had 13 Januari 1656 zijn poortereed te Amst. gedaan, den 
8 Maart daaraanvolgende legde hijzijnproefvoorhet AmsterdamscheChirugijnsgild af. (Zie de Amsterdamsche poorter- 
lx>eken en het Gildeboék der Amst Chirurgijns, pag. 82). Den 27 Febr. 1665 vinden wij hem als getuige bij den 
-ondertrouw van zijn zoon en gildebroeder Johannes, die toen 24 jaar oud en te Rotterdam geboren was, (zie kerk* 
huw. procl.) Blijkens de verpondingsboeken woonde de vader van 1659 — 1662 op de Brouwersgracht, Noortzijde. 



28 V O N D E L I A N A. / 

Maer huUepmiddelcn, tot 'slichaems beste en nut. 
De heelkunst, die den mensch geneest^ ép 't leven stut, 
Omhelst hij, en herstelt ontstelde ledematen. 
Dat bcelt hem beter uit dan alle kopre plaeten. 

J. V. VONDEL. 

Ook Antonides heeft ter eere van de beide Van Dalens, vader en zoon, lofdichten 
geschreven, die de lezer in zijne werken kan naslaan. ^) 

Staan de drie medegedeelde kleine gedichten van VONDEL onder gegraveerde por- 
tretten, het volgende, waarover wij te spreken hebhen, is ons slechts bekend uit een i8e eeuwsch 
handschrift van dit gedicht, dat bij een onzer berust. Dit handschrift luidt aldus: 

OP D'AFBEELDINGE 

VAN DEN WELEDELEN HEERE 

******* VAN BURGERSDIJCK, 

RAEDT EN PENSIONARIS TE LEIDEN. 

H^ TIBI ERUNT ARTES. 



\ 



Diis leeft de vader, die den stoel der wysheit eerde, 
Noch heden in den zoon, een zenuw van den staet. 
Zoo dickwijl BURGERSDIJCK het burgerrecht verweerde 
Scheen zelf Justiniaen te spreecken in den raedt. 
5 De sleutels staen vergeefs en praelen in het wapen. 
Zoo trou en wys beleit het poortslot niet bewaert. 
Het raethuis magh gerust op zyne zorgen slaepen. 
Als hij ter daghvaert naer het hof der Staeten vaert. 
Grelyckenissen van het lichaem zyn bederflyck, 
10 De verwen van de ziel, geduurigh en onsterflyck. 

J. V. VONDEL. 

Wij behoeven niet te twijfelen of ook dit gedicht kan met gerustheid aan Vondel 
worden toegeschreven. Vooral de beide laatste regels zijn kenbaar Vondeliaansch. Of- 
schoon de voornaam niet genoemd wordt is het duidelijk, dat dit gedicht doelt op den 
Pensionaris Mr. PlETER Bürgersdijk, de zoon van den Leidschen hoogleeraar Franco 
PiETER Bürgersdijk, op wiens hoogleeraarsambt in den eersten versregel gezinspeeld 



*) Gedichten van J. Antonides van der Goes, Amst 1685, bl. 276. 



VONDELIANA. 29 

• 

wordt De zoon, Pieter, werd te Leiden omstreeks 1623 geboren *), hij werd in 1663 
Pensionaris van zijn geboortestad, was van 1670 — 1689 curator der Leidsche Hooge- 
school, en stond zelfs eenmaal op het drietal voor Raadpensionaris. Hij overleed 13 
October 1689. Het portret, dat VONDEL de medegedeelde dichtregels in de pen gaf, is, 
naar ons voorkomt, dezelfde goed geschilderde beeltenis van BüRGERSDijK, die nu in het 
stedelijk Museum te Leiden berust*); hij is op deze schilderij voorgesteld t^r halver lijve, 
zittende in een leunstoel, in de houding van iemand die het woord voert; ter linkerzijde 
ligt een hoed, de achtergrond wordt gevormd door een geel gordijn. Naam van schilder 
of jaartal zijn aiet te vinden ; het kostuum en de leeftijd van den afgebeelden persoon 
wijzen op het tijdperk 1660 — 1670. — 

Zooals men weet, zijn er verschillende rijmpjes in den mond van het volk blijven 
leven, die aan Vondel worden toegeschreven •). Het zal altijd moeielijk vallen te beslissen, 
in hoeverre deze werkelijk aan VONDEL mogen worden toegekend. Dat onze dichter 
zich nu en dan rijmregels liet ontvallen, die door den toehoorder onthouden of opgeschreven, 
voor het nagreslacht zijn bewaard, is aan geen twijfel onderhevig. De verzuchting over 
het Deensche volk is bekend en wordt door Brandt in zijn Leven van Vondel vermeld. 
Dat het rijmpje, dat wij hieronder laten volgen, en dat tot nog toe ongedrukt bleef, wer- 
kelijk van Vondel is, behoeft geen nader bewijs dan ons wordt verschaft door de getuigenis 
van den kunstlievenden Jan Six, die met Vondel zeer bevriend was; Six schreef het 

eigenhandig in zijn Pandora *). Het luidt aldus : 

* 

In deze Italiaensche Braaf 
Regeert de kunsi^ natuur is slaaf. 

J. V. VONDEL. 

Als men bedenkt dat Jan Six een groote verzameling schilderijen, beelden en 
prenten bezat, is de beteekenis van deze, eerst ietwat onduidelijke, regels niet ver te zoeken. 
Waarschijnlijk heeft VONDEL bij of in gezelschap van Six de afbeelding van een Italiaanschen 
bravo gezien en drukte hij in het rijmpje zijn bewondering voor die afbeelding uit. *) 

Amsterdam, 



AMSTERDAM, ) _ , ^^ 

's Gravenhage, ! September 1881. 



1) In het Album Studiosorum werd 9 Febr. 1634 ingeschreven: Petrus BuroersdiciusLeidsnsis, 11, Hon. Causa. 

^ De schilderij (h. 109, br. 90 centim.) is afkomstig van de famielje BuRGERSDijK en nog niet in den Catalogus 
van het Leidsche Museum vermeld. 

>) Vgl. Navorscher I 256, 374, V 333, VI 152, XXV 613, XXVI 19, 292, 396. 
' 4) Deze Pandora bevat in twee deelen aanteekeningen en invallende gedachten van Six over allerlei zaken. 

^) Misschien was die afbeelding de schilderij, welke op de auctie van het kabinet van Jan Six den 6 April 
1702 voor / 6. — werd verkocht en in den Catalogus dier verkooping onder N*. 12 J wordt vermeld als: ^^Een 
Jtaliaansch Trony in een vergulde Lijst ^^ 



HET OUDE DOOLHOF 

TE 

AMSTERDAM. 



D. C. MEIJER JR. 



. I. 

• — 'oK wij, hedendaagsche Amsterdammers, beleven te midden van het 

woelige, bedrijvige leven nog wel eens die oogenblikken, waarin de 
geest zich in zoete droomerij of onder aangenamen kout in oude herin- 
' neringen vermeit — die uurtjes, waarin we ons terugdenken in den tijd 

toen wij, in kiel of korte. jurk, het leven zoo woelig doorstormden, 
binnen hoe enge grenzen het ook voor ons beperkt was, toen we 
zoo weinig noodig hadden om gelukkig te zijn, en toch zooveel genoten! Wij hebben 
nog wel eens die vizioenen, waarin, naast het beeld van vader en moeder, zich de vrien- 
delijke trekken vertoonen van eene goede tante, eene oude ex-baker of een vrolijke kindermeid, 
wier beeld onuitwischbaar in ons geheugen is geprent, omdat het aan hare hand was dat wij 
die uitspan ningsplaatsen bezochten, waar moeder niet met ons kon heengaan omdat zij het 
thuis te druk had. En als die indrukken uit den gulden kindertijd bij ons opkomen, dan 
is het tien tegen één dat de herinnering ons niet ook eens weder verplaatst in de ideale 



|3 



■s *. 






HET OUDE DOOLHOF TE AMSTERDAM. 88 

uitspanningsplaats van de Amsterdamsche jeugd van een halve eeuw geleden in het 

Doolhof. 

Was het Amsterdamsche Doolhof dan een kinderspeeltuin, een schouwburg voor de 
jeugd? Eigenlijk niet. Maar het was het langzamerhand geworden. En dat het in den 
loop der tijden, zonder zelf noemenswaardige veranderingen te ondergaan, zoo van 
bestemnilng veranderde, zulk eene wijziging beleefde in de schatting van het publiek, 
maakt de geschiedenis van eene uitspanningsplaats, die bijna twee en een halve eeuw 
bestond, tot eene merkwaardige bijdrage voor de studie van het volksleven. 

Daalde het Doolhof ten grave aan 't einde van een tijd van flauwheid en verslapping, 
zijne geboorte dagteekent uit eene der schitterendste tijdvakken van de stadsgeschiedenis: 
het eerste vierendeel der zeventiende eeuw, toen de groeiende welvaart en de toestrooming 
der vreemdelingen in het wassende Amsterdam een groot^ aantal nieuwe uitspannings- 
plaatsen in 't leven riepen, en de herbergiers er zich op begonnen toe te leggen om 
gasten te lokken door fijner streeling der zintuigen dan het genot van spijs en drank alleen. 

GoTFRiED Hegenitius bewaarde ons *) de herinnering van de door JOANNES 
Antonides opgerichte muziekzaal „'tHuys te Sinnelust", waarop hij dit versje maakte: 

Heel boven op dit huys, is 't als een Paradijs, 

Daar is 't Fonteyn gcruys, Snaer, Pijpen, soet gekrijs, enz. 

en Mijne Ileeren van den Geregte leeren ons in hun Keur van 28 April 1629 ') hoe 
er in verscheiden herbergen vele waterfonteinen en andere werken opgericht waren om 
daardoor en „door 't geblaes van trompetten, schalmeijen ende andere Instrumenten" op 
tooneelen en platten, zoo in als buiten aan de huizen, een grooten toeloop te lokken. 

Het is aan een dier etablissementen dat het Doolhof zijn ontstaan te danken 
heeft — het Doolhof, 't welk zulk een belangrijke rol in de geschiedenis der Amsterdamsche 
volksvermaken gespeeld heeft, dat het niet te verwonderen is, dat men dikwijls heeft 
gegist naar den naam van den stichter, wiens vernuft of geluk zijne inrichting die zijner, 
in de boven aangehaalde keur bedoelde, concurrenten twee eeuwen heeft doen overleven. 
Nu eens dacht men aan een Chinees> dan aan een buitenlandschen mechanicus; terwijl 
meer ernstige onderzoekers in den tooneeldichter Lingelbach of den graveur de Pas den 
Stichter meenden gevonden te hebben. 

Het te voorschijn komen van de allerzeldzaamste ets, waarvan wij, dank zij de 
welwillendheid van den eigenaar, (den Heer* R. W. P. DE Vries te Amsterdam,) hierbij eene 
reproductie geven'), heeft een geheel nieuw licht verspreid over de oudste geschiedenis 



>) Jtinerarium Frisio Hollandicum, Lugd. Bat. 1630. 

^ Keurboek K. blz. 134. Gedrukt bij Witkamp, Amsterdam in Schetsen, II 91. 

*) Zie over den maker Comelis Florisz van Berkenrode, uit eene beroemde kaartteekenaars- en plaatsnijders* 
familie, het volgend artikel. 



34 HET OUDE DOOLHOF TE AMSTERDAM. 

van het Doolhof. Zij leert ons dat het in den tuin van Senten (Vincent) Peylder ^) was, 
waamevens de fonteinen, die geen minder kunstenaar tot maker hadden dan Jonas Bargois, 
den fonteinmaker van wijlen den Prins van Conti, en nevens ,,plusiurs beaux secrects pour 
les Amatuers" (waarbij wij waarschijnlijk aan physische instrumenten en goochel- 
apparaten hebben te denken) — een doolhof was aangelegd, zooals mpn in dien tijd 
op de buitenverblijven aantrof en waarvan het doel was, in een klein bestek zooveel moge- 
lijk groene laantjes te vereenigen, terwijl het zoeken naar den juisten weg de vroolijkheid 
opwekte en de eentoonigheid verbrak van de zoo kunstmatig verlengde wandeling op het 
kleine terrein. In de toenmalige tuinen voegde het doolhof evengoed bij de parterre perken 
uit allerlei meetkunstige figuren samengesteld, als het, met zijne klassieke herinneringen 
aan het Labyrinth van Creta en het graf van Porsenna, paste bij de vazen en beelden aan 
de Grieksch-Romeinsche oudheid ontleend, waarmede men de buitenverblijven versierde. 
In het, in 1583 te Antwerpen en in 161 5 te Keulen uitgegeven, werk van Vredeman de 
Vries, Hartorum viridariorumque elegantes et multiplicis fortfff^e ad architectoniacae artis 
normam delineatae treft men onderscheidene modellen aan van zulke doolhoven. Vondel 
beschreef in 161 7 een doolhof op een buitenverblijf, in zijn inleiding tot de Vorstelijke 
Warande der Dieren, en Cats legde er later zelf een aan op zijn Sorgvliet. Hoogstwaar- 
schijnlijk zullen ze dan ook wel niet ontbroken hebben bij het landhuis van meer dan éën 
Amsterdammer uit die . dagen •) maar binnen de stads muren was het doolhof in Sente 
Peylders tuijn waarschijnlijk het oudste. 

Wanneer wij op den uitvoerigen platte-grond van de stad door Balthazar Florisz 
reeds twee doolhoven vinden, dan mag de naam van het Oude Doolhof, waarmede reeds 
in de 17e eeuw Peylder's tuin werd onderscheiden, ons doen aaimemen, dat' het in déze 
uitspanningsplaats was dat het eerst een doolhof werd aangelegd. Wij vinden op dien 
platte-grond het doolhof in den tuin van Peylder's herberg, die blijkens onze plaat op de 
hoek van de Prinsengracht en Looijersgracht gelegen was, duidelijk aangegeven. Daar die 
platte-grond van het jaar 1625 is, wordt daarmede tevens de tijd van de stichting aan 
de eene zijde bepaald, terwijl aan den anderen kant de tijd van den aanleg der wijk waarin 
het Doolhof zich bevond niet toelaat aan meer dan twaalf jaren vroeger te denken. Het 
jaar 1614, het sterfjaar van den op onze prent genoemden Prins van Conti geeft tevens 
een gfrens aan, waar binnen wij ons moeten houden om den tijd te vinden, waarin Bargois 
zijne talenten dienstbaar maakte aan het genoegen der Amsterdammers, die Peylder's 
tuin bezochten, om zich te verkwikken aan „goe wijn en bier." 

Een der beide fonteinen (waarvan de grootste, zooals wij hiernevens zien. Jonas 



^) De gissing van den Heer ter Gonw {Volksvermaken, blz. 621), dat Sente Peylder niet de naam van den 
kastelein zou zijn, maar op den met pijl en boog gewapenden liefdegod zou doelen, is wel aardig gevonden, maar 
bij lezing van den geheelen tekst van de prent niet houdbaar. 

*) Bekend is het dat later, in den stijl van tuin-aanleggen, die naar Le Nótre genoemd wordt, de doolhoven 
ook niet op zijde werden gezet. 



HET OUDE DOOLHOF TE AMSTERDAM. 85 

voorstelde, uit de visch komende) stond, blijkens de platte-grond van Balthasar Florisz, 
op eene groote binnenplaats, waarop zich tevens eenig heestergewas bevond, waarschijnlijk 
eene berceau-laan, waaronder tafels en banken voor de gasten zullen gestaan hebben. 
Rondom de binnenplaats lagen de gebouwen, die de ,,heerlijcke kamers en Salen" bevatten, 
waarvan latere stadsbeschrijvers spreken; het hoofdgebouw op de Prinsengracht had een 
plat dak met eene balustrade, van welk plat wij de bestemming hebben leeren kennen uit 
de straks aangehaalde keur ; naast dit plat steekt het koepeldak uit van een aan de 
binnenzijde van het hoofdgebouw aangebracht zeskantig torentje. 

Achter de plaats en door een laag gebouw daarvan gescheiden, lag het eigenlijk^ 
doolhof tusschen schuttingen of muren ; een kleine laan van opgaande boomen of heesters 
onderscheiden we nog tusschen dit doolhof en den muur langs de Looijersgracht; in 't mid- 
den van dien muur is een poortje. 

Nemen wij echter een platte-grond van eenige jaren later ter hand, dan vinden 
wij het terrein merkelijk veranderd en op de Looijersgracht een zestal huizen gebouwd, 
die onze uitspanningsplaats van die gracht afscheidden en zelfs het eigenlijke doolhof 
moeten verkleind hebben. Ook het torentje is verdwenen. 

De gissing is misschien niet te gewaagd, dat wij de merkwaardige adreskaart 
(want wat is onze ets anders?) juist te danken hebben aan de omstandigheid dat de 
herberg nu minder zich zelf aan den openbaren weg afficheerde. 

Was bij de rijzing van de prijzen van bouwterrein in de steeds volkrijker wor- 
dende stad, de verzoeking aan de erven of opvolgers van Sent fEYLDER te sterk geworden ? 
Of hebben wij hier te denken aan een gevolg van de keure van 1629? Bij de keur toch 
waren de fonteinen in de herbergen, zoowel als het spektakel der lokkende muziek op 
de balcons, bepaald verboden, uithoofde de „groote ongeregeltheden" ja „diversche onge- 
lucken en de Inconvenienten van quetsures en dootslagen" die ontstonden, „door de groote 
toeloop ter selver plaetsen van ver scheyde Luyden, waeronder haer allerley boeven, dieven 
ende hoeren mengen." 

Van het eigenlijke doolhof spreekt de keur niet, zoodat dit in geen geval behoefde 
te verdwijnen. Maar ook de fontein bleef bestaan ; althans zij was nog twee eeuwen later 
op dezelfde plaats, — hoewel het beeldhouwwerk van Bargois slechts verwonderlijk kort 
er op geprijkt heeft, want de fontein had, zooals we later zien zullen, reeds in de helft 
der zeventiende eeuw een geheel anderen vorm, — 

Het is genoegzaam bekend, dat keuren als die, welke we hierboven aanhaalden, 
in dien tijd niet altoos nauwgezet werden nageledd, en men dikwijls de oogen sloot voor 
hare overtreding. Scheltema en Witkamp gissen ook, dat de Doolhof- herberg bij de 
regeering in zulk een goed blaadje stond, dat men van haar de wegruiming van 't fontein- 
werk niet zal hebben geöscht i), maar dat de bebouwing van den zoom van het etablisse- 



1) Het is zelfs niet onmogelijk dat Peylder*s tuin de eerste van dien aard was, en de kenr meer bepaald 
tegen zijn navolgers te velde trok. 



^ 

y 



86 HET OUDE DOOLHOF TE AMSTERDAM. 

ment met burgerwoonhuizen, waardoor het meer aan 't oog van den voorbijganger werd 
onttrokken, met het oogluikend in stand blijven in verband stond. 

In dit gev^ zou het eerst in 1629 geweest zijn, dat het Doolhof aldus van den hoek 
van de I^oijersgracht terug gedrongen werd, en achter de huizen verscholen raakte, maar 
hiertegen valt in te brengen, dat reeds op een plattegrond van Claes Jansz. Visscher 
de huizen aan 't begin van de zuidzijde der Looijersgracht voorkomen ; en die kaart is 
slechts weinig jonger dan die van Balth. Florisz, blijkens de weinige bebouwing van de 
Haarlemmerdijk, die er op aangegeven is; zelfs schijnt hij van vóór 1626 te zijn, want de 
aanplemping en bebouwing van de Zuidzijde van de Staalstraat komt er nog niet op 
voor. Het gaat dus moeielijk om de verkleining van Peylders etablissement tee te schrijven 
aan de gevolgen van de keur van 1629, die Bargois (zie hierachter blz, 43) slechts 
weinige maanden overleefde. 

Hoe het zij, Amsterdam verloor zijn doolhof niet. Ja de inrichting kreeg binnen 
kort een nieuw leven door een toevoegsel, dat de populariteit der doolhoven gedurende 
meer dan twee eeuwen in Amsterdam zou waarborgen. Dit toevoegsel was de beelden- 
galerij, en het is didrvan dat de eer misschien toekomt aan den man dien Wagenaar den 
roem geeft van de uitvinder der doolhoven te zijn, aan David LinoelBACh; 



(IVortÜ vervolgd). 



De plaatsnijder en LANDMETER 

CORNELIS FLORISSEN VAN BERCKENRODE 

EN ZIJN FAMIELJE, 
M". A. D. DE VRIES A z. 



NDlEN men datgene bestudeert, wat in verband staat met de 
vraag wie de etser is van de zeldzame afbeelding der twee 
fonteinen van het Amsterdamsche doolhof, waarvan in dit tijd- 
schrift den belangstellende een reproductie wordt aangeboden> 
ligt de opmerking voor de hand, dat velen van hen, die zich 
hebben neergezet tot het bijeenbrengen van gegevens voor 
de geschiedenis der Nederlandsche graveerkunst, ons een doolhof 
hebben gesticht, dat met het van ouds beroemde Amsterdamsche, 
gerust kan wedijveren. Brengt men hulde aan Vincent PevlDERS, Jonas BargOIS en de 
LiNGELBACHEN, men onthoude die hulde niet aan Kramm, Bodel NijenhüIS e. a. Het 
ïs een hoogst moeieUjke zaak in het kunsthistorische doolhof door hen opgericht, den weg 
te vinden en dikwijls doet men verstandig het links te laten liggen. Gaan we 't echter 
voor ditmaal een oogenblik binnen. 

De prent is gemerkt: C. FlORIS F(ecit); Kramm, de eeiyge die van de prent 
melding maakt, bespreekt haar in het aanhangsel van zijh lijvig werk (bl. 54,) en schrijft 
-aar toe aan CORNELIS FlORIS DE JONGE. Reeds hier brengt hij ons in een doodloopend laantje. 






88 CORNELIS FLORISSEN VAN BERCKENRODE. 

Hij heeft toch met dezen Cornelis Floris de Ionge *) den broeder van den beroemden 
Antwerpschen schilder Frans FLOkis op het oog. Behoeft het nog betoog voor hem 
die in de prentstudie geen vreemdeling is, dat deze prent niet het werk is van dien Antwerp- 
schen bouwmeester, den vader van het Antwerpsche stadhuis en het huis der Oosterlingen 
aldaar. Al zijn van de hand des bouwmeesters geornamenteerde beginletters in de Liggere 
der Antwerpsche St. Lucasgilde te vinden, al treft men nu en dan ornamenten aan, die naar 
zijne inventie, misschien door hem zelven, misschien door anderen zijn in prent gebracht, 
reeds het feit dat de bouwmeester in 1514^) werd geboren, is voldoende, om de gelijk- 
luidendheid, van den naam spoedig over het hoofd te zien, en ons door deze niet van de 
wijs te laten brengen. De man tot wien wij'ons hebben te wenden is een Noord-Nederlander, 
naar mij voorkomt van onvervalschten bloede; hij behoort tot een bekende plaatsnijders- 
familie uit het begin der 17* eeuw, en draagt gewoonlijk den naam van 

CORNELIS FLORISSEN VAN BERCKENRODE. 

Ook bij Kramm wordt deze, zij 't ook zonder verband met onze prent, vermeld; 
hij weet echter niets bijzonders van hem meé te deelen, maar verwijst naar de » zoo 
belangrijke verhandeling" van Mr. J. T. Bodel Nyenhuis. De bedoelde verhandeling werd 
den 30*'* Januari 1845, ii^ï^ de vergadering der Tweede Klasse des Kon. Nederl. Instituuts" 
voorgelezen en bevat voor hem, die ze er uit weet op te diepen, werkelijk enkele 
belangrijke mededeelingen. Zij verscheen later in druk en draagt tot titel: »Over de 
Nederlandsche Landmeters en Kaartgraveurs Floris Balthasar en zijne drie zonen: onbekend 
aan de levensbeschrijvers.'* 

Over Cornelis Florissen, een der drie bedoelde zonen, zijn de mededeeling van Mr. Bodel 
Nyenhuis» niet juist gelukkig. Behalve de vermelding van twee naar zijne opmeting en 
teekening gemaakte kaarten van 1629, komen die mededeelingen op het volgende neer: 

I". Er is reden CoRNEUS Florissen voor den oudste der zonen van den land- 

» 

meeter en goudsmid Floris Balthasar te houden. 
2°. Hij kan geboren zijn omstreeks 1590. 
3^ Hij werd misschien als Cornelius Florentii Leydensh o^ 15 April 1603 te Leiden 

als student ingeschreven en studeerde misschien onder Ludolf van Ceulen 

of Snellius. 
4**. Hij trouwde te Delft met Catalina Aelbrecht den 10 Februari 161 3. 
S*. Het is niet zeker of hij zelf gegraveerd heeft. 
Deze onderstellingen en mededeelingen, waarvan de voorlaatste waarschijnlijk uit het 



*) Passavant. Le peinire graveur III p 105 vermeldt eenige prenten die hij aan déten Cornelis Floris toeschrijft. 
Van de door hem en ook door Kramm vermelde ,^otessen" bestaat een tweede deel, waarvan de titel luidt: 

Veelderley nUwe inuentien van antyeksche sepultueren dietmn nou teer gebruykende is met noch teer fraey^ 
grootissen en compertimente teer bequaemg voer beeltsniders antycksniders schilders en alle constenaers gedruckt by 
my leronymus Cock 1557 C, Floris invent. Libro secundo cum gratia et privilegio. Ik vond dit tweede deel in het, 
aan ornament-prenten zeer rijke, Kopenhaagsche kabinet. 

•) Zie V, D. Branden. Geschiedenis der Antwerpsche schilderschoolp, ij 4. F&ss9\Sint stelt 1518 als zijn geboortejaar 



CORNELIS FLORISSEN VAN BERCKENRODE. 3^ 

■ 

archief te Delft is opgespoord, maar daarin, naar 't schijnt, niet terug kan gevonden worden, 
zijn geheel in tegenspraak met datgene, wat de door mij geraadpleegde officieele bronnen 
ons doen weten. 

In de kerkelijke huwelijxproclamatién van Amsterdam vond ik namelijk den onder- 
trouw van Cornelis Florissen van Berckenrode aldus vermeld: 

6 September 1630. 

Compareerden voor Commissarissen Cornelis Florissen van Berckerode van Delfts out 22 
J^^^t g^^^ ouders hebbende ^ geassisteert met Balthazar Florisz zijn broeder^ woonende op de 
egelentier sgr acht ^ plaetsnyder^ en Susanna Florijn Anthonis van A(m8terdam) geassisteert 
met Anthonis Florijn haer vaeder, wonende in de verwerij. 

Of^^^^^^CiP ^0^^ Ca^ Chrföwï^ SussANNA Florijn. ^ 

De geboden syn in de france Kercke sonder verhinderinge gegaen. 

In het trouwboek van de fransche gemeente staat de voltrekking van het huwelijk 
aldus aangeteekend : 

I d^Octobre Cornelis Floris de Beroede et Susanne Florin^ 
terwijl de bijvoeging der woorden ^au Jlamen^^ ons doet weten, dat de inzegening in het 
hollandsch heeft plaats gehad. 

Wij leeren uit het bovenstaande, dat Cornelis Florissen van Berckenrode geboren 
werd te Delft in 1607 of 1608. Wij zien dat hij in 1630 te Amsterdam op de Egelantiersgracht 
woonde, dat hij i Octobei* van dat jaar is getrouwd met Susanne Florin, en dat hij zeer 
zeker de kunst van plaatsnijden beoefend heeft. Des heeren Bodel Nijenhuis mededeelingen 
zijn daarmede voor goed, dunkt mij, weerlegt; alleen de opmerking dat Cornelis de oudste 
zoon van Floris Baltesers zou geweest zijn, verdient nog bespreking. Wenden wij ons 
daartoe een oogenblik tot dien vader en zijne andere zonen. 

Ook omtrent den vader deelt de heer Bodel, behalve een opgave van zijne kaarten 
en historieprenten, het een en ander mede; zijn geboortejaar is hem echter onbekend 
gebleven en ook de vraag welke zijn geboorteplaats is, wordt niet beantwoord. Wat zijn 
huwelijk betreft is hij gelukkiger; op bl. 2 en 3 van de verhandeling wordt medegedeeld 
dat Floris Balthazar, die als goudsmid, plaatsnijder en landmeter voorkomt, in Februarij 
1589 te Delft in het huwelijk trad met Dircktgen Zijmons van Overvest.*) 

Floris Baltesers heeft zijn Dircktgen spoedig verloren en vergeten. Immers reeds 



« 1) Mr. J. Soatendam, oud-archivaris van Delft, bevestigt mij de juistheid dezer mededeeling en meldt mij dat 
dit huwelijk den 10 Februari 1589 werd voltrokken. Floris Baltesers is driemaal getrouwd, want in de Resolutien 
der Staten Qeneraal vindt men op 6 Febr. 161 7, volgens mij verstrekte inlichting van den heer A. Bredius, geboekt : 

Aan Heyltgen Gerrits, weduwe van wijlen Floris Balthatar de somme van 30 £ die haar %ijn toegeldt 
vQor neecker Caerte van Rijnlandt affgemeten ende gemaect bij den voor»: Balthazar saliger ende aan hare Ho: Mo: 
gepresenteert, 

Bodel heeft deze resolutie gekend (zie bl. 24 zijner verhandeling) maar verzwijgt den naam der weduwe. 



40 CORNELIS FLORISSEN VAN BERCKENRODE. 

op 31 Augustus 1590 werd door commissarissen van huwelijkszaken te Amsterdam, de 
ondertrouw ingeschreven van: 

Floris Balthasars van Delft, gotdstnit OUDT OMTRENT XXVij JAREN wonende tot Delfft, 
hem opleggende sijne geboden aldaar mede te laten doen en daervan betooch in te brengen ter 
eenre ende Anna Thomas Claesdr. van Gorck{om) oudt omtrent XXi Jaren wonen{de) inde 
warmoestrate in den gulden sleutel, geassisteert met Willem van den Bossche en diere van 
Ganderheyden hoer susterl[ingen) ter andere zijde, 

y^ >*) n Anneken Thomas. 

In 1 591 werd aan Floris Baltesers te Delft een zoon geboren, die niet, zooals men 
volgens de mededeelingen van den heer Bodel zou vermoeden, den naam van Comelis maar 
dien van Balthasar ontving. Dit blijkt uit de volgende jcerkelijke huwlijks-proclamatie te 
Amsterdam, waaruit men behalve het jaar van geboorte en dat van zijn huwelijk nog te 
weten komt, dat Balthasar Floris in 1622 reeds drie jaar te Amsterdam in de Reestraat 
woonde, welke bijzonderheden tot nog toe onbekend waren. 

Ziehier den letterlijken tekst.- 

Den 23 Julij 1622. 

Balthasar Floris van Delft , plaetsnijder, oudt 31 jaeren, geen ouders hebben(dé) 
woonen(de) 3 a(nn)is in de reedestraet en Adriaentgén Comelis ^) van Rotter(dam) wed{uwe 
van Leenaert Francks: de Coster Jan Jacobs verclaert dat haer man In Indien gestorveniSy 
woon(ende) 3 a{nn)is int Romenijstraetien en verclaerde 1 1 maenden wed(uwe) te sijn geweest. 



^a 



éit^a^'^Zn^ Adriana Cornelis. 



Deze Balthasar Floris, hij noemt zich later ook van Berkenrode, dien we reeds hier- 
boven ter loops hebben genoemd als getuige bij het huwelijk van zijn 16 of 17 jaar jongeren 
broeder Comelis, is de meest beroemde van zijne familie geworden. Aan hem dankt 
de stad Amsterdam het meesterwerk van graveerkunst dat het mogelijk maakt den geheelen 
toestand der stad in de 17* eeuw in alle bijzonderheden voor onze oogen te doen herleven. 
Zijn werk dat uit een aantal kaarten en historieprenten bestaat \s nog meer dan dat van 
zijn vader een afzonderlijke studie waard. 

Dat van den vader vindt men beschreven in Meijer's Allgemeines Kilnstler Lexicon 
in voce Balteser 2). Ik kan daarbij no^ voegen dat de hellebardier, waarvan bij Meijer 
sprake is, op het prentenkabinet te Amsterdam berust. Deze prent, die de gebreken heeft 



I) Bodel t. a. p. bl. 51 heeft haar in de Notulen van de Raad van State van 1647 aangetroffen onder den naam 
van Adriana van Schagen. 

*) Van Meyer No. 2. „Boeren door soldaten in een dorp overvallen" zag ik te Brunswijk een staat met adres 
van C. J. Visscher. 



L 



CORNELIS FLORISSEN VAN BERCKENRODE. 41 

welke gewoonlijk het graveerwerk van goudsmeden aankleven, is gemerkt: F. B.Aö i$97. 
Nagler i) heeft haar aan een Duitschen goudsmid toegeschreven. Niemand zal dit met 
hem eens zijn als men weet dat het twee regelig onderschrift, dat hem onbekend bleef, 
aldus luidt: 

Des Landts Weluaert Moet sijn Bewae(r)t -Door Desen die an 
Elcken Cant Voor T uaderlandt Haer trou Bewijzen — C(um) P(rivilegio). 

X Een nog geheel onbeschreven prenije van Floris Baltasers, dat in de manier der 
Wierixcn is gegraveerd, zij hier tevens vermeld: 

' PORTRET VAN EEN EDELMAN (OLFERT FÜCHS ?) 

h. 130. br. 97. 

Borstbeeld van een man in de kracht van het leven, met ^knevel en kinbaard, het 
lichaam naar links, het gelaat naar voren gewend. Om den hals draagt hij een breeden 
geplooiden kraag. Zijn wambuis is met borduurwerk versierd en gesloten door een rij 
ronde knoopjes. Ter rechterzijde naast het hoofd een familie-wapen (kruithoom vergezeld 
van zes leliën). Het ovaal om het portret bevat geen omschrift, al schijnt het daarvoor 
bestemd. In de vier hoeken is tusschen loofwerk een jacht voorgesteld; van boven links 
een haas, rechts een hert, beiden door een hond achtervolgd ; van onderen rechts een wild zwijn 
door een hond gevolgd, links een jager in i6e eeuwsche kleeding, het geweer over den 
schouder en vergezeld van een drietal honden. Onder het ovaal: 

Reddüur artificis speet andus imagine dextrae ; 
phidiaca Olphardtis fucius in tabula, 

In den achtergrond rechts ter hoogte van den schouder gemerkt: F B. 

Wij keeren tot CORNELIS FLORISSEN en zijne prent van het Doolhof terug, na nog eerst 
de mededeelingen van Bodel, betreffende den tweeden zoon van Floris Baltasers : Frans Floris 
te hebben aangevuld, met de vermelding dat deze,' blijkens een door hem geteekende 
^Affleyckening hoe den Coninck van Java Mayor onderleyt heeft d' stadt Batavia te 
vermeesteren," in 1629 „Gezworen landmeter der stad Batavia" was. *) Er blijkt uit de 
aanteekening op deze kaart voldoende dat deze Frans Floris wel degelijk, evenals zijne 
broeders, den toenaam van Berekenrode voerde, hetgeen Bodel gemeend heeft te mogen 
ontkennen. 



') Nagler's Monogramij^ten^ No, 1928. 

*) Cf. een artikel, met lithographische reproductie der teekening van Frans Floris van Berekenrode, door P. A. Leupe, 
in de Bijdragen voor Taal- Land- en Volkenkunde van Indie N. Reeks II 305 vgl. De teekening berust in het Oud 
Koloniaal Archief te \ Gravenhage. Fred. Muller vergist zich als hij in zijn Katalogus van Historieprenten, naar aan- 
leiding van het artikel van Leupe, meedeelt dat er nog een tweede kaart van Batavia bestaat, die door Frans 
Floris van Berekenrode is gegraveerd. Leupe zegt dat aan Ilessel Gerrits is^ opgedragen een dergelijke kaart te 
graveeren. In 1640 was Frans Floris weder in Holland. (^Archief voor Kunstgeschiedenlsy III, bl. 85.) 



42 CORNELIS FLORISSEN VAN BERCKENRODE. 

Het aantal prenten van CORNELis Florissen van Berckenroöe is uitermate gering, 
wat terecht verwondering wekt, als men bedenkt, dat hij bij zijn ondertrouw bepaald verklaart 
het vak van plaetsnyder uit te oefenen. Behalve de prent van het doolhof zijn nog slechts 
twee') kaarten aan te wijzen, waaraan de naam van Cornelis Florissen is verbonden. 

De eerste is een kaart van de „belegheringhe der stad 's Hertogenbossche" de 
tweede een „nieuwe perfecte Kaerte van d'Yselstroom, met een gedeelte van de Veluwe 
waer in curieus naer de mate vertoont wert den inval van Graef Hendrick van Berg," *) 
Of Cornelis Florissen deze kaarten zelf g%raveerd heeft, is aan twijfel onderhevig. Op 
beiden vindt men slechts vermeld, dat hij ze g^emeten en geteekend heeft. De kaart van 
„d'Yselstroom" komt mij voor eerder van de hand van Claes Visscher te zijn, bij wien zij is 
uitgegeven; de andere kaart, die met een zeer fraai, met beelden van Minerva en Mars 
prijkend, cartouche is versierd, is fraai geötst, maar biedt geen genoegzame overeenkomst 
aan met de prent van het doolhof, om in dezen te beslissen ; zij verscheen bij Judocus Hondius. 

Indien zij, die de prenten menigmaal in rare, fort rare, tres rare, extrhnement 
rare, infiniment rare^ presque unique en unique onderscheiden, de afbeelding van de 
fonteinen van het doolhof moesten beschrijven, zij zouden zeker niet aarzelen de laatste 
hoedanigheid op deze prent toe te passen. Een tweede exemplaar is dan ook niet bekend.') 

Reeds uit het artikel *) van den heer D. C Meyer Jr., heeft men kunnen zien, 
dat de prent na 1614 is verschenen. Nu wij weten, dat het geboortejaar van Cornelis 
Florissen in 1607 of 1608 moet worden gesteld, is het duidelijk, dat de ets van niet vroeger 
dan 1622 kan dagteekenen ; niemand toch zal meenen, dat die prent het werk is van een 
knaap jonger dan vijftien jaar. Dat zij van voor 1629 dag^eekent, meen ik evenzeer te 
kunnen aantoonen. Immers uit het opschrift: 

Mr, Jonas Bargois Ie fontenier du defim 
monsingnver le prynce de conty 

Il a fait ces deus Fontaines icy dans 

le Jardyn de defun Seant peldres quy fait la 

Coin de Praince graf e le loiers on y vend de 

* 

Bon Vijn e la Biere EN Amsteldam il a plusiurs 
Beauw Secreets pour les Amateurs 

blijkt m. i. voldoende dat Jonas Bargois, toen de prent gemaakt werd nog in leven was. 
Zijn dood had plaats in November 1629, Dit bleek mij uit het begravenisboek van de 
Walen kerk te Amsterdam, waarin ik vond aangeteekend : 



1) Muller noemt er in zijn Catalogus van historieprenten drUy maar hij beschrijft tweemaal dezelfde kaart; eerst 
onder No. 16 10 daarna onder No. 1621. 

*) Muller Catalogus van historieprenten No. 1610 en 1639. 
•) De prent is breed 402 en hoog 311 mm. 
<) Vgl. bl. 30 van dit tijdschrift. 



CORNELIS FLORlSSEN VAN BERCKENRODE. 43 

i6 November 1629 Is begraven Jonas 
Bei^oys oudt 46 jaer 
wonende int doolhoff 
laet I kindt na /8.— 

Het begravenis-boek van de Walen^kerk te Amsterdam bevat voor ons echter een 
nog belangrijker bericht; zooals wij zagen was de twee-e n-twintigj ar ige Comelis Klorissen 
den I". October 1630 met Susanne Florin gehuwd. Niet lang zouden zij door den echt 
verbonden blijven. In het laatst van 1635 het jaar waarin, volgens Wagenaar, i) meer 
dan 8000 menschen te Amsterdam aan de pest stierven, trof de famielje Florin slï^ op slag. 

Men vindt daarvan aldus in het genoemde begravenis-register melding gemaakt: 

8 Novemb. 1635, Is begraven Jacguomine Florin oudt 14 jaeren in de 

verwerye t ' • • f 8. — 

26 Nov. 1635, Is begraven Gillebert Florin oudt 24 jaeren in de verwerye 

sonder kinderen f 8. — 

dito. Ia begraven Cornelis Florissen in de Calverstraet .... ƒ 8. — 

8 Dec. 1635. Is begraven Susanna Floryn oudt 30 jaer sonder kinderen 

in de verwerye f 8. — 

Men ziet in één maand werden vier personen der famielje Florin door den dood weggerukt. 
Tot deze vier behoorde Cornelis Florissen, die toen in de Kalverstraat woonde en eerst 27 of 
28 jaar oud was. Zijne vrouw, die, zooals nu blijkt, een paar jaar ouder was dan hij, 
volgde hem twaalf dagen later in het graf. Zij liet geene kinderen na, en schijnt bij haar 
vader') in de verwerye, dat is in de buurt van de Raamgracht, gestorven te zijn. 



') Betcbrijving ï«ii Amsterdim. II, 531. 

*] Deze, AntOBj Florin, slierf blijkens het begravenisboelc eerst in Augustus 1646: 24 Augustus 1646 labegraven 
Antony Floiyn sonder kinderen in de verweiye ƒ 10.13. 



BIJDRAGEN TOT DE GESCHIEDENIS 

Amsterdamsche Potten- en Plateelbakkerijen, 



Mr. N. de roever. 



I'. De KL. 



Oudste berichten, — De Pottenbakkerswijk binnen de muren der stad. — Verwijzing der 

Pot-ovens buiten de, stad. — De nieuwe Pottenbakkerswijken. — 

De eerste Plateelbakkers. 



ET behoeft geen betoog, dat de ofltwikkelingsgang der mensch- 
heid aan geene bepaalde plaats gebonden is, zoodat achter- 
eenvolgens de vruchtbare Nijloevers, de beigen van Hellas 
en de, zeven heuvelen van Rome de helden op het gebied 
van den vooruitgang zagen geboren worden. Evenmin zijn 
de godinnen van kunst en industrie bedeeld met eene groote 
mate van bestendigheid of voorliefde voor de plaats, waar ze 
geboren of gevestigd zijn. Veeleer zijn zij het liefste dtór, 
waar men den besten sier maakt, waar rijkdom en welvaart 
' hand aan hand gaan, waar het geestelijk en maatschappelijk 
leven het hoogste stadium van bloei heeft bereikt 

Waren in de middeneeuwen de steden van Vlaanderen niet beroemd om hare aan de 
kunst verwante industriCn, wier producten alle markten van Europa vervulden, en stroomen gouds 
van heinde en ver deden samenvloeien in de schatkist van den vlaamschen leeuw ? En nog, in 
weenvil van zoovele eeuwen, die er liggen tusschen dit tijdperk en het onze, is de goede naam, die 



5!|ïp?W-'Cf 






r penteekaiingen van ^. ij. ^Iraidzen. 



T^ie Hz. €o m dl. 



AMSTERDAl^CHE POTTEN- EN PLATEELBAKKERIJEN. 47 

zij zich mochten verwerven, niet weggestorven; nog dwingt alles wat daarover van 
lieverlede aan 't licht is gebracht, ons bewondering af voor ' den krachtigen vlaamschen 
stam der middeneeuwen en der renaissance, den standaardheffer van de vrijheidsbeginselen, 
den stam, waaraan onze XVI« en XVIP eeuwen op 't gebied van kunst en nijverheid 
— om van ander gebied niet te gewagen — zooveel zijn verplicht. Wat zijn die steden 
thans? Waar vindt men de straten, die nu als voor eeuwen te eng blijken, om de volks - 
drommen te bevatten, die zich spoeden naar werkplaatsen en weefgetouwen ? Wat was het 
schilderachtige Brugge, of het vrijheidlievende Gend, wat waren Leuven, Mechelen en 
zoovele andere thans kleine steden langen tijd anders dan belg^sche „villes mortes", die 
bezocht werden omdat ze bijkans levend gestoffeerde musea van oudheden waren, waarin 
eerst de stoom weder nieuwe levenskracht vermocht te wekken? De bloeiende fabrieken 
kwamen van lieverlede in verval, de inheemsche kunsten stierven uit, meesters en werk- 
lieden verhuisden in dagen van woeling en strijd, vertrokken naar 't Noorden, d'oü vient 
la lumière, om daar in de schaduw van den weligen oranjestam datgene te zoeken, wat ze 
evenzeer als de vrijheid van denken in 't vaderland moesten missen: bestellingen en loon. 

Maar 'ook hier Heten de godinnen van nijverheid en kunst zich geen standvastigen 
tempel bouwen. Veranderlijkheid is een kenmerk van haren geest, en toen de pruiken- 
tijd in aantocht was, had de eene zoowel als de andere reeds elders hare tenten opgeslagen. 
Toch bleven er nog lang daarna genoeg sporen van haren eertijds machtigen eeredienst 
over. Onze voorouders uit de XVIII* eeuw waren er e'chter de menschen niet naar om smeulende 
vonken tot een helder vuur aanteblazen, indien die vonken niet in den politieken haard waren 
blijven liggen. Ze gaven zich nauwelijks de moeite om opteteekenen, wat voor de kennis 
der toen bestaande of bestaan hebbende industriën belangrijk, onmisbaar was, zoozeer waren 
hunne grillige hoofden vewuld met den politieken kruier of den patriotschen babbelaar, met 
de droombeelden van vrijheid, gelijkheid en broederschap. 

Daaraan is het toe te schrijven, dat wij bijna alles wat we daaromtrent willen 
weten — en 't zal voorloopig wel onvolledig blijven — uit het archievenstof moeten op- 
delven. Daaraan moet men het wijten, wanneer men groote oogen ziet opzetten, als men 
vertelt, bewijst, dat een tak van nijverheid, wier voorbrengselen we nu eenmaal onder den naam 
van de een of andere stad kennen, ook elders ijverige beoefenaars vond en bloeide. Wel 
heeft men gehoord van Utrechtsch trijp (velours d'Utrecht), van Delftsche wandtapijten of 
aardewerken, van *Leidsche lakens, van Goudsche pijpen, en — willen we het buiten de grens 
van ons vaderland zoeken — van Venetiaansche glazen, maar weinige Amsterdammers hebben 
er ooit aan gedacht, dat er onder al die producten van voorvaderlijke nijverheid een groot 
deel geschuild heeft, dat in hunne eigene geboortestad, door Amsterdamsche kunstenaars 
en Amsterdamsche industriëelen werd vervaardigd. Toch is het een feit, dat in den 
bloeitijd van Amsterdam binnen hare telkens verengde vesten alle takken van nijverheid, 
waarvan ik zoo even sprak, zetelden en werk gaven aan eene groote schaar van bekwame 
welvarende handwerkslieden. Binnen Amstels muren zoudt ge op die wijze Utrecht en 



48 AMSTERDAMSCHE POTTEN- EN PLATEELfAKKERIJJ^N. 

Delft en Leiden en Gouda ') en Venetië, ja, weet ik welke steden niet al meer, vertegen- 
woordigd hebben gevonden. Toen waren er kooplieden genoeg om die goederen te 
verzenden, te verhandelen, maar wat meer zegt er leefde toen eene burgerij, die er prijs op 
stelde huis en haard te sieren met produkten van eigen, vaderlandsche kunst. Viel een 
voorwerp van buitenlandsch fabrikaat in den smaak, dan wist men den vreemdeling de 
kunst om het te vervaardigen af te kijken, of men noodde hem over de grenzen en stelde 
hem in de gelegenheid zijn industrie hier te lande uitteoefenen. Lands- en Stads-bestuur 
gingen daarin op onbekrompen wijze voor. Zij gaven rentelooze voorschotten en vrijdom 
van belastingen, zij lokten verdienstelijke vreemdelingen herwaarts en begiftigden hen 
met het burgerrecht of gaven hun huisvesting op stadskosten. De Magistraat zag de 
hieraan ten koste gelegde sommen met woeker beloond in de toenemende welvaart der 
burgerij. 

Wie zich de moeite wil geven bergen oude boeken en papieren te doorsnuffelen 
zal het bewijs vinden voor wat ik hier beweerde, en belangrijke fabrieken, thans in ver- 
getelheid begraven, aan die vergetelheid kunnen ontrukken- 



Ieder die U, waarde lezer! een schoon stuk aardewerk zal laten zien, zal u daarbij 
tegelijk vertellen, dat het een product van Delftsche nijverheid is, ofschoon er geen geringe 
kans bestaat, dat het voorwerp Delft nooit heeft gezien. Immers, in vele steden van ons 
land waren plateelbakkerijen, en in Amsterdam moeten er een menigte hebben bestaan. 
Te Delft vond men echter het grootste aantal. Of nu al de delftsche fabriekanten juist de 
schoonste waren hebben geleverd, acht ik nog niet bewezen. Wanneer producten als aardewerk, 
die de breekbaarheid in hun nadeel hebben, een hooge vlucjjt nemen en veel worden 
verkocht, dan mag men, geloof ik, daaruit afleiden, dat ze bizonder goedkoop zijn geweest 
en dat de kunstvaardigheid bij de bewerking wel wat te wenschen zal hebben overgelaten. 

Alle delftsche plateelen zouden thans zeker niet in den smaak vallen^ want uit den 
aard der zaak werkten de meeste fabriekanten voor den geringen man, die 't uit het Oosten 
aangevoerde porcelein niet kon betalen, en slechts weinige fabrieken zullen, als de thans 
algemeen bekende fabriek van den Heer Thooft, alleen artikelen hebben afgeleverd, 
die in de woningen der aanzienlijken het porcelein vervangen konden, of eene vergelijking 
daarmede doorstaan. 

Maar, hoe dit zij. Delft geeft nu eenmaal zijn naam aan al het blauwe aardewerk, dat 
oorspronkelijk naar het voorbeeld van het oostersche blauw gemaakt, langzamerhand 
een eigen nationaal karakter heeft gekregen. 



') In verschillende gedeelten van de Jordaan hebben pijpenbranderijen bestaan, waarvan wij het aandenken 
bewaard vinden in een viertal „Pijpenbrandersgangen*'. Uit de huwelijksinteekenboeken teekende ik een aantal 
„toebacks-pypen-maeckers" op, en bij *t wegruimen van een der bolwerken bij de Zaagpoort in 1871 heb Ik frag- 
menten van gewerkte pijpjes gevonden, waarvan sommigen *t Stads wapen: de drie kruizen droegen. De beroemde 
Amsterdamsche glasblazerijen hoop ik later in een artikel te behandelen. 



AMSTERDAMSCHE POTTEN- EN PLATEELBAKKERIJEN. 49 

Ieder Hollander weet, dat de heer Henry Havard zich ten opzichte van de geschie- 
denis der Delftsche plateelbakkers zeer verdienstelijk heeft gemaakt Hadden wij Hollanders 
op 't punt van kunsthistorie — om van andere punten te zwijgen — meer eergevoel, dan 
zouden we met schaamte erkennen^ dat weer een vreemdeling deze belangrijke bladzijde 
van 't boek onzer nationale grootheid het eerst heeft opgeslagen, en we zouden ons beijve- 
ren te verzamelen en aan *t licht te brengen wat de tijd nog heeft gespaard. Maar we 
leggen . er ons over 't algemeen'rustig bij neder, en verheugen er ons over, dat Havard 
in"t fransch schreef en onder die vreemde vlag de Delftsche plateelbakkers in alle bliblio- 
theken van kunstkenners en kunstliefhebbers binnenloodste. 

Wie heeft een poging gedaan om de nevelen te doorboren, die de geschiedenis van 
de Lddsche laken- of van de Utrechtsche trypfabrieken bedekken? Zou dat minder der 
moeite waard zijn? Of zijn de bronnen verdwenen? 

Er is hier te lande weinig, te weinig belangstelling in hetgeen de geschiedenis v^n 
kunst en industrie aanbelangt. Wat Havard vond, had ieder onzer landgenooten kunnen 
vinden. Wie weet of hij wien het hoUandsch moedertaal is zelfs niet nog meer had kunnen 
opsporen, wat Havard onvermijdelijk over 't hoofd moest zien. Wie slechts aan 't werk 
gaat kan bijna zeker zijn van belangrijke resultaten, al dient hem niet altijd het geluk, als 
het Havard diende. 

De vruchten van een onderzoek naar Amsterdamsche plateelbakkerijen wil ik hier 
mededeelen. Ze zijn geenszins onbelangrijk in mijn oog. 

De Heer Havard had het geluk in het Delftsche archief stukken te vinden, waaruit 
hij de merken van verschillende bakkerijen kon overnemen. Zoo rijk als het delftsche is het 
amsterdamsche archief helaas niet. Vormden de potten- en psLtvncn-verkoofiers met de glas. 
verkoopers hier ter stede een sedert 1676 van de tinnegieters afgescheiden gild, depotten- 
plateel- en steentjesbakkers kenden het afzonderlijk gilde- verband niet, en het zal daarom 
vrij moeielijk zijn om de merken van de amsterdamsche plateelbakkers te leeren kennen. 

De reden hiervan is niet ver te zoekfen. 

Te Delft vormden de plateelbakkers wel evenmin een afzonderlijk gild, doch de stede- 
lijke overheid controleerde de merken van de fabrieken, omdat de minder bekende fabrie- 
kanten zich niet schijnen ontzien te hebben om de merken, die het meeste aftrek vonden, 
na te maken. De merken werden dus door de plateelbakkers gedeponeerd en door de overheid ^ 
geregistreerd. In Amsterdam schijnt dit niet noodig te zijn geweest, of laat ik liever zeggen, 
dat ik er niets van ontdekt heb, want we zullen toch wel niet mogen aannemen, dat de goede 
trouw, met spreekwoordelijke overdrijving hoUandsche trouw genoemd, te Delft minder werd 
geëerbiedigd dan te Amsterdam. Nu we niet zoo gelukkig zijn geweest als de heer Havard 
om de geregistreerde merken te vinden, blijft ons één redmiddel over, en dat is, de namen 
der fabriekanten zorgvuldig op te schrijven en te hopen, dat we later hunne initialen in de 
merken terug vinden, of, wanneer we de namen der fabrieken hebben opgespoord, dat we 
te eeniger tijd berichten omtrent hunne aardewerken in handen krijgen. 



50 * AMSTERDAMSCHE POTTEN- EN PLATEELBAKKERIJEN. 

Maar, vraagt ge, zoo de plateelbakkers tot een der galden behoord hebben — en dit 
moet men toch aannemen — bestaat dan niet de kans, dat ge in het archief van dit gild, 
althans een spoor van de fabriekanten of van hunne merken ontdekt ? 

Ik moet erkennen, dat die kans zou bestaan, en ik zou er haast durven bojg voor 
blijven, dat hier te vinden was, wat we begeerden, indien het slechts mogelijk ware om 
die archieven te raadplegen. De gildestukken van potten- en plateelbakkers hebben eens 
berust in de archiefkisten van het St. Lucas-gild, waarvan het gemis maar al te vaak 
door den kunst-historicus wordt gevoeld en betreurd. 

Onze plateelbakkers moeten wij dus onder de broeders van het St. Lucas-gilde zoeken. 
Mogen we hierin het bewijs zien, dat oudtijds het handwerk van potten en plateelen 
bakken naast de kunsten stond aangeschreven, of hebben we hier eenvoudig te denken aan 
eene bijna willekeurige, althans op vrij oppervlakkige beweegredenen steunende indeeling 
door den magistraat f Ik aarzel op deze vraag een beslissend antwoord te geven. Slaan 
we een blik op oude schilderijen, waarop maaltijden zijn afgebeeld, en waarop men, gölijk 
b. V. op het ten stadhuize bewaarde schuttersstuk van CORNELIS Anthonisz., de schutters 
uit het midden der XVI* eeuw zich zien bedienen van platen rood gebakken aardewerk, 
daar waar hunne kleinkinderen borden van tin, en wij borden van porcelein zouden bezigen, 
dan voorzeker krijgt men geen hoog denkbeeld van de kunstvaardigheid dier St. Lucas- 
broeders. Maar wanneer wij zoo vele kruikjes en kannetjes zien, met het Amsterdamsche 
wapen prijkende, waaraan men aanstonds bemerkt,- dat de werkman, die ze draaide en 
versierde, gevoel voor vorm en ornement moet hebben gehad, dan matigen wij ons harde 
oordeel en erkennen, dat ze toch zoo onwaardig niet moeten zijn geweest, om naast schil- 
ders en beeldhouwers, figuursnijders en glasschrijvers, naast borduurwerkers, tapitsiers en 
andere kunstenaars in het gilde der kunst' plaats te nemen. 

Toch valt er iets te zeggen voor de meening, dat de regeering van oppervlakkige 
^ overwegingen uitgingfj toen zij den potten- en plateelbakkers St. Lucas tot patroon gaf. 
Immers onder 't gilde van den kunstvaardigert evangelist werden allen beschreven, die zich 
„geneerden," gelijk het heette, y,mit penceel of verwe." De pottenbakker, die Vernis op zijn 
producten streek, of verf op de gevormde klei bracht, voldeed dus, hoe primitief zijne kunst- 
vaardigheid ook geweest moge zijn, en hoezeer dit „zich geneeren met penceel of verwe" 
in geenen deele de hoofdzaak van zijn handwerk was, aan de voorwaarde, die de overheid voor 
een gilde van St Lucas stelde. Op gelijke wijze waren oorspronkelijk allen, die den hamer 
voerden onder *t St. Eloyen-gilde, allen wier werk het was te dragen onder St Joosten gilde 
gegroepeerd. Zulk naief systematiseeren is in de middeneeuwen geenszins ongewoon. 

Wellicht vraagt iemanc], die zich den oudsten gildebrief van St. Lucas te binnen brengft, 
op welke gronden ik de pottenbakkers het schild van dien evangelist liet volgen; waar 
de bewijzen zijn voor mijn betoog, dat zij geacht werden „penceel of verwe" te gebruiken? 
Noch pottenbakkers, noch plateelbakkers worden in de keur van 20 Juli 1 597 bij name 
gehoemd. Ik moet dit inderdaad toestemmen ; in den aanhef somt de keur alleen op schil- 



A^STERDAMSCHE POTTEN- EN PLATEELBAKKERIJEN. 51 

ders en glazenmakers, beeld- en figuur- d. i. plaatsnijders, borduun\'erkers en tapis«ier\verkefs, 
maar vóór zij spreekt van „alle andere ambachten zich met penceél of verwe generende" — 
waaruit men alzoo mag opmaken, dat de keur niet 1 imitatief maar enunciatief sprak — noemt 
zij nog het ambacht der leij'Werkers. Het is duidelijk, dat we bij dit woord leij-werkers 
niet te denken hebben aan leidekkers of leisnijders, die in de gilden-groep van de met- 
selaars tehuis behoorden. , We moeten dus naar een andere, oudere beteekenis van dit 
• ril^j" zoeken. We zouden echter het zoeken niet spoedig kunnen laten varen, als niét 
een paar' keuren van lateren datum een juistere lezing van dit woord hadden aan de hand 
gedaan. De ampliatie-keur op genoemden St. Lucas-gildebrief^ welke den 14 Januari 1621 
werd afgegeven, en waaruit -^- ik kan het hier als nader bewijs voor het bloote 
enunciatieve van dien ouden gildebrief bijbrengen — nog blijkt, dat de compasmakers, de koffer- 
makers en gedeeltelijk ook de boekverkoopers en boekbinders tot het gilde der kunst 
behoorden, noemt glaij-werkersy terwijl de brandkeur van 1597 (Keurboek H blz. 107) 
waar zij in art. 26 bepaalt, dat geen „pottebackers,estrickbackers,y<f/fyï^wr>t^r^, noch plateel- 
bakkers*' hun beroep binnen de stadsmuren mochten uitoefenen — (later bij brandkeuren 
veranderd en afhankelijk gesteld van het verlof van de stedelijke overheid) — ons weder 
een nieuwen vorm leert kennen, die ons beter den weg wijst. 

Leijy glaij en geleij zijn drie vormen voor één woord, voor één begrip. Trachten 
wij, vóór we tot de noodzakelijke verklaring van de overige hier genoemde en thans 
nagenoeg in onbruik geraakte woorden overgaan, de beteekenis van dit woord vast te 
stellen. Het bekende Etymolog^cum van KiLlAN stelt ons daartoe in staat. Het Kxotvatgleije een 
zelfstandig naamwoord, dat verwant is met het werkwoord g/eijsen — (twee overoude vormen) — 
en zegt, dat het een soort van pottenbakkers-aarde beteekent, die na het bakken glimmend 
of blinkend wordt. Gleijwerk is dus een soort van glimmend, gebakken aardewerk, gelijk 
b. V. — KiLlAN haalt zelf het voorbeeld aan — het bekende majolica-aardewerk, dat op 
Majorca, een der Bafearische eilanden werd vervaardigd. In 't oud-duitsch beteekent Gleije 
barnsteen, en in 't algemeen alles wat glinsterend, doorzichtig of doorschijnend is. Daarom 
meende KiLlAN in dit woord den grondvorm voor ons woord glas te hebben ontdekt. 
Van hier tot op het denkbeeld van glazuur is de overgang gemakkelijk. We mogen dus 
vaststellen, dat alle soorten van gebakken aardewerk, die hetzij door den aard der kleisoort 
waaruit ze werden gebakken, hetzij door een later opgebracht vernis of glazuur een blin- 
kend aanzien ' kregen, oudtijds gleij^werken werden genoemd. Gleijwerkers waren nüi de 
fabrikanten va^n zoodanig aardewerk. Zij worden insgelijks onder den naam van verglaesde^ 
wercx^backers in sommige boeken van 't Amsterdamsche archief genoemd. 

Rest ons de verklaring der overige namen van beroepen, welke kennelijk aan dat der 
gleywerkers verwant. zijn en daarom gezamenlijk in de brandkeur van 1 597 genoemd worden. 

Het vf oord plateelbakker levert geene moeielijkheden op. Een plateel is een schotel. Zoo 
sprak men in de zestiende eeuw van tinnen plateelen, die bij 't gewicht werden verkocht. 
We vinden het in het franschè „plat," in het engelsche „platter" en in eenige andere 



52 AMSTERDAM9CHE POTTEN- EN PLATEELBAKKERIJEN. 

talen van den indo-germaanschen taaistam terug. De plateelbakker was t&a gley-werker^ 
die voornamelijk tafelserviezen en dergelijke artikelen maakte; zijn i)eroep werd met dezen 
naam onderscheiden van die ambachten, die alleen hun werk maakten van het bakken van 
de grovere soorten, als pannen, potten en kruiken. 

Estrik-bakkers zijn de makers van onverglaasde vloertegels, die men in Amsterdam 
„bakken" pleegt te noenien. Het woord estrik, dat wel in eenig verband zal staan 
met eest of est = oven, is te Amsterdam geheel in onbruik geraakt, maar in andere 
plaatsen van ons "vaderland nog bekend. Men had ze oudtijds in verschillende kleuren met 
figuren versierd en niet versferd. De eerstgenoemden zouden als modellen voor de tegen- 
woordig weder in zwang gekomen mozaïek vloertegels goede diensten kunnen doen. Ik 
heb voor eenigen tijd in de grachten van de ruïne van Brederode eenige oude roode en 
zwarte nauwelijks 6 vierkante centimeters groote vloertegeltjes gevonden, die onvergla&sd 
waren. De estrikbakker staat dus op één lijn met den steen- en den dakpannen-bakker. 
Schoorsteen-steenen, die men in oude haardsteden van de zestiende eeuw ontdekken 
kan en die vaak met schoone arabesken en beeldfiguren en-relief zijn versierd, zijn voor 
'tmeerendeel mede niet verglaasd. Men mag de estrik niet verwarren met de verglaasde 
muurtegeltjes, die — te Amsterdam althans — jn de wandeling blauwe steentjes werden 
genoemd. Het zou dunkt mij eigenaardig zijn de oude voorvaderlijke, goed hoUandsche 
benaming van estrikvloeren, weder in te voeren. 

De verglaasde tegels of blauwe steentjes waren voor de vloerbedekking natuurlijk 
minder geschikt. Des te beter dienden ze voor muurbedekking. Het was een groote verbetering 
toen men in plaats van de muren met kalk te bestrijken de witte of blauwe steentjes ging 
gebruiken. De om hare zindelijkheid beroemde hoUandsche huismoeder heeft er steeds eene 
groote voorliefde voor gevoeld, een voorliefde, dié wij te gereeder kunnen deelen, omdat 
ons kunstgevoel, even als dat van onze voorouders, gestreeld wordt zoowel door de beha- 
gelijke kleuren als door de aardige teekening Van de v,landschappen,'* de „soldeniers", de 
„kinderspelen", de „blompotten" en zooveel voorstellingen meer als men op die steentjes 
zien kan. Het versieren, beschilderen van deze steentjes gaf aan verscheidene schilders, 
meer bizonder steentjesschilders genoemd, een middel van bestaan. Er zijn steentjes, 
die het kenmerk dragen van door ware kunstenaars te zijn beschilderd, ja de grootste 
schilders rekenden zich daartoe niet te gering. Door de daarop gebrachte gla- 
zuur, — email pleegt men het tegenwoordig te noemen — waren zij evenzeer geschikt 
voor het bekleeden van buitenmuren. Enkele voorbeelden binnen onze goede stad 
zijn daarvan bekend. Op een dezer komen wij straks terug. Het schijnt, dat men in de 
XVIIe eeuw niet de bezwaren kende, die tegenwoordig bestaan, tegen het aanhechten op 
eene duurzame Wijze, althans de voorbeelden, waarvan ik zooeven sprak, hebben heugenis 
van een paar honderd jaren. 

Volledigheidshalve hebben we nog eene verklaring te zoeken voor een woord^ dat wel 
is waar in de aangehaalde keuren niet is voorgekomen, maar dat niet onbekend kan blijven 



AMSTERDAMSCHE POTTEN- EN PLATEELBAKKERIJEN. 55 

aan ieder, die zich met de geschiedenis van de plateel- of aardewerkbakkerskunst wil 
bezig houden. 

Ik bedoel het woord betiel of petUL Uit de huwelijks-inteekenregisters heb ik 
menigen trouwlustigen betielbakker aangeteekend én ik ontdekte bij het doorsnuffelen van de 
XVIIe eeuwsche overdrachtsregisters van huizen, dat er een Petielbakkersgang heeft bestaan, die 
op de vroegere Anjeliersgracht uitkwam. Waar die gang precies gelegen was, weet ik niet, 
omdat hij, bU^ens het register der nummering van Amsterdam, thans dien naam niet meer 
draagt. Het doet hier voor 'toogenblik ook weinig toe af. 

In keuren, noch in woordenboeken vond ik dit woord terug. Mogen wij dan wel 
aannemen, dat wij hier aan aardewerksbakkerij te denken hebben ? Hoevele zaken zijn er niet 
die eerst in gebakken staat tot 's menschen gebruik dienen ? 

V Vergun mij hier de eigen woorden van' een Delftschen plateelbakker uit de eerste 

helft der XVIIe eeuw aan te halen. Ze zijn ontleend aan een luifelschrift, dat door den Amster- 
damschen boekhandelaar en dichter JEROMIMÜS SwEERS (geb. 1627, overl. 1696) werd opge- 
teekend in een boek dat hij v,koddige en ernstige opschriften op luiffels, wagens, glazen, uithang- 
borden en andere tafereelen" noemde, doch waaraan hij, wellicht omdat er, zooals hij zelf 
zeide, wel iets y,van de grove roffel en van Sint Anne," in voorkwam, zijn naam niet wilde 
verbinden, dat hij althans onder den pseudoniem van JEROEN JEROENSE in 't licht g^f. 

Die Delftenaar nu koesterde den alleszins billijken wensch, dat er steeds veel vraag 
naar zijn fabrikaat zou bestaan. In plaats nu van zijn heil te zoeken in het fabriceeren 
van minder duurzame artikelen, een huismiddeltje waartoe men in den tegenwoordigen tijd 
maar al te vaak de toevlucht ziet nemen, beval hij zijnen afnemers aan, om zijne waren zoo 
spoedig mogelijk stuk te slaan. Hij beloofde hun daarvoor een prijsje in het volgende rijmpje : 

Hier bakt men potten en petielen 
En 'k prijs hen, die er veel vernielen. 

De goede man was kennelijk niet zoo ingenomen -met de kinderen zijner kunst als 
verscheidene letterkundigen het met de papieren kinderen van hunnen geest zijn, schoon 
ze met zeer nederige voorreden in de wereld worden gezonden. Hoe dit zij, 's mans open- 
hartigheid levert ons het bewijs, dat petiil in ieder geval een soort van aardewerk was. 

Ik beweer, dat het niets anders was dan plateel, dat in den mond des volks verbasterd 
werd tot pletiel, en langs dezen weg versmolt toX. petiel^ dat het in gemakkelijkheid van 
uitspraak van de eerste verbastering wint. Dat plateel In het Amsterdamsche taaieigen 
pietiel werd, zag ik bevestigd door een plaats uit het doopboek van de Nieuwe kerk, 
waar we lezen, dat een kind van den aanstonds te noemen pletyelmaker VAN DEN Abeele 
gedoopt werd op 4 Aug. 1 596. Van petiel maakte het volk nu weder beticL 

Van eene verzachting van de beginletter p bij het uitspreken bestaan evenzeer 
voorbeelden. In HoOFT's Warenar hooren we Rijckert van den besteybacker spreken, 
waar het duidelijk is, dat hij eigenlijk pasteibakker had moeten zeggen. Tevens ligt hierin 



54 AMSTERDAMSCHE POTTEN- EN PLATEELBAKKERIJEN. 

een voorbeeld voor de verandering van deletter a tot e, Pletiel^ Petiely Betiel behoorên 
in de achterbuurten, althans in de spreektaal, thuis. Officieel zijn die vormen niet erkend. 
Mag ik thans uit het bovenstaande een slotsom trekken, dan meen ik, dat onze 
XVII* eeuwsche voorvaders aan ieder, die een fabriek van de fijnere soorten van verglaasd 
aardewerk dreef, den naam van geleybakker hadden kunnen geven; dat de woorden 
plateelbakker, steentyesbakker en dergelijke meer aanwijzen, welk soort fijn aardewerk bij 
voorkeur door onze industrieelen werd gemaakt; dat eindelijk de woorden pottenbakker, 
steenbakker, pannebakker, enz. wat het eerste betreft in den regel, en wat de beide laatste 
aangaat steeds te kennen geven, dat deze bakkers fabriekanten waren van kunstelooze 
voorwerpen van bouwsteenen en dakpannen, van potten en kookpannen. 



Het is met de kunst van den plateelbakker juist zoo gegaan als met alle andere 
kunsten, ze is uit geringe ouders geboren. De eerste voortbrengselen lomp en4^w en weinig 
afgewerkt werden van lieverlede, door andere van beteren vorm, van fijnere grondstof 
en van schooner behandeling vervangen. Het zal natuurlijk van de welvaart der burgerij 
en van het standpunt van haren schoonheidszin hebben afgehangen of een pottenbakker zich 
alleen op het vormen en bakken van de betere soorten kon toeleggen. Hij verloor daarom 
nog juist den naam van pottenbakker niet. Daarom zeiden we zoo even, dat het woord 
pottenbakker in den regel de naam was van iemand, die de gemeene soorten vervaardigde. 
Soms noemde men pottenbakkerijen, wat eigenlijk plateelbakkerijen *waren. 

Zelfs nog in de vorige eeuw was dit hier ter stede het geval. Ik zal er u een voor- 
beeld van geven. 

Luisteren wij voor een oogenblik naar de overigens niet zeer aanbevelenswaardige 
dichterlijke ontboezemingen van Daniël Willink, waar hij in zijn Amsterdamsche Buiten- 
singel (1723) de pottenbakkerij aan den Overtoom gedenkt. 

Hier vormt uit klay en lijmige aard 
De Pottebakker keur van vaten 
Ten dienst van tafel, sponde en haart 
Of enkel tot sieraad gelaaten. 

De regels zijn verre van schoon, maar ze zijn afdoende als bewijs, dat de pottenbakker 
ook voorwerpen vervaardigde voor de tafel, ja zelfs voorwerpen enkel voor sieraad geschikt 

Niemand zal het evenwel betwisten, dat de oorsprong der plateelbakkerij in de 
minder aanzienlijke, minder kunstvaardige pottenbakkerij gelegen is. 

Geschiedkundigen mogen de geringe beginselen nimmer over 't hoofd zien. Zij zouden 
zich daarmede den pas afsnijden voor de ontwikkelingsgeschiedenis, waaraan vaak helaas, 
te weinig aandacht wordt geschonken. 



AMSTERDAMSCHE POTTEN- EN PLATEELBAKKERIJEN. ^ 55 

Men veroorlove mij daarom een enkele schrede terug te gaan op de baan der kunst 
en u, vóór ik u aan de sierlijke, fijn besneden en gefatsoeneerde dochter voorstel, te doen 
kennis maken met de zooveel minder beschaafde ouders. 

Zoo wij al geen berichten omtrent pottenbakkers uit den tijd der Gijsbrechten, uit 
den HenegouwSchen, Beierschen of Bourgondischen tijd kunnen geven, dan wilt ge het, 
hoop ik, niet aan mij, maar aan de afwezigheid van gelijktijdige stukken wijten. Stellige 
gegevens beginnen met de eerste helft der XVI* eeuw. Doch ze zijn van dien aard, dat 
we wel een kleinen sprong terug, tot op 't einde van den Beierschen tijd, durven maken. 
Een waaghals zou wellicht niet zonder succes in 't begin der XV« eeuw springen. Maar 
zekerheidshalve moeten we iets voorzichtiger zijn. 

Wanneer wij ons Amsterdam binnen zijne eerste steenen ommuring van 1482, binnen 
Singel en Kloveniersburgwal, voorstellen, dan behoeven we de pottenbakkers-ovens niet in 
't hartje der stad te zoeken, in de eerste plaats, omdat de terreinen daar het meest ge- 
vraagd, en als gevolg daarvan het meest versnipperd en het duurst waren, en tweedens, 
omdat het tot de goede zorgen van de overheid behoorde, om het gevaar voor brand in 
eene houten stad, als Amsterdam toen was, zooveel mogelijk te beperken. We mogen 
daarom vaststellen, dat zulke ovens naar de buitenzijde der stad, waar 't minder bebouwd 
en de grond goedkooper was, werden verwezen. Aanstonds vestigen we daarom de aan- 
. dacht op de burgwallen, en we vinden ons niet teleurgesteld, want wanneer we de Nieuwe 
Zijds Kolk overgegaan zijnde, de tegenwoordige Spuistraat willen bereiken, passeeren we 
eene steeg, die thans den naam van Korte Kolksteeg ^) draagt, maar die, blijkens de 
bekende in de eerste helft dezer eeuw door Daniel Veelwaard gegraveerde en door 
Mortier Covens en Zoon onder vergunning van Burgermeester en Wethouderen dezer 
stad, uit echte stukken opgemaakte en uitgegeven plattegronden, in dien tijd nog den naam 
van Pottenbakkerssteeg droeg. Hier zijn we in 't brandpunt van de oude pottenbakkers- 
industrie, onversdhillig of we ons bewegen op de oostzijde van den Voor-, of op de westzijde van 
den Achter-burgwal, want oorspronkelijk namen de erven daar ter plaatse de geheele diepte in. 
Het register van de Taxateurs van den jare 1557 wijst uit, dat nog in dien tijd een potten- 
bakker, Reijer Willemsz genaamd, woonde op de Westzijde van den Nieuw e Zijds Voor- 
burgwal over de St Jakobsburg, wiens weduwe, nog in 1563 daar ter plaatse gevestigd, tot 
buurvrouw had Trijn Floris Weduwe Jan Pot. — Kunt ge u een treffender bijnaam vap 
een pottenbakker denken ? — Gaan we nu linksaf langs den Voorburgwal tot aan de brug 
voor de Dirk van Hasseltssteeg, dan wijst het naambordje aan, dat we ons op den hoek van de 
Korte Lijnbaanstceg bevinden. Waren we echter in 1557 op den hoek van die steeg blijven 
staan, en had het toeval gewild, dat we den klerk ontmoetten, die het register van de 
Taxateurs zou bijhouden, dan zou hij op onze vraag, hoe die steeg wel heette, geantwoord 
hebben: y^Geleynen steeg P Wel hadt ge mogen vermoeden, dat hij het woord niet zuiver 



^) De steeg vind ik het eerst Korte of Kleine Kolksteeg genoemd op de Plans tres exact s de la fameuse ville 
marchande d' Amsterdam door Henri de Leth, zeker na 1729 uitgegeven. 



56 AMSTERDAMSCHE POTTEN- EN PLATEELBAKKERIJ^N. 

uitsprak, want uit de latere eerst met 1647 aanvangende verpondingboeken van de Nieuwe 
Zijde, bL 61, blijkt het, dat de eigenlijke naam Geley^steechien moest luiden. Er is te 
duidelijk verband tusschen den naam en het woord geUy^ dat we zoo even verklaarden, 
om niet aan te nemen, dat de geleibakkers in deze buurt hunne y,esten" of #ovens" hadden, 
't Schijnt echter, dat langzamerhand de beteekenis van 't woord geUy verloren en vergeten 
raakte. Reeds in 't register van de capitale impositien aan de Nieuwe Zijde over 1585, 
blz. 8 1, wordt deze steeg de GaUyntgens steechge genoemd. De platte gronden uit de eerste helft 
der XVII* eeuw maakten *t nog erger, en maakten er Klaymans- of Kleymanssteeg van, 

eene lezing, die door Wagenaar is gevolgd. In 1680 was de naam zóó onbegrijpelijk geworden, 

* 

dat in de verpondingbodcen de naam Korte Lijnbaansteegien naast die van Geleysteechien ver- 
schijnt. In de eerste jaren der volgende eeuw had de nieuwe den ouden naam geheel verdrongen. 

Gingen we zoo even links af den Voorburgwal op, thans noodig ik u uit terug te 
keeren en als ge gekomen zijt aan 't punt van uitgang, rechts van de Pottenbakk^rssteeg 
den Burgwal te vervolgen. De eerste, thans» afgesloten steeg, die ge dan voorbij gaat, is 
de 'Waterscheeps steeg. Deze draagt echter al evenmin als de beide andere zijn ouden, 
eigen naam. Ter Gouw verhaalt u in zijn Amstelodamiana (I bL 98), dat die naam afkomstig 
is van een uithangbord of gevelsteen, waarop een visch-schip, in de XVIIe eeuw een 
„waterschip" genoemd, was afgebeeld, en Wagenaar zal u nog een anderen naam voor 
't steegje noemen, n.1. Hopkuilssteeg, een naam, die ontleend was aan dien van een groot 
daar gelegen pakhuis, jn de XVIIe eeuweeneigendomnaar 't schijnt van de familie Witsen. 
Maar den ouden naam vermeldde geen van beiden. Hij luidde CleynepoitebackerssUechie.2,oo 
althans kan men deze steeg in de verpondingboeken vermeld vinden, (verp. boek Nieuwe 
zijde 1650/53, bl. 107.) 

We kunnen hier nog aan toevoegen, dat de laatste brug over den Nieuwe Zijds- 
achterburgrwal in 1532 „de Pottebackersbrugh" genoemd werd. 

We vinden alzoo onze industrie gevestigd in een gedeelte der 'stad, dat tot h^t 
midden der vijftiende eeuw den uitersten ring der'bebouwdeveste vormde, en zelfs in de zes- 
tiende nog niet geheel was vol gebouwd en enkele onbebouwde erven bevatte. 

Ik wil trachten aan te toonen wanneer de pottenbakloerijen hier zóó talrijk werden, 
dat zij een dreigend gevaar voor de stad opleverden en de regeering het geraden oordeelde ze 
naar een afzonderlijke, geheel door water omgeven wijk aan de buitenzijde der stad te verwijzen. 

In het perkamenten keurboek bevattende het oude stadsrecht, waarschijnlijk omstreeks 
141 3 opgeschreven, vinden we geen spoor eener vermelding van potovens, geen enkel bewijs, 
dat er toen reeds pottenbakkers binnen de stad bekend waren. Daarentegen bemerken we 
wel, dat beroepen die bij voorkeur gevaar voor brand opleverden^ aan een streng 
toezicht werden onderworpen en dat b. v. schoenmakers en pelsers genoopt werden 
hunne even gevaarlijke huiden-bereiderijen aan de nieuwe grachten te gaan uitoefenen 
(Keurboek A bl. 14). Nu we zulk eene bepaling voor de pelsers ontmoeten, wordt het meer 
dan waarschijnlijk, dat eene dergelijke bepaling ook voor de pottenbakkers is gemaakt We 



AM6TERDAMSCHE POTTEN- EN PLATEELBAKKERIJEN, 57 

mogen toch aannemen, dat de pottenbakkers zich niet alle in een bepaalde wijk zouden gevestigd 
hebben, als ze daartoe niet door een keur waren genoodzaakt Vóór 141 3 schijnt dit 
niet te zijn geschied. We moeten die keur dus later zoeken. Maar ook in de volgende 
keurboeken wordt zij gemist, doch daarbij houde men in 't oog, dat de keuren uit het tijdvak 
1413 — 1452 verloren zijn geraakt. De veronderstelling ligt dus voor de hand, dat die keur 
juist in dit tijdsverloop is afgekondigd. 

In de Amsterdamsche geschiedenis staat eene ontzettende gebeurtenis met vurige 
letters geboekstaafd. Het is de brand van 1421, waarbij een derde deel der stad in de* 
asch werd gelegd. Na een ramp begint men gewoonlijk voorzorgmaatregelen te nemen, 
en van zulke maatregelen kan het aanwijzen van een bepaalde wijk voor pottenbakkers wd 
het gevolg zijn geweest. • 

Mogen we nu aannemen, dat in de eerste helft der vijftiende eeuw de pottenbakkerijen 
te dezer plaatse gevestigd werden, dan blijkt het uit een latere keur, dat ze er bijkans 
een eeuw zijn gebleven, terwijl deze stegen in hare oude namen het aandenken aan onze 
oude industrie vele eeuwen langer hebben bewaard. Door een keur van 18 November 1536 
(Keurboek E. bl. 33,) werden ze van daar weder verjaagd. Dit geschiedde, gelijk mijne Heerpn 
van den Gerechte zich in de overweging, die het gebod voorafging, uitdrukten, omdat „binnen 
,zekere corte daghen wel driemael den brant ontsteken es geweest vuyten een potoeuen op 
,d burchwaile an de Nieuwe zijde." Het spreekt van zelf, dat zulk een keur de potten- 
bakkers in hun belangen zeer benadeelde. Enkelen verkozen zich niet te onderwerpen 
en bleven doorgaan met het uitoefenen van hun beroep. Dit blijkt uit een vonnis van 
den gerechte, geslagen 17 Mei 1537 en geregistreerd in 't boek der correctiën achter 
keurboek E blz, 195. Dit vonnis luidt als volgt: 

„Alzo Reijer de pottebacker, Aell de pottcbackster, Baerte Baerten dochter en 
„Aernt de pottebacker hen vervordert hebben over te treden en potten te backen binnen 
,deser stede contrarie de willekeure der zelver stede gepubliceert den XVIlI* Novembris 
,anno XV' XXXVl soe hebben schepenen denzelven gecondempneert, elcx in den somme 
„van twee Charolus ghuldens. Interdicerende den zelven achtervolgende den voorn wille- 
„keuren van nu voortaenmeir binnen deser stede potten te backen opdecorectie van de stede." 

Een carolusgulden was niet veel meer waard dan 20 stuivers, maar in dien tijd was 
*t geld nog zoo schaarsch, dat men er wel twintigmaal meer mede kon doen dan tegenwoordig. 
Onze pottebackers wilden dus een kans wagen om ontheven te worden van de betaling 
. dér boete, misschien meenden ze wel recht te hebben op vergoeding van de stad voor 't 
ontruimen van hun erven — zooveel is zeker, dat ze de stad in appel voor den hove van 
. Holland betrokken. Uit de stadsrekeningen van 1537 (bl. 49) en 1538 (bl. 57^) blijkt dat 
er in beide jaren druk geprocedeerd werd, waarvoor den stadsadvocaat en den procureur • 
bij den hove van Holland te 's Hage aardige sommen werden uitgekeerd. Ten slotte schijnt 
de stad in 't gelijk te zijn gesteld, althans de pottebakkers verdwenen uit de stad en trokken, 
2ij het ook met looden schoenen naar buiten de muren. Ongetwijfeld hebben enkelen het 









58 AMSTERDAMSCHE POTTEN- EN PLATEELBAKKERIJEN. 

niet ver van die muren behoeven te zoeken, want een gang op de Heerengracht^ tusschen 
de oude Leliestraat en de Bergstraat, bewaart de gedachtenis aan hunne vestig^ing daar ter 
plaatse. De pottenbakkerij y^de gulden braedtpan'* schijnt in die buurt te hebben gelegen. 

Wien het lust de oudste overdracht-registers van huizen door te zien, zou voorzeker 
in den naam van menig huis in de nabijheid ofop den grond dier pottenbakkerijen gebouwd 
een herinnering vinden aan hare aanwezigheid, misschien zelfs de namen der fabrieken 
kunnen opsporen. Om de 195 lijvige banden, die, — de gapingen nog daargelaten — over de 
jaren 1564 — 18 10 loopen, door te werken, heeft men echter meer tijd noodig dan een 
archivaris beschikbaar heeft. Dikwijls dient hem echter een gelukkig toeval. Hierdoor ben ik in 
staat den naam op te geven van een tweetal huizen, het eene aan de Westzijde van den Nieuwe 
Zijds Achterburgwal bij de I^ijnbaanssteeg, (d. i. dus over de vroegere Geleisteeg,) en genaamd 
„de ses steenen Kruycken/' onder welken naam dat huis in 1 564 en zelfs nog in 1680 voorkomt, 
(Dit is waarschijnlijk hetzelfde gebouw, dat bekend onder den naam van ,,de Kruyckjes'^ 
reeds in de eerste helft der zeventiende eeuw als vergaderplaats van een doopsgezinde 
broederschap gebruikt werd.); het andere mede op den thans gedempten Nieuwe Zijds 
Achterburgfwal en wel op den noorderhoek van de Lijnbaanssteeg gelegen, genaamd „de 
vijff Cruycken", dat in 1557 bewoond werd door den metselaar Gerijt Gerijtz. (Reg. van 
Taxateurs bl. 58) en in 1 584 door Claes Claesz. (kerk int boek 3 bl. 63). Zou het te gewaagd 
zijn, om die namen aan te merken als ontleend aan de veijaagde industrie, waardoor wellicht 
de namen van een paar kruikenbakkerijen voor het nageslacht zijn bewaard? 

De • aangehaalde keur, die alle pottenbakkerijen buiten de bebouwde kom der 
gemeente heeft verbannen, bewijst wel, dat deze tak van nijverheid hier meer dan een paar 
beoefenaars vond, en het correctie-boek noemt ons zelfs de namen van eenige hunner. 

We zouden echter gaarne iets meer van die industrie weten. 

Daar de bronnen voor dien tijd ten archieve niet overvloedig zijn, moeten we ons 
behelpen met het weinige, dat ons rest 

Allereerst dus de stadsrekeningen geraadpleegd. Ze bevatten eene afdeeling, waarin het 
poortergeld door vreemdelingen betaald werd opgeteekend. Onder de namen der gekochte 
poorters vinden we nu eenige van pottenbakkers uit de zestiende eeuw namelijk: Nanninck 
DiRKSZ van Haarlem, die poorter werd 24 Nov. 1548, Claes Jacobsz van Uitgeest, die 
12 Aug* 1559 het poortergeld betaalde, en jAN Aerntsz mede van Haarlem, welke op 31 
Dec. 1562 het burgerrecht kocht Het is opmerkelijk, dat de Heer Havard aanteekende, 
dat de oudste Delftsche plateelbakker ook uit Haarlem geboortig was. Kenden wij onze 
oude keuren en onze oude straatnamen derhalve niet, dan zouden wij allicht vervallen 
zijn in de dwaling, dat ook Amsterdam zijne potten- en plateelbakkerijen aan Haarlenmiers 
te danken had. Ik ontdekte nu nog een tijdgenoot van onze drie genoemde potten- 
bakkers. Zijn naam is PlETER Jansz. Hij moge een bekwaam werknfan zijn geweest, 
hij was niet iemand, die er roem op kon dragen nooit in handen derjustitie te zijn geweest 
In December van het jaar 1552 had hij woorden met de dienaars van Mijn Heere den 



AMSTERDAMSCHE POTTEN- EN PLATEELBAKKERIJEN. 59 

• 
Schout, ambtenaren, die om bekende redenen in niet al te goeden reuk stonden en bij 
het volk, minder vleiend in zijne epitheta, als rakkers van den Schout bekend waren. Wat 
hij hun eigenlijk verweet is mij niet gebleken. Zooveel is zeker, dat mijne Heeren van 
den Gerechte zijne uitdruldcingen als insolentie tegen 's Heeren dienaars gepleegd beschouw- 
den, en hem veroordeelden om gedurende drie maanden in 's Heeren sloten te worden 
gelegd. ' De man heeft verdiend of onverdiend in den Lieve Vrouwen-toren geboet voor zijne 
euveldaden. Dat deze straf niet- allen voor het vervolg afschrikte, en dat mijne Heeren 
van den Gerechte later wel eens zwaardere straffen op dit misdrijf hebben moeten stellen, 
zal men, wanneer ik dit hier als ter loops aanvoer, wel zonder nader bewijs willen aannemen. 

Keeren wij na deze uitwijding .over de pottenbakkers tot de pottenbakkerijen terug. 

Waar al deze pottebakkcrs hunne werkplaatsen hadden heb ik niet onderzocht, zeker 
was het evenwel niet binnen de vesten. 

De pottenbakkers, die zich vestigden buiten de stad, ter plaatse waar thans het 
water van de Heerengracht stroomt, hebben zich niet zoolang in 't rustig gebruik van hunne 
erven verblijd, als andere, die de voorzichtigheid hadden zich een eindwegs verder van 
de muren neder te zetten, voornamelijk langs een drietal paden, die al spoedig naar hen 
het Pottenbakkers- en de beide Pannenbakkerspaden werden gedoopt. Verscheidene potten- 
bakkers worden in 't register van de Taxateurs van 1557 genoemd. Ze bewoonden toen 
buiten Jan-Rodenpoort het Qaes Gerrytspad, het Pieter Vorenpad en 't Occo'spad, namen, 
die bij de vergrooting van 161 2 reeds niet meer bekend waren, en die, gelijk we zoo 
even zeiden, door de 'spraakmakende gemeente waren gedoopt met namen, ontleend aan 
de industrie, die er werd beoefend. ^) 

Thans zijn ook die paden grootendeels verdwenen; de uiteinden er van liggen nog 
tusschen de nu genormaliseerde Singelgracht en de Wetering, doch de voorste gedeelten, 
waar de terreinen voor onze pottenbakkerijen waren gelegen, werden bij de vergrooting 
der stad in de XVIP eeuw ingenomen door dat gedeelte van de Jordaan, dat thans door 
de Lijnbaans- en Prinsengrachten in de lengte, en door de Bloem- en Anjeliersgrachten 
in de breedte wordt begrensd. Doch al verdwenen die paden, al moesten zij plaats maken 
voor grachten en straten, door de bloemrijke fantaisie van de Amsterdamsche magistraat 
gesierd met nieuwe namen, ontleend aan de schoonste voortbrengselen van Flora's hof, 
welke gedoemd schenen om in het vergrootingswerk dier dagen geen liefelijke geuren te ver- 
spreiden, de fabrieken verdwenen van die plaats niet. De regeering was milder ten opzichte 
der pottenbakkers uit het laatst der XVI* en het begin der XVIP eeuw, dan de regeering 
van 1536 het voor himne voorgangers was, ofschoon het gevaar voor brand er zeker 



^) In 't register der Taxateurs van den jare 1557 worden twee Nanninck's op de paden buiten de Jan Rodenpoort 
zonder nadere opgave van vadersnaam, genoemd. Een van beiden kan wel de Haarlemmer zijn, die in 1548 poorter 
werd. Het schijnt zelfs dat een der Pottenbakkerspaden naar den een genoemd is. In 't Register van kwijtscheldin- 
gen van den iare 1565 blz. 219 wordt althans Nannink-de-Pottebackerspadt vermeld Deze paden veranderden, 
schijnt het, van naam met de eigenaars der hoekhuizen. 



60 , AK5TERDAMSCHE POTTEN- EN PLATEELBAKKERIJEN. 

niet minder op was geworden. Toch zijn ze er tot in 't midden der vorige eeiïw, Ja 
sommigen zelfs nog later gebleven, en al zijn ze thans niet meer te vinden, de namen 
van de Pottenbakkersgang aan de noordzijde, met de Betielbakkersgang aan de zuidzijde van 
de gedempte Anjeliersgracht brengen de oude fabrieken in onze herinnering terug. Er^ 
kennen wij bovendien de juistheid van eene opmerking van den Amsterdamschen geschied- 
schrijver Jan ter Gouw, dan vinden we in den naam der Tichelstraat het bewijs, dat te 
dier plaatse voormaals tichel- of tegel-fabrieken werden gevonden. Wilde ik hier thans alle 
gegevens omtrent deze industrie opsommen dan zouden uit de dorre op^ven genoeg 
bewijzen voor de aanwezigheid van potten- en plateelbakkerijen te voorschijn komen. 
Laat mij liever bij u in 't geheugen terugroepen de eigenaardige gevelversiering van een 
paar onaanzienlijke huisjes in de Boomdwarsstraat, die ongetwijfeld voor uithangteeken van 
een plateelbakkerij heeft gediend en die, dank zij de vrijgevigheid van onzen thans te Parijs 
gevestigden landgenoot, den Heer D. Franken Dz, voor totale vernietiging is bewaard, 
terwijl zij de schatten van het Koninklijk» Oudheidkundig Genootschap heeft vermeerderd. 

Wij hebben het van belang gerekend om eene afbeelding te geven van het huis^ 
waarin zich dit eigenaardige gevelornement bevond, en van een deel van die gevelversiering 
zelve. Zooals men kan zien op de bijgaande prent, die we aan de teekenpen van 
den Heer P. J. Arendzen danken/ besloeg zij een muurvak tusschen de vensters van den 
beganen grond en de eerste .verdieping. Dit vak werd oorspronkelijk op deze dankbare 
wijze aangevuld door 310 steentjes, waarvan 62 in de breedte en 5 in de hoogte waren 
geplaatst. Ze waren, toen het huis in zijn ouden toestand nog een luifel droeg, boven de 
lichtramen over dien luifel heen van de straat af te zien. Toen ze nog nieuw waren en 
niet door eene bijna 2SO-jarige inwerking van lucht en vocht hadden geleden, moeten ze 
den helder rooden hier en daar met een gehouwen steentje afgezetten gevel een nogvroo- 
lijker, levendiger, kleuriger aanzien gegeven hebben. Mocht deze vaderlandsche wijze 
van gevelversiering, nu vaderlandsche industrieelen de oud-vaderlandsche kunst met zoo 
goeden uitslag hebben hervat, weer in toepassing worden gebracht. 

Heeft de tijd het zijne gedaan om het aanzien te verminderen, mocht hij al hier of 
daar een steentje hebben losgewerkt en daardoor de oorzaak zijn geweest van het verlies 
van een geheel stuk, dat minder zorgvuldige huisheeren met steentjes van „kinderspelen" 
of „scheepjes" meenden te kunnen aanvullen i), ^en schendende menschenhand deed meer 
en sloeg onbarmhartig aan beide zijden één rij in de hoogte, en aan de onderzijde één in 
de breedte weg. Er is g^ond om te vermoeden, dat de toenmalige verbouwer daarmede aan 
den gevel een beter aanzien meende te geven. Wat zou er van dit zeldzame monument 
van de Amsterdamsche plateelbakkerskunst geworden zijn, als niet een volijverig bestuur 
van het Oudheidkundig Genootschap er het oog op had laten vallen? 

De steentjes werden toen voorzichtig los gemaakt en bij gedeelten zorg^ldig aan 



^) Ter linkerhand ongeveer op een derde bevond zich zulk een invoeging uit ongeveer 50 steentjes bestaande. 



AMSTERDAMSCHE POTTEN- EN PLATEELBAKKERIJEN. 61 

elkaar bevestigd. Thans kan men gemakkelijk oordeelen over de voorstelling. Ter weder- 
zijde vertoont zich een loopende leeuw in natuurlijke kleur met breede arceeringen 
geteekend, en daar tusschen een voorstelling van een zeeslag tusschen de HoUandsche 
en SpaanSche vloten in 't gezicht van de Engelsche kust. Bij onderzoek bleek het, dat 
deze voorstelling gedeeltelijk eene vrije navolging is van eene zeldzame prent van den slag 
Mi Duyns, in 1643 uitgegeven bij Claes Jansz. VissCHER. Dit vormt slechts ongeveer 
een vijfde van 't geheel. Gelijk ik reeds zeide is een groot deel verloren, en het overige 
is te vereenigen tot twee voorstellingen van zeeslagen, hoogstwaarschijnlijk ook naar 
prenten uit cje eerste helft der zeventiende eeuw genomen. De zeestrijd hier afgebeeld 
bevond zich aan de rechterzijde van den beschouwer en sloot onmiddelijk tegen den leeuw, 
die hier mede afgebeeld is. 

In een der volgende artikelen hoop ik meer speciaal de aandacht op de zeventiende 
eeuwsche plateelbakkerijen in de Jordaan gelegen te vestigen. 

De aardewerksbakkers-industrie was evenwel aan de Jordaan niet gebonden. We 
vinden fabrieken aan den Amstel en buiten de oude St. Anthonispoort, waar zelfs een 
Pottenbakkers-pad bestaan heeft. We kennen een Pottenbakkers-steeg bij de ReguHersdwars- 
straat en zijn bij onze wandeling in de onmiddelijke nabijheid der stad meermalen de potten- 
bakkerijen aan het Tuinpad en aan den Overtoom gepasseerd. Pottenbakkers en plateel' 
bakkers waren in den gulden tijd van Amsterdam geen vreemdelingen binnen zijn muren. 

Bedrieg ik mij niet, dan zou men ze thans te vergeefs hier ter stede zoeken. 

Sedert korten tijd zijn de laatste pottenbakkerijen opgeheven. 



Ofschoon men in stukken uit de zestiende en de zeventiende eeuw, geen al te 
streng onderscheid moet maken tusschen den pottenbakker en den plateelbakker, is het 
toch belangrijk de namen aanteteekenen van degenen, die als plateelbakkers, vermeld staan. 
Van hen is het althans zeker, dat ze de fijnere soorten van aardewerk vervaardigden. 

'Het is overbodig te herhalen, dat uit het register der Taxateurs van den jare 1557 
de aanwezigheid blijkt vin fabrikanten van verglaasd aardewerk hier ter stede. 

Onderzoeken we thans wanneer we de plateelbakkers voor 't eerst bij name 
vinden vermeld. 

De br^ndkeur van 1597 is tot dusver het eerste officiëele stuk van de regeering 
uitgegegaan, waarin ik van plateelbakkers gewag gemaakt vond. 

Ik vond ze evenwel reeds vroeger gemeld in het archief van de voormalige Commis- 
sarissen van huwelijkszaken. De huwelijks-inteekenboeken, van oudsher met zorg bijgehouden, 
bevatten een rijken schat van volkomen nieuwe gegevens voor de geschiedenis der nijverheid. 

Het is uit een dier boeken en wel uit het derde kerk-inteeken-register, dat ik den 
ondertrouw aanteekende van Carstiaen van DEN Abeele, een plateelbakker, die 27 October 
1584 voor commissarissen kwam met Betgen van DER MOLEN. Hij had blijkbaar eene 



62 AMSTERDAMSCHE POTTEN- EN PLATEELBAKKERIJEN. 

goede opvoeding genoten, want hij schreef een nette hand. Andere mannen van 't vak 
zetten een paar letters, een merk of een kruisje in plaats van handteekening, en ik houd het 
er voor, dat er alleszins reden bestaat om aantenemen, dat zij het aardewerk met dezelfde 
letters of hetzelfde merk teekenden vóór het uit hunne werkplaats kwam. Zoo zou een 
verwaarloosde opvoeding toch nog verblijdende resultaten voor de toekomst kunnen opleveren. 

Terwijl de Heer Havard nu den tijd van het ontstaan der bakkerijen van de fijnere 
soorten van aardewerk te Delft tusschen 1584 en 1611 plaatste, hebben wij thans de be- 
wijzen in handen, dat ze minstens 30 jaren vroeger hier ter stede bestonden, al waren wij 
nog niet in staat den naam van een amsterdamschen plateelbaldcer, die vóór zijn eerst 
bekenden delftschen collega werkte, te noemen. Wel teekende ik reeds talrijke bizonderheden 
over plateelbakkers en plateelbakkerijen op, maar ze werpen alleen een licht op de 
laatste jaren der zestiende eeuw. Nu reeds te trachten deze aanteekeningen te verwer- 
ken, zou later wellicht blijken stukwerk te zijn geweest. Eerst wanneer men over 
een genoegzamen voorraad bouwstoffen beschikken kan is het oogenblik gekomen 
om een aanvang te maken met het schrijven der geschiedenis van de Amsterdamsche 
plateelbakkerijen. 

Doch hij die deze geschiedenis wil schrijven, zal, indien niet eenige gelukkige 
omstandigheden hem te hulp komen, door onbekendheid met de merken der fabriekanten 
een machtigen factor voor zijn werk missen. Het zal hem nagenoeg onmogelijk zijn voor- 
werpen te toonen door de nijvere of. kunstvaardige hand van amsterdamsche plateelbak- 
kers gewrocht. Het eerste wat gedaan moet worden is merken opteekenen en verzamelen; 
onbekende merken trachten thuis . te brengen. Het een is gemakkelijkker dan het andere. 
Onbekende merken thuis te brengen, 'uit te vorschen welke fabriek een merk, dat men 
voor zich heeft, bezigde is een onbegonnen werk, als men niet alles wat eenige bizonder- 
heden kan geven over vergeten bakkerijen en over de meesters en werklieden, die er werkten, 
zorgvuldig heeft bijeengebracht. Voor de geschiedenis der kunstindustrie is het evenzeer 
onmisbaar, dat archieven- onderzoek en voorwerpen-studie hand aan hand gaan, als het 
onmisbaar is voor den geschiedschrijver om de archieven te raadplegen en de oude monu- 
menten te beschouwen. 

In onzen tijd van grondig critisch onderzoek is bronnen-studie een vereischte 
geworden. Wie nu de archieven, de papieren gedenkteekenen van het voorgeslacht, wil 
ter zijde stellen, geeft het bewijs niet op de hoogte van zijn tijd te zijn, een tijd die aan 
traditien en overgeleverde begrippen en uitspraken van autoriteiten niet meer waarde hecht 
dan ze zullen blijken te verdienen. Staat de wegwijzer van den historicus alzoo in de 
richting van het archief, met dien van den oudheidkundige is het voorzeker niet anders. 
Waar elders dan in de kostbare en uit dit oogpunt althans nog onbewerkte bronnen, die 
een archief kan aanbieden, zou Jiij voor de duizende vragen, die zich aan hem opdoen, het 
antwoord vinden. 

Eerst dan ontstaat er een geheel dat, wordt het in een passenden, vorm gestoken, 



AMSTERDAMSCHE POTTEN- EN PLATEELBAKKERIJEN. «3 

boeien kan, en, terwijl het geschikt wordt voor meer uitbreiden kring dan dien der 
oudheidkundigen, bij kan dragen tot meer algemeene waardeering der kunstindustrie 
en haar schitterend verleden. 



Met het schrijven van dit stukje had ik een tweeledig doel voor oogen. Ik wenschte 
de aandacht van de lezers van dit tijdschrift te vestigen op eene industrie, binnen 
deze stad, waarvan de meeste Amsterdammers nooit het bestaan hebben vermoed. Wat 
ik daaraan vooraf liet gaan diende om een bewijs van de oudheid der Amsterdamsche 
aardewerk bakkerijen te geven en aan te duiden, waar de oudste fabrieken gelegen 
waren. Het laatste kan zijn nut hebben. Stel u voor, dat er in de tuinen in de oude 
pottcnbakkersbuurt kleine ontgravingen gedaan moesten worden, dan zou 't immers niet 
onmogelijk zijn, dat men fragmenten van gebakken aardewerk in den grond vond. Wel- 
licht zou men daardoor een stapje verder komen met het vaststellen van de merken, die, 
gelijk ik reeds zeide, tot dusverre onbekend zijn gebleven. 

In de tweede plaats wilde ik doen uitkomen hoe weinig er op archaeologisch gebied 
eigenlijk in ons stedelijk archief is gewerkt en hoe dankbaar de arbeid zou zijn van een ieder 
die zich met het samenstellen eener monografie over een der groote, helaas uitgestorven 
industriën wilde bezighouden. Door hier en daar ter loops iets aan te teekenen was ik reeds 
in staat deze bijdr^e, die een nieuw licht op een v^geten tak van nijverheid werpt, te leveren. 
Ik ben er van overtuigd, dat iemand, die er zich toe zou zetten, in dit opstel veel zou kunnen 
aanvullen en verbeteren. Had slechts het lot den archief bewaarder gegeven twintig handen en 
tien hoofden, om alles wat hem belang inboezemt te doorzoeken, aan te teekenen en 
te verwerken, dan zou hij op 't Stadhuis heel wat tot stand kunnen brengen. Maar een 
zoo veelhandig en veelhoofdig wezen is de archiefbewaarder helaas niet. 



DE DICHTER 

VAN 

DE ROEMSTER VAN DEN AEMSTEL, 



Mr. A. D. de vries Az. 



AN het reeds herhaaldelijk besproken boelge : De Roemster van den 
Aemstel heeft Prof. Beets ^) in de prachtuitgave der gedichten van 
Anna Roemers Visscher eenige bladzijden gewijd. Jacobus 
Scheltema had dit gedicht aan Anna Roemers toegekend; Dr. van 
Vloten ') c^perde, zopals bekend is, het denkbeeld dat de liefhebber 
der Poezije, die zich Velden teekent, en die Brederoo's yjtet Daghet 
uyt den Oosten" op verzoek van den ui^ever cornelis LODEWIJKSZ 
VAN DER PLASSE voltooide, voor den dichter mocht worden gehou- 
den. Dit beweren werd gestaafd door een verwijzing naar een ander gedicht, getiteld: 
]Vensch aen deselve Aemstel dat achter de Roemster volgt, en waarvan de slotregels met 
echt 17* eeuwsche woordspeling den naani van den dichter vermelden; die regels luiden: 

Vaart oock wel ghy schoone Velden 

Die, die myn naam, die, die myn name spelden. 



AnD* Roemers. Gedichten, ni^^egeven door Nicolmai Beeti, Utrecht J. L. Beyer» 188 1. I, bL 30^— ai8. 
Dietiche warande VII. bl. 376. 



'^ 



DE DICHTER VAN DE ROEMSTER VAN DEN AEMSTEL. 65 

Overigens wijst Dr. v. Vloten op de waarschijnlijkheid, dat deze Velden, dezelfde per- 
soon is als de M. V.(an) VELDEN, van wien hij een treurspel Calesvie^s (sic) sterfddgh 
vond vermeld. Prof. Beets schijnt nog altijd te betwijfelen, dat de Roemster met volkomen 
recht aan dien M. V. Velden en aan geenandermag worden tpegekend; op bl. 216 spreekt 
hij van „den onbekenden dichter... hetzij dan Velden of een ander", terwijl op bl. 218 
nog de vraag wordt geuit of des dichters spreuk: Alleen de Hope wellicht een anagram 
van zijn naam is. Afdoend bewijs was door Dr. van Vloten dan ook niet geleverd; dat 
bewijs vinde hier een plaatis en geve meteen de gelegenheid tot nadere kennismaking met 
den onbekenden dichter, wiens werk gedurende zoo lange jaren voor dat van „Roemers 
oudste kint" heeft doorgegegaan. 

De bron, waaruit moet worden geput, is een dier fraaie liedeboekjes, die in hun 
oblong formaat, met hun „minnelijcken'* inhoud, met hunne fraaie prentjes en muziek, eenmaal 
de vriendelijke metgezellen van den 17* eeuwschen vrijenden jongman zijn geweest, en die 
nu door hunne zeldzaamheid een welkome buit zijn voor den hartstochtelijken bibliophiel. 
De titel van dit 4** boekje luidt aldus: 

Amsterdamsche II Pegasvs, II Waer in (uyt lust) by een vergadert || zijn/veel Minne- 
lijcke Liedekens/ (noyt voor desen gedruckt) || gestelt op verscheyden nieuwe Stemmen :by 
een gebracht || door vier Liefhebbers/ Als 

M. C Veld-Deuntjens, 
I. I. C. Cupidoos Dartelheydt. 
I. R. Herders-Zanghen. 
A. P. C. Pastorellen, ofte Bosch-Gezangen. 
Versiert met schoone Copere Figuren, en by meest al d'pn-bekende Voysen || de 
Noten of Musycke gevoeght. 

t' Amstelrédam, 

Gedruckt voor Cornells Willemsz Blaeu-Laken, Boeck-verkooper/ woonende|| in 

S. Jans-straet/ in 't vergulde A. B. C. 1627 *). * 

,V 
De M. C. die in dit boekje zijn Veld-Deuntjens „aende Aemstel-Landtsche Ivffertjens, 

Mitsgaders aen de Rijn-landtsche Nymphjens" aanbiedt met een opdracht, waarin al de goden 

van den Olymp en de Muzen te pas worden gebracht, noemt zijn toenaam reeds dadelijk 

onder die opdracht, terwijl hij eenige bladzijden verder zijn voorletter er bij voegt. Hij 

heet M. Campanvs. 



1) Op de laatste bladzijde staat: t' Amstelrédam, Gedruckt bij Paulus Aertsz. van Ravesteyn. Anno 1627. 
Van dit liedeboekje bestaat een nadruk getiteld: Nieu Liedt-Boeck Genaemt den Amsterdamsche Pegasus^ ofte 
Neder lanische Doelen- Vreucht. Tot Rotterdam voor Philips Jacobs^, van Steenweg hen woonende bij de Beurs 1627. 
Deze nadruk bevat slechts een klein gedeelte der gedichten zonder vermelding der dichters en heeft geene prenten 
dan alleen een copie van de titelprent der origineele uitgave. 



66 DE DICHTER VAN DE ROEMSTER VAN DEN AEMSTEL. 

De dichter van de Roemster van den Aetnstel^ al was hij koopman, had, het is 
herhaaldelijk aangetoond, een bijzondere voorliefde tot het doorvlechten zijner gedichten 
met grieksche en latijnsche woorden en men zal zich herinneren hoe deze eigenaardigheid 
de aanleiding is geweest dat Prof. Beets, zij 't ook vruchteloos, de leden der Koninklijke 
Academie van Wetenschappen heeft aangespoord tot het voldoende verklaren van het 
raadselachtige woord x^puv^ dat onder een der bijgcdichten van de Roemster vporkomt: Het 
lag, de genoemde eigenaardigheid van den dichter bedenkende, dus al dadelijk voor de 
hand, dat deze M. Campanus, wiens gedichten te vinden zijn in een liedeboekje dat bij 
denzelfden uitgever (n.1. Cornelis Willemsz. Blau-laken) ^) als de Roemster is uitgegeven, 
niemand anders was dan de bedoelde Velde in een latijnsch gewaad. Nog zou twijfel 
geoorloofd zijn geweest, ware het niot dat op bl. lO — 12 van dezen Amsterdamschen 
Pegasus onder de velddeuntjens een gedicht te lezen staat, dat men ook achter de Roemster 
vindt ; het voert in het liedeboekje y^Aenden AemsteP\ in de Roemster y^ff^scheydt Aan deselve 
Aemster tot titel. 

Dr. van Vloten heeft M. *) v. Velde een onbekende grootheid genoemd. Op de 
tweede hoedanigheid maakt hij slechts luttel aanspraak: onbekend behoeft hij echter nu 
niet meer te zijn. 

Ziet hier de gedichten,. die mij van hem bekend zijn: 
I**. Zes liederen onderteekend met de spreuk Alleen de Hoope in : ' Vernis Minne-gif tjens . . . 

Tot Amsterdam *Bij Cornelis Willemsz Blau-Laecken enz., *) een liedeboekje, dat in 

hetzelfde formaat als de Amsterdamsche Pegasus in het licht is gegeven; het heeft 

geen jaar op den titel, maar verscheen, zooals uit een der prentjes*) blijkt, na 1622. 
2"* De Veld-deuntjens in den Amsterdamschen Pegasus, acht en dei-tig in getal. 
3**. Een Klinck-riim op Styrus en ArianUy een tragedie van Jacob StrüYS, te vinden 

in den tweeden druk van dat spel, bij Blaeu-laken zonder jaar, maar vóór 1631 ^) 

verschenen. 



') Uit de puy-aanteekeningen van 4 Mei 1621 blijkt dat Blaeulaken in 1597 of 98 geboren was; zijn moeder 
heette Barbara Harmans, hij ondertrouwde op genoemden datum met Aeltgen Andries, en woonde op de toen Wortel- 
marckt (d. i O. Z. Voorburgwal, ten zuiden van de Varkenssluis). 

^ Witsen Geysbeek noemt hem in zijn Biographisch Woordenboek Matthys van den Velde, waar die voornaam 
wordt gemeld bleek mij niet. 

') Dit boekje is niet onbelangrijk. De voornaamste medewerker is zekere Ronsasus; behalve van dezen en 
van onzen Campanus komen er gedichten in voor van W. D. Hooft met de spreuk: Een Hooft alUen^, Van 
Ian Robbertsz.; I. P. ROOSENDAEL; lek loit^ dU haet [A. M. Panneel]; Wü cant ontvlien [MiCH. Vlack]; Een 
vooral [J. D. Neeff]; */ Verkeert kaest [M. P. Voskuyl]; van den poëet, die zich achter de spreuk Wie ghenoeght* 
verbergt en van wien men voor Brederoo's Boertigh Liedtboeck (1622) een sonnet vindt, en van antlereu met de spreuken 
Nummer groot genochj Toont oock liefde enz. Het belangrijkste is een versje van Breederoo getiteld: Dochters 
Liefdens Liedt en ondert: '/ Kan verkeeren dat in diens Liedtboecken (1622) en zijn Poemata (1632) niet voor- 
komt en waarop ik de aandacht van den uitgever van Brederpo's werken v^tig. 

^) Deze zijn, behalve het titelprentje dat een, uit de letters A en S samengesteld monog^ram voert, het werk van 
Dirck Eversen Lons^ een graveur op wien ik in een der volgende afleveringen van dit tijdschrift hoop terug te komen. 

*) In de opdracht van dien tweeden druk («yi^ff... Samuel Coster ende alle verbondé liefhebbers des Autheurs^* 
door den poëet Cornelis Keyser) wordt van Struys als een overledene gesproken. Dat zijn dood vó<5r 1631 plaats 
had blijkt uit de straks mede te deelen opdracht van zijn Albona en Rosimonda. 



DE DICHTER VAN DE ROEMSTER VAN DEN AEMSTEL. 67 

4*. Calasires sterfdagh^ een tooneelspel dat den 2i September 1631, op d'Oude 
Camer in Liefde Bloeyende werd gespeeld en dat in hetzelfde jaar bij Blaeu-laken 
werd uitgegeven. ^) 
5*. De Roemster van den Aemstel^ waarvan de tijd van uitgfave door Jac. Scheltema 
tusschen 16 14 en 1638 wordt gesteld *) maar die, zooals uit de vergelijking met, 
den titel van den Amsterdamschen Pegasus blijkt, na 1627 verscheen. Aldaar immers 
staat vermeld, dat geen der in den Pegasus voorkomende gedichten ooit vroeger is 
gedrukt; daar nu, zooals wij zagen, achter de Roemster een der velddeuntjens een 
plaats heeft gevonden, is het duidelijk dat, indien de titel ten minste geen onwaar- 
heid spreekt, de Roemster na 1627 verscheen. 
6**. De voltooiing van Brederoo's Het Daghet uyt den Oosten^ omstreeks 1638. 

Nog mag aan Velde worden toeschreven een lied, onderteekend Alleen de Hope^ 
door Jac. Scheltema gevonden in: ,,het Hollandsch en Zeeuwsche Nachtegaeltje 9e druk 
Amsterdam 1633''. De eerzame Jacobus, die zich door de Roemster onjuist had laten 
inlichten, schreef spreuk en lied aan Anna Roemers toe ; hij gaf geen verdere inlichting 
over dat lied en deelde het niet meé, omdat het hem „aiy doelende misschien op bijzondere 
zaken^\ wonderlijk genoeg, minder merkwaardig voorkwam *). Prof. Beets deelt hierover 
niets meê. *tls mij niet gelukt het genoemde liedeboekje in handen te krijgen. Zou het 
lied een der Velddeuntjens zijn? 

De Antsterdamsche Pegasus geeft een aanwijzing aan de hand voor hem, die naar 
des dichters famieljebetrekkingen nieuwsgierig mocht zijn. De prentjes *) toch die het 
boekje versieren, zijn, al staat er geen naam op, van den plaatsnijder Jan van DE Velde 
(den zoon van den schrijfmeester van dien naam) die, voor zoover mij bekend is, van 
1615 — 1638 arbeidde en als een der meest karakteristieke en amusante kunstenaars uit 
het begin der 17* eeuw verdient bekend te zijn. Wij meenen nog een ander aanrakings- 
punt tusschen den plaatsnijder en den dichter te hebben gevonden. Beiden waren blijkbaar 
bekend met de famielje van der Horst; de eers'te bracht in 1628 eenige landschappen 
naar t^ekeningen of schilderijen van den kunstenaar G. VAN DER HORST ^) in plaat, terwijl 



') M. V. VcWen Calasires sterfdagh. Ghenomen uyt de Histdrie van Heliodorus belanghende de kuysche Vryagie 
van Theagenes en Cariclea. Gespeelt op d*Oude Camer in Liefde Bloeyende op den 21 Septem. 1631. . . t^Amitelre- 
dam. Bij Cornelis Willemsz. Blaeu-Laken Boeck-vercooper in S. lanstraet in 't Vergulde A. B. C. M.DC.XXXI. - 4«. 

^ Jacobus Scheltema, Anna en Maria Testelschade^ de dochters van Roemer Visscher. Amst. 1808 bl. 203. 

*) T. a. p. bl, 202. 

<) Zij zijn in 1631 afzonderlijk in e*n genommerde serie bij Hendrik Hondius uitgekomen; het prentje, dat op 
bL 134 van den Pegasus voorkomt, is N». i dezer serie en heeft van onderen links de vermelding, J. V, Velde fec.^ 
»t draagt verder de adressen: J. B. Berendrecht ex, en H^ h[pndius) excud || 1631. — Waarschijnlijk bestaat er 
nog een andere uitgave van deze serie, nl. vóór het adres van Hondius op N». i, maar met den naam van v. de Velde 
en met het adres van Berendrecht. — tn eersten staat, vóór alle letter en No. (zooals zij in den Pegasus voor- 
komen), zijn de prentjes zeer fraai. In de uitgave van Hondius zijn ze, misschien door dezen zelven, opgesneden en 
hebben ze veel van hun aantrekkelijke üjnheid verloren. 

») Een teekening van dezen meester gem.: G, Horst Fecit 1610 zag ik in het British Museum te Londen; ik 
meen in het Museum te Stockholm een schilderij van zijn hand gezien te hebben. Ook in fiet Berlijnsche Museum 



68 DE DICHTER VAN DE ROEMSTER VAN DEN AEMSTEL. 

onze Campanus in 1631 èen treurspel van den reeds gfenoemden Jacob Struys gfetiteld: 
Albonus en Rosimunda met de volgende opdracht (wederom bij Blaeu-Laken) in liet licht 
gaf; wij laten de opdracht hier volgen, tevens als een staaltje van 's mans proza : 

OPDRACHT 

* Aende Eersame Ionghman, 

Sii. ANTHONI VAN DER HORST. 

Apollo met de neghen Musen begheerich zynde een schuts-Heer voor haeren 
Albonus en Rosimonda, voor de nydighe Mofnisten om haer droef-eyndend' spel te verde- 
digen: en hebben in ons Amsterdamscke Helicon gheeq^waerdigher konnen treffen, als u 
waerde Ionghman, daerom ontfanght met voller gheneghentheydt de Rampzalige iE^^/w^7«/iï, 
die soo den Autheur noch leefden u sou toege-eyghent hebben, nu doen 't in syn stede 
Apollo met de neghen Xy\Qki\rGoddinneny die 't door onse handen u op-offeren ende wen- 
schén dat uwe naem met die van Rosimonda mach Nestors laren overleven blijvende 
onderwyl 

V. G. W. Vriend 
V. Velde. 

Behalve deze Antonie van der Horst en Jacob Struys zullen zijne medearbeiders aan den 
Amsterdamschen Pegasus wel tot zijne vrienden of bekenden mogen gerekend worden. Het 
zijn (wij gaven bij de vermelding van den titel hunne initialen reeds op): LI. COLEVELT, 
Jan Robeertsen en A. Pietersz. Craen. De eerste wordt door Velde zelf, als hij hem 
later Calasires sterfdagh opdraagt „sijn besondere Vrundt" genoemd. Hij duidt hem wel is waar 
slechts met de initialen Mr. I. I. K. aan, maar niemand zal er bezwaar tegen hebben deze letters 
door Colevelt's naam te verklaren. jACOB Jansz. Colevelt is voor den beoefenaar der 
17e eeuwsche letterkundige geschiedenis geen vreemde; hij voerde, ook in den Amster- 
damschen Pegasus, de spreuk Een in '/ hart; Jan Robeertsen hebben we reeds onder de 
medewerkers aan Venus-minnegif jens genoemd, zijn spreuk was: Een ik meen. De ondertrouw 
van A. Pietersz. Craen vond ik in de l^erkelijke huwelijks proclamaties te Amsterdam 
aldus opgeteekend: „10 Aprü 1627. Andries Pietersz. Craan {geboortig] van A[msterdam] 
„out 28 jaeren geassisteert met Pieter Andriesz zijn vaeder wonende in de Egelentierstraet 



zijn twee schilderijen, die aan hem worden toegeschreven. Misschien was deze kunstenaar de vader van Antony. De aan- 
teekening van diens ondertrouw toch op i January 1637 (Puyboek) te Amsterdam luidt : ,yAjitOHis (/^rr/'/j» van der Horst 
,,out 27 Jaer geeji ouders hebbende, ge^issisteert met zijn swager Jan Gerritsz. Parys, wonende in de Teertuinen 
„en Catharyntie de Leuw.van Schoonhove out 20 jaar" enz. — Antony was in 1635 bevriend met Meyndart Pietersz. 
Voskuyl, die hem in dat jaar zijn „Tragische Comoedi van Don Carel van Castilien" opdroeg, waarvan de inhoud 
eens het onderwerp van een gesprek was geweest, door beide Vrienden gevoerd „wandalende in grasrijcke Diemer- 
meer.'' Antonie schreef voor deze Comoedi, die in 40. bij Houthaeck 't licht zag, een sonnet, dat hij met zijn naam en 
de spreuk V Moet verwacht zijn onderteekende. 



^ 



DE DICHTER VAN DE ROEMSTER VAN DEN AEMSTEL. 



e9 



y,afsetter ^) en Aachtie G)raelis [geboortig] van A[msterdam] wede. van Willem Jansz 
„Cloeck." Prof. Jonckbloet *) geeft hem de spreuk : Nimmermeer groot genoech en vermeldt van 
hem Nieuw-jaerlieden voor de Academie van de jaren 1620, 162 1 en 1622, Ook in de 
Venus-Minnegifjcns komt, zooals wij zagen, een poëet voor met dezelfde spreuk. 

Wat de Veld-deuntjens van Camp ANUS betreft, zij zijn zeker van niet minder gehalte 
dan de gedichten van zijn tijdgenooten, die tot de poëeten van den tweeden of derden 
rang worden gjerekend. Wij aarzelen niet ze hooger te stellen dan de poëtische voort- 
brengselen zijner mede-arbeiders aan den Pegasus. 't Is reeds uit de Roemster van den 
Aemstel bekend hoe gaarne VELDE de muffe stad ontvlucht; ook het eerste der Veld- 
deuntjens getiteld: V Lants-levens welltist draagt daarvan de blijken: 



T'wijl de schoone Lente heeft 
Sijn bloeysels, en seer vruchtbaer geeft 
Aen Flora menigh Tuyl en Krans, 
En Ceres graen 
H^el schoon komt aen, 
Met Bloemp-jens aen den dans. 



Dan soo stinckt de muffe stadt. 

En yder jeuckt nae 't graesigh padt. 

Tsa Macker nu dan op de beenl 
Na 't groene wout, 
Waer dat haer hout 

Mijn Silvia alleen. 



De meeste dezer gedichten zijn, evenals die in Venus Minne-gif jens^\ aan SlL^lA 
en zijne vrijaadje gewijd; men vindt onder de veld-deuntjes navolgingen van Anacreon en 
Apollonius e. a., terwijl zelfs aan Euripides en Sophocles gedichten zijn ontleend. Op 
het voorbeeld van den laatste bezingt hij hetzelfde thema, dat Voltaire pnder een afbeelding 
van Amor de regels deed schrijven: 

Qui que tu sois, Voici ton Maitre: 
Il Ie fut, il l'est, ou doit Fêtre. 



Hoort maar: 

Noyt God, of Mensch, of wie hij was. 
En kan sijn groote kracht ontvluchten, 
En wie hij raeckt die moet oock ras, 
Verwoet, en sinneloosich suchten. 



Al waer hij schoon, te voren vroom. 
Hij wort dan valsch, en ongerechtigh, 
Het schijnt ons als een wonder droom, 
Dat die goed-aerdich was, wort nechtigh. 



^) Het beroep afnetttr^ dat in 19e eeuwsche ooren vreemd mag klinken, beteekent iemand die prenten 
kaarten enz. met kleuren versiert. 

*) Zie bl. 143 van de derden druk van Prof. Jonckbloet's Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde 3e deel. 

^ Wie Silvia was zal moeielijk te bepalen vallen. Opmerking verdient het feit, dat de laatste woorden van de 
opdracht der velddeuntjens zoowel een woordspeling op Veldens eigen naam als op dien xijnervriendinne bevat. Hij 
verzekert de juffertjens en nymphjens dat de Muzen aan wien ,,de lieflyckheydt der Italiaense Deuntjens" als ook 
,/le licht-hippelige France Airs en d'Engelsche draey-sangen" ten dienste staan, heur naam, ^door aUer menschen 
monden" zullen trachten ,^te voeren, dat de Velden en Wouden daer van weergalmen.'* Het blijft echter de vraag 
of door dit cursief gedrukte woord Wouden op Silvia*s werkelijken naam wordt gedoeld öfdat slechts op den bijnaam 
Silvia wordt gezinspeeld. ' ^ 



70 



DE DICHTER VAN DE ROEMSTER VAN DEN AEMSTEL. 



En tusschen vrienden zaeyt hij haet: 
Want hij en kent, noch recht, noch wetten, 
Als die 'hij inde ooghjens gaet 
Van een heel aerdigh Meysjen settea. ^) 



Het onderwerp trok hem aan, want reeds had het in de veld-deuntjens geklonken : 



Voormaels de Cupidootjens, 
De wackVe Minne-Goodjens 
Beklommen met haer al, 
Met hooghe leeren vaerdigh 
Jupyns Paleys eerwaerdigh, 
Met schrickelijck inval. 

2. Het gincker op een buyten, 
Te rooven en te ruyten 
Van 'treedtste datter was: 
En dat haer oogh bekoorde. 
Van 't geen de Goden hoorden 
Het quam hun al te pas: 

3. Daer Phoebus heeft verloren, 
Boogh, Pijl, en toe-behooren, 
So als hij 't droegh ten strijt: 
Jupiter oock sijn donder, 
Daer hy soo menigh wonder 
Mee dee, die wiert hy quijt: 

* 

Het best bespeelt hij de herdersfluit: 

O Silvia! mijn soete kaer! 

Silvia myn Goddinnel 

Myn troost, myn hart, myn ziel, te gaer, 

Myn wensch, en lust in Minne, 

So wit als snee, en blancker mee 

Als eenigh Harderinne. 



4. Sijn knodz' Alcides mede, 
Neptunus heel t' onvrede, 
Sijn dry-tand gsiffel meé: 

Mars^ rings-kraegh en sijn kolder 
Die bleef in dat gebolder 
Diaen haar fackel^ ree. 

5. Mercurius de Bode 

Van al de hooghe Goden, 
Liet daer syn Leerzen, ach! 
En Bacchus onberaden 
Sijn Thyrsum schoon van bladen. 
Die noyt hy meer en sach. 

6. Dus isset dan geen wonder. 
Dat wij oock moeten onder 
Het Minne-juck soo wis. 
Na dien sy ons betrapen 
Met selfs der Goden wapen, 
Die niet t' ontwijcken is. 



O Silvia! veel frisser dan 
De soele Somer-winden : 
Veel edeler dan d' appels an 
Pomonas Boomgaerts linden: 
Als 't geytjen fris, die jeugdigh is 
In 'tBloemigh dal te vinden. 



') Antigone, Rei in het derde bedrijf. 



DE DICHTER VAN DE ROEMSTER VAN DEN AEMSTEL. 



71 



Veel sachter als de Plu3mien wit 
Van d' alder-witste swaenen : 
En tederder alst riet gesplit, 
Oock klaerder als de traenen 
Die luno schreyt of Iris greyt, 
Om Rhea in te baenen. 



U groet* ick schoons Silvial 

U groet' ick puyck van Maeghden! 

Ayl wend u lichte voetjens dra 

Na hem die na u vraeghde: 

En neemt in danck, mijn slechte sanck, 

Is dattet u behaeghde. 



Helaas, de liefde van J/edor, zooals hij zich noemde, behaagde Silvia niet. Reeds 
spoedig klonk het: 



1. Eenigh in dees duyster Wouden 

Wil ick straf. 
Mijn jeughd' en tijd gaen verouden, 
Tot in 't graf. 

2. Achter dese hooghe Bej'ghen, 

Onbekent, 
Wil ick, als een ballinck, terghen 
't Levens end. 

3. En ghy Boom, en woud-Goddinnen. 

Ook Napceceny ^) 
Wilt dit treuren klaegh'Hjck singhen, 
En verbreen. 



4. Weent met my ghy Boss' en boomen, 

Droevich al, 
Beeckjens, vlietjens, en ghy stroomen, 
't Ongeval 

5. Dat ick nu met heete traenen. 

Droef beschrey : 
En gheboren is uyt waenen. 
Van ons bey. 

6. Nu wel aen! ghy Wreede schoone, 

Naer u wil; 
Sal ick in een kluys gaen woonen 
Eeuwigh stil; 



Daer gheen sterfT'lijck mensch sal weten 

Van myn staet, 
Daer so wil ick zijn vergeten 

Voor myn quslet. 

Men ziet 't, de herder meent er niet veel van en is volstrekt niet van plan weg 
te gaan; hij heeft alle hoop, dat 't ongeval, dat „gheboren is uyt wanen" van beiden, bij 
zal worden gelegd en dat Silvia hem, die doet alsof hij haar wil verlaten, zal terug roepen. 
Dit schijnt echter niet geschied te zijn. Op een na het laatste der veld-deuntjens is een 
„Herder-zang" waarin het hopelooze zijner liefde meer op den voorgrond treedt: 



^) Napsesen ^ boschgodinnen. 



DE DICHTER VAN DE ROEMSTER VAN DEN AEMSTEL. 



Velden^ schakers van mijn lusten. 

Beemden oock: 
En ghy Daeltjens, waer ick kusten. 
Als ick roock 
U Gebloemt, soo geroemt: 
. Seght waerom rooft ghy my 
Myn vryery? 

Wouden, waer de windjens suchten, 

Beeckjens mee: 

Waerom doeje van my vluchten, 

Wt dees stee, 

Mijn Goddin, die ick min ? 

Ay seght haer alle-bey 

Hoe dat ick schrey. 



3. Laat u groene boompjes tuygen 

Mijn ellend', 
Doet haer teere blaadjes buyghen: 
Waer geprent 
In sal staen, het vermaen 
Van Medor haren Vriend, 
Die haer noch diend. 

4. Soo 't my niet word toe-gelaten 

Haer by-zijn: 

Wilt, o Velden\ voor my praten 

Van mijn pijn: 

Wilt mijn nood, en mijn dood 

O Beemden segghen dan 

Een yeder an. 



Bij al de gebreken, die deze poëzie aankleeft, zal men zangerigheid en gevoel haar 
voorzekö- niet willen ontzeggen. 

Calasires sterfdagk, het eenige tooneelstuk dat ik van onzen dichter ken, is een 
zwakke bearbeiding voor het tooneel van een verhaal uit het „seste en sevenste Boeck van 
de Aethiopische gheschiedenisse" door „Heliodorus Bisschop van Tricca." Karakter- 
teekening is er niet in te ontdekken j ook andere schoonheden heb ik bij de lezing niet 
aangetrofTen. 

Amsterdam, 1 Maart 1881. 



DE RUYTER'S LIJK EN BEGRAFENIS, 



Mr. A. D. de vries Az. 



N de laatste dagen van i88i heeft men den grafkelder van Michiel 
Adriaensz. de Ruvter in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, geruimd en 
hetgeen overig was van het lijk van den grooten zeeheld in een nieuwe 
lijkkist geplaatst. 

Al zal men zijne sympathie niet onthouden aan de gevoelens, die 
de nakomelingen van DE Ruyter bezielden, toen zij op deze wijze zijne 
nagedachtenis eerden, toch zal de man van smaak, die het stoffelijk overschot van r,Besteva4r" 
heeft aanschouwd, ook bij deze geopende lijkkist noode het denkbeeld van zich hebben 
Ininnen weren, dat het openen van graven en lijkkisten onaesthetische handelingen zijn, 
die slechts dan wanneer de noodzakelijkheid ze voorschrijft, mogen geschieden. De 
wensch kwam bij sommigen op, dat een andere, misschien waardiger, hulde door de 
overeenstemming van gedachten van enkelen van DE Ruyter's nakomelingen spoedig aan 
zijne nagedachtenis mocht worden gebracht, dat namelijk de vele herinneringen aan den 
admiraal, nu in verschillende, aan hem verwante, families bewaard, één geheel mochten 
vormen, tentoongesteld in een onzer openbare verzamelingen. ') 

Onder die herinneringen, waarvan men een groot aantal op de historische tentoon- 
stelling van Amsterdam in 1876 heeft kunnen zien, zïjn vele voorwerpen die kunstwaarde 
bezitten en andere die voor de geschiedenis van DE RuYTER van groot belang zijn. Tot 
deze laatste behooren tal van handschriften. Twee folio bladen ') bevattende aanteekeningen 
omtrent de onkosten voor graf en begrafenis, kwamen mij dezer dagen in handen. De 
aanteekeningen zijn waarschijnlijk geschreven door een van de Ruyter's schoonzonen. 
Sommige posten zijn met cijfers en kruisjes gemerkt om daarvan een nader lijstje op fe 
maken ; bij andere vindt men aangeteekend welk aandeel in de kosten door ^'t lant" zoude 
worden gedragen, 

') Daier dagen werden velschillende voorwerpen, die betreklüng hebben op den vice-*dmiraal I«u« Sweers, 
au bet Koninklijk Ondheidkandig Genootachap door Mej. A. H. van Heukelom ten geschenke gegeven. 

*) Zij lijn het eigendom van den Heer de Rujter de Wildt te 'a Gravenhage en werden mij welwillend 
toegezonden door Mr. W. H. Eliai. 



74 DE RUYTER'S LIJK EN BEGRAFENIS. 

He laat die aanteekeningen hier volgen na drie andere belangrijke bescheiden over 
de begrafenis van de Ruyter te hebben laten voorafgaan. Deze bescheiden, die door de 
welwillendheid van Prof. JONCKBLOET hier kunnen worden medegedeeld, maken deel uit 
van de verzameling handschriften der Huygensen, die in de Koninklijke Academie van 
Wetenschappen wordt bewaard. De beide eerste zijn minuten van brieven van den dichter 
CONSTANTIJN HuYGENS aan den Prins van ORANJE; zij bevatten een merkwaardig verslag 
van HuYGENS over de wijze, waarop hij zich gekweten had, van de opdracht, om den Prins 
bij de begrafenis te vertegenwoordigen Zij luiden aldus: 

A. S(on) A(ltesse) 21 Mars 1677. 

Je me decharge par la jointe du succes de la Commission dont il a pleu k V. A. de m^honorer. Je 
veux croire que la Vefue *) aura signé la lettre avec son Fils: mais quand ie me suis offert a la complimenter 
de bouche an nom de V. A. et selon ses ordresj'ay veu qu'on a esquivé ceste ceremonie sur divers pretextes 
dat moeder niet heel wel en was^ datse haer^ vermits ditgroote gewoel daer mede het heel huys besett wasy 
boven in een klein onfatsoenlyck kamer tj en had geretireert etc, et choses semblables que je sentis bien ne 
prouenir que de ce qu^on n'osoit bonnement s*exposer èt aucune formalité d'eutreueue. Aussi m'appritonè 
la ville, que depuis quelque temps la bonne femme auoit faict une cheutte, comme elle estoit occupée met 
haer blauwe voorschoot te droegen op te hangen, V. A. peut juger quelle sorte de duches^ douariere ce 
peut estre.» qui encor depuis la mort de son mary a tousiours continue sa coustume d'aller au marché Ie panier 
au bras. Au fils et Gendres *) (tous deux ministres) j'ay parlé comme j*ay trouué la chose Ie requerir. 

L'enterrement a esté conduit et paracheué en tres-bon ordre; non obstant Timmense concours de 
monde, dont, pour moy, en ma longue vie, je n'ay point veu Ie pareil. Grand nombre de gens y estant accoumi 
des villes voisines. Tous les auuents des Boutiques estan^onnez de piliers, et louëz, comme toutes les fenestres 
è si bon prix d'argent que tel proprietaires ont gaigné pour la joumeédes looet i5olivres,aurestelesarbres 
les toits et les masts de nauires chargez de peuple, par un grand tour de la ville, recerché pour choisir les 
meilleures mes, on nous a promené tout d*un train. 4 grosses heures en grands manteaux de dueiL Plus 
de 50 personnes m'en sont venus plaindre la peine, qui me sembloyent beaucoup plus lasses que moy. 

Ce mesme. 

Le soir, ceux de TAdmiraulté d' Amsterdam ont traicté ^ un grand ambigu les deputés des Admi- 
raultez de dehors, oü je fus obligé de soustenir encor mon personnage, fors qu'èi boire et èi fumer d'impor- 
tance en quoy ces Mess(ieurs) sont grandement experts. Le lendemain au matin une belle harangue funebre 
fut recitee au choeur de TEglise par le ' professeur Francius, en Poeme Heroique. 

M. de Gent, ne se trouvant point de jambes pour telle courvée, se fit porter en sedan dans une maison 
è. moitié chemin, et 1^ se joignit è ses collegues. Dans le Heere logementj'ay trouvéM. leDucd'Osnabrugge 
auec Madame sa fenmie, qui avoyent passé leur temps pour quelques jours ^ veoir Amsterdam i Tinconnue. 
n me dit qu'il ne luy auoit ésté possible d'aller rencontrer V. A. ^ Utrecht pour des depesches presseés qu'il 
dit auoir eu a faire. 

Het derde stuk is een gedeelte van een brief door Huygens gericht aan zijn vriend 

Henri de Beringhen, die na 1634 als officier in het HoUandsche leger had gediend en daarna 

het ambt van premier ecuyer du roi de France heeft vervuld: 

A. M. de Beringhen. A la Haye ce 8 Avril 1677. 

S. A. partant po ar 1'armée me demanda si ma santé pourroit me permettre de representer sa per- 

Bonne k la grande pompe funebre que TEstat a trouvé convenir de faire ^ feu notre Hercule marin de 
Ruyter, dons Amsterdam, et j'ai respondu que s'il avoit besofn de ma santé jusqu' k Orangc, je feroy aussi 
peu 4e difHculté d'y aller, qu'il y a 15 et 16 ans. Notez s'il vous plaist, qu'd. ceste action, illustrée selon 



') Anna van Gelder, de Ruyter's derde vrouw. 
2) De predikanten Pots en Somer. 



DE RUYTER'S LIJK EN BEGRAFENIS. 75 

Ie genie de la naüon d'un concours de monde estranger des villes voisines augmentant l'enorme quantité de 
celuy de cesle grande villette, j'ay esté obligé d'y faire, en grand mant eau, un tour de 4V1 bonnes heures d'une 
haleine, et que de plus de 50 personnes qui me sont venu tesmoigner au retour de la promenade la 
pitié qu'ib auoyent de moy, ü m'a semblé que la plus part s*en tr9uvoit plus fatiguée que moy. Si vous 
prenez la peine de parier de ceate mienne prouesse n*oubliez pas d'y mentionuer Ie cruel pavé d'Amsterdam 
pour une, et pour autre, que ce beau pieton est creature du demier siècle et nasquit Ie 4e Sept. 159Ó 

En nu mogen de aanteekeningen omtrent de kosten van graf en begrafenis volgen : 

MEMOR Y van onse onkosten tot het graf als anders» 

6 + den 2 JaniL betaelt aen de heyman voor Arbeytsloon als anders f 86- 0-0 

t lant 28-12 
blijft 57- 8 

4 dito betaelt aen de kerkmeesters voor de graven in de nieuwe kerck f 1890- 0-0 

5 dito betaelt aen Sr. Isack Oyens voor a&tant van sijn graf ^ ƒ 350- 0-0 

op t' lant 

7 dito betaelt aen 14 masten om te hijen in de kerck ƒ 36- 8-0 

t' lant ƒ 12 gl. 
blijft / 24 
1 1 dito betaelt aen Nievelt dootgraver van de nieuwe kerck voor opruymen van graven 

als anders / 215-16-0 

[24 feb. tot Leyden betaelt aen Severijn tot Lijden voor een oratie *) / 65- 0-0] 

26 dito betaelt aen mr. Brederode voor 2 steene deuren tot het graf / 40- 0-0 

1 meert betaelt aen de steenhouwer voor geleverde steen en arbytsloon / 397-15-0 

2 meen tot drinkgelt voor de metselaers / 2- 8-0 

5 dito aen Jan Gerritsz voor koper werk / 44- 0-0 

8 + den sèlven dito aan Pieter Adolfs voor calck / 1 10-18-0 

't lant / 36-0-0 
blijft / 74-0-0 

den 5 meert aen Lucas Jans van Nes voor loot tot het graf / ii- 4-0 

7-|- dito [aen Symon waken voor spykers en yzer / 14-12-0 

[20 meert betaelt voor t drucken van 4 Roudigten / 22- 0-0] 

aen de metselaers / 233- 4-4 

't lant/ 77-12-0 
blijft/ 155-12-4. 

3 April betaelt aen Joris mijne steenhouwer voor extra ordinaris arbijts loon / 1 8-1 8-0 

[5 dito betaelt aen de grave maker in d*oude kerck voor Extra / 1 2-12-0 

[aen de Timmerman van de werf een vereeringh / 12-1 2-0 

11+ [aen de grafdelver van de N, kerck voor vader Salr / 22-10-0] 

't lant 

[aen dito gravemaker voor moyte. / 12-12-0] 

»t lant 

[Aen eenige rek. tot de knegts haer kleeren tot Rotterdam / 138-14-0 

Aen Dorsman tot een vereeringh / 1 57-10- ] 

Tronmiels tot het paert. Voor 8 el zwart laeken / 36-16- ] 

, [Voor 300 latijnsche digten / 10- 0-0] 

Aen yserwerk aen het graf / 106-1 1 - 

,4-}- Aen 't heek in de kerck / 25-0-0 

De timmermans rekening / 285-12-4 

Aen de steenkooper Symon Comelis Jongh van steen als anders / 284-15-8 

Aen verteerde kosten naer hellevoetsluys. / 295- 7-0 

Aen de gravers en steenbicksters / 10-12-0 

2-t- den 22 Jidy betaelt voor de Caersen in 't graf / 13-14-0 

I) De tusschen [] geplaatste posten zijn in het handschrift doorgeschrapt. 



76 



DE RUYTER'S LIJK EN BEGRAFENIS. 



1676 
1677 



DECLARATIE van i^ onkosten gevallen op de begrafenis 
van d heer U, Admirael generael de Rüyter salr. 
voor 't ophangen van 't wapen voor de deur, en de vracht uyt den haeg 1 1 ducatons / 34-13-0 
voor 't schilderen van 't wapen f 2- o-a 



20 meert 

Hem 
nog iets 



den 21 Janu: betaelt aan de smit voor 4 houwvasten tot het wapen J 4-1-0 

den 17 Febr: betaelt aen de Capteyn van 't jacht en 't volck tot een vereeringh, en 't doorschieten /109- 5-0 
[24 dito aen den schout bij nacht de Ruyter betaelt voor onkosten, en 't afhaelen van 

't waarde lijck van Hellevoetsluys tot Amsterdam , f ] 

9 Meert betaelt voor d' ornamenten uyt den haegh te brengen. f 18- 00 

18 dito betaelt aan 36 dragers in consideratie van de lange wegh ƒ315- 00 

noch aan 50 schenkers ijder ander halve ducaton f 236- 0-0 

Aen de dienstboden van 3 huijsen daer de lieden sijn ingeweest / 31-10-0 

De 4 Trompetters die voorgegaen hebben f 107- 2-0 

Aen de ruyter in 't harnas *) voor zijn rijskosten en tot een vereerineh f 31- 0-0 

Aen Joost Verstraeten voor verscheijde extra ordinaire diensten en de Rol 

te maecken f 18-18-0 

te vereeren. Aan 14 Aensprekers ijder 6 ducatons f 264-12-0 

voor 't drucken van de begraef ceduls. f 70- 0-0' 

voor den impost van dito ceduls ƒ 87-10-0 

/ 157-10 
22 dito betaelt aen Gaspar Cuyper, Timmerman, voor verschoote penn: atrbijtsloon en 

vacatien omtrent het lijck soo tot Hellevoet als tot Amsterdam / 66- 3-0 

Aen Pr. Laurens voor 5 degens aan de Trompetters en hamasdrager J 20-10-0 

Voor huer v^ 4 Trompetten f 3- 3-0 

29 dito Aen de Timmerman Andries van. Oosterhout voort' ophangen van 't wapen in 
12+ de kerck en andere onkosten *. • f 36-10-0 

30 dito aen de kistemakers van Duijn en Dakenburgh voor moyten aen de wapens f 1 8-1 8-0 

meert \^'^^ ^^ Aelmoeseniers voor 7000 Ceduls aan boeten f 200- 0-0^ 

I Aan 3 mael boeten in de kerck '. f 96- o-oj 

31 dito aen 4 personen die de brant stocken tot dienst van de ratelwacht en begravingh 
op gehaelt hebben f 6- 6-0 

3 April aen Joannes Riet voor lamferts, handtschoenen en roubaaden et: tot de Rou, 

volgens quitantie / 302-1 5-4 

Aen JuflErou Oortcamp voor lamfers, hantschoenen, Crispe lint voor de Companien ƒ350- 0-0 

Aen Frans de spekkooper voor 18 hammen voor de soldaten f 55-17-0 

lo-f- Aan de rek : van de roumantels en schenkkannen f yj- 5-0 

Aen Servaes Wittelingh betaelt het rou behangsel van 'tachterhuys en in'tchoor f 68- 0-0 

Een rek: van 't hueren van de glaesen. \ / 34- 2-0 

Een rek: aen de loodgieter betaelt om d'omamenten op te hangen / 1 1-17-0 

5 dito betaelt aen Burghout voor 18 el zwart laken tot [het paert] de trommels / 72- 0-0 

Aen het zwarten van de kist als anders ƒ 3-1 5-0 

9-I-8 April betaelt aen bief 48 ton a 10 gl. voor de compagnien / 494- 8-0 

betaelt aen de wyn van der Ploegh / 38i-iok> 

5-}- betaelt aan de wijn van Jan Duyne betaalt / 450- 1-8 

betaelt aan het behangsel in het huys voor maenden yi48o-i2-o 

Aen d'hr. Professor Francius *) tot een vereering van d'oratie / 3i7- 5-0 



>) Hij liep in de begrafenisstoet geheel geharnast voor het lijk; op de afbeeldingen der begrafenis wordt 
hij genoemd: ^yDe curassier nut de Regimentstok^'' Op een der platen (Muller, atlas v. hist pr: No. 2602) vindt 
men de volgende aanteekening : Dese persoon gekuurt om dit harnas te dragen is door dien last %o zeer vertnoeyt 
dat hij wijnige daagen hierna is gestorven, 

'} Het geschilderde levensgroote portret van den hoogleeraar Petrus Francius, staande voor de graftombe van 
de Ruyter, is door Ludolf Backhuisen geschilderd en berust in het Universiteitsgebouw te Amsterdam. 



DE RÜYTER'S LIJK EN BEGRAFENIS. 77 

Een rek: van *t hek en *t wapen vast te maeken / 12-10-9 

1+ voor het Roupaert te bekleeden J 16-2-0 

[Een rek: van de baay in de kerck / 60- 0-0] 

de haegsche rek: op *t betaelt 1890 /3000- o-o 

Aen *t volck van 't klijne Jacht ,tot Amsterdam . . f 18-18-0 

[Tot kaersen voor het g] [voor vader Sal*". in 't graf te leggen / 22-10-0] 

Het balsemen van het lijk heeft 200 zilveren ducatons (630 gulden) gekost, blijkens 

onderstaande kwitantie, die op de historische tentoonstelling van 1876 door J. C. Baron 

van Tuyll van Serooskerken was ingezonden : 

De Generale Reekeningh van dr. Jan Manart sal(ige)r soo aen moeyten als aen geleverde Ingredie nten 

tot Preservatie van 't Lichaem van den K D. L. heer Lt. Admirael Generael Michiel de Ruif ter sal(ige)r 

op xlen 30 April 1676 leggende met de vloot in de Bay van Seracusa alwaer alle noytwendigheden tot het 

Balsemen niet als met de grootste kosten te bekomen waeren en oock een seer corpolent Lichaam synde 

en meer dan ordinair moeyten en kosten van noeyden hebbende alsoo door de groote hette het Lichaem 

anders soude onbequam zijn geweest om over te brengen, soo dat de Reeckeninghe te same bedraeght 

voor moeyten en onkosten de somme van twee hondert sillevere Ducatons. 

^ V: E: D: L: Dinaresse 

Barbara van Duverdez. 
De Wedewe Manart. 



MAARTEN LUTHER. 



DOOR 

Cj, o . . . . VJ. 




N oiis land zijn verscheidene personen van den naam Luiher, die met het 
ernstigste gezicht ter wereld beweren, dat ze afstammelingen of althans bloed- 
verwanten van den grooten hervormer zijn. Men zou hun niet moeten zeggen , 
dat men er niets van geloofde of hun bewering voor 't minst in twijfel trok. 
Ze zouden er zicK even beleedigd door gevoelen als de keizer van 't Hemelsche Rijk, 
wien men zijn afstamming van de zon betwistte. 

Ik heb altijd als ik er van hoorde goedgeloovige verwondering voorgewend, en in 
mij zelve geglimlacht. Maar ziet, de tijd is daar om amende honorable te doen, en te 
erkennen dat de mogelijkheid niet geheel mag worden op zijde gezet. 

In het Register van Rooimeesteren loopende over de jaren 1532 — 161 5 en bewaard 
op 't gemeente-archief van Amsterdam, vind ik op bladz. 7^0 eene acte waaruit blijkt, dat 
op 27 Juni 1534 de uitspraak van Rooimeesteren werd gevraagd in een geschil gerezen 
tusschen Adrlaen Ockerszoon en Marten Luijdter, die een nieuw „dwershuys" achter Adriaen's 
olyhuis had gebouwd. Waar die huizen gelegen waren staat in de acte niet aangeteekend. 
De Rooimeesteren zeiden, dat Luydter, Luyter, Luyther — de naam komt vier malen in 
de korte acte voor en wordt op deze drie verschillende wijzen gespeld — aan de eene 



78 MAARTENLUTHER. 

zijde i^ duim te dicht aan Adriaen's huis had gebouwd, hetgeen natuurlijk door 't geven 
eener behoorlijke schadevergoeding geboet moest worden. Marten Luyther beriep er zich 
op dat hij, toen hij begon te timmeren Wolbrandt Claeszoon en de andere rooimeesters 
bij 't werk had gehaald, doch Wolbrandt, die toen ook in de zaak gehoord werd, verklaarde 
daarentegen dat het hem volstrekt niet „voor" en „stond" ooit door Marten Luyther te zijn 
geroepen geweest. 

Marten zal dus de koorden van de beurs hebben moeten losmaken. 

Daar Wolbrandt van af 1532 niet als rootmeester genoemd wordt, weten we, dat 
Luyther reeds vóór 1532 zijn huis moet hebben getimmerd. Op zijn minst genomen woonde 
dus van 1531 tot 1534 te Amsterdam een persoon, die denzelfden naam droeg als deJiervor- 
mer en dien men daarom voorzeker mag achten van den bloede van Dr. Marten Luther te zijn. 

Als de hollandsche Luthers nu eens van dezen ingezetene van Amsterdam afstamden? 



HET TESTAMENT EN STERFJAAR 

VAN 

GABRIEL METSU, 

DOOK 

M>. A, D. DE VRIES Az. 



AN weinige schilders van den eersten rang heefl Arnoldus Houbraxen in 
zijn y^roote Sehouburgh" zoo luttele berichten weten meê te deelen als van 
Gabriel Metsu. In een paar regels moest hij zich van diens levensgeschie- 
denis afmaken. Latere schrijvers hebben Houbraken's berichten hier en daar 
aangevuld. Jh''. Elsevier heefl reeds jaren geleden de aanteekening van Metsu's onder- 
trouw met ISABELLA DE WOLFF uit de Amsterdamsche Puiboeken aan het licht gebracht ^) ; 
daaruit blijkt, dat METSU niet, zooals Houbraken verhaalt, in 1615, maar eerst in 1629 
of 30, Ie Leiden werd geboren. Tijdens zijn ondertrouw (13 April 1658) woonde METSU 
op de Prinsengracht te Amsterdam. Berichten van latere jaren ontbreken. Ik deel daarom 
hier het testament *) van METSU en zijne vrouw mede, dat, in 1664 voor een Amster- 

1) Navortcher IV. p, löi. In deel VII vui dt NavortcMtr wordt deie ft&nteeketiiiie weder metgedeeld. Kramm 
herha&lde ha«r; de heer HaTard gaf diezelfde aanteekeniiig m zijn fAri tl Ut Artatet HelloHdaü, IL 187, roor 
de vierde maal, nu ats iets nieuws; hij noemt Metsa's oom, die getuige i>ij denondertiODw was: Jan AdriaensKiTYPBK 
en de moeder der braid: Maria dk Gkelles. De heer Havaid heeft net Ond-Hollandsche schrift «leclit» ^brekliig 
kupDen lezen. De lezing vaa Jhr. Elserór, die den oom KAïSB&en de moeder db Grebber noemt, ü de joïste, looal* 
uit de origineelc acte blijkt en wat, voor toover de moeder betreft, door het^meé te deelen testament wordt bevestigd. 
*) Ik vond dit eigenhandig door Metsu en zijne vrouw onderteekend testament in het notariaarchiefte Amsterdam, 
kast A. A. pak N*. 143. ^ 



GABRIELMETSU. 79 

damschen notaris verleden, o. a. het vermoeden wettigt, dat hij ook na zijn huwelijk 
in de eerste stad der zeven provinciën was blijven wonen. 

In den Naame Gods Amen. hoeden den XXIJ July XVJ« vier en sestigh, des avonts ontrent seven 
uuren, compareerden voor my Joannes d'Amour, Nots. Publ. Sr. Gabriel Metsu, konst-schilder, en Jufïr. 
ISABELLA DE WOLF Eghtelieden, door de goddel(ijcke) genaade gesont van lichaem en verstandt, de welcken 
verclaarden naer weederrocpingh van alle voorige volkomene en onvolkomene u/terste willen, van haere 
natelatene goederen geschickt en bevoolen te hebben, in maniere navolgh(ende), namentl(ijck) dat sy testanten 
eikanderen viece(m) weedero{ver) dat is, d'Eerststervende den lanxtleven(de) noemen en stellen, eenigh en alge - 
meen Erffgenaem in alle de onroerende en roerende goederen, meubelen, juweelen cleederen, actiën, crediten en 
gereghtigheeden, sulz d'eerststervende die met der doot ontruymen en nalaaten sal, van wat natuur en waar 
gelegen, geene uytgesondert, omme alle deselve bij den lanxtlevenden geaanvaart genooten en behouden 
te werden eeuwigh en erfel(yck) sonder imants tegenzeggen, mits dat de lanxtlevende gehouden blyft haare 
gesaamentl(ycke) kint oft kinderen voor de nabenoemde Vooghden te bewyzen soodanich naacte en bloote 
l^itime portie, als deselve na scherpheyt van reghten bevonden sal werden te competeren, voor de vrughten 
van welk bewys de Lanxtlevende haar voom(oemde) kinderen sal onderhouden in kost, kleederen, schoolgaan» 
t leeren van eenige exercitie en alle andere corporeele nodruften, tot haarder mondige dagen oft huwel(yken), 
staat toe, als wanneer haar het voors(eyde) bewys ssj gewerden, dogh oft het geviel dat sy testante d'eerst 
dese werreltafljrvigh wierdt, sonder wettige afkomelingen, ende haer moeder Maria de Grebbe'^ nogh in leven(de ) 
li|ve is, soo sal de testant aan (de) selve haar moeder uytkeeren de naacte en bloot leg^time portie, haer na 
scherpheyt van règhten competerende, dewyle sy testante haar moeder kide geseyde legitime portie, verdaerde 
te institueeren haar meede erffgenaem. 

Nogh verclaerde sy Testanten haar wil en begeeren te syn, dat indien d*eerststervende geen kinderen 
naliet, en de lanxtlevende quam te hertrouwen deselve in sulck een geval aan vrunden van eerstoverleedene 
sal uytkeeren een som van duysent garolus gulds. eens voor het voltrekken van het tweede hu^el(yck) 

maer indien de lanxtlevende niet hertrouwt geweest en sonder kinderen na te laatën komt te overlijden — 
sob sal, alles wat de lanxtlevende onverteert en boven alle schulden nalaat, genooten werden bij de vrunden 
van eerstoverleedene voor d*eene helft en bij de vrunden van de laatst overleeden voor de" andre helft, van 
welke helft oft de voors(eyde) somme van duysent gulds. hy, Testant begeert dat Jacomina Kool sal hebben 
een gerecht vierdepart, ende syn susters en broeders, oft derzelver kinderen, by representatie de resterende 
drie vierde parten, dewyle hy Testant, te overlyden van lanxtlevende, syn Erffgenamen, soodanigh institue ert 
als hier even te vooren geseght is. 

Eyndelingh verclaarden sy Testanten beyde nogh te willen en te begeeren, dat alles, wat sy na 
deesen voor twee getuygen, mans oft vrouwen, oft onder haerl(ieden) handteyck(en) alleen sullen komen te be- 
lasten, te beveelen oft te schicken, weegens maakingen giften, oft geschenken, aen lieden als noch hierinrie 
niet genoemt, oft tot verminderingh oft vermeerderingh van makin^en, aan lieden hier vooren aireede 
genoemt, dat alle het selve van sood(anige) kracht en waarde sal sijn, als off het in deese tegenwoordige 
van woort tot woort gevoeght en uytgedrukt ware. 

Alle het welck vooren is, verklaarden sy Testanten te wesen hare vrijwillige, welbedagte en laatste 
chickkingen, sulx sy deselve na rypen rade en sonder imants aanradinge beraamt en beslooten hebben, 
willende derhalven, dat die bestaen sal als volkomene uytterste wille, oft so niet konnende, als onvolkomene, 
als giffte onder de levenden, ter saake des doots, ofte so als imants uytterste wille, best kan en magh bestaen, 
hoewel alle de vereyschte pleghtigheeden, niet ten vollen waergenoomen waren, versoeken(de) my Not*. 't selve 
aen te teykenen, daer van kennisse te dragen en haer te doen hebben behoorl(yck) aflfechrifft. Aldus gedaen 
t* mgner schrijff kamer aen de beurse binnen Amsterdam ten overstaen van Jeremias Pricé en Reynout du 
Bois als getuygen hiertoe versocht 

(w. g:) Gabriel Metsu. 

J. Pricé. Isabelle de Wolf. 

R. D. Bois. Quod attestor, 

* J. d*Amour. 

Not. Pub. 

i6 ^ 64. 



80 GABRIELMETSU. 

Te Amsterdam zou ook Metsu's laatste rustplaats zijn. Nog geen drie jaar nadat 
de groote genre— schilder in de „schrijffkamer" van Notaris d'Amour zijn handteekening 
onder bovenstaand testament, had geplaatst werd hij van de Leidschestraat, waar hij toen 
woonde, naar de Nieuwe kerk uitgedragen. In het begraienisboek dier kerk leest men op 
24 October 1667: ^) 

3|24 {October)\ Gabriel Metsu schilder voor oen inde Leysesiraet f 15. — 

het cijfer 3, dat voor deze aanteekening staat, duidt aan dat bij zijn begrafenis drie .kloeken" 
werden geluid. 

De zeven- of achtendertigjarige kiyistenaar werd in zijn hoogsten bloei aan de Neder- 
landsche kunst ontnomen; de salon van wijlen Mevrouw van Loon op de Heerengracht 
zou dit kunnen getuigen, indien dit niet van zijn ouden luister ware ontdaan. Zoo de 
heer en mevrouw Daev niet in ballingschap bij buitenlandsche geldmonarchen zuchtten, 
de dame in het licht-blauw met gouddraad bewerkt satijn '), die eens tot hunne klassieke 
omgeving behoorde en met hen werd weggevoerd, zou het ons hebben vermeld, hoe Metsu 
ook in het jaar van zijn dood tot zijn onsterfelijken roem heeft gearbeid. 

Amsterdam, Sept. 1882. 

') De bewering tui Balkema, dat Meuu in 1669 lüerf, Ii uit de lucht gegrepeo ca kan nn voor goed lt&«r 
lcr«cht Terlieien. 

>) Deze 'bitiaiiiitetide schilderij, thauswaurschijotijkbii baron RothschDd Ie Parijs, ia gemerkt: G.MbtsübA*. 1667. 



MEINDERT HOBBEMA 



M'. N. DE ROEVER. 



R is in het leven van niet weinige onzer groote kunstenaars veel 
wat voor het oog van den belangstellenden zoon der negentiende 
eeuw met een dichten sluier bedekt is. Wel hebben ijverige naspo- 
ringen van een keurbende van geschiedvorschers het er toe gebracht, 
dat het dichte weefsel hier en daar een weinig ijler werd en een 
blik gunde op de geheimenissen, die het verborgen hield, maar 
het volle licht drong daarmede nog niet binnen. Waar we de 
voorlichting van gelijktijdige biografen missen, zijn we enkele ge- 
gevens, soms zelfs het geraamte voor eene levensbeschrijving rijker 
geworden, maar wie daarmede een beeld zou willen ontwerpen, zal spoedig bemerken, dat 
hij niets dan de eerste grondslagen ter zijner beschikking heeft, dat hij de materialen 
welke hij van elders niet kan aandragen uit het onderling verband van de bestaande 
moet aanvullen. Een ruim veld voor gissingen voorzeker. Verstandig hij, die zijne 
verbeelding geen te groot spel laat spelen, maar zich bepaalt tot het maken van zulke 
gevolgtrekkingen waartoe zijn gegevens hem wettigen. 

Meindert Hobbema (geb. te Amsterdam in den jare 1638) is een der meesters, 
die door de vroegere biografen niet wordt genoemd. Zijn reputatie drong niet door tot 
de achttiende eeuw, omdat hij zich geen naam had kunnen maken bij zijn leven. Het 
was, als of de wolk der vergetelheid zijne nagedachtenis zou blijven verduisteren. Maar de 



82 MEINDERT HOBBEMA. 

zon der vrijheid telde in haar stralenbundel een, die wars was van de conventioneele 
kunstschool der vorige eeuw, en, terwijl hij den wolk der vergetelheid scheurde, het oog, 
lang verzadigd aan hare meesterstukken, deed schouwen op de kunstwerken van de zeven- 
tiende eeuw, waaruit waarheid en realiteit sprak. 

Toen herleefde HOBBEMA, en hij deelde in de bewondering, die het tegenwoordige 
geslacht in zoo ruime mate voor de heroen der kunst over heeft. 

Maar HoBBEMA bleef een naam van een grooten kunstenaars-geest, die men huldigde, 
de persoon w.erd te vergeefs gezocht. 

De eerste, die een zeker bericht van zijn leven vond, was JHR. W. I. C. RAMMEL- 
MAN Elzevier, archivaris van Leiden, de eerste die de aankondiging deed van zijn over- 
lijden, voorgevallen in December 1709, was Dr. P. Scheltema, archivaris van Amsterdam. 
Door Elzevier's vondst leerden we den meester kennen als de gelukkige bruidegom; 
Scheltema stelt hem ons voor als den meer dan 70-jarigen, verarmden, alleen van al 
de zijnen achtergebleven grijsaard, die kort na den dood van zijn trouwe gade het huis 
waar „het Schip de Hoop" in den gevel stond, verliet om zich in de nieuwe woning, zijne 
eenige dochter, de laatste hoop op de toekomst, die hem nog het hart verkwikken kon, 
door den dood te zien ontrooven. 

* 

En in dit tijdsverloop, besloten tusschen de jaren 1668 en 1709, had hij vier malen 
vadervreugd gesmaakt, maar ook vier malen was hem die vreugde oorzaak geweest van 
de grootste smart, die een vader lijden kan. *) 

Het is verwonderlijk, dat juist uit dit tijdsverloop geene andere schilderijen van den 
jneester bekend zijn, dan het gezicht op Middel-Harnis met het jaartal 1689. Eén werk 
in 40 levensjaren, en met een tusschenpoos van meer dan 20 jaren na het eerst daarop- 
volgende gedateerde stuk van 1668, gaf grond tot het vermoeden van den een, dat het 
jaartal niet echt was, van den ander, dat de schilder omstreeks 1670 moest overleden zijn. 

Wat mocht de reden wezen, dat HOBBEMA in 1668, op pas 30jarigen leeftijd het penseel 
nederlegde, om slechts nu en dan na lange jaren van rust het weder ter hand te. nemen ? 

Zie daar een vraag die Scheltema's bijdrage ons niet kon oplossen. 

Het volgende geeft daarop het antwoord. 

Een aanteekening in het boek der dagelijksche notulen van Burgemeesteren van den 
jare 1709, wijst ons aan, in de eerste plaats welke de juiste dag van Hobbema's over- 
lijden* is, en in de tweede plaats, dat hij tot zijne dood eene eerzame, zij *t ook kleine 
post van vertrouwen binnen zijne geboortestad bekleedde. De aanteekening luidt: 

„Op den 10 December 1709 hebben de wijnroeijers bekent gemaakt, dat haaren 

„Confrater Meynert Hobbema den 7 dezer overleden is." 

Wat was den aard van de betrekking van wijnroeier, vraagt ge? Mijn antwoord 



^) Zie de uittreksels uit de oude archieven van den Burgerlijken stand bij Scheltema. Aemstels Oudheid 
(1863) deel V, blz. 63, 64. De aanvrage voor Hobbema's begrafenis bewijst, dunkt mij, dat hij kinderloos overleed. 



MEINDERTHOBBEMA. 88 

moet u plotseling uit de XVII* eeuw terug voeren naar de XIV*, toen Amsterdam van 
Hertog Albrecht het recht kreeg van de maat. Nu ben ik, hoor ik u zeggen, even 
wijs. Welnu, van oudsher was het een voorrecht van den graaf om bij het ter markt 
brengen of verkoopen van goederen, welke niet naar het gewicht of naar den maat van 
de verkoopplaats waren berekend, die te laten overwegen of overmeten volgens den daar 
geldenden maatstaf. Dat daaraan eenige onkosten verbonden waren, welke den grafelijken 
schatkist stijfden, of de beurs van den pachter, spreekt van zelf. De koopman getroostte 
zich die onkosten gaarne; kooper en verkooper konden nu geen verschil krijgen over de 
hoeveelheid der geleverde waar, hetgeen anders bij het bestaande verschil in gewicht en 
maat van alle steden maar al te wel mogelijk was. 

In de vorige eeuw werd voor 't meten van een stuk brandewijn 12 stuivers, van 
een okshoofd wijn 3 stuivers betaald. 

Dit grafelijk privilege van maat verkreeg de stad in 1389, „om een goede somme 
van blinkende penningen" en naar het schijnt wel te gelijk den maat van drooge en natte 
waren, welke de graaf op andere plaatsen niet altijd te gelijk verkocht heeft. 

De stad deed gelijk de graaf en verpachtte oudtijds het ambt van weger of meter, 
maar van lieverlede beschouwden de overste regenten het als een hun toekomend voor- 
recht om met de betrekking ook de voordeelen weg te schenken aan personen, die zij om 
welke reden dan ook een klein ambtje wenschten te bezorgen. HOBBEMA heeft alzoo 
in den gunst van een der Amsterdamsche burgemeesters moeten deelen. 

De werkkring van den beëedigden wijnroeier was niet omslachtig, ofschoon hij 
behalve den wijn, ook den brandewijn en de olie meten moest, wanneer zij in ongeijkte 
vaten werden aangevoerd of verhandeld, 't Schijnt dat de koopman slechts aan 't Wijn 
roei^skantoor, tegen de Nieuwe Kerk gelegen, een der ten tijde van HOBBEMA 6, later 
ten tijde van Wagenaar 5 ambtgenooten behoefde te ontbieden naar de pakhuizen waar 
hij zijn wijn, brandewijn of olie had opgeslagen, om zijn boodschapper, vergezeld van 
den wijnroeier met zijn werktuigen in de hand, te zien terugkeeren. De kleine voordeelen 
schijnen door de groote massa der gemeten goederen een niet onaanzienlijk cijfer te 
hebben beloopen. Ieder der wijnroeiers behield aanvankelijk de vruchten van zijn arbeid 
voor zich, maar juist in HoBBEMA's tijd is daarin eene verandering gekomen. Op verzoek 
der gezamenlijke wijnroeiers besloten burgemeesteren den 31»^ Juli 1676 om hunne goed- 
keuring te hechten aan het door hen kenbaar gemaakte plan om voortaan alle 
winsten gezamenlijk te deelen, en uit den gemeenen kas de medebroeders, die „sieck, 
impotent oft andersints onbequaem" waren, wekelijks zes gfulden uit te betalen. Dat is 
waarlijk voor dien tijd niet weinig 1 Nijpende armoede heeft HOBBEMA dus nooit gekend, 
daarvoor was buitendien zijn ambt, zij het ook niet aanzienlijk, te fatsoenlijk. Dat hij 
in de klasse der armen begraven werd bewijst alleen, dat hij geen geld en geen bemid- 
delde verwanten naliet; niet dat hij bij zijn leven armoede zou hebben geleden. 

Wij vinden dit in eene acte geregfistreerd in 't groot Memoriaal VI, bl. 182; daar- 



\ 



84 MEINDERT HOBBEMA, 

uit blijkt, dat zijii collega's toen waren : RUTGER VAN Seyst, Johannes VAN DEN Driessche, 
PiETER VAN DEN LUFFEL, Gerrit K. Ryer en Cl. D. B. C(»iBfERROV. Hij teekende 
tusschen de beide eersten en schijnt dus naar den tijd van aanstelling de tweede te zijn 
geweest. Toch heeft hij hen allen overleefd. 

Ik heb te vergeefs naar die aanstelling gezocht, maar ei^idelijk heb ik toch het 
jaar der aanstelling gevonden, en wel in de Ambtboeken en in de zoogenaamde „Heereh- 
boekjes" waarin ook de namen en 't jaartal der aanstelling van de wijnroeiers staan 
opgegeven. Het Ambtboek blz. 169, zoowel als het Heerenboekje van 1703 vermelden 
het jaar 1668 als dat van Hobbema's benoeming*). Dat deze opgave juist is, valt 
te bewijzen uit eene aanteekening in het derde der aanwezige registers der dagelijksche 
Notulen van burgemeesteren, blz. i, waaruit blijkt, dat er in Februari van dat jaar 
juist een plaats als wijnroeier door 't overlijden van PlETER Laurensz van DEN HOECK 
was vacant geworden. 

Opmerkelijk is het, dat zijne benoeming plaats had in 't zelfde jaar, waarin hij 
in 't huwelijk trad, hetgeen aanleiding geeft tot de veronderstelling, dat de voordeelen 
van 't wijnroeierschap zijn voornaamste bron van inkomsten waren en hem in staat 
moesten stellen de echtelijke woning interichten en het aanvankelijk kleine gezin te onder- 
houden. Dat een kunstenaar als Hobbema niet zonder eenige aandoening penseel en palet 
voor de peilwerktuigen, waarmede hij voortaan den klaren dag zou doorbrengen, ruilde, 
mogen we voor zeker houden. Ons is het thans verklaarbaar, dat we slechts één gejaar- 
merkt schilderij van den meester na 1668 kunnen aanwijzen. 

Het schijnt evenwel, dat Hobbema zijn oude vrienden van het atelier of van den 
vrolijken taveerne, waar de schildersbent elkaar rendez-vous gaf, behield. Was het zijn 
leermeester Jacob van Ruysdael — men neemt althans aan, dat Hobbema zijn leerling 
was — die als getuige van den bruidegom optrad, een ander weinig bekend maar daarom 
evengoed geacht kunstenaar. Jan van Kessel, die naar deskundigen beweren, soms in 
den trant van RUYSDAEL geschilderd heeft, bleef in vriendschap met hem verbonden. Die 
ontdekking is niet zonder belang, want er ligt een steun in voor het vermoeden van 
kunstkenners, dat Jan van Kessel en Meindert Hobbema beide leerlingen van Ruys- 
dael waren. 

Ik ben echter nog het bewijs van het bestaan der vriendschapsband tusschen die 
beide kunstenaars schuldig. Het ligt in het feit, dat Meindert getuige was bij den doop 
van het kind van JoHANNES van Kessel en Clara Swigters, die in Februari 1675 in 
de Nieuwe Kerk te Amsterdam plaats had. 

Wellicht kan ik later meer over dien weinig bekenden Jan van Kessel mededeelen. 

Ik zeide zoo even, dat HOBBEMA in den gunst van een der Amsterdamsche burge- 



^) Uit de Heerenboekjes blijkt buitendien — wat tot nadere plaatsbepaling van Hobbema's woning kan 
dienen — dat hij van 1703—1705 in de Konijnenstraat bij de Lauriergracht, van 1706— 1709 op de Rozengracht 
naast het Doolhof woonde. 



MEINDERT HOBBEMA. 85 

meesters g^edeeld heeft. Raadplegen wij de regeeringslijst van den jare 1668, dan zien 
we den naam van den Burgemeester Lambert Reynst bovenaan staan. Dit beteekent, 
dat hij gedurende 't eerste kwart-jaar — juist datgene, waarin, gelijk we zagen, de 
plaats aan 't wijnroeierskantoor openviel — , de voprzittersstoel innam. Deze magistraats- 
persoon was de vader van Cornelis Reynst*) die als doopgetuige bij den doop van 
Hobbema's zonen optrad. Cornelis Reynst was, het blijkt hieruit, een goed vriend 
van het jonge gezin, en het is niet onmogelijk, dat Burgemeester REYNST, door zijn 
voorspraak, Hobbema met het geenszins te verwerpen ainbt, dat hem een zorgeloos zij 
ook bescheiden bestaan verzekerde, heeft begunstigd. 

Of onze burgervader den kunstenaar daarmede wel zulk een grooten dienst heeft 
bewezen, en of de voordeelen van het ambt hem even nuttig waren als ze voor een ander 
zouden zijn geweest, mag voorwaar betwijfeld worden. Had Hobbema van zijn penseel 
moeten leven, en was hij in de gelegenheid geweest zijn tijd en zijn krachten aan de 
kunst te wijden, dan zou hij wellicht meer nog met de zorgen en den strijd des levens 
te kampen hebben gehad, maar zijn talent had zich breed en in al zijn kracht ontwikkeld 
en hij zou niet onbekend, ongeacht bij zijn tijdgenooten als een schamel burger in de 
groeve zijn gedaald. 

Zijn dood was geen gebeurtenis. Reeds lange jaren te voren was hij gestorven 
toen hij den loopbaan der kunst, moeielijk vaak, en de werkplaatsen van de gevierde 
kunstenaars in de achterbuurten vaarwel zei, en ' in den schaduw van 't achtste wereld- 
wonder, verloren onder de meitschenmassa, die in haastigen spoed het middenpunt der 
stad of het hart des koophandels van Holland trachtte te bereiken, het kleine wachthuisje 
van een nog kleiner college betrad, boven welks deur men had zorg gedragen te schilde- 
ren „Wijnroeijers-comptoir." 

En toen den lO'^ December 1709 van daar uit de boodschap naar de Heeren 
werd gebracht, dat een der collega's het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld, toen 
zal de droefheid over het verlies van den medebroeder daar niet grooter zijn geweest dan 
de yreugde, die er heerschte, toen korten tijd later zijn opvolger Anthony Eyneman de 
ledige plaats innam. 

Had slechts Hobbema een Six «1 plaats van een Reynst gevonden 1 



O Cornelis Reynst kinderloos oyerleden en gehuwd met Aefjen de Haen, de dochter des vice-admiraals, 
-wus een zoon van den in 1672 door den Prins uit de regeerings ambten ontslagen burgemeester Lambert Retnst, 
geboren uit zijn huwelijk met Alida Bicker Cornelis dr. vgl.: Het Patriciaat van Amsterdam, vertegenwoordigd 
door de genealogie van 't geslacht Boelens. (Amst. C. L. v. Langenhttyzen 1881), bis. aa. 




■^^^^ 



NADERE BIZONDERHEDEN 

BETREFFENDE 

JAN THEUNISZ BLANCKERHOFF, 

(JAN-MAAT) 
M'. N. DE ROEVER. 



N de eerste aflevering van dit tijdschrift deelde ik eentge bizon- 
derheden over dezen schilder mede. 

Ik ben thans in staat niijne opgaaf eensdeels te verbete- 
ren, anderdeels aan te vuUen. 

Allereerst dan de verbeterii^en. 

Ik schreef op bladzijde 9, dat de begrafenis van Jan 
Theunisz Blanckerhoff door den doodgraver niet werd aan- 
gegeven en daarom in het doodboek van de Westerkerk ter 
Weeskamer niet stond vermeld. 

Beter ware het geweest indien ik gez^d had, dat die naam niet in dat boek 
te vinden was, toen Catharina VAN Wyck de toestemming van Weesmeesteren voor 
haar tweede huwelijk kwam vragen. 

Een nauwgezet en voorzichtig historievorscher meende daarmede het feit van 
Blanckerhoff's dood in twijfel te mogen trekken, en nog niet alle geloof te moeten 



NADERE BIZONDERHEDEN BETREFFENDE JAN THEUNISZ BLANCKERHOFF. 87 

ontzeggen aan Johannes Voorhout, *) als hij beweerde onzen schilder nog in 1674 in 
levenden lijve gezien te hebben. Hoe zou 't mogelijk zijn, meende hij, dat er een persoon 
in *tdoodboek ter Weeskamer kon overgeslagen worden? 

Laat mij trachten dit te verklaren. 

In de begrafenisboeken schreef de koster of de doodgraver de namen der ter aarde 
bestelde personen op, met achtervoeging van een cijfer, waarmede hij te kennen gaf hoeveel' 
minderjarige kinderen er achtergebleven waren. Aan 't einde van de week moest hij ter 
voldoening aan een der bepalingen van de ordonnantie voor de weeskamer een lijstje van 
die personen opmaken. Het kon gemakkelijk gebeuren, dat hij op een drukken dag ver- 
zuimd had één van de begraven personen op te teekenen, of althans achter hunnen naam 
aan te teekenen, dat er minderjarigen nagelaten waren. Alleen daaraan kan ik de menig- 
vuldige 'tusschenvoegingen van oorspronkelijk niet Jn de registers ter weeskamer opge- 
schreven doodennamen toeschrijven. 

Wat ik dus zeide over de onnauwkeurigheid en slordigheid van de personen, 
aan wie toen het bijhouden der begrafenisboeken was toevertrouwd, daarvan behoef ik 
niets terugtenemen. Juist in het volgende lig^ daarvoor een nader bewijs. 

Vooraf echter een onwillekeurig abuis hersteld. 

Het doodboek, waarin Rembrandt's begrafenis staat vermeld, droeg op het per- 
kamenten bovenblad het opschrift 

Westerkerk 
begint 3 Januari 1664 — eindigft 28 December 1688. 

Het is mij thans echter gebleken, dat dit opschrift niet juist is, en dat in hetzelfde 
boek niet alleen de dooden in de Westerkerk bijgezet, maar ook de op het Westerkerkhof 
begravene, door elkander werden opgeteekend. 

Er zijn twee kerkhoven geweest, die den naam van Westerkerkhof droegen. Het 



1) Eenige gegevens over dezen schilder mogen hier een plaats vinden. 

Johannes Voorhout is volgens do bekende biografen onzer kunstenaars geboren te Uithoorn nabij Amsterdam. 
Dit wordt niet bepasdd bevestigd door de poorterboeken van Amsterdam. Hij werd door Burgremeesteren als ingeboren 
poorter erkend, den 4 Maart 1707. Gewoonlijk maakt men uit deze erkenning op, dat de bedoelde persoon 
binnen de stad geboren lAras. Men schijnt hier slechts aan zijne erkenning te moeten denken als zoon van een 
poorter, omdat zijn vader evenzeer het poorterrecht had bezeten. Bij de inschrijving in »t poorterboek werd zijns 
vaders naam opgeteekend, en daaruit weten we, dat deze Corneus heette en *t beroep van horlogemaker uit- 
oefende. 

CoRNBLis Voorhout, van den Uithoorn, werd aangenomen als behuwde poorter den 25 Februari 1672, krachtens 
zijn huwelijk met Trijntje Pieters, die poorteresse was en dochter van Pi eter Aertsen, toen overleden en bij 
zijn leven knecht van de jachthaven. 

Er is een tweede Johannes Voorhout bekend, welke men meent een zoon van den hiergenoemde te zijn. 
Vreemd is het, dat hij zich niet op 't poorterschap van zijn vader beriep toen hij 2 Juli 1729 op den poorterrol 
werd ingeschreven. Hij was gehuwd met Maria Keun, eene dochter van Dirk Keun, in leven bode op Kleef 
en mede poorter van Amsterdam. Dit huwelijk was voltrokken voor schepenen 31 October 1700. Uit de huwelijks- 
inteekening van dato 8 October blijkt, dat hij Johannes Voorhout, de Jonge, genoemd werd, in 1677 te Amsterdam 
geboren werd, en dat zijne bruid te *s Hage geboren even oud was als hi). 



88 NADERE BIZONDERHEDEN BETREFFENDE JAN THEUNISZ BLANCKERHOFF. 

eerste lag aan de noordzijde en vóór den ing^g aan de oostzijde van de Westerkerk. 
Men vindt er platen van bij DAPPER, 1663, VON Sesen, 1664 en Van Domselaer, 1665. 
Twintig Jt dertig jaar later was de muur weggebroken en de hof met boomen beplant. 
Men vergelijke de plaat bij COMMELIN. 

Het werd buiten gebruik gesteld op den I2«" Augustus van het jaar 1655*), omdat 
zich tijdens de toenmalige groote sterfte uit dit kleine kerkhof, wegens het gedurig „be- 
roeren enontblooten der versch begravene Lycken overmidts het dagelijx inbrengen van 
anderen" een y,vilainen stank" ontwikkelde, die, zich „uytspreydende in de.naest omleg- 
gende huysen, niet sonder apparent pericul van infectatie voor d'inwoonders" werd geacht. 
De vroedschap besloot toen, dat dit kerkhof van „meerder inbrenpnge'' behoorde te 
worden „getocuseerd" en een nieuwe begraafplaats zou worden ingericht op *t bolwerk 
Rijkeroord, aan 't einde van de Bloemgracht, waarop de oude naam overging. 

Terwijl in de kerk de graven der bemiddelden gevonden werden, werd de groeve 
voor de smalle gemeente gedolven op het kerkhof. In dien tijd was er nog geen kerkhof 
voor een bepaald aantal wijken aangewezen. Vandaar, dat het eene kerkhof spoediger 
vol raakte dan het andere, hetgeen de regeering door een keur van 31 Juli 1681 
(Keurb. P. bl. 243) heeft voorkomen. Op deze kerkhoven werden allerlei personen, 
zopder onderscheid van godsdienstige gezindheid, behalve Israëlieten, ter aarde besteld. *) 

Toen ik eenmaal had ontdekt, dat de dooden op het kerkhof begraven, ook in de 
bedoelde doodboeken van de. Westerkerk stonden aangeteekend, heb ik het begrafenisboek 
van 't Westerkerkhof nageslagen, en daarin inderdaad de begrafenis van BLANCKERHOFF 
vermeld gevonden. 

Maar onder welke gedaante ! Onkenbaar bijna onder den last van fouten tegen de 
orthografiel Zóó onkenbaar, dat zelfs de tijdgenoot er geen weg mede heeft geweten. 

Nu, de eerzame doodgraver van 't Westerkerkhof — hij ruste in vrede — had het in 
de kunst van schrijven en spellen niet ver gebracht. Hij was zeker niet ter schoole ge- 
weest op den Singel bij de Warmoesgracht op den hoek van 't Steegje bij den beroemden 
Mr. Lieven Willemsz van Coffenoll'), die hem voorzeker beter onderricht zou hebben 



^) Vgl. Resol. Vroedsch. A. bL 5 vo. 

^) Dat ér ook Roomsch Katholieken begraven werden is mij gebleken uit de aanteekening der begrafenis van 
enkele geestelijke dot^hterg en van weeskinderen uit het Katholieke Weeshuis op de Lauriergracht Zoo werd er 
12 Januari 1690 ook begraven Jan van Dablhuizen, Meester in dit Weeshuis. 

') Dit huis met een huis daarnaast aan de zuidzijde werd door den beroemden calllgraaf in Januari 1644 ten 
verkoope aangeslagen; waarschijnlijk om aan zijn minderjarige kinderen de moederlijke erfportie te kunnen uitkeeren. 
Lieven Willemsz koesterde toen op nieuw trouwplannen en schijnt tegelijkertijd zijn school aan kant te hebben 
gedaan, daar hij in de veilconditien de 'bepaling opnam, dat de kooper het schoolgereedscbap zoo van banken, tafels, 
borden als anderzins zou mogen overnemen. 
. Beide huizen golden te zamen 28,500 gl. Een aardig vermogen in dien tijd. 

Hij teekende inderdaad den 19 Juni 1644 ten huwelijk aan met Grietje Andries, toen wonende op de 
Haarlemmerstraat vermoedelijk in hetzelfde huis ,,de oude Tobias" over de Eenhoomsluis, waaruit zij den 7 Mei 
1661 naar de Westerkerk ter laatste rustplaats werd gedragen. 



NADERE BIZONDERHEDEN BETREFFENDE JAN THEUNISZ BLANCKERHOFF. 89 

gegeven in *t y^hantieren der loffelijke ganzenveder" — noch bij DANIEL VAN DER HOEGH 
^soolmester" in de Loijerstraat in „Paules bekeeren", dien hij zelf in 1685 een groeve dolf 
en die hem — we mogen 't aannemen — wel beter de regelen der spelling zou hebben geleerd. 

Onze doodgraver dan hield er zijn eigen mannier van spelling op na. Jacques wordt 
bij hem Jakes; St. Lucienburgwal verhaspelt hij tot Sentehyeburwael ; op familienamen 
was hij evenmin kieskeurig, fde familienaam Guyot herkent hij in zijn Gieijó) en de keel- 
letter ch komt in zijn alphabeth niet voor. Daarom kon hij meenen niet tegen de orthografie 
te zondigen als hij yfiooltnestêr^'^ inplaats van schoolmeester, y^sep^^ inplaats van schip, ') 
yyselder^^* of y^eller^' inplaats van schilder schreef. 

Wanneer we dit eenmaal weten, en we werpen dan — Blanckerhoff's bentnaam 
Jan-Maat indachtig — weder een blik in het ter Weeskamer bewaarde doodboek 
dan rijst bij ons een vermoeden wanneer we daar zien staan: 




dat is: 







Jan Maetseller elansgraeft 
2 U _ _ _ — 3 

en we zijn begeerig om in het manuscript van den onafhankelijk spellenden doodgraver, de bron 
voor de opgaven van het bedoelde doodboek, na te gaan, wat dit ons er van te vertellen heeft. 
Daar staan we voor de volgende proeve van 's mans vedervaardigheid, ter neer- 
gesteld onder den datum van 2 October 1669. 





dat is : 

Yan Maet Seller op de jee- 
lantsgraft aen de noort 
sy lanaet na 3 kijnder 
baer. roff*. 16. 




I) Eén voorbeeld uit vele: 
15 Jannmri 1688. Kint van.,. . . . (naam niet ingevuld) öp de roosegraft naest het Sep van Bredael ^ Schip van Breda 

Gelokkig werden niet alle dood- en doopboeken zóó bijgehouden. Een vermakelijke spelling hield een koster 
van de Oude Kerk er op na. Aan 't einde van de maand telde hij de doopelingen op en schreef in 't boek ter 
neder: Jin deze mant zijn ao kinden gedopt" 

IS 



90 NADERE BIZONDERHEDEN BETREFFENDE JAN THEUNISZ BLANCKERHOFF. 

Jan-Maat woonde dus bij zijn overlijden op de Elandsgracht en Het drie minder- 
jarige kinderen na, waarvan er in 1674 reeds één ter ziele was. 

Thans weten we, dat Catharina van Wijck waarheid sprak, toen ze in 1674 
verklaarde, dat haar overleden nian in de eerste dagen van October was begraven. Zij 
zal niet hebben vermoed, dat Blanckerhoff in de begrafenis boeken onder zijn bentnaam 
voorkwam, een sprekend bewijs van de populariteit, die hij zich in zijn tijd had ver- 
worven. Thans begrijpen we, dat de klerk aan de weeskamer onder den naam Jan 
Maetseller den „ervaren schilder van seesaken" Jan Theunisz Blanckerhoff 
niet kon herkennen. . 

En thans zal men 't hoop ik ook mij vergeven. 

Plaats en tijd van overlijden van onzen kunstenaar staan hiermede vast. We 
hebben thans het antwoord te geven op de vraag, waar en wanneer hij met Catharina 
VAN Wijck in 't huwelijk trad. Ik ben de opgaaf daarvan evenzeer als van den doop 
van twee zijner kinderen verschuldigd aan een vondst van Mr. A. D. DE Vries Az. 
We zien hem met zijn bruid — in de acte wordt zij eenvoudig Catharina Aerts *) 
genoemd — jop den 5 April 1659 verschijnen voor Commissarissen van Huwelijkszaken 
en zijn verlangen te kennen geven om in ondertrouw te worden opgenomen en de drie 
zondagsche geboden in de hervormde kerken te laten afkondigen. Daarom legden Com- 
missarissen hun het register van kerkelijke huwelijks-proclamatien ter teekening voor, 
waarin de secretaris bereids het volgende had geboekt: 

JOANNES Blanckenhoff •) van Alckmaer, schilder, out 32 jaer, ouders doot, 

geass(isteert) met Jacob Santkamp, woont op Cattenburgh, en Catrina Aerts 

van A(msterdam) out 24 jaer, ouders doot,. geass(isteert) met VROUWTJE Ovens, 

woont in de Jonckerstraet. 

Beide onderteekenden de acte en voelden zich niet bezwaard door het denkbeeld 
dat hun trouw krachtens de politieke ordonnantie van 1580 en de ordonnantie voor 
Commissarissen van Huwelijkszaken van 28 Augustus 1586, geamplieerd den 5 Juni i6o4, 
door den predikant zou worden gesolemniseerd. Hierin lig^, zou men meenen^ het bewijs 
bf dat beide hervormd waren 6f dat een van de twee — want ik zou niet durven be- 
weren^ dat er in de kerkelijke huwelijks proclaniatieboeken geen gemengde huwelijken zijn 
aangeteekend — als hij tot een ander kerkgenootschap behoorde, er vrij onverschillig 
onder was of het huwelijk door den pastoor of door den dominé werd ingezegend. 



^) Dat de kleine burgerij zich nog in de vorigre eeuw bij den vaders naam noemde is bekend, maar dat ook 
in de zestiende en zeventiende eeuw aanzienlijker burgers het deden, zeUa met weglating van een familienaam, hij 
moge dan pas aangenomen of reeds eeuwen lang aan het geslacht eigen zijn, is mij meermalen gebleken. Eerst in 
de eerste helft der zeventiende eeuw werden de namen in de aanzienlijke burgergeslachten standvastig. Voor dien 
tijd vindt men niet zelden broeders met geheel verschillende toenamen. Komen in acten broeders en zusters te 
gelijk voor, dan dragen de vrouwen den familienaam niet, maar alleen den doopnaam des vaders. Vandaar zijn de 
stammoeders der Amsterdamsche patriciërs zoo moeielijk thuis te brengen. 

•) Hij onderteekent : Johanis Blanckerhof. 



NADERE DIZONDERHEDEN BETREFFENDE JAN THEUNISZ BLANCKERHOFF. 91 

Ik heb echter niet bevonden dat dit bruidspaar hun trouw kerkelijk, heeft laten 
solemniseeren. 

Jan BLANCKERHOFF wcrd volgens de berichten van tijdgenooten op Koppermaandag 
1628 geboren. Sprak hij bij 'zijn huwelijks-inteekenmg de waarheid dan was 1627 zijn' 
geboorte-jaar. De Heer Archivaris Bruijnvis had de welwillendheid voor mij de doop- 
boeken der Nederduttsch hervormde gemeente te Alkmaar na te slaan en meldde mij, dat 
hij zijn naam onder de doopelingen van de jaren 1626, 1627, 1628 niet had gevonden. 
De doopboeken van andere kerkgenootschappen over die jaren waren niet meer aanwezig. . 

De gissing is thans zeker niet te gewaagd; dat Jan-Maat niet de hervormde gods- 
dienst beleed. Dan moet Catharina van WijCK, wèl tot de staatskerk behoord hebben. 
Dit wordt bevestigd door het feit, dat de ondertrouw voor haar tweede huwelijk 
evenzeer als die voor het eerste in het kerk-inteekenboek werd opgeschreven. 

Jan-Maat's familie schijnt den ouden godsdienst getrouw te zijn gebleven en dan 
is het voorzeker begrijpelijk, dat hij zijne kinderen in het geloof der vaderen wilde opvoeden. 

Hij liet althans zijn zoon Arnoldus den 9 januari 1663 (doopborg was daarbij 
Grietien Jongejans) en zijne dochter JOANNA den 17 November 1665 (doopboi^ 
HiERONiMO RiGO) in de Mozes- en Aftronskerk doopen. 

Ten slotte het laatste bericht over Rembrandt's gewaande tweede huisvrouw. 

Toevallig ontdekte ik de aanteeking van hare begrafenis. Daaruit blijkt, dat haar 
gebeente niet rust bij- dat van haren eersten echtgenoot. Haar stoffelijk overschot werd 
op den 30 Maart 1698 uit het sterfhuis op de Heerengracht gedragen naar een groeve 
van het Leidsche kerkhof. Daar rust thans zij die hare bekendheid bij het nageslacht 
aan een vergissing dankte. Zij had Barend BarENDSZ die in de wandeling BarEND 
VAN Munster genaamd werd, overleefd. 



EENIGE BESCHEIDEN 



bf.trkfff.ni)f: 



DE KONINKLIJKE PORCELEINFABRIEK TE BERUJN. 

1780 — 1 7 S 2. 



IET minder bekend dan de beroemde porcelein fabrieken van Meissen en 
van Sèvres is de KOnigliche Porcellan Manufactur in de Thïergarten bïj 
Charlottenbut^ te Berlijn. 

Zij werd opgericht in 1761 door den bankier JoHANN Ernst Gotz- 
KOWSKY en werd aanvankelijk niet op grooten schaal gedreven. Twee jaren 
later nam koning Frederik II haar over voor de betrekkelijk geringe som van 225000 
Thaler en gaf haar eene aanmerkelijke uitbreiding. Eerst toen werd het langzamerhand 
mogelijk' de concurrentie van vreemde &brieken, wier producten eene jaren heugende 
reputatie genoten, het hoofd te bieden. Dit zijn bekende feiten. 

Een algemeen debiet te verwerven stelde de directie zich niet ten taak. Veeleer 
was haar streven om de voorwerpen, die de fabriek afleverde te laten beantwoorden aan de 
hooge eischcn, die men aan kunst-voortbrengselen van dien aard stellen mocht. Dat de 
Beriijnsche porceleinen daarom niet goedkoop konden zijn is duidelijk. 

Een prijscourant van voorwerpen, die men in 1780 aan de agenten in het buitenland 
rondzond, opdat deze de fabriek nieuwe relatien mochten bezorgen stelt ons in kennis 
met de prijzen, die toen uit de eerste hand voor deze producten werden betaald, terwijl 
' een opgaaf eener prijsvermindering, welke de directie twee jaren later op hare goederen 
aan den groothandel wilde toestaan, een bewijs geeft van de pogingen der directie om 
den handel te gemoet te komen. 



DE KONINKLIJKE PORCELEINFABRIEK TE BERLIJN. 98 

De Firma Veldthuyzen, van welke in den brief van 1782 wordt melding gemaakt, 
werd van 1788 tot 18 13 — vroegere noch latere berichten zijn mij daaromtrent geworden — 
gedreven door den Heer Lambertus van Veldhuyzen, die zijn magazijnen genaamd 
nS Konings WapefC* had op den Kloveniersburgwal, op den hoek van 't *s Gravelandsche 
veer, en hier ter stede tevens agent was van de engelsche fabriek van Wedgewoods aarde- 
werken. 

Het schijnt, dat de hier medegedeelde stukken, mij door een belangstellenden vriend 
ter hand gesteld, van hem afkomstig zijn. 



Hochwohlgebohmer Herr, Hochstzuehrender Herr Gesandter und 
Geheimer Legations-Rath! 

Dasz Euer Hochwohlgebohren sich der Königlichen Porsellaine Manufactur so ge^ 
neigt erinnern^ und derselben Interesse durch Empfehlung ihrer Producten an H, Veldt- 
huyzen^ Porsellaine Hdndler zu Amsterdam befördere helfen wollen^ haben wir aus Dero 
geehr testen von 10 C. mit dem gröszten Vergnügen ersehen. ^ 

Eurer Hochwohlgebohren er statten wir diesserhalb den gehorsamst verbindlichsten 
Dank, übersenden zugleich einige Verzeichnisse der gangbarsten Porcellaines mit beige- 
setzter Preisen, und ermangeln nicht zu melden: Dasz die hiesiger Porcellaines in den 
K&niglichen Landen von allen Accisen^ und Zoll-Abgaben f rei sind, und wenn H. Veldt- 
huyzen mit uns fur seinen Rechnung zu handeln sich entschlieszt, so sollen demselben die 
denen Verzeichnissen beigefügte Rabais auf die beigesetzte Preise nach besonders zuge- 
standen werden. 

Überhaupt versprechen wir zum Voraus dasz wir um uns dem Hr. Veldthuyzen 
Uberall und besonders in Aufsehung guter Waaten-Lieferung gefallig zuerweien, alles 
mögliche anwenden werden, 

Wir haben dië Ehre mit vollkommenster Hochachtung stets zu verharren 

* 

Euer Hochwohlgebohren. 

gehorsam ergebenster 
Der Königlichen Porsellaine Manufactur Handlungs-Commission^ 

C J. C. KLIPFEL. 
J. .G. GRIENINGER. 
Berlin, den 2QF^ September 1782. 



94 



DE KONINKUJKE PORCELEINFABRIEK TE BERLIJN. 



PREISS-NOTAI , 

von der KöMiGL. PoRCBLAiNB Mavufactur 

über 

Tafel- und Dessert-Servioe-Stücken, glatt Engltsch Dessein, feinste Sorte, gemahlt mit 

sohaften in Cartouche en TREiLLAGE'Einfaszung etc. nebst Goldenen Rand. 

Halb in holl. Rand Ducaten k 

und halb 

Speise-Teller. 

Suppen-Teller 

Schüsseln rund No. i im Durchmesser lo Zoll 

Detto » » 2 » » ii«/« » 

» 13 » 

» i4Va » 

» 16 > 



» 



> 



> 
» 



> 
» 
> 



3 
4 
5 



» 
» 



Saladieren rund, grosz » » 10 

Detto > mittler » > 9 

. Detto » klein > » 73/4 » .... 

Compottieren rund, grosz > 93/4 > .... 

Terrinen nebst Untenchalen oval grosse Sorte 

Detto t Detto > mittlere 

Detto » Detto » kleine zu Ragout. . . . 

Terrinen nebst Schüsseln No. 4 rund grosze Sorte .... 

Detto » Detto » 3 » mittier Grösze . . . 

Detto » Detto > 2 » kleine Sorte.. .~. . 

Bratenschalen oval extra Grosse 

Detto > grosze Sorte 17 Zoll lang 

Detto » mittler grösze 15 » 

» t kleine Sorte I3x'a » 

»« t kleinste Sorte 12 » 

Saucieren nebt Unter Schalen 

Butter- Büchsen nebt Unterschalen 

.Saltz Fasser niedrige Sorte 

Plat de Menage von 11 gewöhnlichen Stücken, grosze Sorte, 

Dessert Teller» der Rand durchbrochen 

Frucht körbe durchbrochen, oval grosz 11 Zoll lang. . . 



> 



» mittler 10 > 

» klein 9 > 

rund grosz 9 > 

» mittler 8 » 

» klein 7 » 

Confectur Schalen als Wein-Blatter mit durchbrochenen Ranken, Grosse Sorte . 

mittler Grösze 
kleine Sorte . 

ordinair, grosz 

» mittlere 

» klein 



bunten Land- 

R.Th. 2.5/6 

3.~ 

4.- 
4.16 

7.— 
9.16 

12.16 

16.16 

21.16 

8.- 

6.16 

5.8 

6.- 

66.^ 

54.- 
33.12 

54.- 
45.- 
36.- 
30.- 
22.— 
18.- 
14.- 
10.— 

12.— 

3.12 

73.- 
5.8 

18.- 

15- 
12.— 

15- 
12.- 

9-- 

5.- 
4.12 

4.— 
4.12 

4.- 
3-12 



DE KONINKLIJKE PORCELEINFABRIEK TE BERLIJN 



95 



DESIGNATION. 

Von einen dergleichen Service auf 24 Couverts gerichtet: 
72 Stück Speiscteller h 4. R.Th. R.Th. 



M 

4 
4 
4 
4 

4 

4 

2 

2 
2 
2 
2 

2 

2 
2 

4 
I 



Suppenteller k 49/3 

Schüsseln rund No. i im Durchm 10 Zoll k 7 



Detto > No. 2 

Detto t No. 3 

Detto » No. 4 

Saladieren » No. 2 



do 
do. 
do. 
do. 



in/» 
13 

9 



k 93/3 

^ 123/3 

k l6a/3 

& 6-/3 

& 6 



Compotieren rund grosze Sorte 9 > 

Terrinen nebst Unterschalen oval grosz . . .^ êk 66 

Detto > Detto » mittlere k S4 

Detto t Detto » klein zu Ragout ^ 33' a 

Bratenschalen oval grosz, 17 Zoll lang ^22 

detto » mittler 15 » k iS 



detto 



» klein 13»/, » 



k 14 



288.- 
112.— 
28.— 
38.16 
50.I6 
66.16 
26.16 
24.— 

132.— 
108.— 

67.- 
44.- 
36— 
28.- 

30.- 
24.— 

14.— 

73'— 



Sauders nebst Unterschalen. i^ 15 

Butter Büchsen nebst Unierschalen k 12 

Saltz faszer niedrige Sorte k 31/3 

Plat de Menage von 11 Gewohnlichen Stücken Grosze Sorte 

Ii9ai6 

24 Stück Dessert-Teller der Rand durchbrochen k 5» 3 R.Th. R.Th. 128.— 

2 » Frucht-Körbe durchbrochen, oval grosz. 11 Zoll lang k iS » » 36. — 

4 » Detto detto rund mittler 8 do. k 12 » > 48.— 

4 » Confectur Schalen als Weinblatter mit Durchbrochenen Ranken, grosz ^5 » » 20.— 

4 » Detto als Weinblatter ordinair grosze Sorte ••••.. H 4 » » 16. — 



BerltHi den 30 October 1780, 



Somma. . , R.Th. 1438.16 

C. J. C. KLIPFEL. 

Insfector, 



NACHRICHT. 

Von denen Ral^ais, so von den Königl. Preussisschen Porselaine Manufatur zu Berlin, denen jenigen 
die mit hiesigen Porcelainen fur ihre eigene Rechnung handeln wollen, accordiret werden. 

A. Von denen Blaugemalten ordinairen Sorten, Fein und Mittelgut, bestehend: 

1. in glatten, 

2. in gerippten, und 

3. mit blauen deutschen Blumen bemalten Café und Tafel tjeschirren. 

81/3 pro Cent. 

B. Von denen Buntgemalten Mittlem Sorten, mit natürliche Blümen weiszen und braunen auch 
wohl Goldenen Rande, ober weniger Malerei, Café-Tafel-und andere Geschirre. 

i6«/3 pro Cent 



M DE KONINKLIJKE PORCELEINFABRIEK TE BERLIJN. 

Bei «rgiebiKer Summen «ber, die sich uber Tausend Thalero b«laufen, und auf dnmal genominen 
werden. 

20 pro Cent, und 
C. Von denen Bunt gemalten Feinen Sorten, mit Vergoldung und feiner Mfderei, woninter auch 
die Figuren, Thiere, Vogel und die G&l&nterie-Sachen tu vemehen. 
30 pro Cent 
Und bei Summen die sich über Tausend Thalem belaufen und auf einmal genommen werden. 

3; pro Cent. 
Die gani webien PorceUines, welche aber von dem sogenannten Ausscliuss lu verkaufen steben, 
werden mit unter A gerechnet und S'/j pro Cent darauf erlaasen. 

Uebrigens aber sind sammtliche Preise ly Halfte in volwichtigen Holiandisclie Rand-Ducaten i 
3ï « Th. und halb i 3 R-Th., oder in Fricd.-d'or k S R-Th. und salb k 5>/4 festgesetit, als womach sodann 
AUch die Summe des Betrags entrichtet wird, 
Ber Hm, den ia"** Sept. 178a. 

KÖNtGL. FREUSS. PORCELAINK MaNUFACTUR, 

C. J. C. KLIPFEL. 



CONSTANTIJN HUYGENS 

EN 

DE FAMILIE VAN EYCK 



r>ooR 
J. H. W. UNGER. 



N de laatste jaren is er veel, zeer veel tot onze kennis gebracht, be- 
treffende de Noord-Nederlandsche muziekgeschiedenis der vorige 
eeuwen. Mannen als SWEELINCK, Ban, Valerius, Schuyt en zoovele 
anderen worden meer en meer op de hun rechtmatig toekomende plaats 
gesteld. Door de beweging ten onzent op muzikaal gebied in die 
richting is ook de persoon van CoNSTANTijN HuYGENS in een geheel ' 
ander licht geplaatst; vooral nu D''. JONCKBIXJET en D'. Land zijn muzikale correspon- 
dentie ') hebben uitgegeven, is ons zijn beeld zoo helder mogelijk voor den geest gebracht. 
Wij leeren uit dat interessante werk den geestigen hoveling-dichter kennen als componist 
van de Paihodia en van bijna 800 andere stukken ; als talentvol bespeler van verschillende 
instrumenten en als beschermer van alle musici, die zijn hulp noodig hadden. 

Toch is onder deze laatsten aan de aandacht van de Heeren JONCKBLOET en Land 
nog één persoon ontsnapt, die zeer zeker tot een der beste vaderlandsche componisten 
van dien tijd mag gerekend worden. Het is Jonkheer JaCOB van Eyck. Alhoewel in 
den laatsten tijd reeds menige bizonderheid over zijn leven en zijn werken is bekend 
geworden, is het mij mogen gelukken nog enkele gegevens daar\'oor op te sporen. 



1 XVlIe Siècle. Lejde. E. J. Brill. i 



98 CONSTANTIJN HUYGENS EN DE FAMILIE VAN EYCK. 

Het komt mij niet ondienstig voor met een enkel woord aan te stippen, wat tot 
heden bekend was. 

Jonkheer JACOB van Eyck, gesproten uit „*t braaff geslacht der Baxen," werd 
waarschijnlijk omstreeks het jaar 1590*) geboren. Zijn geboorteplaats is onbekend, mis- 
schien was het Heusden, waar een broeder en eene zuster van hem woonden. Hij was 
blind geboren, maar daarentegen door de natuur met een fijn gehoor begiftigd. Hij komt 
in 1624 voor als beyermeester van den Dom en verklaarde in het najaar aan de vroed- 
schap van Utrecht „dat hij wel gesint was (daar) te blijven woonen, als hij maer hadde 
vier hondert gulden 's jaers, daer op hij als een blirit man, die hulp moet hebben, 
soberlick genouch sich soude moeten gedoen"'). Voorloopig zeide de vroedschap hem 
honderd gulden toe (3 Jan. 1625). Drie jaren later, toen men zijn talenten had leeren 
waardeeren, werd zijn positie zeer verbeterd en hem bovendien een toelage geschonken 
voor de opleiding van een of twee jongelieden, daar de „voorsienige heeren" bang waren, 
dat r)(zijn) kunst met (hem) mochte versterven"*) 

Zijn bezigheden waren van verschillenden aard. Hij was belast met het toezicht 
op de horologien en de klokken van de kerken en van het stadhuis in Utrecht, en tevens 
met het bespelen er van. Zoo werd hem ook, blijkens de extracten uit de Protocollen 
van de St. Janskerk den 21. November 1634 „aenbestaedt, op syn costen ende perykel, 
die grote clock deser kerke te verhangen, opdat den toom nyt meer ofte weinich zal 
beven, ende daertoe doen alle yserwerck, daertoe dienende, behalve de metsel, en tymering, 
ende dat voor 70 gh" *) Ook vermaakte hij „de wandelende luyden op 't (Sint Jans) 
kerkhof somwylen 's avonts met het geluyt van syn fluytgen," waarvoor hij een toelage 
van 80 tot 100 gld. genoot*). 

In den Almanak — Wegwijzer der stad Gent (1830) werd uit een handschrift van 
de vorige eeuw •) het een en ander medegedeeld over de gebroeders Hemony, die aanbe- 
volen waren om klokken voor Gent te gieten (1657). Hieraan ontkenen wij alleen deze 
bizonderheid, dat de twee broeders Fran^OIS en Pieter Hemony, met een edelman, 
mijnheer VAN Hecke (lees VAN Eyck), die blind geboren was, meer door geluk als door 
wetenschap de kunst van klokken gieten uitvonden. Tevens wordt nog uitdrukkelijk ver- 
meld, dat VAN Eyck aandeel heeft gehad in deze ontdekking en dat hij „een zoo scherp 
gehoor had, dat hij den minsten valschen toon gewaar werd." De eerste klokken, die de 
gebroeders goten waren bestemd voor den Wijnhuistoren in hun vaderstad Zutfen {1646); 



*) zie lager de tweede brief van Jacob van Eyck en de noot. 

^ Bouwsteenen, 3e Jaarboek der Vereeniging voor Noord-Nederlands muziekgeschiedenis bl. 54, (Navorscher 
XXVI dl. 120). • 

») Aldaar, bl. 55. 

■*) J. J. Dodt van Flensburg. Archief voor Kerk. en Wereldsche Gesch. 11 1 bl. 170. (Resolutie van 17 May 1649). 

*) Aldaar bl. 169, 

•) Navorscher VII bl. 209, 



CONSTANTIJN HUYGENS EN DE FAMILIE VAN EYCK. 99 

VAN Eyck en H. Lucas, organist te Deventer, werden uitgenoodigd *) ze te bespelen. 
Ook voor Deventer werd een klokkenspel vervaardigd-, waarbij de hulp van onzen musicyn 
werd ingeroepen. *) 

JacoBUS Koning vermeldt in de aanteekeningen op zijn. Geschiedenis van het 
slot te Muiden, 1827 bl. 132 Jonkheer Jacob onder de bezoekers van den Muiderkring, 
en put zijn wetenschap uit A.(nthoni) J.(anssen's) Zederijmen Amst. 1656. Het is mij echter 
niet mogen gelukken dit zeldzaam boekje ter inzage te verkrijgen. 

De door va!n Eyck nagelaten composities, te vinden in de beide deelen van Der Fluyten 
Lusthof zijn in vele opzichten voor den kenner belangrijk. Niet alleen, dat nu van menig 
gedicht de voys bekend is, maar ook leveren „de muziekstukken een interessante bijdrage 
voor de technische ontwikkeling van het fluitspel. Tevens leert men er uit, dat reeds in 
dien tijd de kunst van varieeren, of van het breeketty zooals men het toen uitdrukte, een 
niet geringe hoogfte had bereikt."*) 

Van Eyck overleed den 26»^ Maart 1657 te Utrecht en werd begraven in de 

Nicolaikerk. Op zijn g^raf stond vroeger, blijkens een op het archief aldaar aanwezig 

XVIII-eeuwsch manuscript *) het volgende grafschrift, dat hier gedrukt is naar de juistere 

lezing in Klioos Kraam, De Tweede Opening 1657 bl. 125, waar L. Sanderus als de dichter 

er van wordt opgegeven. 

Van Eyck van 't braav' geslagt der Baxen, leyd hier onder; 

God nam 't hem in het oog, maar gaf 't hem weer in 't oor, 

In -mond en vingeren, en scherplieydt van gehoor: 
In Fluyt en Klokken-ipel een aller eeuwen wonder. 

Van dezen dichter*) komt in dezelfde verzameling gedichten opbl. 123 een klaaglied 



') Nayorscber XVI bl. 327. 

19 Zie de 4e brief van Anna van Eyck. 

s) Jhr. Mr. J. C. M. vau Riemsdijk. Het Stads-Muiiekcollegie te Utrecht (1631— 1881) bl. 77. Over de waarde 
van VAN £yck*8 werken voor de kennis van onze oude muziek, raadplege men vooral dit hoogst belangrijke werk. 

*) Bonwsteenen 3e Jaarboek bl. 52. 

i) Lambertus Sanderus was in dien tijd predikant aan de Bilt en schijnt zich nog al veel bemoeid te hebben met 
godsdienstige twisten, getuige de twee schotschriften, die vermeld i^orden in Dr. H.C. Rogge's Geschriften betreffende 
de Ned. Hervormde kerk onder No. 5670 en 5671. 

Volgens de Stads^Kameraars-rekeningen, waarvan uittreksels te vinden zijn in het Arehitfvoor Kerk, en Wereldseht 
Gesck, van Utrecht^ werd hij in 1664 beroepen te Utrecht; wij lezen aldaar bl. 316: Item, oncosten, gelopen op 
't beroepen van D. Sanderus, van de Bilt. 2791 gl. ; it, voor 't transport, 100 gl. 

In het Album Studiosorum Acad. Lugd. Bat. wordt vermeld, dat JosuA Sanderus Dordracensis, oud 20 jaar 
den 28 Mei 1612 als student in de Theologie werd ingeschreven; terwijl hij nogmaals den 24 April 1622 als predi- 
kant op de rol wordt aangetroffen. Zeer waarschijnlijk was hij de vader van onzen Lambertus. Zonder twijfel 
was deze het, wiens naam den 4 November 1643 door den rector Jacobus Triglandius aldus opge teekend werd: 
Lambertus Sanderus, Schoonhoviensis (oud) 18 (jaar) P(hilosophiae Studiosus). Hij is dus in 1625 geboren. Hij 
is tweemalen gehuwd geweest: i« met Anna van Schagen: zij overleed den 27 November 1652 kort na hun huwe- 
lijk. Zijn neef Hieronymus Sweerts vervaardigde hierop een lijkreden,te vinden in 's mans Gedichten, 1697. bl. 559; 
2o met Hblbna Teeckmannus, blijkens het gedicht van H.Bruno, te vinden in diens Mengelrijmen, 2e deel 1666 bL 358. 

Men leert Sanderus als een vrij goed dichter kennen uit eenige gedichten in Klioos Kraam, ie en 2e opening 

Zijn broeder JosuA Sanderus was Maarschalk van Abcoude ,^n den naam van de Staten des Lands van Utrecht." 




'^^pobo. 



100 CONSTANTIJN HUYGENS EN DE FAMILIE VAN EYCK. 

voor, getiteld : Helikon in rouw, over V Afsterven van Jonkheer Jakob van Eyck. Gestorven 
den 26 van Lentemaand. 1657. Uit dit niet onverdienstelijk gedicht blijkt, dat VAN Eyck 
ook het orgel bespeelde ; in een lofdicht van T. ASSELIJN *), te vinden voor het tweede deel 
van Der Fluyten Lusthof wordt hierop eveneens gezinspeeld. Hij komt echter nergens 
als organist voor. Het afsterven van Jonkheer JACOB wordt door Sanderus voor grooter 
ramp gehouden dan het krank zijn y^van Thalia van zoet vergift en koorts en schelmsche 
minnedranck" of het barsten of wegnemen van Euterpes Luyt. Eigenaardig, ook in 
verband met het boven medegedeelde, zijn deze regels: 

O Stichsche Orfeus! Eler en roem der Konstenaren! 

Wiens weerga Oost noch West, noch tijd noch eeuw'en vand', 

Godvrugtigheyd en konst en deugt by een geplant, 
Hoe zelden vindmen die gehecht aan fluyt en snaren! 

Hoe krielde straat en steeg wanneer g'^in Mey en Lenten, 

Des avonds queelden op den toren van Sint Jan, 

Sa Juffers, kap en strik, en schoen en sluyer an, 
Vliegt na het Kerkhoff toe elk uyt sijn huys en tenten. 

Of dat g^ op hemelhoog en konstige gebouwen 

Als op een ander Sion zat, en loofde Godt« 

£n Davids harp, na lang versleten en verrot, 
Wist op metaal weer net en konstig uyt te houwen. 

Men vindt echter nqph bij den heer Riemsdijk, noch in de Bouwsteenen iets over 
de afkomst van onzen musicyn. Uit het grafschrift blijkt, dat VAN Eyck afstamde van 
het geslacht BAX. Tot heden was die verwantschap niet opgehelderd; toevallig kwam 
mij bij het doorwerken der correspondentie aan CoNSTANTijN HUYGENS ter Academische 
Bibliotheek te Leiden een zestal brieven in handen, van welke er twee door of namens 
VAN- Eyck en vier door Anna van Eyck geschreven waren» Beiden noemden Huygens 
hun „cousyn" en „lieve(n) neef.'* Ziedaar dan den aanwijzing voor de afstamming van 
het geslacht Bax gevonden. 

Uit een wapenboek van den heer A. H. Btlchler D.Dz. werd in den Navorscher 
XXIV. bl. 418 de volgende omschrijving gegeven van het wapen van VAN Eyck. Ik 
heb getracht de kwartieren zoo goed mogelijk in te vullen, daartoe voor een groot deel 
door een bevriende hand in staat gesteld. 

Schild: van zilver met 3 geknotte palen van sabel; Helmwrong en helm- 
dekken: van zilver en sabel. Helmteeken: eene vlucht, rechts van zilver, 
links van sabel. 



1) Ook in den Bloemkrans van verscheiden gedichten, 1659 bl. 667. Tevens wijs ik er op, dat het bedoelde 
XVm — eeawscbe Ms. in den laatsten regel van hetGrafschriftAVrr>&j/^/, heeft waarmede wel niet anders dan orgelspel 
kan bedoeld zijn. Zie Bonwsteenen 3e Jaarboek bl. 53. 



I 



CONSTANTIJN HUYGENS EN DE FAMILIE VAN EYCK. 101 

Kwartieren : 

Rechts: i. als boven van Eyck. 

* 2. Doorsneden van keel en zilver, met 3 molenijzers, 2, 

I, van 't omgekeerde Beys (?) 

3. Van keel met 3 palen van vair, en het schildhoofd van 

goud, beladen met een lelie van sabel VAN BEEST. 

4. Van sabel, met 3 molenijzers van zilver, 2. i VAN DER Muelen. 

Links: i. Van sabel met 3 klokken van goud, 2, i Bax. 

2. Van goud, met 3 n^eerlen van sabel, 2. i Hack. 

3. Van goud met een gekanteelden en tegen gekanteelden 

balk van sabel, vergezeld van 3 bijen, 2, i, van 't zelfde. DE Bye. 

4. Van goud, met een ploeg van sabel van der Hoeven 

Uit de moederlijke kwartieren van onzen jonkheer blijkt, dat hij sproot uit den 
tak der üaimilie Bax, waartoe de bekende krijgsoverste Paulus Bax ook behoorde. 
Immers diens dochter Elizabeth, gehuwd 4 Maart 1626 met Jonkheer JOAN van DER 
Meulen^ voerde dezelfde kwartieren *) (i. 2 en 4), als 3' had zij het wapen vanEckart. 

Hieruit kan dus het besluit getrokken worden, dat de moeder van van Eyck een 
Bax was; zij moet afstammen van Jan Bax, rentmeester van Brabant, f-f" 22 Juni 1572) 
die gehuwd was met Heilwig van DER HOVE (Hoeve); deze overleed 28 April 1555. 
Zij hadden een zoon: Jacob Bax, eveneens rentmeester van Brabant, welke getrouwd 
was met Anna Hack en die beiden hetzelfde wapen voerden als Elisabeth Bax. De 
bloedverwantschap tusschen Huygens en van Eyck te bewijzen^ is alleen mogelijk door 
een paar, misschien wel wat stoute gissingen aan te nemen. 

Volgens de aanteekening van Maurits Huygens, medegedeeld door Dr. JORISSEN, 
achter zijn Studiën^ I bl. 344, was zijn voorvader Jan Bax, de zoon van Gysbrecht Bax 
gehuwd met i<>. . . . DE BiES en 2o. . . . van der Hese. Hun zoon Christiaan huwde 
met Lucia Hack en uit dezen echt werd Geertruid Bax geboren, de grootmoeden van 
Huygens. Het schijnt mij toe vast te staan,, dat deze Jan Bax dezelfde persoon is als 
de bovenvermelde rentmeester; alleen door den naam van de vrouw zou twijfel kunnen 
ontstaan. Zou het nu al te gewaagd zijn hier te gissen, dat 6f bij den eenen 6f bij den 
den anderen berichtgever door een vroegeren afschrijver een fout begaan is en dat dus 
VAN DER Hese» en van der Hoeve éénzelfde persoon voorstellen? Ik geloof van neen; 
te eerder, daar slechts langs dezen weg de betrekking tusschen Huygens en van Eyck; 
kan opgehelderd worden. 



^ Eli^abbth Bax voerde eigenlijk in haar wapen drie uitgeholde kalebassen; toch hebben sommige leden van 
de familie Bax wel degelijk drie klokken gevoerd; men zie slechts het wapen op de titelprent van het Historisch 
verhaely tnhcudende ukere notable explooten van Oorloge .... van de Companien dtr Meeren .... Pavlus ende 
Makcelis Bax. Beschreven door Jacobum Baselium. Tot Breda By Isaac Schilders 1615. in 40. 



102 CONSTANTIJN HUYGENS EN DE FAMILIE VAN EYCK. 

Zie hier de brieven aan HüYGENS; zijn antwoorden schijnen niet meer te bestaan; 
ten minste zij zijn niet te vinden in de Boekerij der Koninklijke Akademie van 
Wetenschappen. • 

I. BRIEVEN VAN JACOB VAN EYCK. 

Adij IC Augustij 1644. In Utrecht. Stilo antiquo. *), 

Ed. Erentfesten^ Voorsienigen Heer, 

Mijn«Ed: Heer ende Neeff, naer behoorl(yke) salutate sullen dese alle^enlyck dienen 
omme te geleijden, dit mede g^ende boexken, g^eintituleert Euterfe oft Speelgóddin^ door 
mij gemaeckt ende UEd. toegeeijgent, voor soo veel het voorste aangaet, doch is bij 
gevoecht den fluijt henuU, wt diversche Autheuren gecomen, verhoope U.E. tselve mijn 
niet qualijck sult afnemen, als niemant bequamer tot het oordeell vant selve vindende 
noch wetende, welcke voorsz(eijd) werck versoecke te sullen gelieven naer te sien bij 
gelegentheijt, oft saeck waer datter eenige abuijsen ofte fauten mochten geconmiitteert 
wesen, soo int overschrijven als int drukken ende sall vande selve naer gesien hebbende 
antwoort verwachtenj waer aen mijn sonderlinge vrintschap sal geschieden. UEd. sult 
oock gelieven te laten weten ofte icker noch eenige meer aen UEd. sal senden mt leger, 
4es niet sal ickse behouden ter . tijt UEd. met lieff sult thuijs gecomen sijn, dat Godt 
gunne in wiens genade ick UEd. ben bevelende, en van herten seer gegroet, door oftewt 
den naem van 

UE: Dienstw: Neeff 

JACOB VAN EYCK. 
Op het adres staat: 

Ed.^ Voorsienige Heer 
Mijn Heer CONSTANTINUS 
HUYGENS, Ridder, Heer 
tot Suijlickentf Secretaris 
van 'Zijn Hooch[eit\ den Prince 
van Oraingie 
In 
Leger 
Voor t Zas van Gent. 
port met een paxken. ') 



^) In deze brieven, waarvan dit een nauwkeurige afdruk is, beteekenen de lettergrepen tusschen haakjes geplaatst, 
óf onleesbaar geworden syllaben óf aanvulsels voor verkortingen. 

In den linkerbovenhoek staat met Huygens* hand : Assen 22 Aug, 44. 

*) Het cachet van dese en van de volgende brief vertoont alleen drie geknotte palen en om het helmteeken leest 
men de initialen J — ^V — E. 



CONSTANTIJN HUYGENS EN DE FAMILIE VAN EYCK. 108 

2, 

Adij April 1646, in Utrecht, Stilo Antiquo, 

Mons^ mon Couzijn. 

lek en can niet naer laten U: Ed: mits desen eenige molestie aantedoen, alhoewell 
ick 't zelve niet en meriteere, edoch bekent zijnde U: Ed: goede genegentheijt t' mijn- 
waerts als in veelen voor desen bevonden hebbende gebruijcke de stouticheijt, Soo ist 
zulcx, dat mijn ten tijden van zijn Princelijcke ExHc : Mauritius hoochloffel(ijcker) memorie 
bij den zelven vereert is zekere Vicarije*) ofte Cjeestel{ijcke) benefitie, wanneer een van 
dien quame te vervallen. Ende hebbe derhalven genoten een Vicarije, gefundeert in de 
Kercke tot Wijck te Duersteden, monterende jaerl(ix) hondert vijftich gulden waer aff moet 
gaen soo tot behoeff vande Predicanten als Leckendijck ende andere ongelden de Somme 
van veertich gulden, zoodat ick jaerl(ix) geniete zuijver iio gulden, voor welcke Vicarije 
mijn geit geboden wordt, ingevall ick d'selve soude willen affstaen, *t welck ick niet en 
begeere te doen sonder met U:Ed: daer over gedelibereert hebbende t' advijs te verwachten^ 
want terwijlen mijn 't selve van zijn voorn(oemde) Princel(ijcke) Hoochl(offelijcker) Memorie 
vereert is, wete niet ofte 't selve met goet fatsoen soude mogen geschieden. Soo en can 
ick niet naer laten U: Ed: midts desen te belasten, vrindel(ijck^ versoeckende mijn dese 
groote stouticheijt te excuseeren, ende hierinne te raden ofte ick *t zelve met bequaem- 
heijt soude mogen doen. Als oock gelijck verhaelt dat mijn vereert was zekere Vicarije 
ofte (Geestel(ijcke) benefitie) ende eer ick de voom(oemde) Vicarije genote, Twee geeste- 
lijcke benefitien zijn vergeven geweest, die zijn Princelijcke Ex*» voomt. belieft heeft te 
geven aen andere Persoonen, als te weten, aen de Heer Vander Mijlen, ende Lavacrije, 
sonder nochtans, mijn, daer op de selve hadde behooren te succederen als t* expectatieff 
daer van hebbende volgens t' appoinctement opt request nae mijn beste onthoudt is luij- 
dende daer mede gebeneficeert te hebben, soo soude well eernstel(ijck) niet min vrindelijck 
van UEd : versoecken te weten, oft niet mogelijck en ware bij zijn Princel(ijcke) Hooch(eit) 
als nu te versoecken, een expectatieff van zekere Geestel(ijcke) benefitie, die der soude 
mogen comen te vervallen, 't Waer dan omme mondelinghe met zijn Princel(ijcke) 
Hooch(eit) daer van te spreken, ofte door - andere middelen, soo U : Ed : goeden raedt 
dat zelve best bevinden soude te behooren, — Edoch daer mochte well zoo veell Per- 
soonen wesen, die met diergelijcke expectativen (voor)sien waren ende voor mosten gaen, dat 
voor mijn' geen apparentie van voordeell te verwachten en ware, dat U : Ed : best bekent 
is, zoo waert in sulcken gevall onnodich moeijten daer omme te doen, doch anders zijnde, 
zoude mijn sonderlinge aengenaem wesen sulckx te connen verwerven. Als dan soude 



') Dit is waarschijnlijk dezelfde Vicarye, waarvan gesproken wordt in de Vroedschaps Resolutie van 7 July 1628, 
waarbij aan van Eyck een „augmentatie van gagie.. . tot op vijff honderd gulden jaerlix" werd toegestaan. 



104 CONSTANTIJN HUYGENS EN DE FAMfl-IE VAN EYCK. 

well begeeren dese mijne Vicarye te veralieneren, ende de Penningen daar van proce- 
derende te beleggen, omme bij Ouderdom, gelijck ick algereets beginne te vernemen*), 
ais in Sieckten, ofte andere inconvenienten, te mogen gebruijcken. Op all *t welck voor- 
s(eijd) is, versoecke dat mijn de eere belieft te doen, ende U : Ed : advijs daerop te laten 
weten. Ende te excuseren mijne g^oote stouticheijt, als oock oft zaeck waer dat ick mijn 
en 't schrijven ergens mochte vergrepen hebben, 't zelve mijne mis-verstandicheijt toe te 
eijgenen. 

Verhope de gelegentheijt noch te sullen becomen, omme enichsints, ten minsten 
soo veell mogelijck is te mogen recompenseeren, dese ende andere voorgaende genomene 
moeijten ende onlusten, waer mede ick UEd : zoo menichmaell gemolesteert, endeUiEd: 
zoo geeme gedaen hebt, hier mede eijndende bevele UEd : met des selfTs familie inde 
genade des Heeren ende van herten seer gegroet, door, ofte wtten naem van 

UE. Geaffectioneerdt Neef ende Dienr, 
Op het adres* staat: JACOB VAN EYCK. 

Edelen Erentfesten Hoochgeleerden 
Heere CONSTANTINUS HUGENS, Ridder, 
Secretaris van zijn Hoockeijt, 
Heere tot Zuijlecheniy etc: 

In 
V Gravenhag/ie. 



per Couvert, 



II. BRIEVEN VAN ANNA VAN EYCK. *) 



I. 
Menheef ende lieve neef 

Ick heb UE. een tijt geleden geschreven vant supsytuetschap voor mijn neef 
alsoo myn broeder seer swack wert; maer alsoo 't den goeden Godt gelieft heeft hem op 
desen dacht uit dese werelt te halen ende hem uijt veel miseryen ende elende te ver- 
lossen, soo ist dat ick nu myn ganse toevlucht tot UE. ben nemende, alsoo ick nu 
meen, dat den rechten tyt geboren is, dat ick UE. vrienschap van doen hebbe. Ick heb 



^) Hieruit is, dunkt mij, de gevolgtrekking te maken dat van Eyck in 1646 ongeveer 50 A. 60 jaren oud was. 
Zijn geboortejaar zou dan te stellen zijn omstreeks het jaar 1590. 

s) Deze is stellig een zuster van Jacob; immers in de laatste brief spreekt zij van haren neef, die oo*k oomzegger 
is van Jonkheer Jacob. De broeder, van wien hier gesproken wordt, is Jonkheer Gaspard vanEyck^ drossaard van 
Heusden (zie Oudenhoven, Beschrijving van Heusden 1743 bl. 61, waar het sterfjaar en de datum gelijkluidend worden 
opgegeven.) In de regeeringslijsten van Heusden komen herhaaldelijk leden van het geslacht van Eyck voor, zoodat 
vermoedelijk deze tak aldaar gevestigd was. 



CONSTANTIJN HUYGENS EN DE FAMILIE VAN EYCK. 106 

aen menheer de WiLM ^ geschreven dat hy sbu believen nevens monsiuer Boxtel, die 
iriet myn neef met gaet, tot assistensy te willen ten besten dirigeren, alsoo byde de 
voegdei die de moeder gestelt heeft voor haer selve sullen syn, bide {Ues bidde) UEd. 
de favoraD(le) handt hier aen te willen houde, gelyck wy UE. altoos betr out hebben 
ende noch ben vertrouwende, waermet ick UE. bevelen inde bescherming des alderhogsten 
ende sal dltyt syn ende bl)rven 



Men heer 



Alsoo myn broeder op Sondach wesende 
den IC deser begraven sal worden, wensten 
ick wel dat het UE. gelegen kost komen hem 
de leste eer aen te doen met grooten hast 
den 3 mey 1643. 

Op het adres staat: 

Eedels Hoochgeleerde Wijse 
seer discrete Heer e 
Mijn Heere CONSTANTIN HUYGENS, 
Ridder, Heer tot Zuijlichem etc. 
Roet ende Secretaris van Zyn Hoogh'. 

In 
s^ Gravenhage. •) 



UE. van herte goet gunste nicht 
ANNA VAN EYCK. 



2. 

Menheer ende lieve neve 

Het vast vertrouwe dat ick altoos hebbe gehadt van UE. goede genegentheyt 
tonswaert heeft my het schryven van UE. tinportuneeren doen op houde, wel wetende 
datter UE. halve geen goede gelegenthyt voor by soude gaen om myn neef te belpen 
als dokasy daer toe soude dienen, waer van ick de pruve g^otelyx nu tot myne konten- 
tement hebbe bevonde hope dat hy hem in die sorge soo sal dragen (daer hy naest 
godt niemant of en heeft te dancke dan UE.) dat UE. altoos de genegentheyt sult mogen 



1) Zonder twijfel Jonkheer Davto Ls Lbu db Wilhslm, de zwager van Huyobns. 

s) Het adres is door een andere hand geschreven. Het ronwcachet vertoont hetzelfde wapen als dat van 
Jacob VAM Eyck» alleen ktaan hierboven de letters A— V^E. 

14 



106 CONSTANTIJN HUYGENS EN DE FAMILIE VAN EYCK. 

behouden, om hem noch liever op syne lesten trap te stelle als UE nu den eersten 
gedaen hebt^ en dat syn E altoos met danckbaerheyt de weldaet van UE erkennen mach 
waer toe ick godt bide {lees bidde) synen segen te willen verleenen ende UE. een 
lank leve. Nu voor my soo wenste ick het wiste dat UE. aangenaem mocht syn om 
onse oude vriens(chap) te vemiewe die UE. defljch heeft begost, ick meende UE. een 
paes lammeke te sende maer syn noch wat te sober salse eerst wat mey gras laten eeten 
en soo send ich UE. een kalko(en) welcke UE. niet aen gelieft te nemen voor rekom- 

pense maer alleen naer de genegentheyt van de gene die altoos soekt te syn 
, Men heer ende neef 

den i8 April 1645. UE. van herten genegen nicht en dieners 

ANNA VAN EYCK. 
Op het adres staat: 

Aen Men heer 

Men keer van SUELEKOM 

Roet ende Sekretaris van 

syn hoogheyt Inden 

Hoge. 
met een kalkoen. 

• 3. 
Menheer ende lieve neef 

Ick en kan godt niet genoch gedancken dewelke belieft heeft, my soo lang te laten 
leven, dat myn ongerustheyt, in een ruste door UE. daet, ende schryvens is verandert, 
gesien hebbende de goede sorge, die UE. gelieft heeft, ende vorder presenteert, vor myn 
neef te dragen, waer op ick my soo vast vertrouwe, dat alst godt gelieven sal den draet' 
myns levens af te snyden, ick dient halve myn hooft gerust neder sal leggen, en tot 
teeken vandien soo sende ick UE. een Brabans lammeken, (de welke men ' plach 
te seggen dat beter syn als de hollanse,) waer met ick UE. wensche een geluckich leger 
niet een voorspoedige weder komst, ende syt met allen UE. jonck geselschap den al- 
mogende bevolen ende seer gegroet vande gene die altoos is geweest ende sel blyven 

Menheer ende lieve neef 

In*huesden den 9 Mey 1645 UE. seer ver obligerde nicht 

Op het adres staat: ANNA VAN EYCK. 

Aen Menheer 

Men heer van SVLEKOM 

Baet ende Sekretaris van 

Syn hoogheit 

Tot 

Sghraven hage, 

met een lam met een swart bandeken om den hals 



CONSTANTIJN HÜYGENS EN DE FAMILIE VAN EYCK. 107 

Men heer werde en lieve neef 

lek en kan my nimmer genoch ver obligeert houden over de groote sorge, dien ick 
si dat U£. over myn neef is dn^ende^ ben beschaemt dat ick soo lang gewacht hebbe 
van UE. daar over te bedancken bidde daer over niet te willen dencken dat het door 
ondancbaerhe)^ is geschiet, maer alleen door negligensy van schryven alsoo het schynt 
dat den ouderdom niet soo verdich is als de jonckheyt wel plach te syn, ende winterse 
koude vochtichyt my niet veel goets en doen. Intussen*(?) dan niet te min danck godt 
dien ick hope my de genade sal doen dat ick UE. noch eens met allen UE. jonck ge- 
selschap sal mogen komen sien. Aengaende myn neef is den 2 der voorlede maent 
desember van hier vertrocken bleef een dach of twee by syn oom tutert •), die doen ook 
eerst daer was gekomen, ende waren syn saken te Deventer weLaf geloopen: soo dat 
myn neef den sesten tot amsterdam quam al waer hy noch wat te doen had(d)e syn ver- 
treek aeiigaehde soo dat ondertussen veel scheden wech waren als ook het syn den 
gekroonde leeu en soo hebben hem de bewinthebber op het schip de hope gestelt, met 
meer andere kapiteyne, die noch daer waren, en soo hy •) my schryft van (den) 16 des voor- 
lede maendt, in een dach of twee tsyl te gaen, maer dese g^roote wint doet my myn 
hert seer, maer heb hem den almogene godt bevolen in wiens beschut ick UE. ook 
rekommandere met allen UE. jonck geselschap ende wensche UE. een salich nieu Jaer 
ende sal my altoos houde 

Menheer UE. seer ver obligerde nicht 

Op het adres staat: ANNA VAN EYCK. 

Aen Menheer 
Menheer den ridder 
CONSTANTIEN HUGENS, Raet 
ende Sekretaris van syn 
hoogheyt Inden 

Hoge. 

De brieven zijn m. i. niet zoo zeer merkwaardig om de feiten, die daarin medege- 
deeld worden, als wel om de eigenaardige wijze, waarop de familie VAN Eyck met HuYGENS, 
den hooggeplaatsten staatsman omging. De belangrijkste brief is zonder twijfel de eerste 
van Jonkheer JACOB, omdat daarin gesproken wordt van een door hem uitgegeven werk, 
dat tot heden onbekend is gebleven. 



^) In den linkerbovenhoek staat met Huygbns' hand: R(e9ne) 6 Jan. 48. 

«) Versta: te Utrecht. Deze kan niemand anders zijn dan onze mnsicyn. In 1647 hadden Frans en Pieter Hemon Y 
de klokken gegoten voor de Libuinus kerk te Deventer en deze werden door VAN Eyck en Lucas van Lbnnick 
gekeurd. (Navorscher VII 124.) 

>) Bij de belegering van Doesburg door Lodewijk XIV in 1672 kwam een majoor Etck van het garnizoen 
sddaar voor. (Zie Kok Vaderlandsch woordenboek L v. Doesburg). Zou dat wellicht de hier bedoelde nfeef zijn? 

14* 



•; 



108 CONSTANTIJN HUYGENS EN DE FAMILIE VAN EYCK. 

Staan wij echter eerst een oogenblik stil bij zijn Fluyten Lusthof) immers ook 
voor de geschiedenis der XVIP-eeuwsche letteren zijn de beide deelen belangrijk. Daar 
er geen exemplaar van den eersten druk van het eerste deel bekend is^ kan het jaar, 
waarin het verscheen, niet met zekerheid medegedeeld worden; waarschijnlijk in 1645 o^ 
het begin van 1646. Een tweede druk volgde in 1649 te Amsterdam bij Paulus Matthysz. 
Het boek werd niet alleen met eene in fraaie bewoordingen gestelde opdracht *) toegewijd 
aan Constantyn Hüygens, maar bevatte ook de volgende 

OPDRACHT 

Abn dbn Hber 

CONSTANTYN HUYGENS. 



Stantvaste Ziell al raest rontom 

*t Lichacmlyk oor Trompet en Trom, 

Al dondren de Kartouwen, 
Ghy blyft in een geruste staet, 
En hebt noch voor de zoete maet 

Uw recht gehoor behouwen; 
Ontfengh, ter liefde van de kunsti 
Dit kunstigh Boeck in uwe gunst, 

Om voor der Lasteraeren 
Bedurve stem, die 'tal misduydt. 
Het Snaer*- en Klocke-spel, de Fluyt, 

En *t Orgel te bewaeren. 

Prudenter, •) • 

Men vindt in dit deel 82 (in den tweeden druk 83) composities, waarvan eenige ge- 
steld zijn bij bekende gedichten. Het is evenwel te betreuren, dat van het meerendeel slechts 
de titel wordt opgegeven en niet de eerste regels; juist daardoor zou het opsporen van 
den dichter veel gemakkelijker zijn. Men vindt wijzen gesteld bij Psalm 68, 103, 118 



>) Van Riemsdijk bl. 76, waar ook de volledige titelt van Der Fluytm Lusthof te Tinden zijn. 

^ De vraag, wie zich achter deze tpreok vertchnilt, behoort tot een der belangrijkste vraagpunten betii^fiende 
de Vondel-literatnnr. Van Lennbp (Vondel V. 501) en Van Vlotbn (Vondel 1, 753) meenen beiden achter Prudbnter, 
dat gevonden wordt onder den Triomf van Maria Stnart, Vondsl zelven te moeten zoeken, doch er is geen enkele grond 
voor hun beweren. Evenmin als uit de toevallige omstandigheid, dat de P, waarmede de bekende voorrede van 
Vondel's Pony in 1647 werd onderteekend, de beginletter is van het woord Prvdenter af te leiden zou zijn, dat 
Geraxrdt Brandt zich achter dezen naam verborg. Mij rijn de volgende gedichten bekend, met die spreuk geteekend: 
I. De opdracht aan Huyoens in Der Fluyton Lusthof (omstreeks 1645). 
8. Op P. Virgilius Maro, dat gevonden wordt in een 8* uitgave van het jaar 1646 van Vondel's vertaling van Viigüius 

in proza. 

3. Triomf van Maria Stuart, achter het bekende treurspel. 

4. Een vierregelig Latijnsch gedicht onder het portret van Vondel door J. Lievensbn. (zieCatVondel-TentN^.8.) 

5. Een tweeregelig versje onder het portret door J. de Visscher (Cat. N*. 13); onder een copie naar het portret van 

LiEVBNSz staat Prudentie. 



CONSTANTIJN HUYGENS EN DE FAMILIE VAN EYCK. 109 

140 (ofte 10 Gebooden) en 150, bij: Onze Vader in Hemelryck^ bij den Lofzangh van 
Maria, bij het Wilhelmus van Nassouwen en bekende voysen als Vavignonne, Rosenumt 
Si vous me voutes guerir^ Courantey *) Engels Nachtegaeltjey Amarilla mia öe/ia, Rosé- 
mont die lagh gedoken. Verder treft men twee gedichten van Starter aan:*) Doen Daphne 
(P overschoone Maeght en Sül, stil een reys; dan 3 gedichten, welke gevonden worden in 
* den ^Amsterdamschen Doele-vrevght", *) beginnende : Ack Moorderesse^ straffe HenPrinne, 
Philis^quam Philander tegen en Al hebben de Pr ineen haren wensch; bij: Gezwinde 
Bode van de Min, te lezen in Pemassus Bergh, een bundel XVII*- eeuwsche liederen; 
ook bij het gedicht: O Heyligh. Zaligh Bethlehem^ dat misschien wel is toe te schrijven 
aan Stalpert van der Wiele*), vindt men een voys. 

Het tweede deel van der Fluyten Lusthof verscheen in het jaar 1646, eveneens te 
Amsterdam bij Paulus Matthysz, terwijl het in 1654 herdrukt werd. Ook dit boek was 
voorzien van een lofdicht van T. ASSELIJN, aldus opgedragen 

Aen den welEdelen, Hoogh^geleerdeny ende zeer vermaerden Heere, 

CONSTANTYN HUYGENS, 
Ridder^ Heere van Zuylichem, Secretaris van zyn Hoogheyt^ 

' den'Prince van Orangien. 

Myn Heere, 

De oorzaeken die my bewoghen hebben, om myn eerste werck op den naem van 
Euterpe^ of Speel-goddin^ onder UEd. luyster ende bescherminge de werelt te doen passee- 
ren, de zelve verbinden my sterkelyk, om dit myn tweede werk op den Titel van der 
Fluyten Lust-hof, niemant anders dan uwe Ed. op te draghen: met hoope ende vertrouwen 
dat het van uwe Ed. ende van konst-lievende Geesten, met gelycke aengenaemhe)^ zal 
ontfangen werden. Waer door ik op nieuw zal verplicht worden om myn leven langh 
UEd. grootdadigheyt en gunst te roemen en te blyven 

Uwer Edi onderdanighe Dtenaer: 
JACOB VAN EYCK. 

6. Een zesregelig lofdicht op S. van Hoogstraten's Goude Schalmey, Dit bundeltje gedichten van S. en F. van 

Hoogstraten verscheen in 1652 te Dordrecht bij Abraham Andriesz in 8* obl. 

7. Raedt gevraagt aan alle Nederlantsche Dichteren voor den Amsterdamschen Schouwburg. Dit gedicht, geheel in 

den trant van de bekende Academie-vraag, is te vinden vd^ Klioos Kraam, De Tweede Opening (1657) bL 377. 

Het is zeker te wenschen, dat over deze nevelachtige persoonlijkheid spoedig een helder licht opga. 

*) Een van deze wijzen : Courant of Ach trenrt nu myn bedroefde schapen wordt ook gevonden in het Geuzen 
Lietboeck; sie Bouwsteenen, tweede Jaarboek bL 222. 

«) Starter's Friesche Lusthof, Ed. Van Vloten, bl. 274 en 43. Zie ook Van Riemsdijk, bL iii. 

•) Niev lied.boeck,|| Ghenaemt den nieuwec ende vrolijcken Ainstelredamschen|| Doele-vrevght || Vercicrt me 
veel Minne-deuntjes, Herders-Klachjes, ende soetc Flicke floyerytjes,|| ghemaeckt door verscheyden Componbten.|| Vinjetx 
gravure^ Tot Rotterdam, Voor Philips Jacobsz. van Steenwegen, Boec ende Konst-verkooper by de Borse. 1627.II 24 
blz. in 4* obl. 

Het bevat 30 gedichten, waaronder van Starter, Brederoo, J. P. Roosendael en Mocht uk, ick sou. De 
eerste tweo gedichten schijnen een oorspronkelijke wijs te bezitten; boven beide staat: Als V begint, 

^ J. A. en L. J. Alberdingk Thijm: Oude en nieuwere kerstliederen bl. 20. 



110 CONSTANTIJN HUYGENS EN DE FAMILIE VAN EYCK. 

Hierin worden 58 vo5rsen aangetroffen; o. a. bij Psalm i, 15, 16, 33, loi, 119, 
133 en 134; bij het XV«-eeuwsche Driekoningen lied: Een kindeken is ons geboren^ 
Puer nobis nascitur'^); bij twee gedichten van Starter'), Silvester in den Morgenstond 
en Blydschap van my vliedt \ bij het gedicht: Verdwaelde Coninghin^ te vinden in Der 
Minnaers Harten Jacht •) en bij: Ho^ ho op myn brak en winden^ dat opgeteekend is in 
Pemassus Bergh. 

In de hier medegedeelde opdracht wordt eveneens gesproken van nog eea werk, 
Euterpe^ dat VAN Eyck vroeger had uitgegeven. De V brief van Jonkheer Jacob be- 
geleidde dit boek. Het is dus met zekerheid aan te nemen, dat het bestaan heeft; alle twijfel 
wordt opgeheven, door PaulüS MATTHYSZbij de aanbieding van een door hem uitge- 
geven werk *) „aan de konst-rijkke Juffr. Adriana van den Bergh «)." Hij heeft „de vry- 
moedigheyd durc^en nemen om (haar) het Speelhoek, der Goden-FluU^Hemel op te offeren" 
en vraagt haar toestemming om „dien vernieuwden Hemer aan haar op te dragen. Het 
hier bedoelde werk kan niet anders zijn dan het muziekboek, waarvan VAN EvcK in de 
eerste brief spreekt en dat wellicht, evenals het Uitnemend Kabiïiet^ bijna altijd achter 
Der Fluyten Lusthof gevonden wordt, steeds Euterpe of Speelgoddin vergezelde. 

Van dit laatste, evenmin als van der Goden-Fluit^Hemel is eenig spoor te ontdek- 
ken. Het is misschien met zoovele andere belangrijke muzikale composities •) uit dien 
tijd voor ons voor goed verloren. 

Moge het spoedig te voorschijn gebracht worden. 

's Gravenhage, 18 November 1882. 



1) Zie de tekst hiervan bij Thijm. blz. 166. 

s) Sta&te&*s Friesche Lusthof, ed. Van Vloten, bL 272 en 60. 

') Niev liedt^boeck,Q Ghenaemt|| Der. Minnaers Harten Jacht,p ofte de Groote Amstelredamsche Rommelzoo,|| 
Verciert met veelderley nieuwe Liedekens, ghemaeckt door verscheydenl] Componisten, als J. Weste&basn, 
W. D. Hooft, J. J. Starter, ende meer andere, mitsgaders de Verhuysingell van Cupido. Verciert met noch vele 
Nieuwe Liedekens!) Vmjet: gravure Tot Rotterdam, Voor Philips Jacobsz. van Steenwegen, Boec endell Konst-ver- 
kooper by de Borse. 1627.ll 40 blz, in 4« obl. 

Het bevat 46 gedichten, geteekend: T. D(E) K(eyzer), Al met der tyt, E. Pels, TisalBot^ P.G.H, Veranderen 
kan, en ongeteekend een zevental van Starter en één van Vondel. 

^) *t Uitnemend Kabinet vol Pavanen, Almanden, Sarbanden, Couranten, Balletten, Intraden, Airs enz. t' Amsterdam, 
By Paulus Matthysz. in de Stoo&teegh, in 't Musyc-boek, gedrukt 1649. In het tweede deel bevindt zich een compositie 
door B. T. d(e) B(ruin) op de woorden van Vondel: O Kersnacht, 

*) Zij is waarschijnlijk dezelfde als de Amsterdamsche tooneelspeelster van dien naam, die door den heer Loffelt, 
in het tijdschrift Het Tooneel, I bl. 236, genoemd wordt als de eerste actrice. In een der volgende afleveringen zal door 
mij het een en ander over haar worden medegedeeld. Mocht iemand der Goden-Fluit-Hemel kennen, dan zal het 
mij hoogst aangenaam zijn, er eenlg bericht over te ontvangen. 

*) Tot deze schijnt, helaas! ook te behooren, een uitgave van Vondbl's Boetps.almen te Amsterdam in 1646 in 
folio verschenen onder den titel van: Davids tranen of Boetpsalmen in Rijm en op muziek gesteld. iZie Van Abkoude en 
Arrenberg. Naamregister van Ned. Boeken. 1782 1 bL 391). 

Wie kan mij of Mr. A. D. de Vries Az. eenig bericht hiervan geven ? 



yi 



REPRODUCTIE EENER TEEKENING NAAR EEN GRAVURE UIT HET BEGIN DER ZEVENTIENDE EEUW. 



HET PORTRET 



WILLEM BARENTSEN 



mk. a. d. de vries Az. 



Ls van zoovele onzer beroemde mannen van vroegeren 
tijd zal een juiste schets van de persoonlijkheid van 
Willem Barentsen slechts dan kunnen worden ontworpen, 
indien de een of ander zich aangordt om onze archieven 
te doorzoeken en daardoor het klein aantal gegevens, dat 
tot ons kwam, door een nieuw onderzoek vermeerdert. 
Bijna alles wat tot nc^ toe van BarenTSEN bekend is, 
staat in verband met zijne reizennaar het Noorden, terwijl 
van zijne vroegere lotgevallen, van zijne vroegere werk- 
zaamheid schier niets bekend is. Dat hij op Terschelling 
zou zijn geboren, dat hïj reeds r>van sijn kintsche daghen 
aen altijt gheneghen gheweest was omme nae alle sijn vermoghen de Landen die hij 
bewandelde oft beseijlde caertsghewijse af te beelden," dat zijn zinspreuk Niet sonder God 
hem als een vroom man doet kennen, dat er van zijn hand een Caertboeck van de 
Middellantsche zee bestaat, dat zijne weduwe met hare nvijff vaderlose kinderkens" 
in 1 598 om ondersteuning bij de Staten van Holland aanklopte, maar door deze naar de 



114 HET PORTRET VAN WILLEM BARENTSEN. 

Admiraliteit te Amsterdam werd verwezen '), dit alles zijn slechts enkele g^evens, die naar 
meer doen verlangen. Het ligt nu juist niet op mijn weg dat onderzoek in te stellen 
en b. V. te zoeken naar het juiste geboortejaar, naar zijne vroegere reizen, naar zijne 
vrienden, naar den naam zijner vrouw •) enz. Wel wensch ik door het mededeelen van 
nevensgaande afbeelding het antwoord te geven op de zoo dikwijls herhaalde vraag 
naar het uiterlijk van den v,vermaerden Piloot." 

Hij wien bet vergund is de altijd afwisselende menigte bronnen voor onze geschie- 
denis te gebruiken, die de firma Frederik Muller & Co. in hare boekenkasten en portefeuilles 
ziet komen en gaan, zal menigmaal met zeldzame stukken bekend raken, die het antwoord 
geven op vragen, waarvan de beantwoording hem haast ondenkbaar scheen. Zoo ging 
't ook mij met dit portret van BARENTSEN. Reeds meer dan een jaar geleden in een 
portefeuille bladerend, viel mijn blik op een profiel van Amsterdam, dat mijn aandacht tfok, 
omdat een tweede exemplaar mij nog nimmer onder de oogen was gekomen. Mijn aan- 
^ dacht groeide tot groote belangstelling, toen ik in het bijwerk van dit gezicht op Amster- 
dam het portret ontdekte, waarvan nevensgaande prent een zeer vergroote copie is. *) De 
prent is op vier bladen van even zoovele koperen platen gedrukt. 

Amsterdam van de Yzijde gezien breidt zich op den achtergrond der prent in zijne ge- 
heele lengte uit ; links ontwaart men V Rijsenhooft^ de Monckelbaenstoren en D(e) Suyderkerck; 
in het midden verheffen zich D{é) Oude Kerck^ D{e) BeurS'4oren^ de spitse toren van 
V StcUhuys en D{e) Nieuwe Kerck^ rechts D{e) Haringpackerijs-toren en Dei Nieuwe Stadt. 
Het Y is met schepen gevuld. In het midden een princelijke galei met het beeld van 
prince Mourinck ten voeten uit tusschen de wapens van Zeeland en Vlissingen op den 
spiegel. De andere schepen vertegenwoordigen de verschillende provinciën ; rechts Utrecht^ 
Friesland f Gelderlandy Holland en Groningen\ links Overijsel en Zeeland en een schip 
dat de Oranje-vlag voert Tusschen de reeds genoemde schepen ter rechterzijde is er 
een, dat de stad Hoorn vertegenwoordigt, ten minste het wapen dier stad in de vlag en 
op den spiegel voert. Nog dient vermelding dat van de schepen, die Zeeland, Holland 
en Gelderland moeten vertegenwoordigen, vlaggen wapperen met een halve maan, met de 
fortuin en met een hand, die een hemelglobe houdt. 

Het is reeds uit het bovenstaande duidelijk, dat de geheele prent een allegorisch karakter 
draagt. Van boven in het midden troont dan ook ^sLANS WELVAREN \n de gedaante 



^) Zie voor deze gegevens Mr^ S. Muller Fz. Geschiedenis der Noordsche Compagnie bl. 38 en de kronijk 
van het Historische Genootschap te Utrecht '1850 bl. 30 

s) In de resolutie der staten van Rolland wordt de naam der weduwe niet genoemd. Het. is dos nog niet uit te 
maken of de volgende aanteekening uit het doopboek van de nieuwe kerk te Amsterdam op onzen Willem Barentsen 
betrekking heeft: 19 Juni 1590 Willem Barentsen en Claesgen Lenerts sijn huijsfraw en Hillegant Dirks als pett 
het kind heet Wiborch, 

*) Het nrigineele portretje is slechts 3om.m.hoog; de geheel^jroor^telling is breed 1615 en hoog 518 m.m. De prent 
is thans het eigendom van den heer Aüg. Coster te Brussel, die met bijzondere welwillendheid de reproductie van 
het portret vergunde. 



HET PORTRET VAN WILLEM BARENTSEN. 115 

van een gelauwerde jonge vrouw, die een fregat op de schoot houdt; geloof en godsvrucht, 
zitten aan hare zijden, het wapen van Amsterdam vertoont zich aan hare voeten tusschen 
de portretten van Willem Barents en Jacob Heemskerck, aan welke dus een eereplaats 
op deze prent werd aangewezen. Aan iedere zijde van deze voorstelling bevinden zich 
twee door engelen vastgehouden cartouches met afbeeldingen van vier voorname steden der 
zeven provinciën, elk van boven met een portret en ter zijde met een stedewapen versierd ; 
Rotterdam met Olivier van Noort, Enckhuysen met Ian Huygen, MiddeUmrch met Joris 
VAN Spilbergen, Vlissingen met Prins Maürits. In de benedenhoeken der prent zijn de 
opdrachten gesteld; rechts staat een opdracht van den uitgever Abraham Regius aan de 
Admiraliteiten van Holland, Zeeland en Westfriesland onder het wapen met de twee ge- 
kruiste ankers; om het voetstuk, waarop deze opdracht siaat^ zijn allerlei zeevaartkundige 
instrumenten, kaarten enz. gegroepeerd. De opdracht luidt: 

Nobilissimis ornatissimis, spec: 
tatissismisq(ue) viris ac Dominis, D. HoUandiae 
Zelandise e(t) Westfrisiae, rerum Maritimarum e(t) 
Navalium dignissimis Prefectis, hanc, prosperrimi 
Foederatarum Belgij Provinciarum status, Graphi: 
cam per naves Delineationem, quam humillime con: 
secrat atq(ue) dedicat Abrahamus Regius. 

In den benedenhoek links een opdracht aan Maurits onder diens wapen met de spreuk 
Hont soit qvi mal y pense ; de opdracht is geplaatst op een voetstuk, dat met verschillende 
krijgsattributen is versierd en luidt aldus: 

niustriss. Principi ac Domino, Mauritio D. G. Principi Auriaco 
Comiti Nassoviae, Mursiae Lingae &c. Marchioni Veriae e(t) 
Vlissingae, Federatarum Belg^j Provinciarum Archistratego» 
e(t) totius inferioris Germaniae Oceani Archithalasso^ nobi: 
lissimi Ordinis Garteri Equiti, hanc Foederatae Belgiae 
prosperrimi rerum status Graphicam Delineationem 
DD. atq(ue) consecrat Abrahamus Regius. 

A D KONINCK EX. 

De uitgever plaatste, zooals üien zfet, zijn HoUandschen naam nog eens onder deze 
opdracht. 

De eerste vragen, die zich voordoen, zijn, deze: van wanneer dagteekent deze prent? 

biedt de tijd van vervaardiging genoegzame waarborgen aan om het portret van Willem 

,Barentsen met zekerheid als het zijne te erkennen? Uit een nauwkeurige beschouwing 

der prent blijkt al spoedig duidelijk tot welken tijd zij moet worden gebracht. Bleekst 

15* 



116 HET PORTRET VAN WILLEM BARENTSEN. 

.niet reeds uit de wijze van graveeren zelve, de opdracht aan Maurits doet het tijdstip der 
vervaardiging vóór 1625 stellen. De spreuk om het wapen van Maurits, die 4 Februari 
161 3 ridder van den Kouseband werd^ helpt ons dat tijdstip te bepalen tusschen lóij en 
1625. Wij kunnen dit twaalftal jaren tot een vijftal (1613 — 1618) beperken, wanneer wij 
overwegen, dat y,De nieuwe stadt*' zich ter rechterzijde vertoont zpnder dat wij de Haar- 
lemmerpoort, die van 161 5 — 1618 werd gebouwd, zich boven de buizen zien verheffen, 
terwijl de aanwezigheid van de torenspits van het stadhuis, die in 161 5 werd afgebroken, 
ons een nog nadere bepaling veroorlooft, namelijk de jaren 16 13 — 161 5*). 

Dit alles is voor het portret van Barentsen van belang, omdat het als bewijs kan 
strekken, dat het portret niet later dan achttien jaren na den dood van Barentsen f20 Juni 
1597) werd uitgegeven. Reeds dit feit zou genoegzaam zijn om geen enkelen twijfel aan 
de authenticiteit voedsel te geven; een uitgever als Abraham de Konin^k toch zou zich 
zeer zeker gewacht hebben een fantaisie-portret van den grooten zeevaarder het licht 
te doen zien, in een tijd, dat nog tal van personen zich in leven bevonden, die den a%e- 
beelden persoon hadden gekend. Ook een beschouwing van de portretten der andere 
zeevaarders pleit voor de zorg, waarmede het portret van BARENTSEN tot stand kwam; 
noch dat van Heemskerck, noch dat van Spilbergen, noch dat van Jan Huygen van 
Linschoten zijn, ten minste voor zoover mij bekend is, naar vroegere portretten genomen, 
al vertoonen zij dezelfde trekken, die ons uit andere gravuren bekend zijn. Het komt mij 
waarschijnlijk voor, dat Koninck zich de moeite heeft getroost voor de gravure, die hij 
wilde uitgeven, expresselijk teekeningen te laten maken, of de afbeeldingen heeft doen 
graveer en naar origineele geschilderde of geteekende portretten, die ons tot nog toe onbe- 
kend zijn gebleven. Dat van Heemskerck heeft meer overeenkomst met het portretje, dat 
in later tijd door I. Lux werd gegraveerd, dan met dat, hetwelk wij aan van Sichem's talent 
te danken hebben; dat van lan Huygen van Linschoten geeft ons dien zeevaarder opeen 
lateren leeftijd te zien dan het portret zonder naam van graveur, dat ons dien Haarlemmer 
in 1598 op vijf en dertigjarigen leeftijd te aanschouwen geeft. Ook dat van Joris van 
Spilbergen is niet juist hetzelfde als een ander, dat ons dezen op 54-jarigen leeftijd 
doet kennen en hem geheel in profiel vertoont*), terwijl hij op onze prent bijna geheel 
van voren is te zien. 

Kunstwaarde heeft de zeldzame prent, die ons Barentsen's gelaatstrekken gelukkig 
heeft bewaard, slechts in zeer geringe mate. De graveur heeft het dan ook niet noodig 
geacht zijn naam te vermelden; de w:ijze van graveeren heeft het meest van de manier 



') De aanwezigheid van den Zuiderker kstoren, die in 1614 gereed was, durf ik niet als argument bezigen 

voor de bewering, dat de prent van later dan 1614 moet zijn; immers, het gebeurt niet zelden, dat nog niet voltooide 

' gebouwen als reeds voltooid op prenten worden afgebeeld. Van de Zuiderkerk werd de eerste steeB reeds in 1603 gelegd. 

>) Dit portret (h. 103 br. 81) is in een omlijsting van lauwertakken gevat. Van boven leest men op een lint 
Georgij a Speiibergen AetaL Sua 54. In de Albertina te Weenea ligt dit portret ten onrechte in het werk van den 
graveur Jan Muller. Het portret van Olivier van Noort heb ik niet met andere portretten kunnen vergelijken. 



HET PORTRET VAN WILLEM BARENTSEN 117 

van den plaatsnijder ROBBERT DE Baudous, ^) die tot de school van Goltzius behoort^ 
maar met diens beroemde leerlingen niet in een adem mag genoemd worden. 

Het verdient opmerking, dat het gedeelte van „De Nieuwe Stadt'* ter rechterzijde, 
waarover wij reeds spraken, op geheel andere wijze dan het overige gedeelte van de prent 
is bewerkt. Dit gedeelte is geêtst, naar mij voorkomt misschien door Claes Visscher, 
het overige is geheel met het burin gesneden. 

De uitgever van de prent, Abraham Regius alias Abraham de Koninck, is niet 
onbekend ab dichter; Vondel en Brederoó hebben voor zijn Jephta ende zijn Eenighe 
Dochters Treurspel^ dat in 1615 verscheen, lofdichten geschreven. Reeds vroeger van 
1610 tot 1612 had hij Achabs treurspel bij elkaar gerijmd, dit verscheen eerst in 1618; 
in hetzelfde jaar irolgde zijn Simson. 

Hij behoorde tot de leden of ten minste tot de vrienden der Brabantsche kamer, 
de Achab toch is opgedragen aan y,Sr. Servaes Degens koopman en Deken der Brabant- 
sche Redenrijck-kamer," de Jephta „aan de Hoofden der Brabandsche Camer, *t Wit 
Lavendel/* 

Het eigenlijk beroep van de Koninck was „konstvercooper", hij woonde aan of „op 
de Beurs in de Koningshoet." Onder de prenten, die hij heeft uitgegeven, is er een, die 
ons leert, dat de Leidscbe Hoogleeraar Johannes Polyander tot zijne bloedverwanten 
behoorde ■). 

Abraham de Koninck kan Willem Barentsen zeer goed persoonlijk gekend 
hebben. In 1618 is hij niet jong meer, ten minste hij klaagt, dat zijn „handt meer bestiert 
wert naer 't believen van mijn verdrietighe en pijnlijcke Juffrouw Fieregijn als van de 
vrolycke en blijgeestighe Sang-Goddinnen." •) Hij schijnt met onze wakkere zeevaarders 
hoog te hebben geloopen. Als hij in 1616, dus kort nadat de door ons besproken prent 
was verschenen,' in een spel van Sinne^), dat bij het houden van een loterij voor het Oude 
Mannen- en Vrouwengasthuis te Amsterdam werd vertoond, Amstels roen^ in zijn kreu- 



1) Robbert de Baudous was de zoon van Willem de Bandous, hij werd te Brussel in 1574/75 geboren; in 
1591 woonde bij reeds te Ahisterdam; bij werd er 17 Nov. 1598 poorter en ondertrouwde er 6 Jan. 1605 met Hejltgen 
Heyns Jacpbsdr., bij woonde toen in de nieuwebrugsteeg (Arcbief voor kunstgeschiedenis II. 5. 161.) Ik kan bier 
nog bijvoegen, dat bij bevriend was met Pieter van den Abeele en Adeiaem van Nieulandt, daar dezen getuigen waren 
bij den doop van xijn xoon Lambert op 19 Juni 161 6. Robbert leefde nog in 1639, hij assisteerde den 24Novem* 
ber van dat jaar bij den ondertrouw van genoemden Lambert. De bekende stempelsnijder Pieter van den Abeele 
(was de borengenoeaide naamgenoot diens vader?) die in 1607/08 te Middelburg geboren was, ondertrouwde 19 Mei 
1638 met Robberts dochter Catharina. (Zie de kerk. huw. procl. en bet Doopb. Oude Kerk op de genoemde data). 
Wij konen mettertijd op beide famieljes terug. 

s) Zie de opdracht van een prent, voorstellende een Christelijke ridder strijdende tegen de Wereld en Satan, 
door Pieter Serwouters gegraveerd naar een teekening van David Vinckboons, die van 16 14 dagteekeude. 

*) Zie Toe-eygening van den Simson aan Hans Roelants, Liefhebber der Edeler Poesye. Deze is zooals uit 
de opdracht blijkt, degene, die de spreuk Non omnia possumus émstes yotrt, 

^ 't Spel van Sinne, vertoont op de Tweede Lotery van d* Arme Oude Mannen ende Vrouwen Gasthuys. Tot 
Lof, Eere en Leere der Wijtberoemder Coopstadt Amstelredam . . . .t' Amsterdam Ghedruckt,'by Paulus van Ravesteyn. 
Voor Abraham de Koningh woonende aen de Beurse in den Koninghs Hoedt Anno 161 6. 40. 



118 HET PORTRET VAN WILLEM BARENTSEN. 

pelverzen verkondigt, bazuint hij herhaaldelijk den lot onzer zeevaarders en vergeet hij ook 
Willem Barentsen niet. In de tweede HandeUngh laat hi)- Amsterdam aldus spreken : 

• Door Heemskerck (d'Edd Heer) can ie 't Gibraltai» raken. 

Al waer d' Hand-gauw- Matroos lost 't swanger swaer Canon, 
'k Verniel den Castiliaen^ 'k verbreeck hun trotse Kraecken. 
d' Haegs-Zael met Vendels pronckt, die 'k op mijn Vyandt won. 
Mijn Borger V Barent Zoon, twee vijff Maend sach geen Son, 
Om int fel coude Noord d' waen doorgangs wegh te vinden, 
Daer hij tot zeges zuyl (hoe wel 't niet wesen con) 
Liet letterlijck bewijs *) voor Nacomers oft Vrinden. 

en als hij tot „besluyt" nog eens de „Sonne van Euroop" tot weldadigheid aanspoort, in 
eenige regels, waarvan de begi nletters zijn spreuk Blyft Volstandich vormen, klinkt het o.a. 

Tritoni Kinck-Horen blaest door 5i«' en Jappans Meyr, 
V Lof en glory-glans beroemt door dyne Helden: 
O Neck en Heemskerck 't Vlies sochty door Theü velden. 
Zaes Barentzoon ! en vant maer Ys, den Vos en Beyr, 
5al Plancius onderwys dy na 't Nieu-Sembla stjiyren, 
7bt by de Noórder-Pool, en HOUTMAN na 't warm Oost? 

Men zal het met mij eens zijn, dat wij den ^constvercooper" uit den Koningshoet 
meer dank zijn verschuldigd voor het portret, dat hij ons van Neerlands grootsten noord- 
poolvaarder heeft nagelaten, dan den poëet, voor de wijze, waarop hij de loftrompet steekt 
Toch zou het portret ons nog welkomer zijn geweest als 't van meer artistieke behande- 
ling getuigenis aflegde. 

November, 1882. 



1) Reeds andere schrijvers hebben vermeld, dat Barentsen burger was van Amsterdam; door dese plaats wordt 
dit bevestigd. Wanneer hij het werd, kan ik niet met lekerheid zeggen. Of lost de volgende aanteekening uit de 
Amsterdamsche poorterboeken de vraag op? 

WüUm Barentst stuyrman van HatrUm den 2e mariy 1594 poorter deur stede geworden ende heeft s^ 
foortereedt gedaan en de dienaers gegeven IX st{uyvers). 

De bijvoeging van Haerlem maakt mij huiverig den genoemden persoon voor den noordpoolvaarder te honden. 
Tot- nog toe is er geen enkele zaak bekend, die ons op een betrekking tnsschen hem en Haarlem wijst. Intns- 
schen daar Barentsen 5 Jnni 1594 tiitzeilde, kan het zeer goed zijn, dat hü 2 Maart zijn poortereed deed. Haarlem 
krijgt door deze aanteekening kans op de eer Barentsen*s geboorteplaats te zijn. 

*) Het bekende „cedelken." 




HET OUDE DOOLHOF 



AMSTERDAM. 

DOOR 
D. C. MEIJER JR. 



II. 

"^i N eene ras in bloei toenemende stad, waar het vreemdelingen-verkeer 
X steeds 'aangroeit en waar de inwoners door de drukte in hunne zaken, 
tt aan steeds sneller afwisseling van indrukken gewend worden, doet zich 
k gewoonhjk het verschijnsel voor, dat op het gebied der publieke vermake- 
\ lijkheden eene koortsachtige levendigheid heerscht en de eene nieuwigheid 
de andere haast niet spoedig genoeg verdringen kan. En dan ontbreekt het ook gewoon- 
lijk niet aan schrandere geesten om aan die behoefte van den tijdgeest te voldoen. Zoo 
ook in het Amsterdam van de eerste helft der zeventiende eeuw. 

Na den Franschen ingenieur, die, om de Amsterdammers te vermaken, zijne kunst 
toonde in de vroolijke waterstralen, die hij uit zijne beeldjes deed opspuiten, verscheen 
de Duitsche mechanicus, dte, met hetzelfde doel, zijne hersenen a^ijnde om de ledematen 
van zijn beeldjes kunstmatig in beweging te brengen — na Jonas Bargois, kwam 
David Lingelbach. 



120 HET OUDE DOOLHOF Tf. AMSTERDAM. 

Het was op reeds gevestigden leeftijd (van 1615 tot 1624 werden hem te Frankfort 
a/M., waar hij in 1592 of 1593 geboren was, een viertal kinderen geboren) dat David 
LiNGELBACH zijn vaderland verliet om zich te Amsterdam neder te zetten. Vereerder 
van Gustaaf Adolf, als hij schijnt geweest te zijn, was hij misschien wel uit zijn land" 
verdreven, toen na den slag van Nördlingen de tegenpartij het overwicht in Duitschland 
verkreeg. 

Hij liet zich 4 Oct, 1636*) (als herbergier) op de poorterrol inschrijven, terwijl het 
Puiboek drie vrouwen van hem noemt, te weten : Agniet Jansz, Hilletje Fabritius, weduwe 
van Baltes Foogelaar, met wie hij ondertrouwde i April 1638, en ten slotte Steyntje 
Lourens, weduwe van Jan Hendricx, met wie hij aanteekende den 10 Juni 1639. 

Als woonplaats van Lingelbach wordt op 't Puiboek in 1638 genoemd het Doolhof 
op de Lóoijersgracht. Maar hieruit blijkt nog niet dat hij aan 't hoofd heeft gestaan van 
het Oude Doolhof, dat wij bezig zijn te beschrijven. Strikt genomen toch, lag dit niet 
op de Lóoijersgracht, maar op de Prinsengracht. Later zullen wij LiNGELBACH vinden in 
't nieuwe Doolhof op de Rozengracht Maar het oude bleef toch aanwezig en dat hij 
beiden tegelijk bestuurd heeft is mogelijk, maar dan zouden Fil. v. Zesen in zijne 
Beschreibung der Stadt Amsterdam^ 1664, (bladz. 213 van den quarto druk) en Iz. Com- 
melyn in de Beschrijving van Amsterdam van Domselaar c. s., 1665 (IVe Boek blz. 309) 
zich minder juist hebben uitgedrukt; want deze zeggen uitdrukkelijk dat LiNGELBACH 
zijne inrichting van de Lóoijersgracht, waar hij haar oorspronkelijk had opgericht, naar 
de Rozengracht verplaatste en zij maken in de regels, die zij aan het ö«^fe Doolhof wijden 
van LiNGELBACH geen gewag. 

Wat oppervlakkig wel schijnt te pleiten voor eenige betrekking tusschen de beide 
doolhoven is enkel de omstandigheid dat beschrijvingen van 't oude, zoowel als van 't 
nieuwe Doolhof bestaan, die bij denzelfden uitgever in 't licht zijn verschenen. Die uit- 
gever was de bekende graveur Crispijn DE Pas, de jonge, en de woorden onder aan den 
titel van de oudst bekende beschrijving van het Doolhof: y^t Amsterdam voor Cryspijn 
van der Pas*^ hebben eens een niet onverdienstelijk beschijver van 't Doolhof*) aanleiding 
gegeven tot de veronderstelling dat het Doolhof DE Pas aanging, als compagnon van 
LiNGELBACH. Geachte, geleerden hebben dit weder als zeker nageschreven en er op voort- 
geborduurd ") en zoo kreeg DE Pas mede zijne plaats in de rij der vermeende Doolho&tich- 
ters. Weinigen zullen echter uit de bovenaangehaalde woorden (de zeer gewone aanduiding 
van den uitgever, op de titels uit dien tijd) kunften lezen wat men er uit gelezen heeft. 
De Pas woonde trouwens in 1639 nog te Utrecht. 

^) Deze en andere data deelde de Hr. N. D£ Roever Az. mij uit het Stads- Archief mede. Sommige waren 
reeds door den Hr. Scheltema in Amstels Oudheid, Dl. V, gedrukt. 

^ Leeskabinet van 184$, bladz. 114 in de noot. 

s) Witkamp {Amsterdam in 'schetsen^ II» 82) kwam tot de conclusie, dat Lingelbach en db Pas reeds in 
1625 compagnons waren, en Scheltema {Aemstels Oudheid Y^ 181), inmiddels gevonden hebbende dat Lingelbach 
zoo vroeg niet te Amsterdam gewoond had, veronderstelde dat de Pas zijn voorganger was geweest. 



HET OUDE DOOLHOF TE AMSTERDAM. 121 

De beschrijving van 't doolhof voor Crispijn van der Pas gedrukt (er kan een ouder 
druk bestaan — en zelfs is dit, de afdruk der platen in aanmerking genomen^ niet onwaar- 
schijnlijk^ — maar dat heb ik tot nog toe niet kunnen ontdekken) is de oudst bekende. Zij^ 
draagt geen jaartal^ maar is van vóór 1648, daar er toen eene nieuwe Beschrijving verscheen. 
En uit den inhoud zullen wij zien dat het boekske ook nfet ouder is dan de eerst bekende eigen 
uitgave van DE Pas te Amsterdam: zi]tï' Onderganck des Roomschen ArendSy van 1642^). 

Van den druk bij DE Pas ken ik slechts twee exemplaren: het eene op de Kon. 
Bibliotheek (in de Duncantana; op het jaar 1652*)) het andere in de verzameling van 
Slagregen. Laatstgemeld exemplaar heeft vrij wat verwarring gebracht in de Bibliographie 
van de beschrijvingen van 't Doolhof. Het behoorde namelijk indertijd aan den geleerden 
Jacobus Konii^y en staat in den Catalogus van diens nagelaten boekerij aldus beschreven : 

y»Verklaringe van treffelycke konstighe Werken, ende haer beweginge, door Oorlo- 
giewerck gedreven enz. in den ouden Doolhof tot Amsterdam op de hoek van de Loyers- 
gracht. t' Amsterdam voor CRiSPYN VAN DER Pas 1648. Met platen en het portret van 
den. uitvinder David Lingelbach. (zeer zeldzaam)". 

Als die beschrijving juist was zou de betrekking van Lingelbach op 't oude Doolhof — 
niet alleen omtrent 1638, maar nog in 1648, toen hij reeds in 't nieuwe was — bewezen 
zijn. Bij inzage echter van het boekske (waartoe mij de gelegenheid werd verschaft 
door de welwillendheid van den Heer J. H, Persijn te Arnhem, ten wiens huize thans de 
collectie Slagregen wordt bewaard) bleek het mij dat het jaartal niet op den titel stond, 
maar dat het boekske een exemplaar was van den boven beschreven druk van de Ver- 
klaring van 't oude Doolhof bij DE Pas, waarin het portret van Lingelbach en twee blaadjes 
tekst waren ingevoegd, uit de Beschrijving van Lingelbach's Nieuwe Doolhof op de 
Rozengracht. 

Van laatstgemelde beschrijving werd een exemplaar in 1875 uit de Bibliotheek 
van der Willigen verkocht voor ƒ16. — ; de tegenwoordige eigenaar is de Heer D. Franken Dz. 
te Parijs, die het beschreef in zijn y^Oeuvre gravi (fes van de Passe.^^ Den tijd dezer 
uitgave stelt hij op 1648, welk jaartal voorkomt op 't portret van Lingelbach dat dit 
boekske versiert'). * 

In datzelfde jaar verscheen een nieuwe druk van de beschrijving vèn het Oude 
Doolhof, maar niet bij de Pas. rfet is de „Verklaringe van verscheyden kunst-rijcke 
wercken en hare beweginghe, door Oorlogie-werck ghedreven, benevens een seer schoone 

Fonteyn, zijnde een Triumph van Bachus en Ariadne *' Amsterdam. Uit de Druckery 

van Tymen Houthaeck MDCLVIII." 



^) Franken, V oeuvre gravi des vem de Passé, pag. 301. 
^ Voor de bepaling van den tijd der uitgave heeft dit jaartal geene waarde. 

') 1640 in den Catalogus van de Historische Tentoonstelling vast Amsterdam en 169S in den Catalogus van 
Portretten van Fred. Muller rijn drukfouten. 



1« 



i 



122 HET OUDE DOOLHOF TE AMSTERDAM. 

De titel is, zoo als men ziet, eenigszins anders5 zoo oök de tekst, maar de prentjes 
zijn, hoe ^gesleten ook, toch dezelfde als in den druk bij D£ Pas, zoodat niet valt te 
denken aan een nadruk. Maar het belangrijkste onderscheid is, dat deze editie versierd 
is met eene aibeeldmg van de fontein van Bacchus en Ariadne en deze prent is niet van 
DE Pas, maar draagt het inschrift P. HoLSTEYN SCÜLP. 

Nu is het toch niet wel aan te nemen dat in hetzelfde jaar dat DE Pas LiNGELBACHS 
portret en de beschrijving van zijn nieuwen Doolhof vervaardigde en uitgaf, LiNGELBACH 
de uitgave van de verklaring van het oude en de vermeerderde illustratie daarvan 
zou hebben opgedragen aan Houthaeck en Holsteyn, indien hij ook van het oude 
Doolhof eigenaar was geweest. ^) 

Natuurlijk bewijst dit alles nog niet dat Lingelbach nooit in 't oude Doolhof was. 
Hij kan er als huurder geweest zijn^ of ook den eigendom verkocht hebben, toen hij naar 
de Rozengracht trok, tusschen 1646 en 1648 (in eers^meld jaar kocht hij daar van Jan 
Coenen Coeman een y,tuin met getimmerte" '). 

Dit zou de beste verklaring geven van de reden waarom de oudst bekende druk 
van de beschrijving bij DE Pas verscheen, en die van 1648 bij Hoüthaeck uitkwam, in 
hetzelfde jaar dat DE Pas de beschrijving van 't nieuwe uitgaf, ') 

In de oudste verklaringen zelf zoeken wij ongelukkig vergeefs naar aanwijzingen 
omtrent dé lotgevallen van 't oude* Doolhof tusschen 1630 en 1642^) en omtrent de namen 
van hen aan wien wij het denkbeeld en de uitvoering van de beeldengalerij te danken 
hebben. Toch is hierop ééne uitzondering. De gravure van Holsteyn namelijk leert 
ons dat de fontein van Bacchus en Ariadne was ontworpen door Albert Vinckenbrinck 
(den beeldhouwer, die zijn naam vooral door zijne preekstoel in de Nieuwe Kerk heeft 
populair gemaakt). Dit zet nog meer waarschijnlijkheid bij aan de overlevering dat ook 
het houten beeld van den reus Goliath het werk zou zijn van Vinckenbrinck. Dit beeld 
kwam eerst tusschen 1648 en 1650 in 't Doolhof; de fontein bestond echter al voor dien 
tijd, daar zij, hoewel in de Verkl§ring bij HoUTHAECK voor 't eerst afgebeeld, reeds in 
die bij DE Pas wordt beschreven. 

Wie weet of niet Vinckenbrinck de opvolger van PeyldeU en Bargois in 't oude 
Doolhof geWeest is, en oorspronkelijk de beeldengalerij heeft opgericht nog vóór dat 
Lingelbach te Amsterdam woonde, 't Zou de eerste maal niet zijn dat de naam van 



1) De andere Ulustraties zijn wel dezelfde gebleven, doch daarvan zal de eigenaar van *t Oude Doolhof de. 
koperplaatjes in bezit hebben gehad. 

s) De Hr. Witkamp meende dat het Doolhof op de Rozengracht in 1657 nog met in wezen was, omdat hij 
het vergeeft gezocht had op een platte grond, dien hij op 1657 stelde. Maar de gronden voor die toeschrijving zijn 
niet sterk genoeg, om het waarschijnlijk te maken dat de beschrijving van ^t nieuwe Doolhof tien jaar later zon sijm 
uitgekomen dan het daarin voorkomende portret, dat het jaartal 1648 draagt 

*) Ib 167a was in allen gevalle het oude Doolhof niet meer in handen der familie Lingelbach. De oudst 
bekende eigenaar (A« 1699) is Danibl Schbltreot. (WmCAMP, Amst, im Schetsen, II, 9$.) 

^ Naar grondpapieren zocht de Hr. Witkamp reeds vergeefs. 



HET OUDE DOOLHOF TE AMSTERDAM. 123 

een Nederlander, die een denkbeeld had, verloren ging, terwijl die van den buitenlander> 
die later dat 'denkbeeld exploiteerde, luide weerklonk. 

# 

Graan wij nu aan de hand der Verklaringen beschouwen wat in 't Doolhof te zien was, 
tevens lettende op wat, hier of daar, ons op 't spoor van den tijd der stichting van de 
beeldengalerij kan brengen. 

De leiding der fontein was waarschijnlijk gebleven, al was het beeldhouwwerk van 
Bargois verdwenen. In de plaats daarvan kwam, op een grotwerk van schelpen en uit- 
heemsche steenen, de groep van Vinckenbrinck. In 't Labyrinth mocht geen Ariadne 
ontbreken, had men geoordeeld. Maar niet om den bezoekers haren draad aan te bieden, 
want dan zou de doolpret te spoedig uit zijn geweest. 

Daarom had Vinckenbrinck haar liever voorgesteld op het oogenblik dat zij Bacchus 
voor 't eerst ontmoet, het oogenblik waarvan de dichter in de Verklaringe zegt: 

„De Maeght, die voor dees tijdt ghecn Goden had ghesien. 
Wist niet wat doen, maar viel ootmoedigh op haer knien :'' 

Vóór haar stond Bacchus overeind, gevolgd door zijn met panthers bespannen 
wagen, door zijne volgelingen omringd. Het was, blijkens de gravure van Holsteyn, eene 
losse, goed gedachte groep. De waterstralen spoten uit de kannen en horens der Bacchanten 
en — minder kiesch, doch in dien tijd nog niet ongewoon — uit de borsten van het 
vrouwenbeeld, dat daarentegen wat de kleeding betreft, het in ingetogenheid won van de 
Ariadne, die we in onze eeuw in LiNGELBACHS vaderstad bewonderen. 

Wie ongevoelig was voor Vinckenbrincks plastiek, amuseerde zich meer met de 
zoogenaamde bedriegertjes, die de groote fontein omringden: de waterstralen, die onver- 
wachts uit de bestrating van de binneiq>laats opspoten en, als er vrouwen of meisjes 
boven stonden, het stichtelijk schouwspel opleverden, waarin onze voorvaderen zich met 
zoo naïeve behagelijkheid vermaakten. 

Maar de groote aantrekkelijkheid van het Doolhof was de beeldengalerij of, zooals 
wij het thans zouden noemen, het panopticum. Daar zag men vooreerst de „aerdighe 
Beelden, levens-groote, van vermaerde Koninghen en Princen deser Eeuw." Die beelden^ 
waren van was geboetseerd, een kunstvak waarvan in deze periode der 17** eeuw veel 
\verk werd gemaakt, zoodat de eerste dichters het niet beneden zich rekenden goed 
geslaagde kunstwerken in deze brooze stof, even goed als marmeren beelden in hunne 
verzen te verheerlijken. 

De Catalogus der, trouwens niet zeer uitgestrekte, galerij, geeft ons een zeer 
belangrijk kijkje op de sympathieën van 't groote publiek van die dagen. Men mag toch 
aannemen dat de ondernemers zich naar den smaak van 't publiek richtten en de meest 
populaire figuren kozen uit de gesdiiedenis van den dag en van de jongst voorafgegane 
tijden. En 't verdient daarom opmerking, dat het grootste deel van de galerij wordt 
ingenomen door voorvechters van 't Protestantsche geloof: Willem DE Zwijger, Prins 



lU HET OUDE DOOLHOF TE AMSTERDAM. 

# 

Maürits, „die in syn leven geweest is een Vader des Vaderlants" *), Koning Hendrik IV 
fwien men hier te lande om zijne begunstiging der Protestantsche zaak zijne persoonlijke 
kerkverwisseling ligt vergaf) en Gustaaf Adolf. Laatstgemelde is voorgesteld met zijne 
echtgenoote en zijne dochter ,,de jonge Koninginne Christina**' 

De eer aan de oude koningin in *t Amsterdamsche Doolhof bewezen, kunnen wij 
bezwaarlijk toeschrijven aan de populariteit die zij te Amsterdam genoot en wijst dus 
misschien op eene bizondere betrekking die de stichter der galerij op Gustaaf Adolf en 
zijne familie had ; de rang, die aan Christina in den catalogus wordt gegeven, bewijst dat 
de „Verklaringe" (wij bedoelen altoos de o$^^ bekendi druk) van xA 1632 is. Twee 
andere beelden echter wijzen ons op nog tien jaar later: het zijn „de jonghe Prins 
Wilhelmus Prince van Orangien" en „Maria, Dochter van Karolus Koninck van Groot 
Bretagnien." Deze beide jongelieden werden verloofd in 164T en deden in 1642 hunne 
plechtigen intocht in Amsterdam. 

De drie laatste beelden zijn die van den steeds in afschuwwekkende herinnering 
levenden Hertog van Alba, van „een levensgroote Chinees uit het machtigh Koninghrijck 
van China" en eindelijk van het beroemde Bestje van Meurs. Twee eeuwen lang heeft 
dit vrouwtje aan het Doolhof populariteit verzekerd en het Doolhof aan haar. Wij mogen 
dus bij dit beeld wel een oogenblik langer stilstaan. 

Voor zooverre bekend is werden de Nederlanders het eerst in kennis gesteld met 
het natuurwonder van Meurs, door een vliegend blad in 161 1 bij Andries Jansz teZutphen 
uitgekomen ") en dat het portret gaf van Eva Vliegen, met eene levensbeschrijving in de 
fransche taal, waarin verhaald wordt dat zij een arm meisje was, dat op 22-jarigen leeftijd 
de gave ontving van een steeds verminderenden eetlust en eindelijk nu al veertien jaar 
lang, zonder eten of drinken in 't leven was gebleven. Het feit was behoorlijk geconstateerd 
door de gravin van Meurs, door den predikant eh door den magistraat van 't stadje. 

Wanneer men zich herinnert dat zekere Engeltje van der Vlies nog in onze eeuw, 
op een Zuid- Hollandsch dorp, eene dergelijke rol speelde als de jonge dochter te Meurs, 
zal men zich minder verwonderen, dat er jaren later nog geen bedrog was ontmaskerd, en 
dat in 1614 de bekwame Haagsche graveur Andr. Stoc een groot en schoon portret van 
„Eva Fliegen*' in 't koper sneed, naar eene geschilderde afbeelding van Balt. Flyssier 
terwijl in het volgende jaar opnieuw eene gravure verscheen van uitstekende bewerking*) 
met het portret van „Heva Vliegen" en een veertien regelig kreupelrijm van P. D. K., 
waarin, onder betuiging van verontwaardiging tegen de ongeloovigen, het onzichtbare 
levensonderhoud van Eva als een wonder van Gods hand werd voorgesteld. Er was 



') In de latere uitgaven zijn deze woorden weggelaten. 

>) Een exemplaar is aanwezig in den Atlas van den Hr. J. W. Wurfbain te Rheden. Er moet eene repro- 
ductie van zijn in de A/manaJk voor Blijgeestigen van 1832. 

*) Er staat geen naam van graveur op. Sommigen hebben het toegeschreven aan de Pas. Als uitgevir 
noemt een later druk Jan Ti el. Het portret is gereproduceerd in de Volks- Almanak voor Neder L Katholieken ^^si 
1872, met een ,/:ort Refereyn", dat alle eer doet aan hem die de rederijkers taal en stijl zoo goed wist na te bootsen. 



HET OUDE DOOLHOF TE AMSTERDAM. 125 

ook nog cene volksuitgave in omloop van Eva's portret, eene ruwe houtsnede, waarvan 
het blok nog lang bewaard werd in een weeshuis te Delft *) en die waarschijnlijk tot 
illustratie van een quarto Volksboek heeft gediend. Opmerkelijk is het dat Eva op elk 
dezer prenten wordt voorgesteld met een of meer bloemen in de hand. 

Zij schijnt overleden omstreeks 1630, want in den Catalogus van 't Doolhof wordt 
de tijd, waarin zij niet gegeten noch gedronken had, op 32, in de gravure van 1615 op 
17^ en in die van 161 1 op 14 jaar gesteld. Blijkens het bijschrift van laatstgemelde, 
vergeleken met dat van het portret door Stoc, was zij geboren in 1574 en haren leeftijd 
was dus bij haar overlijden niet van dien aard dat zij reeds als ^bestje'' zou bestempeld 
zijn, als niet haar uiterlijk haar ouder had doen schijnen dan ze was; wij mogen dus 
aannemen dat het vasten geen gunstigen invloed uitoefende op haar lichaam. 

In allen gevalle blijkt voldoende uit alles, dat wij hier niet met een legendarisch, 
maar met een historisch persoonaadje te doen hebben, en dat zij genoeg bespro* 
ken werd om de opname van haar portret te rechtvaardigen in eene galerij van 
zeventiende-eeuwsche celebriteiten, vooral indien die galerij werd opgericht kort nadat haar 
dood waarschijnlijk haren naam op nieuw op aller lippen had gebracht Wat de wonderbare 
voeding aangaat, daarover laat de schrijver van de Verklaring zich zeer voorzichtig uit: 
„die men seyt in 32 jaren niet hadde gegeten." In den druk van 1650 is ^^men seyt" 
geworden ^men seyde'*: er was dus toen niemand meer, die het voor Mraarheid vertelde. 
In dea druk van 1672 wordt het: y,het oude besje dat de luij wijsmaeckte dat ze in 32 
jaar niet gegeten hadde" en eindelijk, in de laatste levensperiode van 't Doolhof, werd 
„het leugenachtige wijf' tot spot der jeugd door den uitlegger op de daad betrapt als 
zij de kruimeltjes nog van haren mond wegveegde, zooals vele lezers zich nog wel zullen 
herinneren. 

Hoe goed de gelijkenis van al die beelden moge geweest zijn, de meerderheid der 
bezoekers zal zeker nog meer behagen geschept hebben in de vertooningen der groepen 
van de „uitmuntende wel geproportioneerde gekleede Beeldekens",*) die door mechaniek 
(,,Oorlogiewerck") in beweging werden gebracht en die ook op den titel der ver- 
klaring het eerst worden genoemd. De vertooningen begonnen met een paar tooneelen 
uit de Granida van HoOFT. Hoewel veel vroeger geschreven werd dit herderspel pas 23 
Juni 1642 voor 't eerst op den Schouwburg vertoond en 't is niet waarschijnlijk dat men 
er vóór dien tijd in 't Doolhof reeds iets uit ten tooneele zou hebben gevoerd. *) 



^) Thans in de verxameling van het Kon. Oudh. Genootschap. 

^ Domselaer, IV, '308. 

*) Hooft en zijn stuk worden in de Verklaringe niet genoemd, en de samenspraak van Dayphilo en Granida 
in dichtmaat (Stemme: Amarilli mia Bella) die op de uitlegging volgt is ongeteekend. In latere dmkken staat er 
echter de naam van J. Vos onder, evenals onder het gedicht op de fontein van Bacchus en Ariadne. Het laatste 



126 HET OUDE DOOLHOF TE AMSTERDAM. 

Bij de schouwburgbezoekers raakte het stuk van Hooft spoedig in de vergetelheid; 
maar in 't Doolhof zagen duizenden^ die anders nooit iets zouden gedroomd hebben van 
hetgeen men onder eene idylle verstaat, twee eeuwen lang de eerste ontmoeting van 
Granida en Dayphilo aan de fontein en het bevallige tafreeltje als Dorilea zich voor haren 
minnaar verschuilt. -:- Alles echter natuurlijk slechts pantomimisch. 

Dezelfde bonte afwisseling van bijbelstoffen en mythologische onderwerpen, die ons 
bij de zeventiende-eeuwsche dichters en schilders vaak een glimlach op de lippen roept, 
vinden wij ook in 't Doolhof, (eene aanwijzing dat ze ook in de gedachtenkring van 't 
groote publiek niet zoo vreemd was, als men al ligt geneigd is te denken). Naast het 
ontdekken van de schande van Mars en Yenus onder 't net van Vulcanus '), zag men „de 
predicatie van Johannes de.Dooper,'" naast het heuveltje waarop „de Bocx- voet Pan" op 
zijn ,^uysch-pijp" speelde, het „Heerelijck Paleys van den Koninck Zalomon, denderden 
koninck van Israël" en het geheel werd besloten met de „Martelisatie der Heylighe 
Apostelen, hoe sy ter doodt ghebracht zijn, alles sich bewegende met een kunstigh Oi^^ en 
Muzijck-spel." De toonkunst was ook niet vergeten en een der kunstrijkste beeldjes 
was een automaat musicus, wien men den naam van Jochum (in den druk van 1650 
Jochemus) gegeven had, die op het laatste prentje *) is afgebeeld in een kamerjapon, met 
een pluimmuts op 't hoofd, spelende op een soort doedelzak, die, volgens het versje onder 
de prent, een „Moesel" heette •). In de latere drukken komt dit woord niet meer voor; 
het versje is daar veranderd en, even als de geheele tekst, helderder geworden, maar ook 
pedanter en minder naïef *). 

Dat het doolhof in den smaak viel van 't publiek wordt 't beste bewezen door 't 
spoedig verrijzen van twee nieuwe doolhoven. Eén stond er buiten de St Antoniepoort, 
naar de zijde van den Buiten- Amstel (ongeveer ter plaatse van de tegenwoordige Nieuwe 



is berijmd proza, maar voor het lied van Dayphilo en Granida behoefde Vos sich niet te schamen. In de uitgaaf 
van Alü zijne gedichUn wordt het echter niet gevonden. Het eerste couplet luidt: 

Vlugge vogels, die de stralen 

Van onse Liefden slet. 
Kom nederdalen, 
Wilt yedereen verhalen, 

Hoe Dayphilo bied, 
Voor zijn Granidaes oogen, 
Een hert, ter Aard gebogen. 
Dat Dorilea, noch Daphne kon verwinnen; 
Maar Granida, maar Granida, maar Granida 
Door hare Minne. 
1) DeiJt historie is nog in de Verklaringe geïllustreerd met een lied op de wijze Repikavan, Terwijl de 
beeldjes zich bewogen speelde de muziek de melodie en 't is niet onmogelijk dat het publiek er den tekst bij zong. 
s) Van de beide andere prentjes van de Pas stelt het eene voor het hof van Salomo, met de koningin van 
Scheba voor zijnen troon knielend, en het andere eene combinatie der meeste andere voorstellingen. Het titelvignet 
geeft het doolhof zelf met een open houten tent in 't mlddenpunt 

*) Het is blijkens de afbeelding niit de meer gecompliceerde Musette. 

^ In 1674 was er nog een zoontje van Jochbmus bijgekomen, die de maat sloeg. Men had hem Esopus gedoopt 



\ 



HET OUDE DOOLHOF TE AMSTERDAM 127 

Keizersgracht). De fontein (een groot rotswerk met een twintigtal beelden van Grieksche 
en Romeinsche goden, en een „waterdrinker'' op den top) was door een groot aantal 
banken en pri^en voor de gasten omringd en ^^eenige kunstwerken'' werden in een 
aÊsonderlijk ^yhaysken" vertoond. Dit doolhof vermeld in een pamflet van 16601) en bij de 
stedebeschrijvers van 1662 is, ten gevolge der uitlegging van de stad, niet lang daarna ver- 
dwenen. In de verzameling van Slagregen is nog eene teekening van ,^het nieuwe Doolhof, 
1664", die ik, om de li^ng aan het water, vermeen dat dit derde doolhof voorstelt. 

Het grootste en schoonste doolhof was echter ,,het Nieuwe Doolhofop de Roosegracht 
bij de derde Brugh^', de stichting van David Lingelbach, die, blijkens de verklaring, 
trouw werd bijgestaan door zijnen collega in de werktuigkunde, zijn zoon Philips. Zoowel 
uit de» door DE Pas of zijne leerlingen, fraai geïllustreerde Verklaring, waarin ook, zooals 
wij reeds zeiden, het portret van David Lingelbach voorkomt <), als uit de mededeelingen 
der stedebeschrijvers van dien tijd, blijkt dat hier niets verzuimd was om 't oude Doolhof 
naar den kroon te steken; want terwijl men er veel méér en, vooral o^ werktuigkundig 
gebied, veel meer kunstigs zag dan in 't oude, ontbraken ook die onderwerpen niet, die 
daar ginds populair waren geworden. Besje van Meurs uitgezonderd. 

Het dolen in het groen en de pret van de waterpijpen, ,,die de gapende vrouw- 
luyden veeltijts met haar uytspruytende koele water-stralen van onderen als nuchtere 
kalveren doen hippelen, dat de ommestaanders vermakelijk is" *), waren ook in 't nieuwe 
Doolhof te genieten. De groote fontein was versierd met de beelden der vier werelddeelen, 
der vier jaargetijden, der vier elementen, der vier hoofddeugden en der vier hoofdzonden; 
in 't midden St. Christoflel met het Jezus-kindje. 

Wie zich^ aan het heiligenbeeld mocht ergeren of er neiging tot het Catholicisme uit 
mocht willen afleiden, werd gerustgesteld of teleurgesteld, door in de nabijheid eene plastische 
voorstelling te ontmoeten van het zondenregister der Roomschen : de Parijsche bloedbruiloft 
en djB tirannie van Duc D'Alf, de moord van Willem I en die van Hendrik IV. 

Achter de fontein stond aan den toren van het hoofdgebouw een uurwerk met klokken- 
spel, planetarium en beweegbare beeldjes, enz.; daarnaast hing een zesarmige lichtkroon, uit 
wier kaarsen waterstralen sprongen. 

In een a&onderlijk gebouw bewonderde men de vertooningen der houten en wassen 
beeldjes, die zich bewogen, opstonden, voortgingen, ja zelfs geluid gaven, 't zij zingen, 
kraaien, blaten of ook alsof zij spreken wilden, zooals von Zesen zegt. Men zag daar den 
droom van Daniel met de voorstelling der vier wereldmonarchieeri, de historie van Ahasveros, 



1) V Saimnsproick iusscken Jan Tamboer en Jan Vos. Tot Utrecht 1660. 
*) Het onderschrift van dit portret Inidt «Idus : 

De konst die nu soo langh als dnjster heeft gheleghen. 

Die u nu wederom ghekomen aen den dagh: 
En heeft weder op 't nieuw een versche licht gekreghen, 
Door deet Konstrycke Man Darid van Lingelbach. 
*) Domselaer IV« 309. 



128 HET OUDE DOOLHOF TE AMSTERDAM 

Esther en Haman, David door engelen gekroond^ den stal van Bethlehem, het gastmaal vati 
Herodes en nog meer, te veel om te noemen. Als vrolijke nastukjes dienden het gevecht 
der burgers van Weert tegen een dooden roch '), de automaat-lierspeler meester Joris*) 
en de zeven wijven die om één mansbroek vochten •). Het grootste kunststuk van 
alles was misschien een torenvormig uurwerk uit Neurenberg, dat met de beroemde klok 
van Straatsburg kon wedyveren. „En dit 'binnenste siet men altemaal voor een stuyvcr" 
juicht Melchior Fokkens *); de verteringen in „de huyskens.en banken" rondom de open 
plaats „daar 't volck op sit om te drincken onder de groene Boomen'' moesten dus waarschijnlijk 
de onkosten goed maken, die niet onaanzienlijk waren, want, behalve de oorspronkelijke 
inrichting, moest al eens af en toe wat nieuws worden aangebracht, om den toeloop te Uijven 
houden. Zoo zag ik nog in de verzameling Slagregen een (uiterst zeldzame) ets van 
omstreeks 1680 (misschien wel een der eerste voortlM-engselen van P. V. D. Berge) welke 
de afbeelding geeft van een ,ynieuwe Italiaense Fonteyn" die in 't nieuwe Doolhof vertoond 
werd, een werkelijk prachtig stuk ,,zooals nooit in dese Nederlanden gesien geweest is.'' 
De voorstelling is Perseus, Andromeda bevrijdend, omringd door vier allegorische 
vrouwenbeelden, met Najaden en dolfijnen aan den voet. 

Toen deze fontein werd opgericht, stond het nieuwe Doolhofwaarschijnlijk niet meer 
onder 't bestuur van David Lingelbach. Zijn zoon PHILIPS toch, geboren te Frankfort 
a/M. in 1622, die in 1648, als horlogemaker, met Hester Heykens huwde *), maar in een 
stuk van 1657 waard in 't Doolhof op de Roozegraft wordt genoemd, kocht in 1660 van 
zijn zwagers Cloppenburch *) en Beyenbach de achtste aandeelen, die zijne zusters Elisabeth 
en Sophia in 't Doolhof bezaten. In de kwijtschelding van dezen koop wordt ook gesproken 
van de Weduwe van David Lingelbach, terwijl uit het Puiboek blijkt dat David Lingelbach 
in 1653 te ziek was om bij het huwelijk van zijnen zoon JOHANNES te assistecren. Ik ver- 
moed dus dat de David Lingelbach, die in Dec. 1688 in de Reestraat stierf^) niet de 
Doolhofstichter is, maar zijn gelijknamigen jongsten zoon, de chirurgyn, die in 1641 te 
Amsterdam geboren werd en in 1663, bij zijn huwelijk met Elisabeth Glaserus, op 't Singel 
woonde. Van dezen David kocht Philips in 167 1 diens helfl van *t Doolhof op de Rozengracht 
voor /8600. Twee bekende mannen stonden daarbij als borg ; de een was de dichter en Schouw- 
burgbestuurder, Andries Pels, de ander was de schilder Johannes Lingelbach, wiens 



1) . Zie hierover Mullkr, Catalogus van Ned, HUtorUprenttn, 

*) Alleen von Zesen maakt melding van dit beeldje. Het is afgebeeld op een allerzeldzaamst etsje, waarvan 
een exemplaar aanwezig is in 't Prentenkabinet te Hamburg. 

') Vergelijk Vondel's versje. Editie v. Lennep III, 96. Misschien zinspeelde deze aardigheid op de zeven 
provinciën en het bestuur van den Prins. 

<) Beschrijving van Amsterdtun^ 1662, bladz. 305. 

*) In 1663 huwde hij in tweeden echt Jannetje Cornelis. 

*) Deze was herbergier buiten de Anthoniespoort. Zou het derde doolhof misschien door Lingelbach voor 
dezen schoonzoon zijn gesticht? 

7) ScHELTEMA, AemsUls Oudheid V, 193. 



HET OUDE DOOLHOF TE AMSTERDAM 129 

Italiaansche zeehavens zijn roem tot op onze dagen hebben doen voort leven. «Deze 
Johannes was de broeder van Philips en David en, even als eerstgemelde, nog te Frankfort 
geboren (26 April 1624). Volgens Houbraken vertoefde hij van 1642 tot 1650 in 
Frankrijk en Italië. Na zijn terugkeer zette hij zich te Amsterdam neder, waar hij 31 
Oct. 1653 in den echt trad met Tietje Hendricks Poussy of Busi, een slotenmakers dochter, 
uit de Korsjessteeg. , 

Wat Philips betreft, deze heeft zich nietlangin 't uitsluitend bezit van 't nieuwe Doolhof 
mogen verheugen, want reeds twee en een halfjaar nadat hij denhalveneigendom van zijn 
jongsten broeder had gekocht, was hij niet alleen overleden, maar zijne weduwe zelfs al 
weder gehuwd, en wel met een diamantslijper, die ook te Frankfort geboren was. 

Johannes, de schilder, volgde, en wel in November 1674, zijn broeder in 't graf, ') en 
de jongste broeder David nam toen de voogdij over van de kinderen van den reeds twee 
jaar vroeger overleden Philips •). 

Hoogstwaarschijnlijk is deze David A^^ tot A^<\xi\^vzxiNilVoUntibus Ar duum\)^oO' 
rende tooneeldichter, wiens vertaling van Orondates en Statira '), SardanapaluSy Cleomenes 
Spookende minnaar en OnfdeJkte schijndeugd nog in de volgende eeuw werden opgevoerd 
of herdrukt. Hoe hij met Jan Koenerding, in 1687, Pluimer en de la Croix opvolgde als 
huurder van den Schouwburg, bij welke gelegenheid hij zijn Cleomenes schreef, kan men 
bij Wijbrands lezen % De daar vermelde kwitantie voor de tegemoetkoming in de geleden 
schade gedateerd 14 Mei 1689, was zeker reeds bij voorbaat door hem geteekend of is 
namens hem gepasseerd ; want hij stierf reeds, zoo als wij zagen, in de laatste dagen van 1688. 
Verwarring tusschen hem en zijn vader heeft Wagenaar, op 't gezag van Grerrit Schoemaker, 
de stichting der doolhoven aan dezen Lingelbach doen toeschrijven. 

In wiens handen ondertusschen het nieuwe Doolhof is gekomen, is niet bekend. In 17 17 
werd het verkocht en in 1741 — 1743 stichtte de gemeente der Couranten, uit de nalaten- 
schap van den houtkooper de Jager, op het terrein het (hans nog bestaande Rozenhofje. 

Zoolang het nieuwe Doolhof bloeide was het van 't oude Doolhofgeen bluf als de titel 
van de Verklaringe verzekert, dat het nog jaarlijks meer en meer verbeterd werd. De houten 
tent in 't midden van 't doolhof werd vervangen door een heuvel, waarop den strijd <ran 
Theseus tegen de Centauren stond afgebeeld en de beeldeogalerij werd verrijkt met een 
paar kolossale stukken, waarvan een de eer heeft van thans nog op 't Amsterdamsche 
Stads-Archief te prijken. Het is de reeds vermelde Goliath, een geschilderd houten beeld 



1) Zijn dochter Sophie trouwde in Jan. 1688, op 34-jarigen leeftijd, — uit de Reestraat, dns waarschijnlijk uit 
het huil van haren oom David — met den metselaar Dikk Smith. > 

•) Havard, VArt et les arUstet Holkméais I, 113. 

>) De eerste druk (op de Bibliotheek van de Maatschappij van Letterkunde niet aanwezig) verscheel in 1670, 
met een scherpe kritiek van Nil Volentibus op de in 't zelfde jaar uitgegeven vertaling van J. Blasius. 

*) Het Amsterdamsche Tooneel van 1617 — 1772, blz. 149. 

17 



180 HET OUDE DOOLHOF TE AMSTERDAM. 

van 5 meter hoogte, waarvan de vervaardiging ook aan \nnckenbrinck wordt to^eschreven^) 
eene toeschrijving, die niets onwaarschijnlijks heeft. Wij vinden van dit beeld het eerst 
melding gemaakt in een nieuwen druk van de ,,Verklaringe'' ^^ die in 1650 bij Houthaeck 
verscheen en waarin de prentjes van de Pas en Holsteyn ook weder voorkomen (de koper- 
platen duchtig ijopgehaald''). In een later druk, in 1668 uitgegeven bij Willem Gort ^Jn de 
Princestraet," zijn ze alweder erg afgedrukt, maar nu met ^en drietal van eene andere hand 
vermeerderd: Vooreerst (quarto) het hof van Semiramis, het welk thans „de vierde ver- 
tooninge" is geworden. In 't boekske vindt men de geschiedenis van Semiramis en Ninus 
medegedeeld, deels in proza, deels in verzen (zonder letterkundige waarde), geteekend 
J. Bara. Die verzen werden blijkbaar door den vertooner opgedreund. *t Is opmerkelijk 
dat de tijdgeest toen scheen te eischen dat eene dergelijke explicatie in gebonden vorm 
geschiedde. Het eerste tafreel vertoonde het ombrengen van Ninus op bevel van Semiramis, 
toen hij haar voor een dag 't oppergezag had afgestaan; het tweede Semiramis te paard, 
' aan 't hoofd van haar leger het oproerig Babel bedwingend ; het derde, haar triumphantelijke 
intocht in die stad. Orgelspel wisselde de tafreelen af. 

De beide andere plaatjes •) behooren bij de „tweede vertooninge", het eene (dubbel 
quarto) stelt Goliath, diens wapendrager, David en, op den achtergrond, het leger voor (in 
'tdoolhof zelf zag men echter alleen de hoofdpersonen, ,,zich in postuur zettende om te strijden''); 
de andere prent (quarto en beter van bewerking) stelt eene reuzin voor: Vrouw Walburgh 
„uyt dat oude geslachte van Enax, die in 's Gravenhage gewoont heeft ; dese met een 
Jonge Reus op haer schoot aen de borst, beweegt mede haer oogen heen en weer drajende, 
gelijck oock de Jonge Reus die aen haer borst leyt." Van elders is mij niets van deze dame 
bekend geworden; in de uitleggingen die in onze eeuw in 't Doolhof werden opgedreund, was 
haren naam veranderd in „Vrouw Albrecht" *) en van de laatste regel van het versje op de gra- 
vure ,,was van 't aeloud Enax geslacht" geworden : „ze is van een oud en i^^^^^r^&rA geslacht." 

Men zou uit die verbasteringen waarlijk opmaken dat de exemplaren van de ver- 
schillende drukken ^) der Verklaring zoo ten eenemale zijn verloren gegaan, dat men er 
zelfs in 't Doolhof — zelf geen meer bezat en dat de explicatie der vertooningen door de 



^) Voor teerst, zoover mij bekend is, in de ongedateerde brochure, die de eigenaar Bklvillb in 't begin der 
19e eenw nitgaf en in Witsbn Gkysbbbk TlabUau tPAmtUrdtun^ waarvan de eerste dnik in 1807 verscheen. . 

*) Tot voorkoming van mogelijk later misverstand, dient dat de titel deser vitgave niii is zooals zij in den cata- 
logos J. Koning is vermeld. Zij staat jnist a^edmkt in Witkamp, Amtttrdam in schtUen ü, 92. 

*) Zij komen ook reeds voor in een dmk van i6$7 (e Amsterdam bij D. D. Mabsvblt, (zie Catal. J. Mbul- 
MAN, 1849, No. 950). 

^ Omtwirvingtn docr NeirlantU koofdstadj in het Lttskabimt van 1845, blz. 128. 

*) De laatste, die mij bekend is werd gedrukt in 1674 bij Albxandbb Jansz. Lintman in de Beulingstraat en 
heeft niet meer tot titel 1 ^Verklarhkge van verschtydtn KuntUrycki wercken^^ enz., maar ^OprechU Atnwystr M 
veruheydt Kuntt-rycki werckeil*^ enz. In dezen dmk is het titelvignet vervangen door eene andere grootere afbeel- 
ding, die van het Labyrinth in zijn toenmaligen toestand eene getrouwere voorstelling geeft, met de groep van 
Theseus en de Centauren in 't midden. 



HET OUDE DOOLHOF TE AMSTERDAM. 181 

elkander opvolgende uitleggers mondeling werd overgeleverd, fin deze eeuw is zij door 
deze en gene uit 't geheugen opgeschreven). 

De galerij der vermaarde personen heeft ook tusschen 1650 en 1674 eene kleine ver- 
andering ondergaan. De oude koningin van Zweden is verdwenen, zoomede Prins Maurits ; 
daarentegen zijn een herder en herderin, Cloris en Philida, opgetreden, benevens „Olivier 
Cromwel, koninkx-moordenaer en Tiran over Engelandt, Schotlandt en Yrlandt" Hij stond 
naast Alva en wordt door Fokkens in zijne Beschrijving van Amsterdam diens „broeder", 
genoemd. Doch daaraan heeft de Verklaring van 't Doolhof geen schuld. 

Bij de vermelding van den Chinees is bijgevoegd dat deze hier tot Amsterdam in het 
Doolhof zelf in 't leven geweest is. In later tijd is daarvan gemaakt: ,,de uitvinder der 
doolhoven in Chineesch kostuum." In plaats van de Martelisatie der Apostelen was het 
aangenamer schouwspel gekomen van koddige Hansje, die op de 'trompet blies, zich onder 
de aanwezige meisjes eene vrijster koos en haar zelfs (als wij de Oprechte Aemvijser mogen 
gelooven) zoende dat het klapte. 

Ten slotte moeten wij nog melding maken van eene voorstelling van de geschiedenfs 
van Haman en Mordechai, waarvan de Aenwijser van 1674 nog niet spreekt en waarmede 
het Doolhof dus waarschijnlijk xA dat jaar is verrijkt*). Maatr langzamerhand naderde de 
tijd dat het Doolhof insliep op zijne reputatie en niet langer , jaerlijcks meer en meer 
verbetert" werd. 

Die reputatie was dan ook groot genoeg; de uitvoerige beschrijvingen en hooggestemde 
loftuitingen in de verschillende zeventiende-eeuwsche Beschrijvingen van Amsterdam zijn 
daarvan het beste bewijs. Toch was er juist in den grooten roem die de doolhoven, ook 
buiten de stad, bezaten, iets dat op den duur hun aanzien deed dalen. Zij werden namelijk, 
daar de stedeling ze al spoedig dikwijls genoeg had gezien, ongemerkt eene uitspanning, 
die hoofdzakelijk door de vreemdelingen werd bezocht, waaronder uit den aard der zaak 
boeren en buitenlui, schippers en matrozen de meerderheid uitmaakten. Dit is dan ook 
wel de reden waarom Pierre Lejolle in zijn Description cC Amsterdam en vers burlesques, 
al prijst hij vooral de wassen beelden van. 't oude en de uurwerken van 't nieuwe Doolhof, 
zoo laag neerziet op het „joly amuse-fous/' waar ,,renfeince des sots paisans HoUandois" 
hun bollen en scharretjes (,,rfr^i^j 5^A^/&j"=drooge schollen) kwamen opkluiven. De lage 
entreeprijs was dan ook geen bezwaar voor dit soort van publiek, en de inrichting — zit- 
plaatsen die als traptreden zich boven elkander verhieven, zoodat de bezoekers, die niet 
op de alleriioogste trede zaten altoos gevaar liepen op minder aangenaame wijze kennis te 
maken met de voeten van hen, die eene rij hooger zaten — was ook niet van dien aard 



') |De laatste dnikken der verklaring zwijgen echter ook van een paar voorstellingen, die Fokkens en von 
Zesen vermalden: de dochter van Herodias en de dood der twaalf boden. 

17* 



1S2 HET OUDE DOOLHOF TE AMSTERDAM 

om een deftig publiek te bekoren ^), en zoo werd het Doolhof langzamerhand eene merk- 
waardigheid, die de vreemdelingen en buitenlui gingen zien» terwijl elk Amsterdanuner 
haar reeds als kind moest kijken, maar waar deze op later leeftijd niet meer kwam. Zoo kwam 
het er langzamerhand toe dat de Wegwijzer door Amsterdam^ in 171 3 voor 't eerst 
verschenen, de doolhoven reeds beschreef als ,,plaatzen, dienende voornaamlijk om de jeucht 
te vermaaken," al waren ze ^voor den. vreemdeling bezienswaardig*' en al mochten ze ook 
„zoowel van bejaarde personen als van jonge kinderen beschouwt werden." 

Als herberg, waar men, hetzij „onder de schaduwe der groene Boomen," op de 
„met bancken en verscheyde Huyskens" bezette open plaats — hetzij „in de heerlijcke 
Elamers en' Salen" van het voorgebouw — hetzij zelfs in „een uijtsteekende Linde-boom 
daar verscheyde menschen in kunnen sitten*' — zich aan wijn en bier te goed deed, bleef 
't Doolhof nog altijd gezocht. Langendijk noemt in zijn Krelis Louwen het oude 
Doolhof zelfs onder de plaatsen, waar een aanzienlijk He^ een gezelschap acteurs zou 
hebben kunnen onthalen, als hij ze niet liever op zijn eigen buitenplaats had genood. 

Ook in de Guide ou nouvelle descripHon d Amsterdam (bij Covens en Mortier 1753, 
bladz. 283) is de herberg nog hoofdzaak, maar de mechanieke vertooningen worden in de uitgave 
van dat werkje van 1772 op bladz. 90 „une Espèce de Jeu de Marionettes" genoemd, terwijl de 
editie van 1793 (bladz. 328) de geheele inrichting slechts als eene kindervermakelijkheid 
beschrijft. WagENAAR spreekt er met niet veel meer eerbied over, al heeft hij aan de Doolhoven 
nog een plaats gegund in zijn rubriek van „Gebouwen tot nuttige oefeningen geschikt." 

De kunstige wassenbeelden waren dan ook reeds lang verdwenen en vervangen door 
houten poppen, zonder oordeel of zorg gekleed. En wat er ook in de wereld gebeurde, 
of de republiek der zeven Provincie in een koninkrijk veranderde, of een Napoleon half 
Europa aan zich onderwierp, in het Doolhof ging men met onverstoorbare gelijkmoedigheid 
voort de beeltenissen te vertoonen van Hendrik IV en Gustaaf Adolf, van 't Besje van 
Meurs en de Princesse-Royaal — er is waarschijnlijk geen tweede voorbeeld van dergelijke 
versteening van eene publieke vermakelijkheid, die bij de stichting op de levendigste actu- 
aliteit was gebaseerd. 

Toch kan men nog zeggen dat de tijdgeest zich ook in \ doolhof afspiegelde. 
Want de volmaakte stilstand gedurende de i8e eeuw was een beeld van den droevigen 
doodslaap, waarin het volksleven verzonken was, van een gebrek aan deelneming in- en 
aan begrip van de groote gebeurtenissen op 't wereldtoneel, bij de geringere klassen, die 
voor den opmerkzamen beschouwer met de groote politieke omwentelingen slechts in 
schijnbaren strijd is, omdat ze eene verklaring te meer geeft van de gemakkelijkheid, 
waarmede de groote hoop zich liet medesiepen, door het oppervlakkigste gebazel van 
politieke tinnegieters en de holste phrasen van heerschzuchtige schreeuwers.*). 

1) In den schonwbarg waren trouwens de zitplaatsen boven de loges op deselfde wijse ingericht» terwijl 
u parterre alleen staanplaatsen bood. 

^ AU wij enkele geschiedschrijven van 't Doolhof mogen gelooven, was er toch eenmaal een schok, die de 



HET OUDE DOOLHOF TE AMSTERDAM. 188 

V 

En even zoo zien wij ook ^eder in de eerste helft der negentiende eeuw (de laatste 
periode die 't Doolhof beleefde), in overeenstemming met het zeer flauw doorbreken van 
eenig licht en het zeer langzaam herleven van eenige energie bij de Nederlandsche volks- 
klasse, in 't Doolhof eenige zeer zwakke pogingen om het weder eenigermate op te heflen 
uit de diepte van onbeduidendheid, waarin het ongemerkt was verzonken. 

In 1806, nadat het, volgens den schrijver in 't Leeskabinet, zelfs zoo ver met het 
Doolhof gekomen was dat het voor executie werd verkocht, kwam het (volgens SCHELTEMA 
en Witkamp in 181 2) in handen van zekere N. de Belville. Deze zorgde voor eene 
nieuwe beschrijving, in welks voorwoord op naïef gezwollen wijze de heerlijkheden van 
het Ainsterdamsche doolhof werden geprezen. ^) 

Het doolhof was echter niet meer wat het geweest was. Bacchus en Theseus waren 
va'dwenen. Op de fontein zag men in plaats van Vinckenbrincks beeldgroep nu drie 
dolfijnen en eene vaas, en op het grotwerk in 't midden van den hof stond een torentje 
of houten koepel. De kolfbaan, die, volgens de nasporingen van den Hr. Witkamp tot 
1760 in 't Doolhof bestond, was vervangen door een mallemolen. 

Op de „hooge verheven poort" die de oude Stadsbeschrijvers vermelden was een, 
op een houten bord geschilderd, opschrift gekomen: 



maatschappij gevoelig genoeg doort^lde, om zelfo in 't hartje der Amsterdamsche Jordaan, in \ oude doolhof^ xich 
althans eenigszins te doen bespenren. 't Was toen, in Februari 1795, bij het aanbreken der ^^lukkigste tijden van 
zegepraal en vrijheid" alle beeltenissen van koningen en vorsten door de stedelijke regeering uit Amsterdam 
Terbannen werden. De poppen van 't Doolhof souden toen een tijd lang als portretten van helden der fransche 
revolutie hebben gefongeerd. 

1) Uit dezen tijd dagteekenen ook de* zeldzame kinderprenten die (op de toen gebruikelijke wijs in een twintig- 
tal ruwe, soms allerslordigst gekleurde, houtsneden, van gelijke grootte, op rijen geschaard en met rijmpjes er onder) 
tmfreelen uit het Doolhof vertoonden; als afbeelding zonder eenige waarde. De rijmpjes zijn nog bet amusantst; 
Tooral op die van de Erve H. Rijndbks in de Tweede Tuindwarsstraat, waarin ieder versje met een moraal besluit, 
op deze wijze: 

Zoo, kindren! moogt gij vrolijk dooien; 
Maar houd, hoewel in 't loof verscholen. 
En soms in 't kronk'lend hof verward. 
Der oudren les tot deugd in 't hart. 
Of: 

In houding, zwaard en fiere trekken. 
Kan elk een' engelschman ontdekken; 
Doch, kindren! denkt het koningskleed 
Beveiligd niet voor schande en leed. 

Karakteristiek voor bet ouderwetsche Amsterdamsche volksleven was de Hjd waarop de voorstellingen gegeven 
-werden, namelijk tusschen vieren en zessen, dat is het uur waarop het middagmaal van 't gezin, de scholen der 
kinderen en de huiselijke werkzaamheden in de burgerhuishoudens achter den mg waren. De dagen waren : voor- 
eerst de Zondag, dan de Maandag waarop de volksklasse bummeidi en de burgervrouwen met hun kroost in de 
achtermiddag de bloemmarkt en de Noorder(vodden)markt overwandelden, en eindelijk de Woensdag, van ouds de 
halve vacantiedag der kinderen. Naar de tegenwoordige zeden zou een uitspannini^splaats ook op Zaturdag een 
druk bezoek verwachten, maar 't publiek van 't Oude Doolhof ging op Zaturdagmiddag de deur niet uit; dan 
moesten de kinderen verschoond worden en hadden de moeders het Teel te druk. 



n 



1S4 HET OUDE DOOLHOF TE AMSTERDAM. 

Het leveidooz* word hier door kunst bewoogen, 
Het nieuw fontijn zal men met roem verhoogen, 
Tre in, ten vier uur word ontsloten het gordijn. 
Daar 't levenloos zig volgft, door kunst, in schijn.'* 

Hetwelk later werd veranderd in: 

,,Blijft voor deze POORT niet staan, 
Treed Binnen Lieve Jeugdt, het DOOLHOF 
thans Vernieuwt, Bied u de Schoonste Vreugd 
Fontijn en Orgel Spel, Vertoning naar 't Leven, 
Dat Alles zal aan u Veel stof tot Blijdschap Geven." ') 

Pok was er nog een automaat bijgekomen: „Een heer in 't zwart, schrijvende of 
teekenende naar men begeert." En Belville had zich zelfs ontfermd over eenig oud wapen- 
tuig afkomstig van *t huis Marquette of van dat te Heemstede en over een oud schilderij 
van St. Nicolaas te paard (voor zoover mijne herinnering strekt, zonder kunstwaarde) en 
aan een en ander een plaatsje gegeven in zijn Doolhof, waarover hij door VAN DE Vijver 
in diens Wandeling door Amsterdam 1829 terecht wordt geprezen. 

Belvilles opvolger, sinds 1828: de Heer J. F. C. NiEGEMAN, kopergieter en strijkijzer- 
maker, deed nog meer. Hij voegde in 1833 bij de gewone stukken „een door hemzelven 
uit koper en ijzer vervaardigd" beeld van van Speyk „zij%de dit stuk in eene zittende 
houding geplaatst, rijst, door het toespreken van een enkel woord op, staat r^ over einde; 
zwaait met de linkerhand de Hollandsche vlag, draait het hoofd regts en links; houdende 
een pistool in de regterhand, hetwelk hij/^nv^iii^Mafschiet, waarna hij weder g^t zitten"") 

Maar ook dit noodschot ^^per cussion^^ baatte' niet. Het doolhof was en bleef in 
de oogen van het publiek eene kindervermakelijkheid, en indien af en toe een volwassene 
uit de beschaafde klasse de plaats bezocht, dip zulk eene uitstekende gelegenheid aanbood 
om het volk in zijne uitspannings-uren te bestudeeren, dan amuseerde hij zich 't meest met 
de groteske naïviteit van de voorstelling, zoowel als van de uitlegging, welks Alexan- 
drijnen (op een eigenaardige dreun, waarvan de cadans het geheugen nooit verliet van 
wie ze eenmaal gehoord had) met onverstoorbare kalmte werden opgezegd door een heer, 
die af en toe de doppen naar 't hoofd kreeg van de „neuten" die ondertusschen door de 
dartele bezoekers werden gekraakt. 

Wie zulk eene representatie in 't Doolhof, omtrent 't midden der 19e eeuw, in gedachte 
wil bijwonen, verwijzen wij naar de getrouwe beschrijving die „Jan Kijk in de Wereld" met 
veel humor er van gaf, in zijne Omzwervingen door Neerlands hoofdstad {Leeskabinet van 1845). 



1) Op de binnenpoort stond het pittiger rijm: 

,^e wil dolen in het groen. 

Moet het in dit doolhof doen." 
s) In deze termen werd het nienwe kunstgewrocht bij advertentie in de dagbladen aan het pabliek Toorgetteld. 



HET OUDE DOOLHOF TE AMSTERDAM. I8S 

Toch vestigde die schrijver ook de aandacht op de elementen die in 't Doolhof 
voorhanden waren, om er eene zedelijke en leerzame volksuitspanning van te maken. Maar 
het was te laat — ofte vroeg, want er bestond toen nog geene Vereeniging tot veredeling 
van het Volksvermaah — en toen, wegens het overlijden van den laatsten eigenaar van 
't Doolhof, zekeren Brands, in 1863 de inrichting in publieke veiling kwant, was er geen 
ondernemer van publieke vermakelijkheden, die er een prijs voor durfde geven booger dan 
het Stedelijk Bestuur, dat de terreinen kon gebruiken voor eene Armenschool. Voor nog 
geen/ iGcxx) werd de Stad eigenaar van het Doolhof, met alles wat er in was. 

Voor het Goliathsbeeld werd op het archief plaats gemaakt en David en de wapen- 
drager bleven het gezelschap houden ; de rest werd aan sloopers verkocht Het eenige 

daarvan dat nog antiquarische waarde bezat, bleek te zijn het stoeltje van Besje 

van Meurs, dat een sieraad werd van de verzameling des Heeren Hekking. ') 

Toen het lot van het Doolhof beslist was, trok het eerst recht de aandacht. Ernstige 
schrijvers als Scheltema *) en WiTKAMP *) behandelden zijne lotgevallen. Bekwame teekenaars 
als Hekking*) en Rieke') zorgden voor goede afbeeldingen. 



En twintig jaar later herleefde de verpoozing in 't groen voor de Amsterdamsche 
volksjeugd in de kinderspeeltuinen, legde SPRINGER zijn doolhof aan in den tuin van het 
Broekerhuïs en plaatste men in 't Panopticum — zooals vroeger Besje van Meurs naast 
Gustaaf Adolf — naast keizer Wilhelm I, Jannetje Stniyck. — 

Maar om „geestige beeldekens" te zien, die, „door ooriogie werck gedreven," oogen 
handen en voeten bewegen, moet men ten huldigen dage nog reizen naar 't kasteel Hellbrunn 
bij Salzbut^, waar die Spielerei in wezen is gebleven- tot heden, en alzoo nog langer dan 
in het oude Amsterdamsche Doolhof. — 

■) H«t il K^beeld in tbk Goüw, tfaltMimg af mym .4iiMfr/iTiibnü''«> 1866, en heeft tbuuseDplKaUgCToiideD 
in het Nederluidich Unienm te '1 GriTCDhige, 
^ AemiUU OtnUuid, DL V, bli. 179 en tt. 
*) AmtUrdam in ichetitn, Ile Serie, bli. 81 en tt. 
*) In Amtttrdam in tchilim en in *l NtdtrL itagnijn. 
^ Zie Caial. Jiittor. TaUeenit. va» Amtt., No. 3647 tol 55. 



VONDELIANA. 



VONDEL'S HANDSCHRIFTEN 

DOOR 

Mr. A. D. de VRffiS Az. EN J. H. W. UNGER. 



' ET zal zeker geen betoog behoeven, dat de handschriften 

onzer kunstenaars voor de geschiedenis, zoowel van hunne wericen 

als van hun leven, van het grootste belang zijn. Toch zou 

. men het tegendeel vermoeden, indien men denkt aan de menigte 

handschriften, die, ongebruikt en onuitgegeven, in binnen- en 

> buitenlandsche bibliotheken rusten, en slechts bekend zijn aan 

k eenige weinigen, voor wie putten uit nieuwe bt'onnen een 

aangenamer taak is dan het zich tevreden stellen met gege- 

' vens, die reeds door anderen werden aan het licht gebracht. 

Het is waar, de handschriften van Hooft hebben niet in de gewone onverschilligheid 

gedeeld, de duizende handschriften van Huygens bannen eindelijk ook een klein 

deel van de belangstelling op te weideen, die ze verdienen, maar toch altijd bevat 

b. V. de Leidsche bibliotheek, om van anderen te zwnjgen, papieren schatten, voor de 



V o N D E L I A N A. 187 

geschiedenis onzer kunst en letterkunde van zoo groot belang, dat het slechts verwondering 
kan baren, dat niet reeds lang van regeeringswege maatregelen zijn genomen om de uitgave 
van al deze bescheiden aan te. moedigen, en te bevorderen. Aan de handschriften van 
Vondel heeft Mr. J. van Lennep bij zijne Vondel-uitgave niet weinig gewicht gehecht, 
en, hoewel de geheele wijze, waarop de uitgave werd voorbereid, voor den nasproldcelaar» 
ook op dit gebied, nog het een en ander te doen heeft overgelaten', danken wij het toch 
aan* hem, dat menig handschrift van Vondel in facsimile het licht heeft gezien. 

Het blijft een opmerkelijk feit, dat, terwijl van HoOFT en HüYGENS de handschriften 
bij honderden kunnen worden geteld, het aantal echte handschriften van Vondel zich tot een 
50-tal beperkt. Van deze heeft van Lennep er ongeveer twintig gekend, de Vondel-tentoon- 
stelling ') bracht er vier en twintig aan het licht en na dien tijd mochten wij het geluk hebben 
er nog -een achttal op te sporen, terwijl menige auctie-catalogus uit vroeger tijd ons de 
overtuiging schonk, dat een onderzoek op groote schaal waarschijnlijk een veertiental zou doen 
terugvinden. Maar ook al werden deze opgespoord toch blijft het aantal zoo gering, 
dat men recht heeft naar een oorzaak te zoeken, die het betreurenswaardig feit verklaart. 
Onverschilligheid na Vondel's dood schijnt de oorzaak niet te zijn ; immers het is bekend, 
en wij komen er later op terug, dat b, v. Agnes Block, handschriften van Vondel onder 
,,hare papieren schatten*' bewaarde; Jacob Spex heeft in 1727 een handschrift van onzen 
dichter als „dierbaaf kunstjuweel" bezongep^ en ook PoOT doet zich aldus hooren, als „de 
kunstrijke heer JOHAN DE Haes" hem een handschrift van VONDEL „vereert" : •) 

'k Ontfang van een geleerde hant 
Des Dichters schrift die lién en lant 
Door zijn gelaersden heldetrant 

Verhoogde. 
Men kuss' de letters die ten loon 
De Nederduitsche lauwerkroon 
Behaelden, en daer Febus troon 

Op boogde. 

Zou de oorzaak niet, voor een deel althans, te vinden zijn in hetgeen Brandt 
ons over VONDEL*s boeken en papieren mededeelt? 

„Zyn boeken, weinig in getal, waaren by maaking, of gifte, zeekeren Priester 
„toegeleit : doch men had geen geduldt om zyn doodt af te wachten, en hem zoo verre 
^overreedt, dat hy ze, (onder voorgeven dat hem 't leezen zou schaden en zyne gezondt- 
,.heit zou krenken) etlyke jaaren voor zyn sterven afstondt, en toeliet dat men ze uit zyn huis 



1) Vergel. de Catalogus dezer Tentoonstelling en een artikel in den Spectator van 1879. 
^ GeduhUn van Jacob Spex. 2n 'x Gravtnkatffe MDCCLV. bl. 174. 
>) H. K. PoOT's Gedichten te Amsterdam MDCCLXXX. Deel II bl. 108. 

18 



138 V O N D E L I A N A. 

,4idalde. Doch eerlang kreeg hy berou : en men hoorde hem sedert met schreiende oogen 
,,klagen, dat men hem al zyn palieren hadt benoemen en niet overgelaaten. Maar te vooren 
y^adt hy zeil een groote meenighte schriften, vreezende dat men alles na zyn doodt, 
„zonder onderscheidt, onder de pers zou brengen, met eige handen verbrandt"') 

Voor zoo ver wij weten beschikten BRANDT en VOLLENHOVE bij hunne uitgave van 
Vondel's gedichten in 1682, over ongeveer zestig handschriften *) die zij van verschillende van 
Vondel's vrienden wisten te verkrijgen. Brandt schreef ook aan Antonides, maar deze ant- 
woordde den 23 Maart 168 1, in een brief, die thans nog ter Leidsche bibliotheek wordt bewaard : 

„Ik heb geen ongedrukte Vaerzen dan alleen 't geene VONDEL eens gemaekt heeft 
„op dat Sineesche Treurspel') van mij, en heeft mijn Vader daer de kopy van aen Dirk 
„Boom gegeven." 

\ De handschriften, die Brandt en Vollenhove ten dienste stonden, zijn in de 
Bladtwyzers van himne uitgave met sterretjes aangeduid. Wij zullen- er bij onze verdere 
mededeelingen enkele van terug vinden. Het bleek ons echter, dat de uitgevers zich 
vergisten, toen zij mededeelden, dat geen dezer handschriften vroeger gedrukt was; 
de knipzang, die men op bl. 460 van het tweede Deel vindt, troffen wij namelijk in een 
liedeboekje*) van 1654 aan. 

Vondel's karakteristieke, duidelijke, fraaie hand is, gedurende de vele jaren, waarin 
hij de pen vWde, zich steeds gelijk gebleven ; zijn handschrift is dan ook gemakkelijk te 
herkennen; het wekt daarom bevreemding, dat zelfs twee zijner commentatoren, zooals 
wij zien zullen, het schrift van anderen met het zijne^ hebben verward. 

Wij zullen op de ten onrechte aan VONDEL toegekende manuscripten echter eerst 
aan het slot van onze mededeelingen meer uitvoerig terugkomen ; wij beginnen met die band- 
schriften te beschouwen die tot zijn eigenlijken letterkimdigen arbeid kunnen worden gerekend; 
die, welke ons niet zelf onder de oogen kwamen of van welke wij geen facsimile's bezitten, 
laten wij voorloopig buiten rekening, wij zullen deze in eene afzonderlijke rubriek behandelen. 

Het eerste facsimile, dat door van Lennep wordt gegeven, is dat van het bekende 
vers: Op het stocks ke van Joan van OldenbarneveU, dat door hem op het jaar 1625 



^) Vondels leven achter de Franeker uitgave bl. 87. Wie de genoemde priester is geweest, is een vraag die 
wij bij dezen aan de orde steUen. Hbnricus Blbssius, Pastoor te Amsterdam aan de onde zijde (-j- 1673), de Jesuiet 
Henrick Halman, de minnebroeders Franciscus de Wit en Matthias Luidewijk (-|- 1679) komen o. a. in aanmer- 
king. Over den laatste spreken wij in dit artikel nader. 

S) Zie "het voorbericht van de Franeker editie bL 3. 

^) De TraMÜ (vgl. v. L. XI. 16). DiRCK Boom was een Amsterdamsche boekverkooper; hij gaf o. a, ook 
Brandts Historie der Reformatie in 1671 uit. De aanteekening van zijn ondertrouw luidt aldus: 22 Maert 1674. 
DiRCK Boom van Amsterdam oudt 28 jaar boeckverkooper op de Singel j(ong)man geass. met zijn moeder Axghie 
MijwsRS ende Johanna Veris oudt 25 jaren van Amsterdam geass. met haar vader en moeder Barbnt Veris 
en Madalsenb Maton. — Den 8 April tot Slooten getrout. 

*) Het tweede Deel van de Kêddige Olipodrtgo Ook van Tesselschade's antwoord op de vraag der Academie, dat 
door Brandt en Vollenhove onder de ongedrukte stukken wordt genoemd, was een plano druk verschenen (VgL 
Cat. Vondel-tent. No. 410.) 



VOnDELIANA, . 189 

wordt geplaatst.. Er is echter reden om aan die tijdsbepaling niet al te veel gewicht 
te hechten en zich te wachten voor de meening, dat wij hier het oudste der bekende 
handschriften van VoNDEL voor ons hebben. Immers de tijdsbepaling wordt met 
geen enkelen grond gestaafd en, hoewel niet als bewijs, mag toch het feit, dat het gedicht 
in de uit^ven van Vondel's gedichten van 1644, 1647 ^^ 1650 nüt voorkomt en voor 
't eerst in AfoUo's Harp van 1658 werd gedrukt, als waarschijnlijkheidsgrond gelden voor 
de stelling, dat gedicht en handschrift van de jaren 1650 — 1658 dag^eekenen. Stokje en 
handschrift berusten in de verzaineling van den beer P. SLAGREGEN te Arnhem; het 
eerste was eens in het bezit Jacob Westerbaen, ') die in 1625 met Anna Weytsen, 
de weduwe van Oldenbarneveldt's ongelukkigen zoon Reinier, was gehuwd. Het handschrift 
heeft door vouwen veel geleden en daardoor is de tekst op enkele plaatsen onzeker*). 
Als een der oudste van Vondel's bekende handschriften noemen wij het reeds in de 
vorige aflevering*) van dit tijdschrift vermelde folio-blad, waarop VONDEL het schoone 
gedicht aan Hüygens neerschreef, dat tot nog toe in geen der uitgaven van Vondels 
werken voorkomt. De zuiverste tekst van dit gedicht vindt men in JOHs. Dyserinck 
Vondels sterf €lag bl. 43 en 44. Ook daar wordt het echter nog door eenige spelfouten 
ontsierd, zij het ook in mindere mate dan in de aangehaalde artikels van Spectator en 
Navorscher. *) 

Verkondigt dit handschrift Huygens' lof, het volgende voert ons naar Muidens 
Drost en zijne ^schoon ooghde Heleonoor" Bij gelegenheid van hun huwelijk (30 Novem- 
ber 1627) dichtte Vondel in den trant van dien tijd een wijdloopig mythologisch tafelspel, 
getiteld : Bruylöfsbed van den E. Heer e Pieter Cornelisz Hoofd en de E, Jojfr. Helionora 
HeUemans, dat in folio bij Willem Jansz. Blaeu werd gedrukt.*) Op de laatste 
bladzijde van deze uitgave vindt men een afzonderlijk gedicht y^en de Bruyd\ waarin 
Vondel op ^et Drostelycke wapen, het rijck gelauwert hoofd van een sonnestrael 
bescheenen*' als zinnebeeld van hun huwelijk doelt. Van dat gedicht nu bezit de Acade- 
mische bibliotheek te Leiden onder de papieren van Papenbroek een eigenhandig 
afschrift, dat wellicht voor Mevrouw HoOFT zelve bestemd Nvas. Ook hier weder is 
het handschrift voor den tekst van belang; het bevat niet onbelangrijke varianten, zoowel 
met de folio uitgave als met den tekst bij van Lennep (II 652.), welke laatste met geen 
der andere uitgaven volkomen overeenstemt. •) 



') »>Op een handstockie %ynde in myn bewaring he daer den Heer van Oldenbarnevelt mede ter doodt gingh. 
Gedichten van Jacob Westerbaen. *i Gravenhage 1657. i bl. 480. 

•) VgL reg. 13 en van Lennep*s aanteekening op derc plaats. 

•) bL 19. 1627 is aldaar een drukfout voor 1626. De heer Leendertz wil 't gedicht op Febr. 1627 plaatsen 
zie Navorscher 1880 bl. 355. * 

*) De heer Leendertz drukte liet uit den Spectator over. In reg. i 7 leze men liever „dichters ijver" in plaats 
van ,^chter8 ijver.'* 

») Catalogus Vondel-tentoonstelling No. 195. 

•) Het opschrift luidt in het handschrift: Geluckwensch Aen mevrou Heleonora Nellemans. Vs. 4 heeft: ryck 
geUnewerty vs, 6: Lang gespelt heeft^ vs. 7: Heleonocr^ vs. I2: syt dan bang, vs. 30: moet steenen. 

18* 



140 V O N D E L I A N A. 

Onder de gedichten doof Vondel aan Hooft gewijd is er een, waarvan de datum 
van vervaardiging hoogst onzeker was. Het is het kleine gedicht, dat, met het opschrift 
P. C. Hooft onnaevolghlyk^ voor het. eerst werd gedrukt in de Franeker editie (II, 574) 
en dat men bij van Lennep (v. 696) op het jaar 1648 vindt geplaatst, terwijl Dr. van 
Vloten het met een vraagteeken vermeldde. Het volgend handschrift, dat wij te bespreken 
hebben, antwoordt op dit vraagteeken en geeft ons tevens gelegenheid den lezer een 
tot nog toe onuitg^even prozastuk van YONDEb aan te bieden. 

Nadat de inval van keizerlijke troepen onder Montecuculi in de Veluwe algemeene 
ontsteltenis te Amsterdam had veroorzaakt, ontlokte de daarop gevolgde inneming van 
Wezel en 's Hertogenbosch (13 September 1629) van alTe zijden ook te Amsterdam, 
lofliederen aan de lier van onze dichters. Zoo dichtte Vondel zijn Zegezang ter eere 
van Frederick Henrick (v. L. III. S), BarlaeüS zijn Send-Brief Ingestelt op de noem 
van Me^Vromve de Princesse Amelia als schrijvende oen ha^en man Frederick Henrick 
enzy eerst in het Latijn en later in hollandsche vertaling van P. SCRIVERIUS uitgegeven. 
Ook Hooft liet zich niet onbetuigd en schreef: De Hollandsche Groet aendenprinsevan 
Oranje. *) Dit laatste verscheen in het begin van 1630, want, zooals de heer Leendertz 
t. a. p. opmerkt, reeds 19 Februari zond HoOFT een exemplaar aan HüYGENS*). Waar- 
schijnlijk iets later heeft de Drost een exemplaar gezonden aan zijn vriend Caspar 
Barlaeus, toen hoogleeraar aan de Academie te Leiden. In diens epistolce toch vinden 
we een brief aan HoOFT, gedateerd 1 2 Maart, waarin hij de Hollandsche Groete bespreekt 
en eenige regels van HORATIUS op HooFT toepast. Barlaeus' brief werd aan Vondel 
toegezonden en deze vertaalde van Baerle's latijn in zijn krachtig en gespierd Hollandsch. 
De regels uit Horatius werden door VONDEL met eenige uitbreiding in dichtmaat ver- 
taald en aldus schreef hij het versje, waarvan we melding maakten, het worde dus 
in het vervolg op het jaar 1630 geplaatst Vondels vertaling van den brief is in 
handschrift onder de papieren van Papenbrofjc in de Leidsche bibliotheek bewaard 
gebleven.*). Wij laten die hieronder volgen en voegen er den oorspronkelijken latijnschen 
tekst van van Baerle naast, zooals die in zijn Epistolae (Amstelodami, Apud Joannem 
Blaev, mdc. lxvii, bl. 311, N^ 133) voorkomt. 

Ook Gerard Brandt heeft, in zijn leven van Hooft, den brief van van Baerle 
gebruikt en daarvan een vertaling gegeven. *) Een vergelijking van Vondel*s en Brakdt's 
vertaling is niet onbelangrijk en doet den eerbied voor VoNDEL'S prachtig proza, zoo dit 
mogelijk ware, nog stijgen. 



*) Gedichten van HooPT uitgave Leendertz L 307. 
•) Hoopt's Brieven II bL 3 No. 224. 
*) Zie Cat. Vondel-tentoonstelling Na 105. 

*) VgL Geeraerdt Brandt. Het jeeven van P. C. Hooft door Dr. J. C. Matthes, bl. 32, vlg., men 
vergelijke aldaar tevens de noten. 



VONDELIANA. 



141 



BRIEF 

VAN KASPER VAN BAERLE 

OVER 

De Hollandsche groete 

VAN 

P. C. HOOFT. 

[DOOR J. V. VONDEL VERTAALT.] ») 



PETRO C. HOOFT. 

Versus tuos, Vir clarissime, quibus magno exercitus 
nostri Imperatori geminam victoriam gratularis, per- 
legi aliquoties. Nee enim una lectione exhaurire potui, 
reconditos omnes sensus, aut acumina ejus assequi. 

Odisd profianuin vulgus, & ab his sacris arceri vis 
corvos poëtaa & poëtrias picat. 

Omnia in te sublimia esse video, mentem, stylum, 
arcem, in qua imperas, adde & nomen ipsum. Ex illa 
uti infr^ te posita desuper vides, iia & humi repentes 
versificatores despids. Per nubes graderis, sideribus 
proximus. 

Inter Latinos tonant Statius & (Ilaudianus, inter 
Graecos Pindsurus, inter Gallos recentioris aevi Bar- 
tasins. Tu per Belgicorum vatum capita verticesque 
incedis, & humiles myricas despicis aëria cupressus. 
Aliquot retro annis paradigmatis vice inservivisti Belgii 
vatibus, qui quoties èt Bavüs & Maevüs secemi volunt, 
tuum cothumum induere student, & grandiloquum 
illum sermonem aifectare. 



Sed video hisce imitatoribus accidere, quod ranse 
Aesopicae, quae cum turgidum bovem inflando imitari 
conaretur, ruptuxam fecit 

Liceat de te canere, quod de Thebano vate cecinit 
Flaccus : 

Hoê/Hum quisquis studei aemulariy 
Belgay tic, •) 



Doorluchtige man, 

ick hebbe altemet overlesen de vaersen, waermede 
ghy onsen .grooten veldheer begroet, over synen ge- 
luckigen toght. Want met eenmael die te overlesen, 
kon ick mynen lust niet vernoegen, nochte uwe 
spitsvondigheden en diepe geheymenissen begrypen. 
Ghy versmaet de praetjes van slopjes en steegnjes 
volck, en weert van dese heylighdommen de dichters, 
die met den raven kras kras loyten, en de poetinnen, 
die als aexsters snateren. Ick sie dat alles in u 
hooghdraevend is, sin, styl, en de tittel self. Ickvoegh 
er occk het slot by daerghe Drost vansyt. Hiervan 
daen sietghe alles over 't hooft wat beneden u leyt, 
versmadende alsoo de rymers die langs d'aerde kruy- 
pen. Ghy nabuurt met den gestamten en stapt door 
de woleken. Onder de latynen brommen Statius 
en Claudiaen, onder de Giiecken Pindarus, Bar-. 
TAS onder de Vrancken onser eeuwe. Ghy treed 
over hoofden en kruynen der Nederlandsche poëten, 
en munt onder de lage heggen wt als een hooghge- 
wassen cypres. Zederteenigejaerenherwaerthebt^e 
den Neerlandschen dichtren tot een voorbeeld ge- 
streckt: die soo menighmael sy niet willen onder 
rondeelers en rete reymers gerekent syn, poogen 
met uwe laersen op het tooneel te komen,' en uwe 
bronmiende tael na te bootsen: maer ick sie dat dese 
copieerders vaeren als de kickvorsch daer het sproockje 
van seyt, wiens darmen borsten, doen hy wt opge- 
blasenheyd bestond den geswollen os na te bulcken 
Het sy ons gcoorlooft van u te singen 't geen Horatius 
van den Thebaenschen poëet song 

Wie Hooft der dichtren stael 
wil volgen, slaght Dedael, 
en pooght met wassen vleugel 
te sweven als een veugeL 
hy stort in 't glasen meer, 
elck roept: hier quam hy neer. 



1) Dexe woorden lijn door Gbrard Brandt in het handschrift bijgevoegd. 
^ Bij Horatius (Lib. rv. Ode IL) luiden deze regels: 

Pindanun quisquis studet aemulari, I- 
-ule, ceratis ope Daedalea 
Nititur pennis, vitreo datums 
Nomina ponto. 
VoNDBL heeft een woordelijke vertaling van de geheele ode, zoowel in proza als in poëzie, gegeven, v. L. IV 
540. Hl. 202. 



-n 



142 



VONDELIANA. 



Vis, ut halluctnationes tuas & nKfiemnit/utra Uafisus] 
indicem. Sed non sum is, qui sandalium Veneris 
reprehendere audeam. Nee sum in amicorum scriptis 
adeóLynceuSy ut aut observare possiin, si quid occurrat 
minus planum, aut etiam leprehendenda obelisco confi- 
gere velim, sivelpossim,quam maxime. Multa inisto 
tuo carmine scripta acute, graviter, appositè. Si fortè 
paranomasia aliqua frontem corruget, judtcii md 
culpam interpretan malo, quam scriptoris. 



Vale vir clarissime, & me saepius heroids tuis ac 
lucemam redolentibus lucubrationibus bea. Lugd. 
Bat. 12') Mart. 1630. 



i: 



Ghy begeert dat ick uwe feylen en struyckelingen 
aenwyse; maer ick, heer HoOFT, ben de man niet 
die Venus tofTel dar betatelen, nocht soo scharnsiende 
Lynceus in der vrienden schriften, dat ick, ^t jgeen 
berispelyk is, gewoon ben te stippen, en niet hever 
tot myn onderwys bewaere 't geen heerlijck ge^nroken 
is. Ick vinde in uwe dichten veele dingen die trdSfelyck 
icharptinnigh en voeghdyck gestdt syn. Indien ergens 
de bynaeminge, dat is de verandóing van woord- 
bednydenis door letter of lettergreep, net voorhooft 
doet rimpelen, liever wyt ick dat myn oordeeb dan 
des schryvers schuld. 
Vaer wel, voortreffelycke man, en volhard om, by 
elegentheyd, my geluck^h te maecken met uwe na 
e uunpruyckende heldenvonden. Alsoo leef lange 
met uwe vrouwe en kinderen, indien'er uweHsLiONOOR 
eenighe ter weereld hebbe gebragt. te Leyden den 
14 van Maerte 1630 

* 

uwe voortreffelyckheyds 
dienstwillige 
K. VAN BAERLE. 

het opschrift was 

Aen myn heer 
myn heer P. C. HOOFT, 
drost van Muyden 
tot 
AMSTERDAM. 



Wat de aanleiding voor VONDEL is geweest om dezen brief te vertalen valt 
moeilijk te bepalen. Dat hij het op verzoek van HoOFT zou gedaan hebben, is niet het 
waarschijnlijkst. Over het algemeen was de verhouding tusschen hen niet van dien aard, 
dat HooFT Vondel tot het een of ander aanzocht; de Drost heeft dan ook al heel 
weinig vriendschap of sympathie voor VONDEL gevoeld. Dat men op het hooge huis 
te Muiden Vondel als vriend gaarne zag, behoort eenvoudig tot de legenden. Van 
Hooft's kant zijn er nimmer pogingen gedaan om vriendschapsbanden aan te knoopen*), 
Alle betuigingen van sympathie komen van Vondel's zijde*). Er zijn slechts twee 
plaatsen bekend waarin HoOFT Vondel roemt, ten eerste in 1608, bij de omwerking 
van den bekenden brief uit Florence, ten tweede in een brief van 28 Mei 1630. 



») De latijiihche brief is gedagteekcn<l 12 Mart, de vertallag heeft: 14 van Maerte. In den Catalogus Vondel-ten- 
toonstelling staat onjuist: 19 Maart. 

«) Het il een vergissing als van Lennep (in het register in voce Hooft) tcgt, dat de Drost Vondel beeft 
uitgenoodigd om hem zijn „Constantinade" voor te leien. Vondel had dit aan Hooft aangeboden, 

») In 1625 toezending der Hecuha, in 1628 brieven uit Denemarken, in lójoopdracht vande-^x^w; ni634*?) 
Spore aan Hoo/t, in 1635 vertaling van een brief van» de Groot, in 1646 toezending van den Virgilius, 



VONDELIANA. 14S 

als hij Vondel's optreden met Harpoen en Roskam bespreekt; zes dagen later moet 
hem echter, als hij de Medalie voor de Gomariste kettermeester enz. ontvangt, de 
betuiging van het hart, dat hij ),dien stookebranden ter wederzijden hunne reukelooze 
dullig^eit niet kan vergeven, daer niet dan vererghering onzer quaele uyt komen kan" '). 
De verhouding tusschen HuYGENS en VoNDEL verdient nog een afzonderlijke 
wetenschappelijke studie. Een kleine bijdrage tot de kennis hunner verhouding levert 
ook de geschiedenis van Vondel's gedicht: Vredewensch oen Constantyn Huygens^). 
Tesselschade, door wie HüYGENS en Vondel indertijd met elkaar in kennis waren 
gekomen, logeerde in Juli 1633 bij Hooft ; Huygens, die haar in „menigh jaer" 
niet had gezien, dichtte den 29*^ van dien maand •) eenige regels, die in zijne werken 
zijn opgenomen *), en waarin hij haar vroeg, of er het een of ander van Vondel was 
verschenen en zoo ja, waarom men het hem niet toezond. Hij zond zijn gedichtje den 
4** Augustus met een begeleidend briefje aan HoOFT en deelde dezen daarin mede, dat 
de vraag naar VoNDEL diende om Tesselschade „aan de spraeck te brengen" en een 
„opgeraepte vraegh"*) was „waervan de voldoeningh (hem) min waerd (was) dan haer 
antwoord." Tessfxschade, die niet meer te Muiden, maar naar haren Crombalch te 
Alkmaar was terug gekeerd, zond, zoodra HoOFT haar met den wensch ^van HUYGENS 
had bekend gemaakt een „toogjen inkts" •) naar den Haagschen vriend en gaf van HuYGENs' 
vraag ook aan Vondel kennis. Deze liet niet op zich wachten, want nog in dienzelfden 
maand ontvloeide aan Vondel's pen, we mogen het HUYGENS' „opgeraep te*' vraag dank 
weten, het schoone gedicht, waarvan we den titel reeds noemden; hij zond het niet alleen 
aan HüYGENS maar ook TesselschaHE kreeg een afschrift; beide handschriften zijn 
bewaard gebleven; het eerste, dat voor HUYGENS was bestemd,zwerft thans in het buiten- 
land'), het tweede berust op het Amsterdamsche archief, het heeft Tesselschade's adres 
aan de achterzijde.*) Beiden zijn onderteekend met Vondel's spreuk: Juste. Vei^e- 



1) Hoofts brieven aan Joost Baak (No. 237 en 241.) 

*) V. L. IIL 172 Verg. v. Vloten Tisselschadt Roemers en hare vrienden en J. A. Alb. Thijm. Verspreide 
Verhalen L 219. 

^ Datnm vermeld op Hnygens' handschrift ter Koninklijke Academie. 

^) Korenbloemen 1672 II bl. 148. No. 9. 

*) Het zon o. i. onjuist zijn uit het j^opgeraepte*' dezer vraag de gevolgtrekking te maken, dat Hnygens onge- 
voelig was voor Vondel's talent of persoonlijkheid. Vondel heeft herhaaldelijk getoond Hnjgens te waardeeren; 
maar ook deze laatste hechtte er aan (zooals uit velschillende plaatsen in Hooft's brieven blijkt) Vondel's oor- 
deel over zijne werken te vernemen terwijl, hij hem meermalen van dienst is geweest (Brief van Vondel aan 
Hnygens van 16 Sept 1644, waarover later). 

<) Dit is tot nog toe evenmin teruggevonden als het schrijven van Tesselschade aan Vondel. 

7) Het werd verkocht te Parijs 10 Dec. 1878 op de auctie der autrographen verzameld door Laurent Veidt; 

in den Cat werd het onder No. 617 vermeid als : Piece de vers auU sign, JusTZtOdress/e è Constantijn Huygens aotit^ 1633. 
*) Cat. Vondel-tentoonstelling No. 223. 



144 VONDELIANA. 

lijking van het aan Tesselschade gerichtte handschrift met den gedrukten tekst der 
verschillende uitgaven biedt verscheidene varianten. '). 

Een der keurigste handschriften van onzen dichter is dat van het grafschrift op 
den Heer Nikolaes Hasselaer, hetwelk in het bezit is van Jhr. Hu)rdecoper van 
Ma^sseveen. *) Het behoort tot het jaar 1635, waartoe het gedicht dan ook reeds door 
Dr. van Vloten werd gebracht Belangrijk voor den tekst is het slechts in zoo verre, 
dat we hier in tien regels veertien varianten met de spelling, zooals die door VAN Lennep 
wordt meegedeeld, aantreffen. Yan Lennep behandelde het grafschrift ter lo(^ op 1629. 
Hij heeft over Claes Hasselaer niet meer kunnen meededen dan de gedrukte 
bronnen hem wisten te vertellen* Wie den wakkeren nuyoor y^op wiens rappier de Stadt 
gerust te bedde g^nck"^ als in levenden lijve wil aanschouwen, ga naar de regentenkamer 
van het Burgerweeshuis te Amsterdam, waar men zijn beeltenis ten voete uit, kan zien 
op een regentenstuk van den te weinig bekenden uitmuntenden portretschilder ABRAHAM 
DE Vries*}. Hasselaer, een zoon van den Amsterdamschen schepen en raad Pieter 
Dircksz Hasselaer en Grietje Betiningh, was, van 1631 tot aan zijn dood, r^^ent 
van het genoemde weeshuis. Zijn mederegent Gcrrit Pietersz Schaep heeft het ons 
meegedeeld en noemt den 14 Augustus 1635 als de juiste datum van zijn overlijden*). 
Dezelfde bron leert ook, dat hij in Januari 1626 tot Majoor van het Stadsgamizoen was 
aangesteld. Tweemaal is hij gehuwd geweest; den 13 December 1619 ging hij ter onder- 
trouw met Geertruyd van Erp,*) en werd door dit huwelijk, de xwager van PlETER 
Corneliszoon Hooft V; want Hasselaer's Geertruyd was de eigen jongere zuster 
van HooFT's lieftallige Christine. Reeds 29 •Juli 1622 compareerde Hasselaer voor 
de tweede maal, nu met Sara Wolphaerts (van Diemen'). 



» ) Rcg. 4 heeft in het hs. Versengen — reg 18 : dUs — reg. 19 : En streel den htld^ dat het gemoed bedaer, — reg 20. De 
vrée^ een schat — reg 29: Elck vecht om vre — reg 32: en Juicht soo wij vergaen. — reg 34: Tot* andrenxMiSX. 

«) Cat. Vondel-tentoonstelling 'No. 227. Aan de achterzijde staat met I7« eenwsche hand: Grafschrift NicoUu 
Hasselaer door d^Hjgen hand van J: v: Vondel geschreven en onderteikend, 

•) Zie over deze schilderij en den schilder: Kunstvoorwerpen uit vroegere eeuwen met tekst door E, Colinet en 
A. D, de Vries At^ Amsterdam Wegner en MoCtn 1877. 

^) Zie Schaep*s handschriften, op het Amsterdamsche archief^ waaruit ook blijkt, dat hij als Majoor werd 
opgevolgd door zijn half-broeder Dirck Pietersz Hasselaer. (Nov. 1635.) 

*) Zie Hooft's gedichten uitg. Leendertz. I 231. Het daar medegedeelde wordt bevestigd door de navolgende 
acten. Kerk. huw. procl. van 13'Dec. 1619: Claes Hasselaer oud 27 toeren wiens moeders consent onsisgeUeken 
wonen{de) in de Haringpackef ijen eftde Geertruyd van Erp oud 2^ jaren geass, met Jacobmijne de Jonghi hoer 
schoon- (d. i. stief-) moeder, gheen ouders hebbende wonen{de) op de oudetijdsvoorburgwcU, — Doopacte van Geertruyd 
van Erp : Arndt van Erp ende gertruyt Wyllums syn huysvrou en Jan die tVael en de Maria Fabry als peters, 
het kind heet Geertruy (Deopb. Nieuwe Kerk, 7 Januari 1596.) Vgl. hiermede wat over de van Erpen is gezegd 
in het Hooft-nommer van Eigen Haard bl. 10. 

*) De Hooften en Hasselaers waren reeds door een huwelijk Verbonden. Een half-broeder van Nikolaes, 
Pieter Hasselaer, was 24 Aug. 1608 aangeteekend met Aechgen Hooft, de zuster.van Pieter Comelisz. Den 13 Oct. 
1620 was de Drost getuige bij het doopen der zoons van zijne beide zwagers Hasselaer (Doopboek Nieuwe Kerk.) 

7) Kerk. huw. procl 29 Juli 1622: Nicolaes Hasselaer imi/. Geirtruyt van Erp geass,met Griethie Benningh 
tijn moeder woon{ende) op de Brouwer skay en Sara Wolphaerts ouat 2% jaeren geass, met ï^icolaes Baelestel kaer 
swaeger geen ouders hebbende won, op de Nieuwemarckt bij de Anthoniepoort, 



J 



VONDELIANA, 145 

Wij zouden zoo langzamerhand in de geschiedenis der Amsterdamsche patriciërs 
verzeild raken. Ook het handschrift, dat wij thans te bespreken hebben, houdt ons nog 
in hetzelfde schuitje. 

Tot de gedichten, die in de uitgave van van Lennep voor het eerst werden gedrukt, 
behoort het versje : Op d* Afbeeldinge van Jongvrou Comelia Spiegel^ waarvan VAN Lennep 
het handschrift heeft laten re^roduceeren. *). Hij besprak het, toen hij tot de mede- 
deeling was genaderd van een bruiloftsdicht, ter eere van Adam van Lochorst 
en CoRNELiA Pauw*), en vermoedde, dat de door Vondel bezongen Cornelia 
Spiegel de ,,peettante" dezer bruid was. Intusschen de Cornelia, die hij aldus als tante 
laat optreden, is een gefingeerd persoon, die slechts voor deze gelegenheid dienst moet 
doen en wier bestaan niet van elders is bewezen. De moeder van Comelia Pauw, Hillegond 
Spiegel, was een dochter van den Amsterdamschen schepen Laurens Jansz. Spiegel 
(+ 1623 •). Zij huwde reeds in 1615 met MiCHlEL PAUW ; hare zusters Maria en Brechtje 
trouwden, de eerste in 1622 met Gerard Schaep, de tweede in 1627 met Willem 
CÓRNELISZOON Backer *). Van een dochter Cornelia is in het huisgezin van den 
schepen geen sprake, en er is geen enkele reden om met van Lennep de genoemde 
Brechtje in een Cornelia te veranderen. Daarenboven het gedicht zelf*) wijst op een 
later tijdperk. Het is een grooter fout van van Lennep, dat hij zich bij de lezing van 
deze regels geen rekenschap wist te geven van den tijd, waartoe de ^Cornelia voorzien 
van pyl en bogen^^ moet worden gebracht, dan dat hij de genealogische bizonderheden 
der Spiegels niet heeft weten te ontwarren. Ieder, die het versje leest, en kennis bezit 
van onze 17e eeuwsche kunstgeschiedenis, zal dadelijk inzien, dat het portret, waarvan 
sprake is, niet van de eerste dertig jaren der 17e eeuw kan dagteekenen, maar behoort 
tot den tijd, toen een GovERT Flinck, een Ferdinand Bol of een Nicolaes Maes, 
met verloochening van de goede tradities hunner voorgangers en niet schroomende daaraan 
ontrouw te worden, geen weerstand wisten te bieden aan den wansmaak hunner tijdgenooten, 
die er prijs op stelden als Diana of Venus, als Apollo of als Romeinsch veldheer te 
worden afgebeeld. Te Amsterdam waren in de 17e eeuw twee families Spiegel, die niet 



^) IV. 31. Van Lennep verzuimt mée te deelen, wiiar hij het handschrift had gevonden. 
*) Door van Lennep op i64o geplaatst; het behoort op 1639, zie Cat. Vondel-tent No. 240. 
■) Begrafenisboek Nieuwe Kerk: Laurens Jansn Spiegel op de Deventer Houtmarkt begr, 22 Moert 1623. 
^ Zie huwl. procL te Amst. van 10 Juli 1615, 17 November 1622 en 22 Januari 1627. Dat Laurens Jansz. 
Spiegel slechts drie dochters had, blijkt o. a. uit VondePs gedicht op Maria Spiegbel. v. L. III. 292. reg. 38—40. 

•) Comelia, voorzien van pyl en bogen, 

Treft harten in de bosschen: en terwyl » 

Zy jaeght en rent, doorschietze met een pyl 
Den jongling, uit den SPIEGEL van haer oogen 
Daer schuilt de min, en mickt met boog en schicht 
Zoo veel vermagh haer vriendelyck gezicht. 

19 



14« VONDELIANA. 

aan elkaar verwant waren *). Het zou ons niet verwonderen, indien de bedoelde ^Jongvrou 
Cornelia'' tot de tweede familie Spiegel behoorde en de dochter was van den Burge- 
meester Hendrik Dirksz. Spiegel, wier huwelijks-aanteekening •) aldus luidt: 

Den 7 July 1667. 

Elbert Del') van A{msUrdam) out 11 jaeren, ouders doot^ geass. met Gillis 
Claermond zijn swager woont op de CUveniersburgkwal en CoRNELlA Spiegels van 
A{msterdam) out 28 jaren geass. met Com. Francx wed. wijle Hendrik Dircxe Spiegel 
in sijn leven Burgermeester en raet^ hoer moeder^ woont op 't Rokin. 

Neemt men aan, dat het portret van deze G>melia Spiegel Vondel het versje deed 
schrijven^ dan moet het, let men op haar geboortejaar i$3V39» ^^^ ^^ jaren 1655 — 1667 
gebracht worden, waartegen niemand bezwaar kan hebben.^) 

Heeft de belangstellende lezer VONDEL als vertaler van Barlaeus' proza uit de 

beschouwing zijner handschriften leeren kennen, ook als vertaler van 's Professors Latijn- 

sche gedichten treedt hij uit zijne tot ons gekomene manuscripten voor ons op. Van het bekende 

gedicht: y^Op het krackeel des Drossaerts van Muiden met Mevrouwe van Wickvort. . . . 

Uit C. van Baerles Latijn vertaelf'^) bleef het handschrift bewaard; het is een der ^^meer 

dan zestig'' handschriften, over welke we hierboven gesproken hebben, die door BRANDT 

en VOLLENHOVE, in hunne uitgave van Vondel's gedichten van 1682, voor het eerst werden 

gedrukt V- Dat we hier werkelijk hetzelfde handschrift voor ons hebben^ blijkt uit de 

cijfers der bladzijden van de editie van 1682, die door Brandt met rood krijt in den 

linkerbovenhoek en bij vs. 22 zijn aangegeven. 'j Waarschijnlijk heeft Brandt het 

handschrift onder de papieren van zijn schoonvader Barlaeus gevonden. Het behoort 

thans aan Mr. D. Veegens te s' Gravenhage. •) Wij plaatsen hieronder h^t oorspronkelijk 

gedicht van Barlaeus*) naast de vertaling van Vondel om vergelijking gemakkelijk te 

maken en tevens den tekst van deze laatste nauwkeuriger weer te geven, dan Brandt en 

VoUenhove, die ook de spelling veranderden, hebben gedaan. 



1) Zie o. a. de aanteekeningen van Schaep in de Heraldieke Bibliotheek 1873. bl. 237 
•) Kerk huw. procl. van 7 Juli 1667. 

4 

s) Fbrdinand Bol was in 1653 in eerste huwelijk met eene Elisabbth Dell gehuwd. {Aemstels Oudhtia 
UL bL 103.) ' 

^) Van Vloten plaatst het met een vraagteeken op 1637. 

») V. L: III. 725. 

*) In den bladwijzer komt het met een sterretje voor. 

7) £ e e 4 (moet wezen 2) daaronder 404: en £ e e 5. (moet wezen 3) 405. — Orerigent staat in den linker- 
bovenhoek het getal 355, hetwelk is doorgeschrapt; een weinig daarvan verwijderd: 2 in den rechterbovenhoek 
in een cirkeltje het doorgeschrapte getal: 21. « 

^ CaL Vondel- tent. No. 241. 

') Volgens Casparis Barlabl.. Poematum Pars II,,, Amstelodam Apud Joannem BlaeTMDCXLVI.p.36i 



VONDELIANA. 



147 



IN LITEM SATRAPiE MUYDENSIS CUM 

DOMINA 

VICOFORTIA 

UTER ALTERI FACfiM PRiCFERRET. 



Movit süavem nata Lis discordiam, 
Placidumque fecit Anna Vicofortii 
Satrapae tumultum. num pneiret Hoofdius 
Facemque ferret ille, qui fecem solet 
Prseferrc Belgi vatibus vatum caput: 

An hospes Anna, quae (acem modesdae, 
Et comitads tot decoris matribus 
Spedosa praefert. 



litigare Cynthium 
Phoebenque credas, Phosphorum cumCypride, 
Cum ICarte Vestam, cum sorore Castorem. 

Vult üle, quod non illa. non volunt duo, 
Quod urget alter, singulis sententia est» 
Sed quaeque dispar. compares virtutibus, 
Hac lite nutant dispares. 



Apollinem 
Praeferre terris lucis usuram suae, 
Sequi Dianam, disserebat Hoofdius. 

At Anna fatur, hospiti sese hospitem 
Debere tanto praeviae munus Caois. 

Dum litigant, dum fluctuant, dum lampadis 
De luce rixa est; Ecce n^tor Hoofdius 
Attollit Annam, et brachüs drcundatam 
Ostentat altè, et feminam facit Phanim. 
Novumque sidus. 



Op het krackeel des Drossa^rts van 

Muiden met mevr ouwe van Wickoort^ 

wie van heide de koers %ou 

droegen. 

Uit C van Baerles Latyu verUuU, 



Een vriendelycke twist begost 
zich| tusschen Anna en den Drost 
te mengen: of het Hoofd van Muiden, 
dat, voor al Neerlands dichters, huiden 
de fackel draeght, vooruit zou treèn, 
en draegen 't Ucht, daer "t licht af scheen 
of dat de schoone huiswaerdinne, 
de torts van kuische en eerbre minne, 
beleefUieid, trouwe, en goude zeen, ^) 
en 't licht der jofïren, *t licht voorheen 
lou voeren, en den nacht verdryven. 
ApoUo scheen om 't Recht te kyven, 
en met zyn zuster in de war; 
of*) d^avond- met de morgenstar; 
Heleen met Kastor; Mars met Veste. 
Hy wü, zy niet elck doet zyn beste, 
en geen van beide als d* ander wil. 
elck heeft zyn zin in dit geschil. 
Twee, die eikanderen gelycken 
in deughden, weigeren te wycken, 
door ongelyckheid van verstand. 
De Drost drijft, dat Apolloos brandt') 
de zee en \ aerdryck toe- en aenlicht, 
en dat de maen hem naer zyn aeniicht 
(waeruit zy leven schept) moet zien. 
Maer Anna wil, dat zy hem dien' 
en dat' die groote gast gehouwen 
is 't licht zyn dischvrouw te vertrouwen, 
terwyl men dus om 't licht krackeelt, ^ 
en elck zyn end houd, en verscheelt; 
slaet Hoofd zyn armen om haer leden, 
en beurt zyn dischvrouw van beneden 
om hoogh, en maeckt een nieuw gestamt, 



O VAN Lennbp heeft: goide, 
^ Eerst stond er: ulf, 
•) Eerst stond er: hmnd. 



!•• 



148 



VONDELIANA, 



portat ignes prsevios 
Marita victrix, lampademque exporrigit. 

Et illé victor Annulam, quam vir gerit, 
Obire fiunulae vile munus baud sinit 

Sic nullus ordo est aut sequentis hospitae, 
Aut post sequentis hospitis. confunditur 
Cum laude sexus, bajulusque conjugis 
Fit ille magni bajulator^imperi. 
Subordinantur Hoofdius, conjux, faces, 



* - 



Et penrenusto cemimus spectaculo 
Prseire nuUum, pone neminem sequi, 
Pedissequamque nee pedissequum dari 
Famulamque nusquam. salva partibus manent 
Honosque dignitasque. nee jam cedere, 
Dum distributa suaviter victoria est, 
Aut Anna dici, aut victus Hoofdius potest. 



en vrouwebaeck, die heeriyck bamt. 

vrouw Wickevort, om 't scheel te slechten, 

gewint den kaersstryd, na al 't vechten. 

De Drost, die haer op d' armen draeght, 

wiens dienstbre heusheid hem mishaeght, 

vermaeckt zich, dat hj triomfeere. 

Hier blyckt geen onderscheid van eere: 

want slaet ^) men gast en dischvrouw gie, 

hier is geen' orden, voor nocht nae. 

Hy, die om Goeiland te bescharmen 

de rechtsroè draeght, draeght op zyn armen 

dees vrouw^ die menigh licht verdooft; 

en torts en vrouw gehoorzaemt Hoofii. 

wy zien met lust en onverbolgen 

hier niemant voorgaen, niemant volgen, 

daer niemant heer noch paedje *) kent 

en elck zyn kroon houd ongeschendt; 

terwyl zy elck den kaeisprys strycken, 

daer geen den andren komt te wycken ; *) 

elck deel aen dezen zege heeft 

in *t veld, daer 't Hoofd nocht Anna geeft. '*) 



HuYGENS heeft Barlaeus in 1630 •) beklaagd, omdat zij, die „sijn kinderen in 
*t Nederlandsch kleed hebben willen steken de rechte snijders niet zijn geweest", en hem 
„groot ongelijck*' heibben doen lijden „met sooveel ongelijcks." Is Vondei's vertaling van 
het „Krackeel" later tot HuvGENS doorgedrongen, ons dunkt, hij zal zich hebben 
gehaast, zijn klacht in te trekken en te erkennen, dat Vondel's vertaling des professors 
Latijn in sierlijkheid verre overtreft. — Onder de vrienden van HoOFT behoort JOACHIM 
VAN WiCQUEFORT tot die gestalten, welke zich nog in te vage trekken aan ons vertoonen; 
menig onderzoek zal nog moeten worden ingesteld, om op hem meer licht te doen 
vallen: hij wordt een ijverig voorstander van de vrijheid van geweten genoemd;*) zijne 
vrouw, die ons door Barlaeus als matrana supra sexunt sagax erectaque'') wordt vocw- 
gesteld, was, naar het schijnt, een juffrouw de Wilhem •). De vraag van wanneer de mede- 



1) Brandt las: tlae» 

s) Vondel spelde eerst pagu 

s) Deze regel Inidde eerst : daer gstn van hoee den andren wycken, 

^) Onder de vei taling staat C van Baerle\ deze naam is doorgeschrapt, waarschijnlijk door Vondel zelve, 
toen hij, onder het opschrift, de woorden: Uit C, van Baerles Latyn vertaelf* nederschreel Het feit, dat de 
naam van van Baerle eerst onder het vers heeft gestaan, kan wellicht van helang zijn, fai verband met hetgeen 
door Prof. Jonckbloet (3e dmk I. 341) over VondePs vertalingen der gedichten van Barlaeus wordt gegist 

*) Zie zijn brief aan Hooft van 28 Febr. 1630 in Hooft's Brieven II. 462. 

*) Zie HUtoire des provifues-unut par Abraham db Wicqubport puhlUe par L. Ed. LBNTXNO,Tom.Lp.VIL 

7) Barlaei Epistolae p. 723. 

^ Nistêire, t. a. p. 



VONDELIANA. 14» 

gedeelde gedichten dagteekenen, is niet gemakkelijk te beantwoorden. Te vergeefs hebben 
wij de brieven van Hooft en de epistolae van Barlaeus doorbladerd om een voldoende 
oplossing te vinden.. Van L'ennep stelt Vondei's vertaling op 164a en doet dit blijkbaar 
sledits, omdat Vondel aan Joachih van Wicquefort in dat jaar zijn ypstph in Dotkfm 
opdroeg; toch zal hij in dit geval niet ver van de waarheid zijn. In Hooft's brieven 
wordt Wicquefort voor het eerst genoemd op 1 1 Aug. 163 1 ; de eerste brief van Barlaeus 
aan Wicquefort is gedagteekend : 4 Febr. 1634; in- de uï^ve der Poemata vanBarlaevs, 
in 163 1 bij Blaeu, komt het latijnsche gedicht niet voor — alle gegevens, die op een later 
tijdperk schijnen te wijzen. De „vriendelijke twist" heeft aan huis bij Wicquefort plaats 
gehad. Zou het niet kunnen zijn te Wassenaar in Juli 1641 ? Hij hield toen verblijf 
op het huis te Kolven, Barlaeus bracht er een gedeelte van zijn zomervacantie door en 
ook Hooft was er toen gelogeerd '). 



<) Brief tmi Bulkctu aan HuygenSt Watitnaria* ut pratdü tor Ketvr», (Zie Hoofti brieren IV. 304). Dete 
brief U geschreven tuncben 10 Juli, toeo Bkrluni oog te Amitenlkm irms (Epiitolae No. 415) en 3 Angiutnt,toeti 
bij op Klem Poe^eeit Uj lijn vriend Daniël Schonck logeerde (Hoofts blieven IV. 348.) 

{Wor^ vervolgd.) 



WILLEM SCHELLINKS 

SCHILDER — TEEKENAAR — ETSER - DICHTER. 

DOOR 

Mr. A. D. de vries Az. 



LS men een lijst wilde maken van de schilders, wier werken 

in de Nederlandsche musea ontbreken, zou ook de naam, die 

aan het hoofd dezer r^els staat, daarop moeten voorkomen. 

Willem Schellinks behoort tot die kunstenaars, wier wericen 

in verkoop-catalogi herhaaldelijk worden genoemd, van wien 

men hier en daar ïn buitenlandsche musea schilderijen aantreft, 

wier teekeningen ook in onzen tijd op menige auctie zijn 

verschenen, maar wier persoonlijkheid niet zoo zeer de aandacht 

heeft getrokken, dat de latere historieschrijvers op hen reeds meer 

licht hebben doen vallen. Toch heeft Houbraken dezen Schellinks een „geroemd meester" 

genoemd en telde hij hem onder „de brave schilders van Nederlant," terwijl de beroemde 

kunstkenner Mariette ') niet weinig lof voor hem over heeft, als hij zich verheugt in 

het bezit van een zijner teekeningen. Houbraken *) heeft, toen hij het een en ander over 



I) Hakixttk AbteidariQW . p. 196: „GnlUtame Schellinki, excellent peiDtre Hollandaii, étoit i. Matu en 1664 
Pu it ce peintre uu detteiit de l'entrée du port de Malte, qn'il a fut mr Ie lien et qni porte cette dUe. On pcai 
j«eer tw ce teal moTceiu de ton luibileté duis ce geam d'onvrsge ; on n'j pent mettre plu de vériti ui plm 
d'inteUigence, je n'd rien vu qui en ftpproche." 

■) Schonbnrgh der schilden H, bU. 163 vlg. 



WILLEM SCHELLINKS. 151 

Schellinks opteekende, één voorname bron gehad, die niet te versmaden was. Het 
waren drie boeken, bevattende in handschrift y^memorien^} met aanmerkingen van de 
beste schrijvers" over Schelunks' reis, die van 1661 — 1665 duurde; overigens heeft 
Houbraken weinig van hem geweten. Dit is te meer te verwonderen, omdat ^gedrukte 
bronnen te over bestaan, die ons het een en ander ov^ ScHELUNKS kunnen meédeelen, 
want, als Houbraken zelf, en velen hunner gildebroeders van het penseel, behoorde ook hij 
tot de „rijmlustige geesten,*' die in de tweede helft van de 17* eeuw getracht hebbenden 
Hollantschen zangberg te beklimmen. 

Vraagt men of het bewezen is, dat de schilder W. Schellinks en de dichter van 
dien naam één en dezelfde persoon is, zoo hebben we, om een toestemmend antwoord 
te verkrijgen niet anders te doen, dan Gerbrand van DEN Eeckhout, Rembrandts leer- 
ling, als getuige te laten optreden; deze heeft zich, evenmin als Schellinks, alleen bijzijn 
schildersezel gehouden, maar is ook nu en dan, (hij had 't zonder schade voor onze letter- 
kunde kunnen laten), als dichter opgetreden. Tot den kring van kunstenaars, in welken Schel- 
LINKS zich bewoog, behoorden, behalve GERBRAND VAN DEN Eeckhout, ook de poëet 
David Questiers en de boekverkooper-dichter Hieronymus SwEERTS, *) Deze beiden en 
Schellinks waren allen op 2 Februari geboren; naar aanleiding van deze toevallige 
omstandigheid had tusschen het viertal in 1657 een wisseling van gedichten*) plaats^ die 
door Gerbrand geopend werd met het volgend vers, dat ik, om meteen een proeve 
te geven van van den Eeckhout's*) dichtgave, hier afschrijf. Het geeft tevens de 
getuigenis, die wij verlangden. 



^) Zij waren in het bezit van den verdienstelijken zwarte- kunstgravenr Amold van Halen. Mochten zij nog 
eens terug worden gevonden! 

*) Hij was dezelfde, die onder den naam van Jeroen Jerobnse de koddige opschriften verzamelde. Zijn 
rader was een schilder. Schellinks zegt tot Sweerts in een zijner gedichten (Holl. Pamas p. 379): Minerv' heeft 
tot een pen u vaders konst-pinseel Hersneèn. 

Wie kent schilderijen van den ouden Hieronymus Sweerts? 

*) De acht gedichten komen Toor op blz.378 — 386 yzxi Hollantuhe Pamas 1660 en, hier en daar wat veranderd, 
n AlU di gedichUn van Hieronymus Sweerts 1697 blz. 513 — 523. 

^ De heer Vosmaer Rembrandt^ p. 563, meent dat er nog een andere Gerbrandt van den Eeckhout, als 
de schüder, is geweest, die verzen heeft gemaakt. Waaruit blijkt dit? In elk geval hebben we hier met den 
schilder zelven te doen. In een der acht gedichten spreekt Schellinks zijn vriend aldns aan: 

O Eekhcutf wie volpryst u geest en kloek pinseel? 

Gy Z7t een tweede Apell'. Men hoord een Maro spreken 

Door uw geleerde pen; dies offer ik met smeken 

Dees kroon wéér aan u op: sy (ier uw hand en keel. 



O dersel onzer eeuw! uw konst-zwaan (iert haar zelf^ 
Dies Amstels-bougoddin haar wenkt; dat ziet bezonder 
Op 't raadhuis heerljkheit; zj bruist daar ook mede onder 
Lrykse op het Bentems^lot praald onder ^t zaalgewelf. 



1»2 WILLEM SCHELLINKS. 

LAUWERKRANS 

GBZOMDEM AAN 

WILLEM SCHELLINKS. 

Gulle vnindsdiap noopt mijii veder, 
Waaide SchelUnks^ om u weder 

Aan u Jaar-dagh en u taart 
Te doen denken; doch laat hede 
Zweerds begroet lyn, door uw reede, 

Mits hj mee deez dagh verjaard. 

Zoo haast en lichten 't licht, op Vrotnve-Uchi'miS'da^h. 
\ Licht in myn oogen niet, of 't lichtelooie-duister 
Des nachts verdween, en dreef m' uit slapens zoete kluister 
Tot rym-lust; door *t geval dat in myn zinnen lag. 

Vermits my uw geboort en jaar-dagh quam te voor, 
Zoo poide my deiehre een Lauwer-krans te vlechte 
Om Q verjarend-hooft, en konst-ryk-brein, ten rechte 
Te schaad*wen : wyl 't betreed een dubbel-konsdch-spoor. 

GHY HUWD ü 2INRYCK-RVM AAN 'T VLOEIENDE-PINSEEL, 
En, DOET VOOR OOGH EN OOR,ü VERF, ENLETTERS SPREKEN, 

Dies *t zang-beminnend-volk vaak om u vaarsjens smeken» 
Daar in ghy vroolyk stof verschaft aan fluit en keel 

Indien de tyd my nu begunstigde met tyd, 
Ic Zouw aan u konst-broêr meê» wat letter-vrugjes stieren, 
Dewyl zyn jaar-feest meê, nu eist de lauwerieren. 
Maar meen dat ghy, met zorgh, daer toe, al bezich zyt. 

'k Sluit dan, en wens u beid 't geen ik wens aan myn self^ 
£n wens'lyxt weezen mach aan ieder in 't bezonder. 
Ontfiemg myn stamer-zang, en berg die, gunstich, onder 
De vleug'len uwer g^unst, als in een vast gewelfd 

Amsterdam den 2 Februari 1657. G. vanden EEKHOUT. 

Het is jammer^ dat geen der vier rijmende heeren meedeelt, welken leeftijd ScHELLiNKS 
op 2 Februari 1657 had bereikt; de vraag naar zijn geboortejaar zou ef gemakkelijk door 
zijn opgelost Een goed antwoord op deze vraag te geven, kost nu eenige meerdere 
moeite. Houbraken heeft in een „gezontheitsbrief van Jiet coUegie der Artzen te Messina" 
vermeld gevonden, dat Schellinks in 1664 dertig jaar oud was, maar het is, dunkt 
mij, als zeker aan te nemen dat hij zich vergist heeft, of dat de vermelding in den brief 
onjuist was; inmiers er bestaat in den uitmuntenden atlas van Amsterdam, door den heer 



t 



WILLEM SCHELLINKS. 15S 

J. W. Wurfbain bijeengebracht, een goede teekening van de trappen van het oude 
stadhuis te Amsterdam, aan wier achterzijde met 17* eeuwsch handschrift staat vermeld: 

1642 door W: Schdlinks ad vivutn. 
hetgeen geheel in tegenspraak is met het geboortejaar 1633/34'), dat uit het getuigenis der 
genoemde artsen zou zijn op te maken, want deze teekening kan onmogelijk het werk 
zijn van een knaap van 8 of 9 jaar. Er is meer reden om Houbraken in dezen niet te 
gelooven. Toen ScHELLiNKS in October 1667 ondertrouwde (we zullen straks zien 
met wie en waaruit dit blijkt), verklaarde hij veertig jaar. oud te zijn. Nu we weten, 
dat hij op een 2~ Februari werd geboren, zou dus de dag van zijn geboorte op 
2 Februari 1627 moeten worden gesteld. Het kan zijn, maar toch kunnen we haast niet' 
gelooven dat SCHELLiNKS de genoemde teekening reeds op zijn 15* jaar zou hebben 
gemaakt Misschien heeft hij, toen hij ter ondertrouw, verscheen zich een paar jaren 
jonger gemaakt, dan hij werkelijk was. 

Wie de ouders van ScHELLiNKS waren is mij tot heden niet gebleken. Mis- 
schien was de landmeter Daniël Schellincx, van wien ik een kaart van Putten') heb 
gezien, die in 161 7 was ontworpen, zijn vader. 

Willem had drie broeders Daniel, Jacobus en Laürens. De eerste, geb. 1628/39, 
is de schilder, die in een paar regels door Houbraken werd herdacht. Hij schijnt de kunst 
als dilettant te hebben beoefend. Bij zijn eerste huwelijk noemt hij zich „sylakenwinckelier" ; •) 
hij legateerde i8 Aug. 1664 aan zijn broeder Willem Schellincx een yjboeck met teycke^ 
ninghen van Wijlen Simon de Vlieger, *) Deze heeft dit boek, voor zoo ver wij weten, nooit 
gekregen, want Daniel overleefde hem vele jaren. jACOBUS schijnt het in de wereld 
minder voorspoedig te zijn gegaan dan zijne andere broeders; hij woonde in 1676, y,in 
Nieu-Nederlandt, op 't lange eylant, in Zouthampton" en Willem bepaalt, als hij y^hem 
achttien hondert gulden vermaakt, dat hij „syn leven langh niet anders zoude trecken en 
genteten als de interessen zonder dat die oyt zouden mogen worden aengesproken voor zijne 



1) Niet 1631, als Houbraken onjuist afleidt. 

*) Caerte gemaeckt op ordre van de Heeren Opperdyckgraaff en Hoog Heemraden des Ringhs van Putten, 
nae de meetinge gedaen by Daniel Schellincx, Lantmeeter^ in den Jare 1617.... ^^^^ ^7 ^^ ondergei. 
Ingenieur en Landtnieter op Cleynder Maet bijeen gebracht inden Jaare 1700 Bemard de Roy, 

») Kerk, huw. procl, van 8 April 1662, Daniel ScHELhiVKS van j4(miterdam),s)'/aAgwmieiier, oud ^^j.^ j^éius 
mét David Janse Jpelaary inde Stilsteegh ende Elisabeth van Waerd, van A{mstirdam) oud 26 j, geass. met 
Jkasr broeder Johannes van Waerd inde Blcmstraet, De geboden tijn tot Weesp onverkindert gegaen. Zij testeeren 
34 Nov. 1663 voor den Notaris D. Ypelaer en amplieeren hun testament den 18 Aug. 1664 voor denzelfden notaris. — • 
Houbraken heeft Daniels sterfdatum meegedeeld, deze wordt bevestigd door de volgende aanteekening uit de 
begrafenisboeken van de Nieuwe Zijds kapel: 

23 Sept. 1701. een man Daniël Schellincks compt van de blomgra/t aen de Noordsijde voorby de tweede bntgh 
eompt in het graf van gerrit van rijssel (N«. 319). . ..ƒ 8, — Hij was hertrouwd, want op 17 Maert 1704 vond flc 
in hetselfde begrafenitboek : 

een vrou Constantia van Hijssen, wed. Daniel Schellincks (volgt hetzelfde adres en hetzelfde gral) 

^ Testament van Daniel Scluïllings en Elisabeth van Waert, 18 Aug. 1664, onder de papieren Tan den notaris 
D. YpeUar (pak 129). 



IM WILLEMSCHELLINKS. 

schulden, aireede gemaeckt of nog te maken. ^) Laurens was Chirurgijn en komt in 1692 
voor als een der voogden van Willems kinderen. *) 

Willem schijnt in zijn vaderstad een vroolijk leventje te hebben geleid; ten minste 
hij wordt door een zijner tijdgenooten, niet juist een zijner vrienden, in 1655 ^'^ yjtet puUqe 
van de snaken^'* voorgesteld*). Zijne vrienden gaven hem den bijnaam Spits.*) 

In 1661 trekt hij met Jacob Thierry den Jonge op reis. Van die reis heeft Hou- 
braken, zooals we reeds zeiden, een uitvoerig bericht meé gedeeld» waarnaar we den lezer 
verwijzen; 24 Aug. 1665 komt Schellinks in Amsterdam terug; hij had yJEngelanty 
Vrankrijk, Italién, Sicielien, Malta, Duitschland, Zwitzerland enz." bezocht en Is^dit een 
schat teekeningen mede van de ,, Steden, Kasteelen, Bergen enz," die hij. had gezien.*) 

Voor hij op reis ging had ScHELLiNKS een schilderij gemaakt» waarvan Houbraken 
gewaagt: y»De verbeelding was het te scheep gaan van Karel den tweeden op 't Hollands 
„strant, om met de vloot, die zig in 't verschiet vertoonde, te zeilen naar Engeland. 
„Hierin deden zig honderden van beeldjes bij troepen verdeelt op 't Duin en Strand en 

,, menigte van koetsen zien, die elk in 't bijzonder konstiggeteekent en geschildert waren.*)" 
Houbraken zag deze schilderij bij Jonas Witsen ; waar zij thans berust, bleek mij niet 
Toch kan men zich van de schilderij een denkbeeld maken, daar er een prent van bestaat, 
die bij Dancker DanKERTs') „in de Calverstraet, inde Danckbaerheit" werd uitgegeven. 



^) Testament Tan Willem Schellincx en Maria Neus van 6 Oktober 1676 in de papieren van den notaris van 
der Slujs (pak 219.) 

*) Qnitantie van Jan Clarenbeeck. Not. G. Ypelaai (pak 31.) 

«) Zie De N'iewwe Hofscke Rommelzoo. . . 1655 p. 37, waax de poëet I. D. Klyn van Schellinks zcgt: . 

Dit is 't puikje van de Snaken: 
Wie zoekt Schkllinks alt om vreugd? 

Hj kan Kalf en Vaarzen maken: 
'k Meen het Keizer nog wei hengd. 

Maar doen kost sis sou niet knippen, 
Mids de wijn hem had gevat. 

Liet hj de gezontheidt slippen: 
Want zijn tong wierdt al te gladt. 
Keizer is de waard uit de Hantboogsdoelen. 

*> SwxsRTS gedichten 1697 bl. 484. 

•) N». 199 der teekeningen van het museum Fodor, een Italiaansche brug, (blijkens een aantt- ekening aan de keerziide 
werd déze teekening door EUsabeth Ploos van Amstel geb. Troost, aan haar man, den bekenden verzamelaar, op zijn 
50 „Jaardag,** 4 Januari 1776, geschonken) wordt aan Schellinks toegeschreven. In den rechter ohderboek staat: 
A^« 1647. Dit jaartal is zeker echt, de naam van Schellinks, die tot tweemaal toe aan de achterzijde staat, is mat 
authentiek. De wijze van behandeling heeft echter veel van Schelliak's teekeningen uit zijn lateren tijd. Neemt 
men aan dat deze teekening van Schellinks is, dan zou hieruit blijken, dat hij reeds voor de reis, waarvaa 
Houbraken gewaagt, naar Italië was geweest. 

•) In den Cat. van de Auctie van Jonas Witsen, 23 Maert 171 7, wordt hel stuk zonder naam van Scfaellkicks 
vermeld: 

15. Een kapitael stuk van Lingdbach met veel Beelden, van zijn beste soort. \ f 21^ 

16. Een weerga tot het zelve, zijnde een vertrek van Koning Carel van Scheveningen. ) 

') Wat er vaa hem en zijne vele naamgenooten door verschillende schrijvers wordt bericht, is voor een goed 
deel verward, onjuist en onvolledig. Ik hoop binnen kort aan de Danckertsen een aftoiiderlijk artikel te w^deo. 



WILLEM SCHELLINKS. IJ» 

Deze bodcverkooper was tevens een bekwaam - plaatsnijder, en er is geen twijfel of de prent 
is door hem zelven gegraveerd,*) 

Ruim een jaar nadat Schellinks van sijne reizen was teruggekeerd, werd de twee 
en dertig-jarige Dancker Dankerts uit de Danckbaerheit naar de Oude Zijds Kapel uil^^ 
dragen, op denzelfden dag (8 Dec. i666),dat zijn schoonmoeder Maria Schut, weduwe van wijlen 
G>meUs Neus, in hetzelfde graf als haar schoonzoon werd ter ruste gelegd *). Het jonge 
weeuw^e van Dancker, Maria Neus, trok korten tijd daania van de Kalverstraat naar de 
Hartenstraat; zij heeft zich^zoo spoedig dit maar mogelijk was, laten troosten door nienuuid 
anders dan door onzen Willem Schellinks. Dominus Petrus Schaeck zegende op 6 November 
1667*) hun huwelijk in de Nieuwe kerk in, nadat zij 14 Oct de volgende huwelijkspro- 
clamatie door hunne handteekening hadden bekrachtigd: 

14 Octob. 1667. 

Willem Schellinx van A{msterdam), schilcUr^ oud^ojare ouders dootgeass.metsyn 
broeder Daniel Schelling s woont ind Stilsteeg h en Maria Neus van A{msterdani) wed, van 
Danckert Danckerts woont inde kartestraet. 

w. g. Willem Schellinks Maria Neus wed»v. 

Wij zullen ons in de huiselijke aangelegenheden van het echtpaar niet al te 
zeer verdiepen, al staan ons daartoe enkele bronnen ten dienste. Slechts zij hier 
vermeld, dat zij 22 Aug. 1669 woonden op de nieuwe keerengraf t en dat zij dien dag 
aan den Notaris Friesma ieder een gesloten testament overhandigden, wat zij later annu- 
leerden, door op 6 October 1676 voor den Notaris Salomon van der Sluys nogmaak te 
testeeren. O. a. stelden zij in dit laatste Sr. Daniel Schellings, Nicolaes Comelisz. Neus en 
Adam van Linsbeek aan tot executeiu'en van hun uitersten wil en tot voogden over hunne 
kinderen.*) Twee jaar later stierf Willem Schellinks, wat Houbraken reeds heeft 
medegedeeld en wat bevestigd wordt door de begravenisboeken van de Nieuwe-zijdskapel : 
15 Oct. 1678 een man Willem Schellincks kompt van de Kijzersgraft bij de niewe 
Spiegelstraet ...ƒ15. — . 

13 Dec. van het volgende iaar werd een inventaris opgemaakt van den ^^boedelbij 



1) Muller Cat, historitpr. 1s^, 2159. De naam van ScheUinks komt op de prent niet voor; toch is 't Toor 
hem, die van Schellinks werken stadie heeft gemaakt, aan geen twijfel onderhevig dat wij hier een prent naar 
aijne schilderij hebben. VgL de prent door Danckerts b. v. met de Doorbraak van 1651 door Pieter Nolpe, naar 
Schellinks gegraveerd. 

«) Begrafenisboek Oude Zijds Kapel: 8 Dec. 1666 Marya Schut wad. wij /en Cornelis Neus en Dtmeker 
I>ancktrU scon van wijten Cornelis Danckerts in de Kalverstrcut [gra(] N». 61 . : . ./ 16. — 

') Trouwboek Nieuwe Kerk. 

4) Mij zijn drie kinderen uit het huwelijk van Willem Schellinks en Maria Neus bekend : Maria Jacoba, (die 
in 1692 gehuwd was met zekeren Jan Clarbnbebck) Willem en Gonst anti a, die beiden in 1692 nog minderjarig 
waren. (Zie een Quitantie van Jan Clarenbeeck aan Mr. Laurens Schellinks, 5 Maert 1692 onder de acten van 
<)en notaris G. Ypelaer, pak 31.) 

20* 



166 WILLEM SCHELLINKS. 

Willem Schellincks en Maria Neus te samen bezeeten en bij denzelven Willem Schellincx 
laetst op den Xii *) October 1678 metter dood oiuruymt." Uit dezen inventaris blijkt 
dat zij een kapitaal van minstens ƒ 19.000 bezaten.') 

Sonmiige herinneringen aan zijn reis heeft ScHELLiNKS in eere gehouden,cn hij heeft 
niet gewild, dat zij ha zijn dood zouden worden verkocht. Zijn ,,papierkonst' (d. w.z. zijn 
teekeningen en prenten) en zijne schilderijen werden geveild '), nadat Frederick Moucheron 
en NICOLAES VAN Berghem de ,,ongedaene" schilderijen hadden „opgemaekt" Wij laten 
hier de posten uit den inventaris volgen, die op de kunstvoorwerpen betrekking hebben : 

Alle de papierkonst, bestaende in printen en teeckeningen, mitsgaders de verwen en schildersge- 
reetschap, publijckelijck verkoght, daer van is gekomen volgens reeckeninge van Jan de Blocq, set hondert 
sceventigh gulden en achtien stuyvers J 670 : 18 : — 

Gaet aff voor oncosten van ditto de Blocq „ 52 : 1 5 

ƒ 618: 3:- 

Gelyck mede publyckelyck verkoght zijn alle de schilderijen, en daervan 
affgekomen volgens reeck«. als vooren, vcerthien hondert acht en veertigh 
gulden en elff stuyvers / 1448 : 1 1 : — 

Aff voor oncosten als vooren 92 : 14 : — 



J 1345: 17: — 

Onder welcke voorsz schilderyen begreepen en vercoght fijn geweest 

eenige stucken welcke Daniel Schellincks waren competeerende, hebbende 

tsamen gerend»* ƒ 1 56 : 5 : — als breeder blyckt bij de specificatie op de rceck* 

van Block j^estelt, en waermede de voorsz. somme moet worden vermindert. . . y 1 56 : 5 : — 

— - „ 1189:12: — 

Nogh zyn aen diverse [personen], en op tauxatie, vercoght eenige printen 

en teeckeningen, mitsgaders oock eenige vergroot en verkleynglaesen waervan 

in alles is affgekomen hondert vier en veertigh guld en acht stuyvers ^, 144 : 8 : — 

Zynde nogh als vooren vercoght twee stuckjes schilderye tot veertigh 
gulden ende nogh aen d' Hr. Burgermeester MUNTER mede twee schilderijen 
omme sestigh gulden en dertigh stuyvers tsamen f 100 : 30 : — 

En onder de lasten komen voor : 

Nogh over onkosten in 't vercoopen van de papiere konst, acht en dertigh gulden 
ccnc stuyver / 3^ : i : — 



*) Hou braken zegt 11 October. 

') Zij bezaten ook: een tiende part in een siuck Landts, gcleegeu aen de Oude Weeteringh, inden ambaghte 
▼ao Lemuyden, een vyfthiende part Jn zeecker perceel landts met de huyzinghe daerop staende, geleeghen in de Wormêr 
en een vjftiende part in een huis en erve binnen Amitelredam, op de Lastagie by de Bantemer Bmgh, lynde 
genaemt den bisschop van Antwerpen. 

*) In den inventaris lezen we: * 
Twee trouwpenningen, 't zilver poppegoet, de RariUyten bij dtn overUeden van Malta mtdigtbraght cd *t geene 
▼erders %'lezelve-overledene gewilt beeft, dat bewaert en onverkoght zonde werden. p. memorie. 



WILLEM SCHELLINKS. 157 

Item voor ongelden in \ verkoopen van de schilderden honderd gulden en drie 
stayvers / '^^ • 3'- " 

Voorts aan Frbobrick Mouchbron, over *t opmaecken van o.ngedaene schilderyen 
neegen en taghtigh gulden en eene stuyver >« 89 : i : — 

Wijders aen Nicolass Van Berghem voor stoiTeeren als vooren twee hondert neegen 
en vyidgh gulden en thien stuyvers ". » 259 : 10 : — 

Insgelgcks aen Jacob Erasmus, Lystemaker, twee en dertigh gulden en veerthien stuyvers. », 32 : 14 : — 

Ab mede aen Jan Erasmus voor 't maecken van lijsten, hondert neegen gulden en 
elff stuyvers. „ 109 : 1 1 : — 

Ende aen Pieter Heeremans als vooren vijff en twintigh gulden en vier stuyvers „ 25: 4: — 



Wil men ScHELUNKS als dichter leeren kennen, men sla dan het liedeboekje op 
dat tot titel voert: 



DE| OLIPODRIGO,! Bestaande jj In vrolijke Gezangen, Kusjes, Rondeelt-|{ jes 
Levertjes, Bruilofs- en Mengel-rijmpjes ; |j uit het brein van verschelde aardige Poëten 
in een Schotel ^ierlik opgedischt. II Het eerste deel. || t' Amsteldam (| By Evert Nieuwenhoff, 
Boekverkooper op 't Rus- || land in 't Schrijf-boek. Anno 1654. 

Ik onthoud mij noode (maar het zou ons hier te ver voeren, en er is misschien later 
gelegenheid voor) 3e gebeele geschiedenis van dit liedeboekje met vervolgen, latere uitgave 
en nadrukken te verhalen, en te gewagen van den strijd tusschen de uitgevers Nieuwenhoff 
en Vinckel, naar aanleiding van deze 120 boekjes*) gestreden. 

Het eerst verschenen boekje, de origineele Olipodrigo, is voor Schellinks het belang- 
rijkst; hij is dan ook een der voornaamste medewerkers*). De meeste van ScHELLiNKS' 
gedichten zouden het herdrukken echter niet waard zijn, want, ofschoon hier en daar een 
geringe mate van geestigheid en teekentalent met woorden, hem niet kan worden ontzegd, 
is zijn poëzie van het allerlaagste allooi en ontaardt die nu en dan in een hebbelijkheid 



>) a. De Olipodrigo Het eerste deel '/ Amsteldam bij Evert Nieuwenhojf, . . . Anno 1654. 

b. Het tweede deel van de koddige Olipodrigo. . . . '/ Amsteldam Bij Evert Nieuwenkoff, . . . Anno 1654. 
r. Het tweede deel van de koddige Olipodrigo '/ Amsterdam By yaJkob Vinkkel Anne 1654. 

d. [Koddige Olipodrigo of nieuwe kermiskost, . . . '/ eerste deel Nieuwenhojf 1655.] 

Het eenige mij bekende exemplaar van dit liedeboekje, dat een tweede vermeerderde editie Tan a is^ 
werd onlangs voor de Universiteits bibliotheek te Amsterdam aangekocht; het mist den titel. Ik ben de 
heer J. Ph. van der Keilen, die lang geleden een tweede exemplaar heeft gezien voor de mededeeling 
▼an jaar en uitgever dank verschuldigd. 

e. De Nieuwe Hofsche RommeUoo , , , , Voor de Liefhebbers van de kniplust, ^^h%' 

Behalve in deze liedeboekjes vindt men o. a. nog gedichten van SchelUnks in: Amsterdamscke Vreugkde Stroom 
V Amstelredam^ tweeden druck. Gedruckt by Cornelis jfansz. Stichter 1655, — Ve9 meerderde AmsterdamscJU 
Vrevgkde-stro&m , , , , tweede deeL,,. bij Cornelis yiansM, Stichter 1654, eh De nteuwe Haagsche nachtegaal,. . , Uyt 
de Boekwinkel van Jan van Duisberg in de Stils teeg. Anno 1659. 

^ Van de andere dichters in de Olipodrigo's noemen we I. ^(sselin), I*. D. Ruelles, J. Dullaert, D.Quesiiers, 
H. Sweerds, P. Dubbels, J. Bara, G. Verbiest, H. Bmno, Isaac de Groot, Kalf, Maria Massa, Cath. Questiers, Klaas 
Seep, J. van Dalen, L Massa, M. de Wilde. Ook Vondel treedt een paar keer in de OIipodrigo*s op. 



158 



WILLEM SCHELLINKS 



om de meest vieze woorden en platste uitdrukkigen aan elkaar te rijgen. Een paar zijner 
minst onbelangrijke gedichten zijn de opsomming van de uitroepen van Amsterdamsche 
straatventers, waarmede ' hij onder den titel Oliéodrigo van de Amsterdamsche Ritsebols 
het liedeboekje opent: 



't Amsterdam^langs <|c straaten, 

Hoort men vroeg ende spa, 
Razebols schreeuwend' blaaten. 
Die wj dus baauwen na, 
Wie wil daar RottevalP, 

Of Muize'vaU', 
Rotfvalle koopen? 
Dan komt 'er weer 
Een, om vuil smeer, 
Al schreeuwend* loopen : 
Kamer-mat, Bank-mat, 
Betielle rein en glat, 
Annys, Brande-w^n, 
Fyne brill', kristalyn. 



Waarz^gers, i^uw' Courante, 
Haal groene Lepel-blain, 

Koop Kousse, Mutze, Wante; 
Kat-Aal, of Labberdaan, 
Quee-peeren, en kool, 
Knijnen, of haixe zool', 
Aard-akers, Oubli! 
Oubli/ è ouetüf 

Eng^lz' Oesters en Vijgen 
Aakkertjes, Koorde-band*, 

Lint, en Veeters, om R^gen, 
Zwartzel, en Schullip-zant ; 



Den Dam, en Beschuit-mart 
Van voUik zwart 
Zgn 6p Mart-da^n, 
Die met geloop, 
Geschreeuw, gekoop, 
Torszen en dragen; 
Maar nog wint het vart 
De Noord', en Nieuwe-mart, 
Daar vent alleman 
Wat dat men denken kan. 
Viswijven hoort men roepen, 

Emmeriok! Emmeriokl 
Op den ;Dam ziet men snoepen; 
Achter de Hal b *t drok, enz. 



en een Olipodrigo van de Amsterdamze kermis^ die men aantreft in de koddige Olipo- 
drigo of nieuwe kersmiskost in 1655 bij NieuwenhoflT verschenen. Ik noem van zijne 
overige gedichten uit de OUpodrjgo's hieronder in een noot alleen een paar titels % waaraan 
de lezer wel genoeg zal hebben, en verwijs verder nog naar Klioos kraam^ de tweede 
opening 1657, waar men een paar deftiger verzen van Schellinks kan vinden : Op een 
slechte schildery in een kostetijcke vergulde lijst. Aan M, K(retzer) — Op een Quakzalver 
en Op een Lietzinger beide geschilderd door Adriaan Brouwer^ enz. *). 

, ^ Schellinks onderteekende zijn gedichten op allerlei wijzen : W. Schellinks — WS.^ 
of met een flauwe woordspelling en omzetting: W. 6 Stuyvers — Srevijuts Sez — Six 
Soucx — Zctios Xis en o f I st. o &. 

Als beeldend kunstenaar staat ScHELUNKs veel hooger dan als dichter. Van veel 
kunstgevoel getuigen zijne vier etsies in den Olipodrigo, op welke door niemand de aan- 



>) BmUofts cierzang — Zuinige Bruigoms rekening — Knordeontje •*- Maartse Bokkens Gegeven aen de 
joogelay op de bmyloft yan I.V.C. en A.G — Zang Rolletje voor de Feestgenooten yan LA. en K.B. — Letter- 
banket, g^;rabbelt op den tweeden dag van H.G. en A.S. bmiloftsüeest Den 8 yan Krol-maent 1651. — Op de 
kalverliefide yan Mons. AJ£. — en gedichten op de bmiloften van A.d.C en Il.v.M. -^ I.V.B. en K.G. 

*) De oyerigen sijn : Op etn trtffilijke schildery in een slechte lyst. Grafdicht op Matth, Gansneb Tengnagtl 
en een lofdicht ,^/ de schilderhonst der Benjanen*^ Ook zie men nog een Rym-quik aan H. Swkbrts yan 
1654 en een paar yersjes van deten laatste aan Schellinks, naar aanleiding van de bruiloft van E(lia8?)N(olet?),in 
SwBBETs gedichten. 



i 



si 



WILLEM SCHELLINKS. 15» 

dacht is gevestigd en waarvan we aan het eind van deze mededeelingen de beschrijving 
laten volgen. Zij overtreffen, wat de wijze van uit^#ering betreft, verre die van de opge- 
hemdde Joffer Catharina QüESTIERS of den schilder F. Dancx, die ook voor de Olipo- 
drigo's niet onaardige etsjes hebben geleverd *). Een der onderwerpen van die van Schellinks 
gaat aan dezelfde platheid mank^ die wij in sommige zijner verzen aantreffen (No. 3); 
zijn Cupido gebakerd is een meesterstukje. 

De kunst, in welke onze kunstenaar het meest heeft uitgeblonken, is de teekenkunst ; 
zijne teekeningen met zwart krijt of de pen en met sepia of O. I. Inkt, of mét beiden 
gewasschen, zijn sieraden voor elke verzameling. Al- de ons bekende te bespreken, of zelfs 
op te noemen, gfaat niet aan; zij kunnen verdeeld worden in twee groote groepen: die, 
welke hij vóór zijn in 1661 begonnen reis maakte en die, welke van na dien tijd dagteekenen ; 
tot de eerste groep behooren de stads^zichten in Amsterdam. Vooral het oude, in 1 651 
afgebrande stadhuis heeft hij verscheidene malen afgebeeld ; behalve op de reeds in het begin 
van dit artikel vermelde teekening van 1642*), wijzen wij op de geestige af beelding van het 
oude Stadhuis met een gedeelte van den Dam, welke thans in het bezit is van den heer 
J. G. de Groot Jamin Jr. te Amsterdam, op No. 198 van de teekeningen van het museum 
Fodor, (gem. W. S.) en een derde in den atlas van den heer Würfbain. *). 

,,Het doorbreken van de St. Anthonisdijck buijten Amsterdam op den 5 Marty 
165 1" werd door SCHELLiNKS „na 't leven afgebeelt." PlETER NOLPE, een der meest 
artistieke plaatsnijders uit de 17* eeuw, heeft van deze teekening de heugenis bewaard 
door een prent, die, fraai van compositie en vol waarheid en levendigheid van voorstelling, 
doet zien, wat de samenwerking van kunstenaars als Schellinks en Nolpe vermocht. *> 
Tot hetzelfde tijdperk, misschien van een paar jaar vroeger, dag^teekent, naar mij voorkomt, 
de teekening, waarvan den lezer hiernevens een verkleinde reproductie wordt aangeboden; 
waar „A Plaats van de heer Barffem{eester) Pancras** is geweest, hebben wij niet kunnen 
ontdekken; dat de aangehaalde woorden, die achter op de teekening staan, waarheid 
spreken, blijkt uit het wapen op den pilaster ter linkerzijde, dat met het wapen van 



^) In het eerste deel komen, behaWe de vier etsjes van Schellinks, twee van Cath. Questiers voor; in het 
weede deel zijn er drie van Dancx envier van Catharina. De prent>s van het tweede deel zijn in den nadruk 
van Vinkel door H. D. M(ayer) gecopieerd; ze zijn dan afschuwelijk. 
>) Zie blz. 153. 

') Die van den heer de Groot Jamtn spant de kroon in geestigheid van uitvoering. De Amsterdamsche teeken- 
meefter Antonie van den Bosch, geb. 1763 f 1^3^» heeft van deie teekening, toen die in *t bezit was van den 
grootvader van den tegenwoordigen bezitter, den in 18 14 overleden kunstverzamelaar D. C. de Groot Jamin, een 
prenttecke n i n g gemaakt, die een vergroote maar zeer gebrekkige navolging is. De prent komt pu eens in zwart, 
daa weder met kleuren gedrukt voor; de teekening is niet in kleuren, maar met de pen, sepia en O. I. iokt Zij is 
br» 404 en h. 302 mm. '— No. a6t van den Atlas Splitgerber is een copie naar die van den heer de Groot Jamin. 

^ Op de prent leeft men in den rechter onderhoek van het marge: gemackt en gedruckt bij PitUr Nolpe tot 
Awuierdmm en van JV. SchelUnckx getikent 



l^Ö WILLEM SCHELLINKS. 

Pancras overeenstemt. ') Op het origineel *) leest men duidelijk in den linker onderfaoek 
de initialen van den teekenaar. 

De teekeningen, die Schellinks gedurende zijne reis heeft gemaakt zijn legio. 
Het best zal men ze in de Hof bibliotheek te Weenen kunnen bestudeeren, waar een atlas van 
Blaeu berust, tot 46 deelen uitgebreid door een menigte teekeningen, die aan den eigenlijken 
atlas') zijn toegevoegd. Vele dier teekeningen zijn van de hand van onzen ScHELLiNKS ; 
zij werden door hem voor zekeren Heer van der Hemm te Amsterdam gemaakt, die 
Schellinks, volgens Uffenbach, *) op zijne kosten had laten reizen. In de Albertina te 
Weenen zag ik een gezicht op ToUm en een op Miüta beide van Schellinks; de laatste 
is misschien dezelfde teekening waarvan we Mariette hoorden gewagen*). 

Een der laatste teekeningen van Schellinks schijnt een schets te zijn geweest voor 
de titelprent van een nieuwe editie van BoR'S Histdrie der Nederlandsche oorlogen in 1679 
rdus na Schellinks' dood) verschenen, en later in de geschiedenis der vereenigde Neder- 
landen van Jean Ie Clerc gebruikt. De prent is gesneden door Abraham Bloteling*) 
en geeft een niet slecht gedachte en goed gegroepeerde allegorische voorstelling 'y te 
aanschouwen, waarin echter van de aantrekkelijke geestigheid, die vooral ScHELLiNKS eerste 
teekeningen kenmerken, niet veel is terug te vinden. 

Pe schilderijen van Willem SCHELLINKS zijn betrekkelijk zeldzaam en zeer verspreid. 
Van zijn verloren gegaan ,,vertrek van Karel II" maakten we reeds melding. Wij noemen 
hier nog een in brand gestoken klooster, (gem. W. Schellinks F.) een riviergezicht, (gem. 

1) De sterren, die het kruis behooren te vergesellen, zijn weggelaten. Het vronwelijk schild is mij niet daideliik 
Bnrgemeester Gerbrandt Claesz Pan ras werd 6 November 1649 in ^^ Oude 'KittVh^^n.'^^xi (M, Hter borgtmeesUr 
garbrant klasen fctnkaras komt van de niwendyck van daen en is 2} {uur) beluyt met de grote kloek, ... ƒ 21. — zegt 
het begrafenisboek.) Zijne vrouw was Aleyde Michielsik Blaeu. Van hun neef (kleinzoon?) Gerbrandt Pancras 
VAN Erpecom, die in 1648 een der eerste-steen-leggers van bet nieuwe Amsterdamsche stadhuis was {y^. Béschrif' 
vingi der Nederlanden, . . . Bij Jctcob van Meurs 1660. IL p. 189) spreekt ook de inventaris van Schellink's boedel. 
Onder'de inschulden leest men: 

Gerbrand Pancras van Erpecom was schuldig volgens d*aenteekentnge van Wiltem Sckellincks Zalr» omtrent 
hondert guldens^ '/ Wf lek met hem geaccordt en ajfqemaeckt is zwor vijff en twintig h ttlvere dukatons (ƒ 78. — ) 

^ De teekening is het eigendom van den heer GeorgeSmith te Londen. 

*) Men vindt er teekeningen m van Boomer, Esselens, Adr. Matham, EL Saftleven, Waterloo, W. Schellinkt 
B. Savry, Zeeman, Moucheron e. a. Zie F. von Bartscb Die kup/erstichsammlung der K, K, HofbibUotkêk in 
Wien p. IX. F. de Hellwald Voyage cTAdrien Matham au Maroc p. 6 — 17 en P. J. H. Baudet Leven en werken 
van W, y%, Blaeu^ p. 163 — 165. 

*) Uffenbach Merkwürdige Reise Uim 1754. UI p. 602, waar Schellincks naam tot W. Schellekius JB 
verhaspeld. Blijkens Uffenbach was de atlas in 171 1 in het bezit van van der Hems dochter ,^ine Juugfer fiber 
fttnfzig Jahr alt, catholisch, und wie man es in Holland nennet ein klopje,^ 

*) Zie de noot op bl. 150. Ook bij Boymans, in de collectie Malcolm enz. zQn teekeningen van Schellinks. 

^ Wessely. Abr. Bloteling No. 123. De prent is gemerkt: W, Schellinkx invent. A. Blooteling Sculp. 

3) De uitvoerige uitleggng van deze voorstelling hebben de uitgevers noodig geacht in de voorrede op te 
nemen. „In de tytelprint vertoont de teekenkonst het beeldt der Historie met vleugels, die de snelheit des tijdts 

Terbeelden, . . . Het kindeken ter rechterzijde vertoont de Lof die de Helden en vroomen in de Historie 

genieten. Het ander aen de linkerzijde met den geeselriem en de brandmerken beteekent de laster en bonsping 
die de Tjnrannen en boosdoenders zich op den hals haelden enz. enz. 



WILLEM SCHELLINKS. 161 

W. SCHELLINCXS Fe.) beiden te Kopenhagen, een landschap met roovers in het Stadelsche 
Institut te Frankfort y een gevecht tusschen boeren, en soldaten bij een in brand staande 
kerk, waarschijnlijk te Cassel^ een landschap met een kasteel op een rots (gem. W. s.) en 
een ,,chateau composé de plusieurs batiments en briques" *), gem. W. Schellinks, beiden 
te Petersburg. Overigens verwijs ik naar Hoet's Catalogus, waarin nog verscheidene stukken 
van Schellinks worden genoemd. Een der weinige zijner schilderijen, die men nog in zijn 
vaderland aantreft is de, ook door Kramm genoemde, afbeelding van den tocht naar Chatham '); 
zij berust in het kabinet Six. Romein de Hooghe heeft dezelfde voorstelling gegraveerd ; 
vergelijkt men zijne afbeelding*), op welke W. Schellinks pinxit staat, met de schilderij, 
dan moet men aannemen, dat DE HoOGHE zich niet getrouw aan zijn voorbeeld heeft gehou- 
den of dat er een tweede door Schellinks geschilderde voorstelling van hetzelfde feit 
bestaat. Het eerste houd ik voor het waarschijnlijkst, want hier en daar vertoont zich 
op de prent, naar mij voorkomt, de inventie van Romein de Hooghe.*) Onverdienstelijk 
is de schilderij niet, de talrijke figuurtjes zijn niet onaardig, maar niet altijd juist van 
tetkening; een eentoonige overheerschende groene kleur doet het geheel afbreuk. 

Het is merkwaardig aan hoevele verschillende kunstenaars Willems schilderijen de 
beschouwers herinnerden. Houbraken zegt, dat zijn „koleur" gedeeltelijk gelijkt op die 
van Karel du Jardin *), gedeeltelijk op die van Lingelbach en zag „een stukje met 
Paarden en Beestjes van hem, 't geen veel gelykheit had na. P. WOüWERMAN." Waagen •) 
denkt bij een zijner schilderijen aan Pijnacker, bij een ander aan van der Hevde; 
men zegt, dat hij figfuren in schilderijen van WiJNANTS en LiNGELBACH heeft geschilderd 
en zooals ons uit den inventaris') bleek, hebben NiCOLAES BF.RCHEM^en F. MOUCHERON 
eenige zijner schilderijen gestoffeerd en afgemaakt. Dit alles is zeker reden genoeg om 
bij het bezoeken der verschillende musea en verzamelingen meer aandacht aan WiLLEM 
Schellinks te wijden dan tot nos: toe is geschied. ^ ^ . .\ ^ ., ./, 



^) Het zoik niet onbelangrijk zijn dit stuk met onze prent te vergelijken; zoo gped als zeker stelt ook deze 
schilderij de buitenplaats van Pancras voor. In den Catalogus van de Ermitage van 1870 wordt de schilderij uitvoerig 
beschreven en leest men o. a.: La grille, qui forme Pentrée principale est surmontée de deux lions tenant les 
armoiries de propriétaire (d*argent k la croix de gueules cantonnée de quatre étoiles de sable) et de sa femme 
(armoiries peu distinctes)". Het beschrevifi wapen is dat van Pancras. 

*) Op doek, h. <x^o br. 0.97. Van onderen links gemerkt: Schellinks, achterop: No. 459. 

') Muller hist. pr. No. 2256. 

^) Het met have en vee vluchtende landvolk ter linkerzijde heeft op de prent voor het Engelsche leger plaats 
gemaakt, op den voorgrond in het midden is op de prent geen heuvel met een hellebardier en een man met een 
verrekijker, als op de schildeHj ; daarenboven is de gegraveerde afbeelding uit een ander oogpunt genomen. 

*) Naar aanleiding van deze woorden laat men somtijds, ook in de beste Catalogi, Dujardin voor Schellinks* 
leermeester doorgaan. Neemt men den vermoedelijkcn tijd van hunne geboorten in aanmerking, dan zou er evenveel 
reden zijn SchelUnks voor een leermeester als voor een leerling van Dujardin te houden. 

•) 'Die Gemdldé Sammlung in der Eremitage zu St. Petersburg, /. 249. 

7) Hier zij nog vermeld, dat in den inventaris onder de inschulden deze post voorkomt: ^'/^''•^'^y^^'^^/'' • «/i* — 

21 



n 



162 WILLEM SCHELLINKS. 

ETSEN 

DOOR 

WILLEM SCHELLINKS. 

I. 

Olipodrigo^) 

br. 79, hoog 55 mm. zonder, 60 met marge. 

Op een tafel, van welke slechts een gedeelte te zien is, staat een groote schotel, 
waarin allerlei voorwerpen op en door elkander liggen: een muizenval, een uit rozen en 
tulpen bestaande bruidskroon» een koker met pijlen, een boog, een kan, een geweer, een 
raket, een fluitglas, een roemer, een scepter, een verkeerdbord, een mes, pijpen, een 
muziekboek met een fluit, een viool, een flesch, een stuk koek, een doos, een rommelpot, 
kaarten, een schaats, een lantaarn, een hengelroe en een zwaard; op de viool lig^ een 
lauwerkrans; naast den schotel een marot Op een stukje papier, dat op den rand van 
den schotel ligt, staan Schellinks initialen W S, met spiegelschrift; dezelfde letters statn 
onduidelijk in den rechteronderhoek. Van boven een lint, waarop: D*OLIPODRIGO., In 
het marge : /* Amsterdam, bij Evert Nieuwenhoff^ op */ Ruslant. 



2. 

De kwakzalver. 
breed 85, hoog 62 mm. 

Op een stellage danst een hansworst, een houten sabel op zijde, bij het geluid 
van een tamboerijn, die hij boven het hoofd houdt; de kwakzalver met hoogen hoed op 
het hoofd en breeden geplooiden kraag bespeelt een guitaar; op de bank, waarop hij zit, 
lig^ zijn koopwaar. Een man met langen neus steekt, tusschen hen in, zijn hoofd door 
de gordijnen; ter rechterzijde op den achtergrond staat een man op een ladder en 
zijn, even als op den voorgrond, de hoofden der toeschouwers zichtbaar. In den rechter- 
bovenhoek: WS (door elkadr) 

I. voor de randlijnen; op bl. 19 van D^Olipodrigo 1654 

II. met de randlijnen; opgesneden b. v. het rechterbeen van den kwakzalver en 
de schaduw, die van den dansenden hansworst op den grond valt, met kruisharceering. Op 
bl. 37 van Koddige Olipodrigo of nieuwe kermiskost^ f Amsterdam, by Evert Nieuwenhoff 16$$ *). 



ï) Dit etsje is de tittX^rtni y^xii D* Olipodrigo .., . Het eersU deel ^ Amsteldam ,,, , 1654. Zie de volledige 
titel hiervoor bl. 157. 

*) Vgl. hiervoor bl. 157 in de noot d. 



■WILLEM SCHELLINKS. 188 

3- 

„Z>' Amsterdamzc Vuil e -bruid" 

br. 80 h. 57 mm. 

Twee mannen dragen bij nacht een tobbe op een burrie. Van de linkerzijde strekt 

zich een muur, waarboven de gevels van een paar buizen zichtbaar zijn, tot het midden 

uit; ter rechterzijde onderscheidt men de masten van een paar schepen, die achter een brug 

liggen. Op bl. 67 van de Olipodrigo. . . .1654, en op bl. 21 van Koddige OUpodrigc of 

nieuwe kerrniskost 1655. 



4- 

Cupido gebakerd. 

br, 83, h. 62 mm. 

In een landschap bakeren vier meisjes den gevleugelden Cupido ; een van hen, die op 

den grond is gezeten, htvidt hem op den schoot, een tweede knielt bij haar, terwijl de 

twee anderen staan ; op den voorgrond ligt een rol linnen ; links bij eenig geboomte maakt 

een vijfde meisje een wieg gereed. Op den achtergrond rechts zeven vrouwen, vechtende 

om een mansbroek. In den rechter onderhoek W. S. (door elka4r). 

I. op bl. 103 van de Otipodrigo 1654. 

II. opgesneden b.v. : de gehecle voorzijde van de wieg en de schaduwen, dte 
van het zittende en van het knielende meisje op den grond vallen, met kruisharceering; op 
bl, III van Koddige OHpodrigo of nieuwe kerrniskost 1655. 

Amsterdam, Februari 1883. . 



IETS OVER DE KINDEREN 

m 

DE BEGRAAFPLAATS VAN ANTHONIE PALAMEDESZ. 

M». N. DE ROEVER. 



IE vei^eefs heeft men den stetfdag en de begraafplaats van den in den hooMe 
dezes genoemden kunstenaar te Delft gezocht. Men wist, dat hij nog in 1673 
als overman van 't gilde van St. Lucas aldaar gekozen werd, men ontdekte, 
dat in Januari 1674 Aeghjen Woedewarts voor Weesmeesteren van Delft 
t de verklaring, dat zij, weduwe zijnde, rechtens aan haar minderjarig kind 
Arthur bewijs moest doen, en men besloot daaruit, dat hij in 1673 overleden moest zijn, 
maar men kon zijn graf niet aanwijzen. 

Wat men te Delft meende te moeten zoeken is thans te Amsterdam gevonden. 

Op den i"^ December 1673 werd in de Oude kerk begraven Anthonv PALAMEDESZ, 
komende van de Oude Schans. Voor zijne begrafenis werd aan de kerk / 15 betaald. 

Hoe kwam ANTHONIE te Amsterdam op de Oude Schans? Ziedaar een vraag, 
waarop ik hier het antwoord ga geven. 

Havard's onderzoekingen hebben de namen van vier kinderen, uit de twee huwelijken 
van onzen meester geboren, aan het licht gebracht. Reeds was ik in 't bezit van 
aanteekeningen, betrefTende personen, die den naam Palamedes schijnbaar als patronym 
droegen. Dat. daar een verband tusschen deze personen en AnTHONV bestond, bleek mij 
uit het doopregister der Nieuwe kerk. Op den 10 November 1671 werd aldaar met den 
naam AnthoNY gedoopt een kind van PalamEDES . PALAMEDESZ en van DIEUWERTJE 
Hettens, bij welken doop als getuigen stonden Geurt Beeldsnijder — een welgesteld 
koopman uit dien tijd, een der voorvaderen van de nog bekende familie Beeldsnijder — en 
Aagje Woodwarth — de tweede echtgenoot van den schilder. 

Palamedes, de oudste zoon van Anthony, woonde dus reeds in 1671 te Amsterdam 
misschien reeds in het huis op de Oude Schans, waaruit den 12 Februari 1676 een zijner 
kinderen evenzeer in de Oude kerk begraven werd. 

Anthony werd dus vermoedelijk uit het huis van zijn zoon begraven, 't Is niet 
onmogelijk, dat de dood hem tijdens een kort verblijf bij zijn eersteling overvallen heeft. 



IETS OVER DE KINDEREN EN DE BEGRAAFPLAATS VAN ANTHONTE PALAMEDESZ. 165 

Zijn weduwe en zijn jongste zoon schijnen zich weldra te Amster dam metterwoon ge- 
vestigd te hebben, hetgeen met het oog op den door schulden bezwaarden boedel des 
vaders zeer verklaarbaar is. ArthüR Pallemedes, van Delft, werd althans den i^cn Januari 

1681 aangenomen als poorter der stad Amsterdam ^) en ontving den iS^ea Januari daaraan- 
volgende eene aanstelling als wegec in de Waag*). Hij schijnt omstreeks ' denzelfden tijd 
in 't huwelijk te zijn getreden met Cornelia Pickering, want zij lieten den 8»t«n Maart 

1682 een zoon met den naam Anthony doopen. Dit kind werd den jokten November 1682 
in de Nieuwe kerk begraven. Arthur woonde toen op de Keizersgracht, doch twee jaar 
later, toen hij weder een kind ter aarde liet bestellen, op de Nieuwe Prinsengracht. 

Een tweede Anthony schijnt niet gelukkiger te zijn geweest; den 20 April 1689 
gedoopt in de Nieuwe kerk, ontsloot* zich den 2 Juli daaraanvolgende de groeve om zijn 
lijkje te ontvangen. 

Ik zou van deze beide pcetekinderen van onzen schilder geen gewag gemaakt heb- 
ben, ware het niet, dat de doopregisters bewezen, dat Arthür, hij moge een onaanzienlijk, 
aan den handel en niet aan de kunst verwant, ambt bekleed 'hebben, daarom nog niet 
alle betrekking met kunstenaarsfamilien had afgebroken. Bij den doop vanden eersten Anthony 
was Philips, de zoon van Philips de Koning getuige, tegelijk met de . grootmoeder, 
Agatha Woodward, die nog als getuige stond bij den doop van den tweeden Anthony. 

Cornelia Pickering overleefde haar kind niet lang, zij werd den i Augustus 1689 
in de Nieuwe kerk ter aarde besteld. Arthur woonde toen in de Amstelkerkstraat en kon 
zijne Cornelia zoo spoedig vergeten, dat hij kort daarna weder in 't huwelijk trad met 
Maria van Rixtel, die hij uit hetzelfde huis den 30 October van 't volgende jaar naarde 
Nieuwe kerk zag dragen. 

Drie jaren later overleed hij zelf. De Nieuwe kerk nam den 22 December 1693 zijn 

stoffelijk overschot op. Palamedes zijn broeder, overleefde hem en werd den 2 October 

1705 in een kerkgraf in de Zuiderkerk begraven. In dezelfde kerk werd den 29 April 1727 

bijgezet Anna Pallamedes, vermoedelijk eén dochter van laatstgenoemde en weduwe 

van Dirk Hoogeboom, toen woonachtig bij de Leidsche poort. 

■ Behalve de hier behandelde kinderen, had Anthony Palamedes nog eene dochter, 
die, zoo we Havard's opgave mogen gelooven, Maritge heette. Ik teekende aan, dat 
er in denzelfden tijd te Amsterdam eene vrouw van 40 k 60 jaren leefde, die den naam 
Jannetje Palamedes droeg. Deze dame was met Gerard Martens gehuwd en woonde tijdens 
haar overlijden, voorgevallen in Februari 1694, op de Prinsengracht over de Amstelkerk. 
Zij was toen weduwe en had meerderjarige kinderen te Woerden woonachtig. Dit blijkt 
uit de aanteekening geschreven in het doodboek van de Oude kerk ter weeskamer berus- 
tende, alwaar op den datum van 10 Februari^ van hare begrafenis melding wordt gemaakt. 



O Poorterbock. •) Groot memoriaal VII. bl. 3i ro. 



OTTO MARSEUS 



mk. a. d. de vries Az. 



Irro MaRSEUS, schilder van planten, insecten en kruipende dieren, is in zijn 
vaderland bijna geheel vergeten; slechts in buitenlandsche musea kunnen zijne 
landgenooten met zijne schilderijen voldoende kennis maken. Het is daarom 
wenschelijk, dat de eerste gelegenheid de beste worde aangegrepen, om ook 
zijn werk een plaatsje te verzekeren in de musea van den staat en aldus worde mede- 
gewerkt om hem weder bij zijn eigen volk bekend te maken. Hij verdient dat ten volle, 
want slechts weinige der schilders, die, als hij, het leven van „vergiftige slangen, paddeD, 
hi^edissen en insecten" op het doek brachten, overtreffen hem in uitvoerigheid en 
juistheid van voorstelling. Het best kan men nu zijne werken te Sckwerin bestudeeren, 
waar niet minder dan zeven zijner schilderijen worden aangetroffen. Overigens vindt men 
zijne gewaarmerkte stukken te Bnmswijk, te Berlijn^ tsDresdfn,X&Florence,teMo»ipellier 
in het Museum Fabre, te Augsburg, te Hamburg^ te Stockholm ') enz. De mij bekende jaren, 
die op zijne schilderijen voorkomen, zijn: 1660 (Schwerin), 1662 (Brunswijk), 1663 (op 
het kasteel Fredensborg in Denemarken*), 1669 (Schwerin), 1671 (Dresden), 1676 (Schwerin). 
Hij spelt zijn naam op zijne schilderijen zeer verschillend: 

O: Marseus, Otto Marseus, Otto Marseo, Otho Marseu.sV. Schrick, Otho 
Marseus van Schrieck, o. Marsevs D. S. enz. 

Reeds herhaaldelijk is gebleken, dat de Sckouburgh der schilders van ArnolDüs 
HOUBRAKEN met voorzichtigheid moet worden gebruikt en dat vele zijner berichten, ook 

') De ichilderij in het moseam te Stockholm is {[etnerkt: O: i1 Mabïëls. 

^ Behklve de schilderij van Marseut (een diitelplant met slaag, vlinder eoi., gem. : Otto MAKsttL'S 1663) ug 
ik in 18S1 op het kuleel Fredensborg o. ■. nog de volgende schilderijen: een graftombe in een grot door D. Stoop 
(gem. : R*. Stoop fj — een goed stilleven : A. Hase fk 1669 — een vitcbvronw en e«n jongen met een eend door 
D. Vertakgen, — een kerk van 1650 door D. D, Blieck — een gioot rotSMbtig landschap door R. Roghhan — 
een wintergezicht van Avbkcahp — Doode Vogels: J. Biltü's pecit 1670 — cm. 



OTTOMARSEUS. 167 

dan wanneer hij de beste bronnen schijnt geraadpleegd te hebben, op bevestiging of 
weerlegging wachten. Ook datgene wat Houbraken over Otto Marseus, of zooals hij 
hem noemt: Marcelts, meedeelt*) is, ten spijt van het feit, dj^t Houbraken Otto*s weduwe 
heeft gekend en gesproken, onvolledig en voor een deel onjuist. Zoo verhaalt hij, dat 
Marseus „na dat hij I2 jaar getrouwd was geweest, overleed in *t jaar 1673, ruim 6o jaren 
oudt." Deze mededeeling, die de aanleiding was, dat Otto's geboortejaar gewoonlijk op 
161 3 werd gesteld, is in tegenspraak met datgene, wat ik in andere bronnen vondopge- 
teekend, en is allereerst in strijd met hetgeen ons de volgende acte van ondertrouw leert, 
die ik uit de Amsterdamsche Puyboeken afschrijf: 

Den 25 April 1664. 

Otto Merckj-IS van Nimwegen^ schilder^ oud 44 jare, geass. met (niet ingevuld), 
wo&nt b^ Diemen en Margrita Gijsels, van A{msUrdam) oud 20 jar e geass. tnet CORN. 
Gijsels, haar vader y woont opd Westernuxrct^ hij moeders consent goed ingebracht. 

(w. g.) Otto MarsvEüs de Schrieck. Margreta Gijsels. 

Otto is dus, volgens zijn eigen verklaring, niet in 1613, maar jn i6**/ao geboren 
en wel te Nijmegen^), waar men nu de doopboeken kan raadplegen, indien men den 
datum zijner geboorte nog nader wil trachten te bepalen. 

De schoonvader van den schilder was een wapensteensnijder, van wien reeds 
bekend is, dat hij het huis, door hem op de Westermarkt bewoond, in 1652 voor ƒ 8500 
had gekocht*). 

Marseus had, volgens Houbraken, in Engeland, in Frankrijk, en in dienst „van den 
Hertog van Florence" gewerkt en ook Napels en Rome bezocht. Wanneer hij te Rome 
was, hebben de latere kunsthistorici niet verhaald, ofschoon Samüel van Hoogstraten 
het in de volgende bewoordingen meedeelt : 

v,Onze Otto Marseus (alias Snufelaer *) heeft zijn bequaemhelt in de konst en tot 
v,wat deel hy neygde, genoeg laten blijken: Vf2int als ik in^tjaer 16^2 by hem te Rom:n was j 
^verwonderde ik my over zoo veel gedrochten, als hy onderhielt en voede: welkers 
^natuere hy ook zoo wonderlijk deurgronde, als hy hare gedaentens levendich heeft uit- 
^ebeelt •)" 

De liefhebberij van x Marseus, om zijn modellen te voeden en te bestudeeren, wordt 
ook door Houbraken, aan wien Otto's weduwe er van vertelde, vermeld. Hij verhaalt, 

') Zie Schoubur^h der schilders I. 357. 

2) Dr. Riegel spreekt in zijne Beitrëge sur Niederl. Kunstgeschichte II, p. 438, het vermoeden uit, dat Otto*6 
toenaam van Schrieck, een dorp van dien naam, in de nabijheid van Aerschot, als zijn „Heimathsort" zou aanwijzen . 

») Zie Archief voor kunstgeschiedeab II. bl. 9. 

^ „In de Bent doopten zij hem met dsn bynism Snuffjlatr, onaia't hij allerwegen naar vremd ^kleurde of 
gespikkelde slangen, hagedissen, rupsen, spinnen, flintertjes en vreemde gewassen omsnnffelde**, zegt Houbraken. 

*) Jnleydinge tot de Hóoge schoole der schilderkunst 1678, p. 169. 



168 OTTOMARSEUS. 

dat Marseus zijne dieren „buiten Amsterdam op een stuk laag land, daar zij best konden 
„aarden, tot dien einden omheint, dagelijks spy^de" en dat hij „een hok agter zijn huis 
,,had, om dezelve gereed tot zijn dienst aan de hant te hebben," Toen de Franschnuui 
DE MoNCONVS in 1663 Holland bezocht, bracht hij den 20 Augustus van dat jaar een 
bezoek aan Marseus te Ouater reik, zooals hij, in zijne wonderlijke radbraking der Hol- 
landsche persoons- en plaatsnamen, de woonplaats van Marseus noemt. Reeds werd 
vermoed'), dat de juiste spelling Waterrijk zou moeten zijn. Nu wij uit de acte van 
ondertrouw weten, dat Marseus in 1664 bij Diemen woonde, is het niet moeielijk te 
bepalen, waar hij verblijf hield, en kunnen wij veilig aannemen, dat het huis met ,4)et stuk 
laag lant" hetzelfde buitenplaatsje was in de Diemer- of Watergraafsmeer, dat nog in de 
l8*eeuw den naam Waterrijk voerde; het lag in de Middellaan, even ver verwijderd vaa 
den Kruisweg als van Frankendaal, aan denzelfden kant als deze, ook uit onze dagen, wel- 
bekende lusthof"). Langer dan acht jaar na zijn huwelijk kan Marseus op zijn Waterrijk 
niet ongestoord verblijf hebben gehouden, want in 1672 werd, bij de nadering derFran- 
schen, de geheele Dïemermeer onder water gezet') en zal ook onze schilder met zijne 
dieren een goed heenkomen hebben moeten zoeken. 

Reeds Dr. Schlie, de oordeelkundige directeur van het Museum te Schwerin, heefk 
er, naar aanleiding van de schjl^^crij van Marseus, die het jaartal 1676 draagt, op gewezen, 
dat bet jaar 1673, hetwelk Houbraken als zijn sterfjaar geeft, onjuist moet zlJQ*); de 
volgende aanteekening uit het begra/enisboek van de Nietewe Zijd& Kapel verbetert 
Houbraken 's onjuistheid en leert ons meteen, waar de Snuffelaar is gestorven en 
begraven 1 

22 Juni 1678. 

Een titan, Otto Marseus van Schrteck^ kompt van de nieuwe prinsegraft naast het 
■walf weeshuis over de nieuwe turfmarkt . ... ƒ IS- — 

') Zie h« aiUrekset uit Monronyi' Jeumal, door Abr. Bredius, in de Ncderl. Kunstbode 1880, bl. 414. 

') Vgl, de kurt in: Htt Vtrhiirlykt Walirgraaft cf Ditmtrmi^r. Amsterdam 1768. 

'1 Ook bij de waleiiDood van 1651 was de Diemenneer geheel onrfer wiler geraakt, maar reeds in 1653 kon 
men mei het „herstellen der vernielde huiien en planladien" beginnen. 

') Besihrtilundtt VtTseühnüs dtr iVrrie dlterer Meister ih der GrettlurtaglithtH Gemdlde-tSallerie ai Sehvèrin 
1881, p. 370. PaETHev. Detttichir Bi/deriaal noentl niet minder dan zes en dertig Bchüderijen van Marseus, allen 
in Duitschland. Daaronder komni voor met de jaartallen 1666, 1667, 1675 ^° 1^77- Achter de beide la«tsW 
jaartaUen plaatst Parthef, die natuurlijk op Houbraken moest vertrouwen, een vraagteeken. Te Rotterdam io het 
Museum Kovmans vindt men een kleine schildery, zonder naam, die terecht aan Marseui uordt toegeschreven. 



EEN VORSTELIJK GESCHENK. 

EEN BLIK OP DE VADERLANDSCHE NIJVERHEID IN 

DEN AANVANG DER ZEVENTIENDE EEUW 



Mr. N. de roever. 



AN ouds ts de handel de eerste en voornaamste bron geweest voor 
de welvaart en de ontwikkeling dezer landen. Onze stoute zeevaar- 
ders kruisten reeds in den tijd der duistere middeneeuwen het zilte nat 
van de Noordzee, waar zij langzamerhand groeiden tot heeren en 
meesters, — getuige de overlevering, dat de hollandsche schepen een 
bezem voerden in den mast — en weinige eeuwen later stevenden rijk- 
geladen ko|^en naar alle plaatsen van de Oostzee, waar tal van nederlandsche handels- 
stations de gemeenschap met het moederland onderhielden. Hadden in den ouden tijd 
de steden, binnen in 't land gelegen, ruimschoots haar deel gehad aan de voordeelen der 
handelswegen, door hare poorten geleid, de ontwikkeling van den zeehandel en . de 
scheepvaart was de steden aan de zeezijde ten goede gekomen, zoodat Tiel, Nijmegen, 
Utrecht en Deventer het gaandeweg hadden verloren tegen Kampen, Dordrecht, Amsterdam, 
Staveren en zoovele andere plaatsen van de zee-provinciën meer, als in de handelsgeschiedenïs 
van eene latere periode optreden. 

Het duurde niet lang of onze kooplieden zochten zuidwaarts een markt voor hunne 
producten. Of voeren zij niet op de Fransche en Portugeesche kustplaatsen, tot dat enkelen 
reeds in 't begin der zestiende eeuw zich waagden naar de Canarische eilanden en 

22 



170 EEN VORSTELIJK GESCHENK. 

Kaap Verde, tot zij op *t laatst dierzelfde eeuw deMiddellandscheZee voor zich openden*) 
^f den steven wendden naar Guinea? 

i Van toen af was het, alsof de Nederlandsche koopman zoowel als de Neder- 

landsche staatsman gevoelde, dat in den handel oost- en westwaarts de gouden bergen te 
veroveren waren van het tooverland, dat na de kruistochten in de verbeelding van het 
westersch Europa was komen spoken, dat men kende door zijn overheerlijke voortbreng- 
selen^ aan den vaderlandschen. bodem volkomen vreemd, en toch onmisbaar geworden in 
een land^ befaamd om zijn rijkdom en zijn welvaart. Nauwelijks was de natie zich van zijn 
kracht bewust geworden in den gemeenschappelijken strijd tegen den gehaten Spanjool 
nauwelijks had zich Vlaamsche ondernemingsgeest gehuwd aan HoUandsch* kapitaal, of de 
Nederlandsche zeeleeuw sloeg zich door de slagorde van Castiliaansche en Portugeesche 
vloten heen, en plantte het dundoek van zijn masttop op den bodem van het morgenland 
Zoo lag dan de groote vaart voor ons open, en daarmede de voordeelen van den directen 
handel op Indië en den Indischen archipel. 

Dus was de toestand toen de gulden eeuw onzer geschiedenis aanbrak; en *t kon 
wel niet anders of 't moest den fieren geest van den Nederlandschen koopman — tuk op 
het overvleugelen van iedere buitenlandsche handelsonderneming — verdrieten, dat zijn 
Engelsche en Fransche, na zijn Venetiaansche en Italiaansche mededingers het voorrecht 
hadden de goederen uit de Levant, het uitgestrekte gebied van de Ottomanische Porte, 
in westeUjk Europa aan te voeren. Waagde hij het al, na de vergunning in 1598 gekregen» 
schepen daarheen uit te rusten, dan moest dit geschieden onder bescherming van de 
Fransche of van de Engelsche vlag, en van de consuls door die natiën gesteld. Toch 
schroomden sommige onzer kooplieden niet onder dergelijke ongunstige verhoudingen zich 
in die Turksche havens te vestigen. 

De voordeelen, welke de handel aldaar beloofde, waren niet gering. Het mes sneed 
er van twee kanten, omdat zoowel de in- als de uitgevoerde goederen grove winsten 
afwierpen. In de Levant vonden de Engelsche en Fransche lakens en manufacturen 
gereeden aftrek. Ook de Hollandsche waren er niet minder aangeschreven, en meu ver- 
wachtte, dat onze weverijen, van oudsher beroemd, door den lakenhandel met het Oosten 
een tijdperk van nieuwen bloei zouden tegemoet gaan. Daarom verwondert het ons niet, 
dat de steden waar lakennering en weverijen zetelden, dat kooplieden en fabrikanten 
meermalen bij de hooge regeering aandrongen op het aanknoopen van directe betrekkingen 



1) Dat de Amsterdammerji reeds omstreeks 1560 op de Middellandsche Zee voeren, zon ik meenen te mogen 
afleiden uit de omstandigheid, dat in 1564 Class Jelisz, een zeeman en verwant van Mr. Pistsr Bickbk, te Argel 
in Barbarije gevangen zat. (Weesboek 8 bl. 6a vo.) 

Ik geloof niet, dat men hier aan een vergeten krijgsgevangene van den tocht van KarblV naar Tunis (1535) 
of van den zes jaren later mislukten tocht naar Algiers behoeft te denken. 

Het hier genoemde Argel ligt niet ver van Algiers. 



EEN VORSTELIJK GESCHENK. 171 

met den Grooten Heer. En de uitkomst heeft bewezen, dat zij daarin niet hebben mis- 
getast Zooveel is althans zeker, dat de groote bloei van onze lakeniiering samenvalt 
met het tijdperk, waarin de directe betrekkingen met de Levant werden aangeknoopt 
In dien tijd konden de regeerders van Amsterdam verklaren, „dat onder alle handelingen 
»ende neringen, daer door God Almachtig dese stadt heeft gesegent, de lakenhandel een 
»van de voornaamste is gehouden"*). En ook de burgemeesters van honderd en meerjaren 
later hadden deze woorden kunnen onderschrijven, want nog in 't midden der vorige 
eeuw, ja zelfs nog in 't begin van deze, was, als we den bewerker van den derden druk van 
Le Moine DE l'Espine „de Koophandel van Amsterdam"*) mogen gelooven, het voornaamste 
uitvoer-artikel naar de Levant het bij halve stukken zorgvuldig verpakte hoUandsche laken. 



Toen bij de Staten eenmaal het plan was gerijpt om pogingen bij den Grooten 
Heer te doen, tot het aangaan van een tractakt van handel en vriendschap, toen kwam 
het er op aan, om een goede keus te doen in den persoon, wien zij met zulk een gewich- 
tige zending zouden kunnen belasten, en tegelijk schreef een verstandige politiek voor, 
om door een of andere grootmoedige daad de Porte aan zich te verplichten. Een goed 
gesternte deed hun oog vallen op Dr. Cornelis Haga *), een rechtsgeleerde van naam, in 
de kracht zijns levens — (hij was te Schiedam geboren in 1578) — die een paarjaar te voren 
een zending naar Stokholm gelukkig had volbracht, alwaar hij de gelegenheid had gevonden, 
om den grondslag te leggen voor onzen handel met Moscovië, en die daarbij in 't Oosten 
niet onbekend was, omdat hij Constantinopel reeds vroeger had bezocht De gelegenheid 
om de Porte tbt dankbaarheid te stemmen lag voor de hand. In gevechten met Turksche 
kapers op de* Middellandsche zee, had Janmaat menig zeeschuimer overmand en als 
gevangene naar den kerker gevoerd. Al deze onderdanen van den Sultan herkregen 
hunne vrijheid, en daarmede de vergunning om naar het Oosten terug te keeren. Toch 
zou onze gemachtigde niet aanstonds slagen. Inde vergadering der Staten-Generaal van 21 
Mei 161 2 werd een brief van Dr. Haga ontvangen, meldende dat hij den 11 Maart te 
Constantinopel was aangekomen. Welke moeielijkheden hem daar in den weg werden 
gelegd door de gezanten van Frankrijk en Engeland is uit 's mans levensgeschiedenis 
bekend; vermoedelijk heeft hij in den bedoelden brief er uitvoeriger over geschreven en 
een beroep gedaan op grootere vrijgevigheid van de Staten, dan waartoe zijne instructiën 
hem wettigden, althans de vergadering machtigde hem, om „de zeven Bassaas te vereeren 



*) Handv: v. Noordkerk II. bl. 1134. 

GuicciARDiN meldt, dat in 't midden der XVIe eeuw te Amsterdam meer dan 12,000 stukken laken werden 
gemaakt, die meerendeels naar de kusten van de Oostzee werden uitgevoerd. Van elders weten wij, dat Amsterdam 
de eenige hollandscbe stad was, waar laken voor Duitscbland werd vervaardigd. 

•) De Koophandel van Amsterdam 1801. deel II bl. 129. 175. 

*) Eene levensbeschrijving van Dr. Corneus Haga is gegeven door den Heer J. van Harderwijk. 

$2* 



172 EEN VORSTELIJK GESCHENK. 

12 k 1500 gl.'**) 't Schijnt dat de Turksche grooten niet ongevoelig waren voor derge- 
lijke klinkende Vriendschapsbewijzen. Haga werd voor den troon des Grrooten Heeren 
gebracht, en zijn verzoek in gunstige overweging genomen. Zijne overredingskracht miste 
hare uitwerking niet, voorzeker omdat zij gesteund werd door doeltreffende middelen als 
de bovenvermelde. Den 6 Juli 161 2 werd het traktaat gesloten, en Haga als „ambascia- 
door" erkend met het recht om overal in het Keizerrijk zijne consuls te mogen stellen, 
een recht, waarvan hij weldra gebruik maakte door zijn secretaris CORNELIS Pauw 
Renierzoon met de noodige instructiën naar Aleppo te zenden. 

Was dit reeds een bewijs, dat de Porte ons op gelijken voet met de Franschen en 
Engelschen in hare staten wilde toelaten, het verdrag verzekerde ons nog daarbij het 
recht om vrij te kunnen binnenloopen in de Turksche havens en overal te mogen handel- 
drijven, zelfs in artikelen, waarvan de uitvoer tot dusver verboden was, gelijk b. v. katoen, 
was, huiden en zout Geen der onderdanen van de Staten zou voortaan — zelfs al werd 
hij gevangen genomen op een vreemden bodem — in slavernij mogen weggevoerd worden, 
noch door haar eigen onderdanen, noch door die van hare vassalstaten Algiers en Barbarije. 
Alle Nederlandsche slaven werden vrij verklaard, alle geroofde Nederlandsche goederen 
moesten worden teruggegeven. De Sultan bedong zich alleen het recht om een „tol" van 
drie percent te heffen van dè waarde der uitgevoerde goederen, en vorderde van de Staten 
de bepaling, dat deze van hunne zijde geen Christen zouden beletten den Islam te om- 
helzen, een voorwaarde waarin de Staten te gereeder konden treden, omdat zij den weg 
moesten openhouden voor diegenen hunner landgenooten, die liever Turksch dan Paapsch 
wilden worden. 

De drie en zestig artikelen van het tractaat*) waren voordeelig voor onzen handel. 
Wat wonder, dat de hooge regeering zeer ingenomen was met „den inhoude van de Capi- 
„tulatie, die zijne Keyserlycke Majesteyt dese Landen had gegundt ende geaccordeert," 
en dat zij van hare zijde alles heeft gedaan om er voor te waken dat „de expresse ende 
„regoreuse verbooden daarinne vervat" stiptelijk door onze kooplieden werden geëerbiedigd, 
't Is wel gebeurd, dat onze kooplieden, te „fel op winst behalen", de gunsten bijna hadden 
verspeeld, als niet tijdig vertoogen van den Orateur (dit was de titel van den'ambassadeur 
ten hove des Sultans) en strenge bepalingen van de Staten het weder hadden goedgemaakt. Of 
echter de Porte zelve zich altijd aan de tractaten hield mag betwijfeld worden. Dat hare vassal- 
staten het niet deden heeft menig Hollandsch matroos, zuchtende onder 'tjuk der slavernij 
in 't bagno van Algiers, tot zijn schade ondervonden. Daaraan schrijve men de repressailles 
toe, door de Staten bij resolutito van 11 Maart 1651, 8 en 13 Juli 1676 genomen, waarbij 
o. a. den Hollandschen schippers de bevoegdheid werd toegekend om de Turken op de 



*) Resolutien-boek der Staten-Generaal. 

<) In zijn geheel is dit tractaat te vinden bij Cau en Scheltus, Groot Placcaatboek III, biz. 583. 



EEN VORSTELIJK GESCHENK. ' 173 

Algerijnen buitgemaakt, in Spanje voor slaaf te verkoopen. „Zo verre", aegt van Zurck '), 
„is dan 't Jus Gentium tegen hen gehouden, die dat zo dikwils schenden en zich on- 
„waerdig maken." 

Toen evenwel het tractaat tot stand was gekomen, konden de Staten nog denken 
dat alles was „pour Ie mieux dans Ie meilleur des mondes." 

Met een gepast geschenk wilden zij hunne dankbaarheid den Sultan en eenige 
groote Bassa's tastbaar bewijzen. De keus daarvan kon niet moeielijk zijn, het geschenk 
moest een bloemlezing worden van onze handelsartikelen en van de voortbrengselen van 
onze nijverheid, opdat de Groote Heer aanstonds zou ontwaren waarmede de HoUandsche 
koopman de markten van het Oosten zou komen verrijken, en zou kunnen bespeuren, dat 
de Nederlandsche industrie zich met die van Frankrijk en Engeland durfde meten. Daarom 
besloot men een som van zes duizend gulden uit de inkomsten van 't kantoor der convoyen 
en licenten te Amsterdam, voor dit doel af te zonderen en de Raadsheeren Bas en Joachimi 
in conmiissie te benoemen om voor de noodige aankoopen zorg te dragen. Deze heeren 
droegen met voorkennis van HoogMogenden, hun last over aan den amsterdamschen oud- 
burgemeester Reinier PAUW')eaaan zekeren Lambert ' Verhaer •) uit Constantinopel, die 
was aangewezen om, in gezelschap van drie bedienden, welke den Orateur Haga door 
Hoog Mogenden werden toegevoegd, de geschenken per scheepsgelegenheid naar de plaats 
hunner bestemming te geleiden. Het schijnt, dat de. genoemde Raadsheeren de verant- 
woordelijkheid van een dergelijke zaak niet wilden dragen en van oordeel waren, dat alle 
zaken, die in aanmerking konden komen, beter te koop waren in Amsterdam en beter 
koop zouden worden ingeslagen door een man, die, als de burgemeester, met kooplui en 
marktprijzen bekend was. Verhaer, die men met den smaak aan 't Turksche hof ver- 
trouwd mocht rekenen, zou hem daarbij van veel dienst kunnen zijn. 

Maar toen die heeren eenmaal de rijk gestoffeerde winkels van de Amsterdamsche 
kooplieden waren binnengetreden, toen ze daar het eene schoone artikel na het andere 
insloegen, was hun die luttele som weldra door de vingers gegleden. Reeds was het drie- 
voud dier gelden besteed en nog had men te zorgen voor verpakking, transport, assurantie 
en andere onkosten meer. Eindelijk beliep de rekening een cijfer van 20562 : 1 1 : — : gL 
Inmiddels hadden Hoog Mogenden ingezien, dat zes duizend gulden niet voldoende zou zijn 
om een geschenk, een keizer waardig, te bekostigen en zoo besloten zij den 9 October zonder 
eenige deliberatie") dit cijfer tot 20000 gl. te verhoogen, een som waarover de Burge- 



7) Codex batavus {1757) blr. 11 36. 

•) Over de oud-borgemeesters — gemeenlijk behielden rij den titel van burgemeester — en den invloed van 
hnn college (den Ond-Raad) op de regeeringazaken, rie mea Wagsnaar III, bl. 296, 

*) Misschien was Verhaer de man, die het tracUat aan de Statm^ had overgebracht. 
1*) Re«plntien-boek van de Staten-GeneraaL 



174 EEN VORSTELUK GESCHENK. 

meester ten kantore van Marten jansz. HoeFfyser, ontvanger van 'de convoyen en 
jicenten te Amsterdam, kon beschikken. 

Het Iaat zich hooren, dat Hoog Mogenden, toen de voorwerpen eenmaal met uitge- 
zochten smaak waren bijeengebracht, bizondere zorg besteedden aan de verpakking. Twee 
uit hun midden, Bas en Pauw, werden den 17 November") benoemd met twee leden uit 
het college ter admiraliteit, waartoe de Heeren DiRCK JACOBSZ. SCHOONHOVEN en Jacob 
Breedt werden uitgenoodigd „omme - gemaeckt hebbende pertinenten inventaris van de 
„goeden ende presenten, die van wegen hare Ho Mo gesenden werden naer Constantino- 
„polen, om die te presenteren aen den Grooten Heere ende die Bassas, deselve wel te 
„doen packen, laden ende bewaren, mitsgaders de packen mette wapens van de provintien 
„ende den leeuw mette pylkens te besorgen, also dat die alomme vrij mogen passeeren." 
Aan die opdracht werd gevolg gegeven, ja, de Heeren van de Admiraliteit brachten nog 
de boodschap mede, dat zij de vracht der goederen zouden bekostigen. *•) 

Eindelijk deden de heeren Bas en JOACHIMI in de vergadering van Hoog Mogenden 
gehouden 13 Febr. 161 3") rapport betreffende hunne commissie. Onder overlegging 
van de bewijsstukken deelden zij mede, dat de rekening enkele honderde guldens hooger 
geloopen was, dan de som daarvoor aangewezen, en dat de burgemeester nog moest 
worden schadeloos gesteld voor zijne onkosten van „reijsen en andere teerkosten alhier 
„in den Hage gedaen" ten bedrage van / 41 : — . De wanhopige kortheid van alle reso- 
lutie-boeken van regeeringscoUeges laat alleen veronderstellen, dat zich stemmen tegen 
het toestaan van meerdere gelden hebben verheven, immers eerst „na deliberatie" werden 
beide posten goedgekeurd en tot het geven van een nieuwe kas-aanwijzing op den ont- 
vanger besloten. Aan deze resolutie werd de bepaling toegevoegd dat „alle de stucken 
„van de assurantiën ende anderen daertoe dienende" — m. a. w. de polis en de kwitantien — 
zouden worden bewaard „by de Archiven van 't Landt, om te dienen tot verantwoordinge 
„ende andersints in tyden ende wylen tegen die asseuradores ende andere, naer vereysch 
„der saecken ende occurenten." Daar berusten ze nog heden ten dage, daar heeft de 
Heer Jhr. M. C. H. Ridder Pauw van Wieldrecht, een nazaat van den bovengenoemden 
burgemeester, ze laten afschrijven. Het is aan zijne welwillendheid te danken, dat ik 
die copieCn voor dit opstel heb mogen gebruiken. 



Nadat we in 't kort de aanleiding tot en de geschiedenis, voor zoover we die konden 
volgen, van het geschenk hebben nageg^n, zullen we in gedachten de kassen, kisten en 
balen eens openen, om met den inhoud kennis te maken. 



1^) Resolutien-boek ran de Staten Generaal. 

*•) Uit de polis van assurantie blijkt, dat de goederen verzonden zijn per schip ,/le Swarte Beer," kapitein 
DiRCK PiETSRSZ. Proost van Enkhuizen.^ 
^) Resolutien der Staten Generaal. 



EEN VORSTELIJK GESCHENK. • 175 

De kisten gemerkt i tot en met i6 hielden zestien stoelen in, de eene nog prachtiger 
dan de andere. Twee waren er van ebbenhout, van voren en van achteren bekleed met 
violetkleurig „twee haer" fluweel k 35 schellingen de el"), dat rijk met goud was gebor- 
duurd en met gouden franje en vergulde g^oote en kleine nagels afgezet. 

Deze stoelen, zoowel als het zoo aanstonds op te noemen zestal stoelen van 
,,gemarbelt of letterhout**, werden „veltstoelen" genoemd, en waren door den spaansche- 
stoelmaker LUCASJANSZ gemaakt en bekleed. Rameken Fellebier had er de franje voor 
gemaakt. Zijn arbeidsloon bedroeg tien stuivers de el voor de groote eu vier en een 
halve stuiver voor de kleine franje. De ebbenhouten stoelen kostten 52 gulden het stuk, 
de letterhouten slechts vijf gulden minder. Notenhouten stoelen schijnt LucAS voor 
20 gulden te hebben kunnen maken. Ook daarvan komen er zqs op zijne rekening voor. 
Evenals de ebbenhouten stoelen werden ze rijk bekleed met rood, blauw of purper cramoisi 
fluweel"), meerendeels van 31 schellingen de el. GuiLLlAM van DEN Beugel, borduur- 
werker in de St. Annastraat, had twee rood fluweelen stoelen met blauwe zijde en gouden 
lovertjes, en twee blauw fluweelen met oranjezijde geborduurd. Het was zeker geen gemak- 
keiijk werk geweest, want het borduren van de eerstgenoemde stoelen kostte 8lg, van de 
andere 5^ ponden Vlaamsch per stuk. Een zijner concurrenten versierde daarentegen een 
tweetal donker rood fluweelen stoelen, te samen voor S^ pond. Nog werd een tweetal 
stoelen bekleed met ,,rijk gefrysseert goudelaecken", dat per el betaald werd met 3 3 schel- 
lingen» Maar hoe prachtig deze stoelen ook wezen mochten, ze stonden in de schaduw 
bij twee ebbenhouten, geheel vergulde stoelen, welke ieder met 2 ellen blauw satijn k 17 
schellingen de el bekleed, en versierd waren met zijden en gouden franje en nagels. De stoelen 
alleen hadden samen 100 gl. gegolden en met het uitschulpen van het houtwerk, het 
snijden der staande leeuwen op den rug, en der liggende leeuwen aan de armen 
was de rekening nog met 1 5 gulden voor iederen stoel verhoogd. Frans Jansz. Sampson 
had ze geleverd en PiETER VAN Rathem de Jonge had ze voor 80 gulden het stuk 
verguld. *•) Men kan zich eenigzins een denkbeeld maken van de pracht dezer stoelen, 
als men berekent, dat dit zestiental stoelen te samen op meer dan ƒ2500. — was te 
staan gekomen. 

Behalve het fluweelen of satijnen bekleedsel dezer stoelen waren er van dezelfde 
stoflen stukken meerendeels van 1 1 ellen aangeschaft^ om die onversneden aan den Grooten 
Heer aan te bieden. Van verschillende kleuren kreeg hij ongeveer drie honderd ellen, 
gedeeltelijk efien, gedeeltelijk „ghebeelt**, gedeeltelijk in één kleur, gedeeltelijk in twee 



1^) Rekening van Elias van Ghebl. 

u) Rekening van Pister Pistsrsz. Can. Het roode flnweel bestoni in 2 kwaliteiten van 38 en van 31 
schellingen» het blanw fluweel kostte 27 schellingen de ei. Behalve het reeds genoemde „twee haer" flaweel, 
bestond er ook ,^en haer" fluweel, een goedkoope soort. 

I*) Elders teekende ik aan, dat een vergulder in *t begin der XVlIe eeuw y^gontsmeerder" werd genoemd. 



176 • EEN VORSTELIJK GESCHENK. 

kleuren (b. v. oranje en columbin, oranje en zwart), op dubbel satijnen grond bewerkt*^. 
De prijzen da^uvan verschilden van 37 tot 22 schellingen de el. Bij het „ghebeelde" 
fluweel vinden we uitdrukkelijk vermeld, dat het hier te lande „gemaect" was. Een bijna 
even rijke sorteering van stukken ,jennis, beloyns of milaans" satijn verzelde de zending. Het 
satijn of zijdelaken was wederom effen of gebloemd, met goud en zflverdraad doorweven of 
niet De prijzen verschilden tusschen 14 en 22 schellingen, het gebloemde was het goedkoopst 
Of deze zijdelakens hier te lande evenzeer waren vervaardigd leeren ons de rekeningen 
niet. De bijvoegfingen Jennis (voor Genueesch (.^)), Beloyns (voor Boulogneesch) of Milaans 
moge het tegendeel doen veronderstellen, men neme in aanmerking, dat de imitatiên 
daarvan hier te lande gemaakt, allicht onder dezelfde namen werden in den handel gebracht 
Reeds meer dan dertig jaren immers was de zij de-industrie hier inheemsch. Zijde- 
lakenkoopers mocht men hier vroeger hebben aangetroffen» zijdereeders met hun gevolg 
van zijdelakenwerkers of satijnwevers, en zijdewerkers heb ik hier zelden vermeld gevonden 
vóór den tijd, dat de vlaamsche of waalsche vluchtelingen zich binnen Amstels gastvrije 
vesten hadden nedergezet De pas ontruimde en nog niet geslechte kloosters boden 
gereede plaats aan • om hen te huisvesten. Hoe groot hun aantal ook geweest zij, het 
schijnt, dat burgemeesteren en regeerders er bezwaren in zagen, om hunne mdustrie aan 
de belemmerende bepalingen van gilde-reglementen te binden. Wagenaar noemt de zijde- 
reeders en zijdewevers onder de vrije bedrijven op") en meldt ons, dat eerst in 1663 een 
zekere wettelijke dwang dezer nijverheid werd aangedaan door keuren en door de in- 
stelling van een College van Commissarissen der zijde-nianufacturen. Dit College is wel 
te onderscheiden van dat der Hoofdmannen van de Zijde Hal, waarin alleen de handelaars 
in zijde *•) en satijn, benevens de zijdeverwers, welke bereids in 1626 tot een gilde waren 
vereenigd "•J, waren vertegenwoordigd. Het College van Hoofdmannen der Zijde Hal was 



^7) Dit fluweel, benevens het hierna opgenoemde satijn, werd door Pieter Fietersz Can geleverd. Deze 
Can schijnt koopman en geen fabrikant te zijn geweest, evenals Tieleman van Beringen die evenzeer een deel 
dier goederen leverde. 

>«) Wagenaar II, bL 487. 

*•) De ruwe zijde werd hier aanvankelijk indirect uit het zuiden of uit de havens van de Levant, later 
direct ook door de schepen der Oost-Indische Compagnie aangevoerd. Reeds in 1610 schijnt men hier te lande pogingen 
te hebben gedaan om zelf zijde te winnen. Den 3 Maart 1610 gaven althans de Staten van Holland een octrooi 
voor den tijd van twintig jaren aan zekeren Jean de la Bat, een Fransch koopman, om hier te brengen „de 
,,weetenschap van zydeneeringe, planten ende opqueecken van witte moerbeyboomen, zaet van zydewormen ende 
,^ydewonnen voeden." Het jaar te voren hadden zij eenen anderen Franschen koopman, Jean Bonn al genaamd, ge- 
boortig uit Languedoc, een dergelijk verzoek geweigerd, op grond, dat men de mogelijkheid van die cultuur niet 
inzag. Thans waren' de Staten van *t tegendeel overtuigd. De la Bat's plan was om 100,000 witte moerbezi^- 
boompjes te planten, zijdewormen in te voeren en bekwame werklieden mede te brengen om de zijde te tnnncn. 
Hy zou een ieder wien *1 lustte in 't vak onderwijzen, maar verlangde, dat iedere nieuwe fokker bij hem de 
boompjes zon aankoopen. (VgL Register der HoU. octrooien ten archieve v. Amst.) 

Of deze onderneming geslaagd is heb ik niet kunnen vinden. 

••) Wagenaar II bl. 442. 



E^H Vorstelijk geschenk. 177 

in 1656 opgericht en was, blijkens de jaarlijksche uitkeering waarvan Wagenaar spreekt 
deel III, bl. 509, min of meer ondergeschikt aan het g^oot-kramersgilde, waarin hande- 
laars in ruwe en bewerkte zijde uit den aard der zaak thuis behoorden. 

Naar de reden waarom de zijde-industrie niet door gildebrieven werd belemmerd 
behoeft men, naar 't mij voorkomt, niet te zoeken. Het gilde, dat tot op zekere hoogste 
het denkbeeld van gelijkheid huldigde, liet niet toe, dat een meester een ander verre 
boven het hoofd wies. Vandaar, dat het maximum van het aantal knechts werd vastgesteld, 
en dat het verboden was, om werktuigen, van de gewone afwijkende, waardoor menschen- 
handen werden uitgespaard, te bezigen. Hij, die zich aan deze bepalingen vergreep, zou 
tot zijne schade ervaren, dat er een sterke arm was, die de wet zou weten te handhaven. 
Het is duidelijk, dat waar zulke bepalingen golden, geen fabrieken van eenige beteekenis 
konden ontstaanjl^). 

Niet alzQO met de zijde-industrie. Al is het ons tot dusverre niet mogen gelukken 
de namen van de oudste fabriekanten terug te vinden, zeker is het, dat er tusschen 1580 
en 1590 reeds een groot aantal werklieden in dit vak hier ter stede werden gevonden. 
En dit getal schijnt langzamerhand te zijn toegenomen. Wagen AAR getuigt althans, dat de 
zijde-industrie in 't midden der zeventiende eeuw sterk bloeide, maar van toen af 
verminderde. Wellicht moeten we in de keuren, door Regeerders der stad omstreeks dien- 
zelfden tijd uitgevaardigd, een poging erkennen, om^ de kwijnende industrie kunstmatig in 
*t leven te houden. 

Dat het aanvankelijk verjaagde Vlamingen of Walen waren, die hunne nijverheid 
hier overbrachten, hel) ik zoo straks reeds gezegd. Andere vreemdelingen kwamen echter 
evenzeer in Holland gewetensvrijheid zoeken. Onder hen bevonden zich ook zijde-fabrie- 
kanten. Zoo zien we in September 1605 Burgemeesteren vergunning geven aan Steven 
CORDOSA en DiEGO DE VVLER, gebroeders, Portugeesche kooplieden, ongetwijfeld van de 
Joodsche natie, tot het oprichten van twee molens om zijde te bereiden"). 



^1) Welke bekrompen geest in de gilden voorzat, blijkt wellicht bet best nit bet feit, dat de gezamenlijke 
meesters van de passement- en lintwerkers-gilden met klein voetgetouw werkende, in de Vereenigde Nederlanden 
den 14 Maart 1639 van de Staten Generaal een octrooi verkregen tegen het gebruik van „zekere gepractiseerde 
instrumenten van lintmolens." Dit octrooi werd door de Staten van Holland bevestigd 31 Mei 1642, en de overtreders 
bedreigd met een boete van 150 gnlden. (Vgl. registér der HoU. octrooien ten archieve van Amsterdam.) 

Een vindingrijk Amsterdamsch passeme^twerker, Adolf Huys, „belast met een huys vol volcks en een oude 
„blinde moeder, met groote moeyte gepractiseerd hebbende sekere menlen daar op acht koordekens teffens gemaect 
„conde worden," werd 'op een morgen verrast door een bezoek van den schout met zijn dienaars en de overlieden 
van *t gild, die zonder veel plichtplegingen de molen, weljce 700 gulden waard was, aan stukken sloegen- De ver- 
ongelijkte handwerksman stelde bij den Hove van Holland eene actie tot schadevergoeding tegen de overlieden 
Tan 't gild in, welke den 17 Juni 1659 werd toegewezen. (Vgl. W. v. Alphen Papegaay (1720) II, bl. 497. 

>3) De vergunning hield verder in, dat zij tot hunne fabriek zouden mogen inrichten een huis en erve op 't 
Boerenverdriet (thans nabij de zoogenaamde donkere sluis, tusschen Singel en Spui), alwaar een der gebroeders, 
gedurende vijfjaren zou mogen wonen, onder bepaling evenwel, dat zij aan ieder de noodige inlichtingen over hunne 
manier van zijde-bereiden zouden geven. 

De acte is in extenso te vinden in 't 2« Groot-Memoriaal, bL 217. 

28 



178 EEN VORSTELIJK GESCHENK. 

Tegelijkertijd met de zijdewerkers hadden zich hier fluweel-fabriekanten gevestigd 
en komen tal van ftilpwerkers in de registers der huwelijks-inteekeningen voor. Het schijnt, 
dat zij grootendeels, evenals de trijpwerkers, waarover ik later uitvoeriger hoop te handelen, 
uit Waalschland en wel voornamelijk uit Doornik afkomstig waren. Doornik was van 
ouds-her door zijn tryp-fabrièken beroemd. Het werd er effen gemaakt, gestreept, met 
figuren en bloemen versierd, dat gelijk we zoo even zagen in de zeventiende eeuw „ghebeelt" 
(d. i. met afbeeldingen voorzien) werd genoemd. Ofschoon van fijner en kostbaarder maaksel 
was de fabriekage van fluweel van die van het trijp weinig onderscheiden. De vervaardigers van 
„ghebeelde" fluweelen droegen nu eens den naam van „gebloemd fluweel werkers," dan weder 
die van „caffawerkers" of „caffatiers." ScHREVELlUSin zijne beschrijving van Haarlem (1648) 
bl. 395 bericht ons immers, dat het caffawerkers waren „die uyt zijde en fluweel stucken 
maecken van alderhande blomwerck." Tusschen 1 580 en 1 590 oefenden velef)ersonen, behalve 
uit Doornik ook uit Waterloo, Antwerpen en Nivelle afkomstig hun bedrijf binnen deze 
stad uit. Utrecht schijnt echter de hoofdzetel der industrie te zijn geworden. Daar werd 
de vervaardiging der gebloemde fluweelen en trypen, gelijk bekend is, tot de grootst 
mogelijke volkomenheid gebracht 

Behalve zijdtsn en fluweelen zonden de Staten den Grooten Heer een aantal stukken 
„dundoek, Camerijcx doek ende fijn Hollants lijnwaet." De stukken dundoek hadden 
een lengte van ongeveer 23 ellen, het Kamerijksch doek bijna een el minder. Zulk een 
stuk dundoek moest men in dien tijd betalen met 140 gulden, maar dan zal 't ook van de 
fijnste kwaliteit zijn geweest, want er waren ook stukken van dezelfde lengte voor 95 
gulden te krijgen. Het Kamerijksch doek kostte per stuk 118 k 128 gulden. Niet minder 
duur was het fijne witte lijnwaad, waarvoor Holland beroemd was, en dat in tal van 
steden een bloeiende tak van nijverheid in het leven had geroepen. Lamberp Verhaer 
was zeker wel aan 't beste adres, toen hij den winkel van MiCHIEL CORNELISZ. DE Langhe, 
een aanzienlijk linnen-koopman en burgemeester Pauw's aangehuwden neef"), binnen 
stapte. Daar kocht hij honderd ellen linnen van 6^ gulden de el. Wellicht wist de slimme 
koopman, hoor ik u aanmerken, dat dit linnen voor den Grooten Heer was bestemd en 
uit 's lands kas werd betaald, waarin gij reden zoudt hebben ejevonden om in de prijzen 
iets te overvragen. Laat ik u dan de rekening van een zijner concurrenten, Gerrit Knijff, 
voorleggen. Hieruit zal u blijken, dat het linnen ook door hem tegen denzelfden prijs be- 
rekend werd. 

Van de fijnheid van het Hollandsche linnen worden verhalen gedaan, die aan het 
ongelooflijke grenzen. Sla slechts de beschrijvingen der Hollandsche steden op, die het 
licht zagen in den tijd, dat de weverijen nog in bloei waren, en gij zult er u van kunnen 
overtuigen. 

In zijne „beschrijvinge ende lof der stad Haerlem" (bl, 342) geeft Samuel Ampsing 
daarvan merkwaardige voorbeelden op. Hij verhaalt, met een beroep op JacobüS ViVERlüS, 

**) Reinier Pauw was met Cornelia Michieldr. de Langhe gehuwd, welke in 1616 oveileed. 



EEN VORSTELIJK GESCHENK. 179 

dat een „webbe van 75 ellen HoUandsche mate" slechts 3 pond zwaar was, en dat in 
1598 een stuk linnen te Haerlem werd verkocht ,,om in Vrankrijk te verschenken" voor 
14 gulden de Vlaemsche elle. Maar nog sterker is hetgeen hij bij eig^a ervaring wist 
Aan het verhaal is niet te twijfelen, omdat hij man en paard noemt Door twee burgers 
van Haarlem werd in 1606 een ruil gedaan; de een gaf 50 ellen linnen, de ander 45 oks- 
"oofden van den besten „wijn court." Het weefloon van dit stuk had 200 gulden bedragen. 
Het garen, waarvan het was geweven, was zoo fijn, dat een lood daarvan meer dan «en 
en een kwart el linnen uitleverde. 

Dat zulk eigengemaakt lijnwaad duur moest betaald worden, laat zich hooren ; maar 
dat er bij zulke prijzen ook naar verhouding veel aan te verdienen viel, dit blijkt uit de 
welvaart welke de gildebroeders van 't weversgilde genoten, evenzeer als uit den invloed 
welke de wevers zich in den loop der XV* en XVI* eeuw en in de Vlaamsche en HoUandsche 
steden op den gang van zaken trachtten te verwerven; want in de handelssteden gaf ook 
toen het geld aan den burger de macht in handen. Van ouds werden immers in 
belangrijke aangelegenheden der steden niet alleen de „wijsdom" maar ook de „rijkdom" 
bijeengeroepen; eh't zal wel het laatste element geweest zijn, dat in den Amsterdamschen 
vroedschap die twee derde deelen vormden, die door den scherpen tong van denspottenden 
satyricus, ontevreden over de wijze waarop de meeste raadsleden de publieke zaak behar- 
tigden, met de epitheta „mallen" en „niet-met-allen" werden vereerd. 

De duurte van het linnen verklaart ons nog bovendien de aanwezigheid van het 
spinnewiel aan den oud-Hollandschen haard. Geen voorwerp pleit beter voor de nijverheid 
en het verstandig overleg van de HoUandsche huisvrouw dan dit. Waar hare eigene 
vingeren en die van dochters en dienstboden het vlas sponnen voor het onmisbare 
en in kwistigen overvloed voorradige linnen, daar werd door eigen arbeid een kapitaal ^ 
overgespaard, dat echtgenoot of zoon in zijn zaken zou te stade komen, daar werd 
door de vrouw het gulden voorbeeld gegeven van werkzaamheid en spaarzaamheid, twee 
eigenschi^ppen, die de kracht van 't oude ras van Hollands zonen hebben uitgemaakt. 

Al deze manufacturen waren in één kist gepakt. 

Vier kisten bevatteden acht honderd negen en zeventig stuks porselein. 

Het is zeer waarschijnlijk, dat wij hier niet aan* porselein maar aan Delftsch- en 
ander inlandsch aardewerk hebben te denken. Onze voorouders spraken niet zelden van 
porselein als zij hun eigen aardewerk bedoelden, dat ter imitatie van het Oostersche 
porselein werd vervaardigd. Van inlandsche porselein-fabrieken, vóór den tijd van de 
bekende Amsterdamsche-, later Loosdrechtsche-, heeft niemand gohoord. Toch gaven de 
Staten-Generaal den 4 April 1614 aan Claes Jansz. Wytmans octrooi tot het maken 
van „allerley porceleynen by hem geinventeerd, die de schilderie ende aerde tamelick 
„gelyckformich (zouden) syn de porceleynen comende uyt wyde vreemde landen" **). Onze 



«*) Medcdeeling van den Heer Elsevier in „de Navortcher", 1853 bl. 125. Als «oodamg beschouwde ik 

2g« 



180 EEN VORSTELIJK GESCHENK. 

industrieel noemde zijn fabrikaat porselein, omdat het 't Oostersche nabootste. Dat der- 
gelijke naamsverwarring niet ongewoon was, had ook de commissie ontdekt voor den 
catalogus van de retrospective tentoonstelling van kunst-industrie bij de Belgische tentoon- 
stelling van 1880. „Jadis", zegt zij, „la faience était souvent comprise sous la dénomi- 
^nation générique de porcelaine: les anciens documents confendent souvent ces deux 
s^produits, de sorte qu*il est difficile aujourd'hui de distinguer ce qui se rapporte k Tune 
„OU Jt Tautre de ces deux branches, si différentes cependant de la céramique*' *). Nog een 
anderen g^ond voor dit beweren meen ik te vinden in de overweging, dat het weinig 
reden zou hebben gehad om den'Sultan geschenken aan te bieden, die van een andere 
zijde in zijn rijk in menigte konden worden en voorzeker ook werden ingevoerd. Eindelijk pleit 
voor dit gevoelen nog het feit, dat verscheidene voorwerpen een speciaal HoUandsch 
althans westersch karakter droegen en dat de prijzen van andere te gering waren, om, de 
noodwendige transportkosten in aanmerking genomen, „uyt wyde vreemde landen** te zijn 
aangevoerd. 

Mogen wij het er alzoo voor houden, dat hier de inventaris van een kist aardewerk 
voor ons ligt, dan leveren de rekeningen van de geleverde goederen geen onaardige 
bijdrage voor de kennis der prijzen van het inlandsch fabrikaat in de eerste jaren der 
XVII* eeuw. Het waren winkelprijzen. De namen der leveranciers heb ik althans onder 
de Amsterdamsche plateelbakkers niet aangeteekend. 

Jan van Wely, de wegens zijn noodlottigen dood bekende Amstesdamsche koopman 
en juwelier *•), leverde zeventig koppen tegen 56 stuivers het stuk. Dit waren gewis 
bizonder fraaie exemplaren; fijne „drynck-koppen" waren immers nog voorjó stuivers en 
voor een daalder, „overdekte coppen" daarentegen, voor 3 gulden te koop. De grover 
soorten waren goedkooper. Kopjes met „omliggende cantges" kostten 16 stuivers, terwijl 
men voor eenvoudige „drynck-copjens" 3 tot 9 stuivers moest betalen. Een paar papegays- 
copjes en schoteltjes" moesten 14 stuivers gelden. De „schaeltgens" — wij zouden zeggen 
schoteltjes — die er bij behoorden, waren van dezelfde prijs. Ook werden er een aantal 



ook de ,^ieuwe Porcelcjm-backerye te Gouda", door een aantal ^^compagnons" opgericht, wier boekhouder was 
Jacob Jansz Alout, die ik in een acte van 1662 ontmoette. (Afschrijving van Decreten, deel XI fo 219.) 

^) Vgl. den aangehaalden Catalogus sub classe £ p. 55. 

*) Hij werd in 1616 te 's Gravenhage door een paar Fransche boeven van zijn juweelen beroofd en ver- 
moord. Hendrik db Kbyzer had weinige jaren te voren een huis met sierlijken voorgevel voor hem gebouwd op 
den Fluweelen burgwal. Dien gevel vindt men afgebeeld in de Architectura Modema, plaat 33. 

Jan of Hans van Wely wordt gewoonlijk juwelier genoemd. Den handel in juweelen moge hij bij voorkeur 
hebben gedreven, edelgesteenten waren niet alleen bij dezen zoon van Vlaanderen te koop, «venmin als bij de juweliers 
van zijnen en van lateren tijd. Over 'c algemeen waren juweliers handelaars in schilderijen, in kunstvoorwerpen, in 
oudheden, in rariteiten, die men tegenwoordig chinoiserien pleegt te noemen. Salomon de Bray noemt van Wely 
daarom met meer juistheid koopman en juwelier. Hier zagen we hem kunstige coppen verkoopen, later bemerkten 
we, dat hij geraadpleegd werd als er een Chineesch verlakten koffer wordt aangekocht. Michiel le Blon, de 
bekende goudsmid, juwelier, graveur en kunstkooper kan, om van vele anderen te zwegen, als een later voorbeeld 
aangehaald worden. 



EEÏï VORSTELIJK GESCHENK. 181 

groote schotels tegen lo gl. het stuk aangekocht, benevens groote „commen" tegen 
SH gulden, en nog een aantal kleinere schotels „schaelen", wit en blauw, „commetgens/* 
verschillend in afmeting en prijs. Verder „halve fruytschaelen" en „halve clapmutsen" tegen 
9^6 stuiver, fijne boterschalen tegen 54, grove tegen 24 stuivers het stuk, zoutvaten tegen 
10 stuivers. Eindelijk voegde men er bij een „lampet-schotel met een commetgen daerin" , 
waarvoor 16 gulden werd in rekehing gebracht, en acht paradijsvogels, die waarschijnlijk 
wegens hunne kunstijge bewerking 31 gulden het stuk kostten. De leveranciers van deze 
waren heetten Cornelis Feldt, Hendrik jacobsz en Barend Jansz. 

Als men in de schatkamers van het keizerlijk paleis te Constantinopel deze kist 
ongeschonden terugvond, zou hij eenige malen zijn gewicht in goud bij verkoop kunnen 
opbrengen, want het zou zeker een van de merkwaardigste verzamelingen van aardewerk 
zijn, die men kent 

Het schijnt, dat het den gullen Hollander niet van 't hart kon, om iemand te trac- 
teeren op ledige schotels. Twee ossen werden gekocht, en ze zullen zeker wel van de 
beste soort zijn geweest, ofschoon slechts de prijs — in onze oogen een spotprijs — 
van 64^ gulden voor 't stuk werd gegeven. Ze werden geslacht, gezouten, in vier tonnen 
ingepakt, en, alsof men bang was dat de Mohamedaansche grooten ze rauw zouden verslinden , 
voegde men er twee Neurenburger braadspeten van 30 gulden het stuk, vier ijzeren braad- 
pannen en twee druplepels bij. De Hollandsche zuivel-industrie werd vertegenwoordigd 
door meer dan vierhonderd oude Edammer kazen van ongeveer 7^8 pond het stuk, 
welke toen voor iets meer dan een gulden te koop waren, en door 42^ vierendeel „schoon 
Hollandsche boter", waarvan de marktprijs toen, November 161 2, 24 k 25 gulden bedroeg. 

De mondkost, . die men den Sultan zond, werd waardig besloten met een proefje 
van de Hollandsche genever. Het was in dien tijd nog iets nieuws. De brandewijn 
is een veel ouder burger op den dierbaren vaderlandschen grond. Het „genever- water" 
kostte een gulden het pintje. Het triakel-water, een andere sterke drank, waarvan men 
evenzeer een proefje gaf, werd met het dubbele betaald. Lambert Verhaer had de 
bescheidenheid niet zooveel te bestellen, dat de Groote Heer en zijn Bassa's zich een 
roes er aan hadden kunnen drinken als de Koran het hun niet had verboden. i| Pintje 
van ieder dier geestrijke wateren zou allen in staat stellen even den mond er aan te 
zetten, maar meer ook niet. Of de Staten toch bevreesd waren, dat de verheven Porte 
daardoor in ongelegenheid met den Profeet zou komen en diens misnoegen op de Hol- 
landers zou verhalen, wie zal 't beslissen; zeker is het, dat ze aan 't geschenk geen 
glaasjes toevoegden. 

Keeren wij na de opsomming van datgene, wat des Sultans maag moest streelen 
terug naar datgene, wat zijn oog zou voldoen. 

Evenals de potten- en plateélbakkers hun voorbeelden kozen uit de porseleinen, die 
uit China werden ingevoerd, trachtten ook de lakwerkers de uit dat land aangevoerde 
producten van de terecht beroemde Chineesche lakwerk-fabrieken na te bootsen. In de 



182 EEN VORSTELIJK GESCHENK. 

tweede helft der zeventiende eeuw leefden hier zulke kunstenaars in dit vak, dat hunne 
werken nauwelijks van de echten waren te onderscheiden. Het blijkt thans uit een 
drietal dier rekeningen, dat zij reeds in het begin dier eeuw een voorlooper hadden ge- 
vonden in zekeren WILLEM KiCK — gewis van de familie van den schilder Cornelis Kick — 
die verlakte kisten „cabinetgens" en „comptoirkehs" gedeeltelijk verguld en met vergulde 
hoeken en hengsels voorzien — r dus geheel op Chineesche wijze versierd — benevens 
„schenckbacken" en „fruytschaelen", alles op de „Chinese manier" vervaardigde. Zijn 
prijzen waren- niet overmatig hoog. Een groote kist kostte 150, een juweelkistjè 18, 
een schenkbak 4, een groote fruitschaal 4^ gulden. Enkele kistjes geheel verguld moeten 
er rijk hebben uitgezien. 

Bij al dit schoons voegden de staten één stuk, waaraan zij kosten noch moeite spaar- 
den. Het was ,,een groote Lantern van uytgesneden hout ende verguit, daarin een coopere 
„croon met 20 lampen" een stuk, dat een weinig meer dan 1230 gulden had gekost Deze prijs 
zal niemand verwonderen, als men weet, dat niemand minder dan de beroemde stads" 
architect Hendrick DE Keyzer de teekening daarvoor had gemaakt en het kunststuk in 
al zijn onderdeden aan *s mans fijnen smaak zal hebben moeten beantwoorden. Hij zelf 
had al het snijwerk „de antycksnijderij" er vóór gemaakt en verdiende er slechts 470 
gulden aan. Hans ROGIERS, koperwerker, had er met zijn zoon Hendrik en 3 knechts 
langer dan een maand aan gewerkt en toen het op het laatst niet scheen te zullen gereed 
komen, had hij negen dagen lang zijn winkel gesloten en heel wat kaarsen gebruikt om 
's avonds en 's nachts te kunnen doorwerken. Zijn rekening beliep dan ook 350 gulden, 
maar daar waren de 180 pond koper en het gedraaide houtwerk, dat hij „verbesigt" had, 
onder begrepen. Toen alles gereed en stevig in elkaar gezet was ging het kunststuk 
naar DaV|D COLIJNS, ^) die het „van onder tot boven met de trefters ofte schoorsteenen, 
„die van binnen in de lanteren syn en noch tien coppen op deselve lanteren heel en dal" 
verguldde voor de som van 170 gulden. 

Vervolgens werd er Moskovisch of „Rus" glas in gezet 2i1g, pond k 5 gulden het 
pond, en werden er door Abraham van Tongerlo"), die een glasblazerij had nabij de 



^) Of deze David Colyns dezelfde persoon is als de schilder van dien naam? Ik antwoord: neen! Deze 
David was een zoon van Christiaen, ook wel Chrispyn Colyns, schilder van Mechelen, die 18 Februari 1586 
het poorterschap van Amsterdam kocht en gehuwd was met Lysbeth Engblbrechts, die reeds lang overleden 
was toen haar achtergebleven echtgenoot zijnen minderjarigen zoon zijn moederlijk erfdeel, ten bedrage van ongeveer 
ƒ 650. — , ten overstaan van weesmeesteren bewees. (Wecsb. 16, bl. 29.) Dit geschiedde in Mei i6i2 en bij die 
acte wordt als meerderjarige zoon genoemd David Colyns, die alzoo minstens in 1587, waarschijnlijk nog iets 
vroeger, geboren werd, een geboortejaar dat met den leeftijd van zijn naamgenoot den schilder niet strookt. 
*) Van Tongerlo*s kwijting luidde als volgt: 

Adi 15 December 161 2 Amsterdam 
Ontfangen van de E. Heer Burgemeester Reinier Pauw, vierentwintich guldens voor twintich lampen 
met vergalde randen ende op elck ses vergulde halve manen ende noch twintich dubbelde lampen syn 
te samen veertich lampen ^ twaelef stuyvers stuck is 24 gl. 

(get.) Abraham van Tongerlo. 



ï.ï.t^ Vorstelijk geschenk. 



183 



Regulierspoort, de noodige v>glaze lampen"**) bijgeleverd. Met andere benoodigdheden 
en met het inpakken ging de rest van 't geid^ heen. 

De lantaarn, wilde ^men hem in al zijn heerlijkheid zien, moest behoorlijk verlicht 
kunnen worden. Ook daarom had de zorgzame burgemeester gedacht en hij had bij Laurens 
VAN DER Eycke i8o pond „catoen- of comptoir caersen" besteld. Mochten ze niet allen 
gebruikt kunnen worden in deze lantaarn, het geschenk ging nog vergezeld van twee 
groote ,4iangende copere cronen oft luchters" welke bij PAULUS en Steb'FANO Pelgrom 
gekocht waren en elk 240 gulden hadden gekost. 

Bij al die fraaiigheden, dienende ter versiering van des grooten Heeren paleis mochten 
althans eenige specimina van tapijtwerk niet ontbreken. Daarom werden in een der 
kisten vier tapijten ^met bloemwerck ende jacht" gepakt. Het is niet onbelangrijk te 
weten wat er in dien tijd voor werd betaald en we schrijven daarom de posten voor 
zoover ze op deze kunstwerken betrekking hebben van de rekening van DlERiCK 
Knies ••) over. 

Een stucxken groot 12 a voor 30 ^ (pond) 

Een stucxken groot lo^j a groot looff off feuillage 1 1 £ 

Een tafelcleedt lancg 3^ a breedt 2!j a voor 22 ^ 

Een tafelkleed lanck 4 a breedt 2!j a diepe voor 15 ^ 



T Samen 78 &. 
Het was een eigenaardig gebruik van onze Voorvaderen om op wit satijn proef- 
drukken van kopergravuren te prenten. Dit gebruik dagteekent reeds uit deze eeuw, 
inimers burgemeester Pauw noteerde op de lijst van zijne verschotten een som van 12 
gulden voor zes „conserfeitselen op rood satijn" twee van Zijne Excellensie (Prins 
Maurits) en verder een van „graeff Hendrik," (Frederik Hendrik) van den Paltzgrave 
van den overleden Coninck van Vranckrijck, en van dien van Engeland. Zij werden alle 
keurig in ronde muskaat houten lijstjes gezet. Hieruit leeren we den vorm der prenten 
kennen. Er zijn echter te veel protretten van deze vorsten in ronden vorm bekend, dan 
dat we hieruit tot den naam van den graveur zouden kunnen besluiten. 



ToNGERLO diende nog een tweede rekening in, waarop men aanteekende: 

„Te noteren waerom sooveel glasen lampen in reeckening worden gebracht D'oorsaecke is datter veel te 
,jgroot waren gemaeckt, die niet en pasten, eenige gebroocken ende dat ick noch een reeckeninge van lampen 
„verwachte van Jan Heindrick Coop, doch heb hem de lampen wedergesonden." 
Jan Hendricksz Soop was mede glasblazer en had zijn fabriek op de Kloveniersburgwal. (Op „de Amster- 
damsche glasblazerijen" denk ik in dit tijdschrift later uitvoeriger terug te komen.) 

*) Heeft men hier wezenlijk aan glazen lampen of eenvoudig aan lampen-glasen te denken ? 
••) DiERiCK Knies was waarschijnlijk koopman 'geen fabriekant, wie deze tapijten had gemaakt werd niet 
aangeteekend. Ze kunnen zeer goed van inlandsch maaksel zijn geweest, daar te dier tijde vele „tapichiers" in 
Amsterdam werkten. Reeds in *t midden der zestiende eeuw had de stadsregeering de vestiging dier industrie 
bevorderd. Ook op de tapijtfabrieken hier ter stede kom ik later terug. 



184 EEN VORSTELIJK GESCHENK. 

De bezorgers van het geschenk schijnen echter te hebben gemeend, dat gravures 
den Grooten Heer de personen, waarop de hoop der Republiek gevestigd was, niet genoeg 
naar 't leven zouden kunnen voorstellen. De Raadsheer Dr. DiERiCK Bas "), te *s Hage woon- 
achtig, had daarom een schilder, DiRCK VAN Haarlem, opgedragen om 't portret van Prins 
Maurits en zijn broeder y,in 't groot" te maken. Den eersten November 1612 gaf deze 
kunstenaar hem voor de betaling daarvan de volgende kwijting af: 

„lek ondergeschreven, DiRCK van HaeIRLEM, schilder, bekenne wel ende deug- 
,,delick ontvangen te hebben uyt handen van den Eerwaerdigen Heere Bass, de 
„somma van hondert XX Carolus gulden, procederende over leveringe van twee 
„pourtralten, te weten eene van zijne Princelycke Excellencie ende zijne Genade 
„Graef Heyndrick van Nassaw, my bedanckende der goeder betalinge hebbe ick 
„dese onderteyckent op den !•■ November 1612. 

(get) DiRCK VAN Haerlem. 
Deze schilder moge ons tot dusver onbekend zijn gebleven, uit deze weinige 
regelen bemerken we aanstonds, dat hij een man van beschaving en van goede opvoeding 
moet zijn geweest, die voorzeker niet kwaad stond aangeschreven in de kringen der 
kunstminnaars, want hij maakte voor zijne werken een prijs, die Michiel van MiEREVELD 
nauwelijks voor zijn portretten kon krijgen "•). Ik betwijfel of hij een Amsterdamsch 
schilder was, omdat de heer Bas, en niet Burgemeester Pauw of Eambert Verhaer, de 
bestelling deed. De heer Bas bestelde de boeken bij een Haagschen boekhandelaar en 
een harnas bij een Haagschen wapensmid ; het is waarschijnlijk, dat hij ook eenen Hagenaar 
opdroeg om deze portretten te maken. 

LoülS Chennier was de gelukkige boekhandelaar, die de boeken te leveren had. 
De meeste waren van theologischen aard: elf boeken Calvini^ opera Melantonis, Biblia 
graeca Junii enz., maar er was ook een Atlas Mercatoris gezegd Atlas maior bij met 
kleuren afgezet, in rood fluweel gebonden en verguld, die 96 gulden had gekost. Herman 
Allertsz"), koster van de kerk, die de beleefdheid had aan burgemeester Pauw al de 
kaarten te leveren, kon in geen van de beide kisten, die hij inpakte, zoo'n schoon 
stuk nederleggen. Toch zou, als ik me niet bedrieg, een kqjiner watertanden op 



>>) Hij was lid van 't College der gecommitteerde Raden van Holland, 1612, 1613', 1614. Bevorens was hij, het 
laatst in 1610, burgemeester van Amsterdam geweest. 

»*) Vgl. Havard, TArt et les artistes HoUandais I. p. 45 (rekening-boek van v. Mierevbld). 

*>) Het schijnt mij toe, dat de kosters te dien tijde en vroeger, niet, zooals tegenwoordig pleegt te geschieden 
voor hun leven, maar gewoonlijk voor een zeker aantal jaren werden aangesteld. Hieruit rou 't te verklaren zijn 
dat menigmaal die ambtenaren een of ander beroep er bij waarnamen. Herman Allertsz. is tegelijk boekhan- 
delaar geweest. Hij woonde 1599 in Ruytenburg op den Middeldam (thans Vijgendam), aan de zijde derVischste^ 
gelegen, het stamhuis van de familie van dien naam, die in latere eeuwen aan de voornaamste geslachten ver- 
maagschapt werd. Het jaar te voren had hij nog gewoond nabij de Corsgenspoort Hij was enkel boekhandelaar, 
geen boekdrukker. Hij moet de kosterij van de Nieuwe Kerk bediend hebben. Van de Oude- was destijds Jan 
Jacobsz. koster. 



J 



ï.1^ Vorstelijk geschenk. 



185 



't gezicht van des kosters leverantie. Zie hier den catalogus, opgemaakt uit 's man s 
eigen rekening: 

6 van de aldergrootste wereltkaarten è. 7 gL 
2 myterkaerten van de wereld k 6 gl. 

2 nieuwe grote kaerten van Duytsland a 6 : i o gl. 
4 kaerten van de werelt k 4 gl. 
2 kaerten van Hispaniën k 3 : 10 gl. 
I groote kaert van Engeland a 2 : 10 gl. 

1 kaert van Vranckrijck k 1:16 gi. 

7 bladkaerten II 10 stuivers. 

2 kaerten van Noordholland, fijn, a 5:10 gl. 

2 kaerten van Noordholland, van de slechte, k 3 : 10 gl. 

6 afbeeldingen van de stad Amsterdam, geheel fijn, k 3: 15: gl. 

2 idem van dezelfde, wat slechter, k 2:15 gl. 

2 Vitorie van de Spaense >rloot k 1:15 gL 

4 jachten van Syn Excellentie k i : 10 gl. 

6 truymwagens idem van Syn Excellentie a i : 10 gl. 

6 Plancyuskaerten van de wereld k 6 gl. 

2 groote Europa k 5 : 10 gl. 

2 groote Nederlanden a 6 gl. 

2 leew-kaarten van Nederland k 3 : 10 gl. 

Het is jammer, dat Herman niet nauwkeurig op zijn rekening heefl aangeteekend, wie 
de makers van deze kaarten waren. In dit geval was zijne opgaaf nog wetenswaardiger 
geweest dan thans. Bij dit geschenk werden voorts twee globen „een celeste ende een 
,,terrestre" gevoegd, die Burgemeester Pauw te zamen voor 40 gulden gekocht had bij 
Willem Jansz.*") terwijl Joost de Veer „erlogyemaker" een prachtig verguld „hore- 
,,sonthael compas" benevens een koperen ,,instrument tot lantmeten" vervaardigd had. 

Boeken, kaarten en meetwerktuigen mochten den Sultan een denkbeeld geven van 
de wijze, waarop de geleerden onder de HoUajiders hun tijd aan de wetenschap wisten ten 
oflfer te brengen een ander geschenk zou hem toonen, dat een volk in den oorlog opgegroeid 
in weerwil van de vredejaren van het pasgesloten bestand de kunst van wapensmeden 
nog niet had zien te niet gaan. De Groote Heer, in wiens staten wapenrustingen van 
uitnemende schoonheid werden gemaakt, mocht als een bevoegd beoordeelaar van de 
voortreffelijkheid der werken van de hoUandsche ijzersmeden gelden. Behalve een dertiental 
maliënkolders, welke voor 14 gulden of iets meer te verkrijgen waren, werd er één 
verguld gegraveerd, benevens één geëmailleerd hernas '*) gekocht, om te paard en te voet te 



") Willem Jansz. is niemand anders dan de bekende drukker en aarorijkskundige Willem Jansz. Blaeu 
geb. 157 1, overl. 1638. In het museum van het Koninklijk O^udheidkundig Genootschap berust een stel dier thans niterst 
zeldzame globes. Mijn bron meldt helaas niet of de bovengenoemde globes van de groote of van de kleine soort waren. 

") Van geëmailleerde hamassen hebben kenners van oude wapenen nooit gehoord. Men zal hier toch niet 
aan een gewoon zwart gelakt harnas moeten denken, de inkoopsprijs zou dan wel duur zijn geweest Is het mis- 
schien een geciseleerd harnas geweest waarvan men de figuren te beter liet uitkomen door den grond met een 
soort van email (koud email) te vullen 

24 



186 EEN VORSTE.LIJK GESCHENK. 

gebruiken, waarmede onze ijzerwerkers ongetwijfeld eer hebben ingelegd. Het laatste was met 
rood fluweel gevoerd en met goud passementwerk bezet Het vergulde harnas werd door 
Charles d'Artene te 's Gravenh^ge voor 400 gulden geleverd terwijl Lambert Verhaer 
het geëmailleerde kocht by Sinjeur Gerrit Remst**) voor 200 gulden. Het scheen toen 
eenige herstelling te behoeven en werd daarom naar Utrecht gezonden, waar 't door 
Rogier Camerbeecq werd afgehaald en onder handen genomen. Hij „versag" het van 
alles, „maeckte" het ^op" met vergulde nagels besteedde lo^^ ellen rood fluweel om het 
van binnen te bekleeden en 47 ellen goud passement om het te versieren, zoodat het 
er weder zoo goed als nieuw uitzag en tegelijk maakte hij nog een helm en kniebedekking 
Cv,qniscoten, qniecnoppen ende qni-cleet") en alle andere stukken er bij. Zijne rekening 
is niet gespecificeerd en is ons dus van geen nut voor de prijzen. Het verdient ver- 
melding, dat dit harnas naar Utrecht gezonden werd om hersteld te worden. Te Amsterdam 
zullen] toch wel genoeg kundige wapensmeden gewoond hebben. Dit geeft dunkt mij 
aanleiding tot de veronderstelling, dat ROGIER Camerbeecq de smid was, die het harnas 
had gemaakt 

Wat de Staten verder aan de Porte vereerden, noemden zij „gentillessen ende 
,.fi^eijigheden." In dien tijd gaf men den naam „gentillessen" ook aan al die kleine voor- 
werpjes van suiker, die een feestelijken disch versieren, totdat een deel der gasten ze met 
een geoorloofde onbescheidenheid in plaats van in de magen, in de zakken doet verdwijnen. 

Als de Staten echter „gentillessen" gaven, mochten ze minstens van goud of zilver, 
van yvoor of paarlmoeder zijn. Zoo waren er gouden en zilveren gedenk-penningen, 
snuisterijen, als modellen van spinnewielen en wenteltrappen in ivoor, een commandeursstaf 
met gouden knop, wandelstokken, een kunstig gesneden cachet, zes paar handschoenen 
met „voeghels en finytagien" in gouddraad en paarltjes geborduurd, „3 brillen om verre 
te sien" die 3 gulden het stuk kostten. Of het verrekijkers waren ? Ik geloof het, maar 
zou er mijn hoofd niet onder durven verwedden. Voorts „blocken" waarin „een hondeken" 
of „vogeltiens" waren „gebosseerd" deze werden voor 't meerendeel geleverd door Jacob 
L* Febure "), die ook de fraaie handschoenen gemaakt had — vier paarlmoeder-schelpen op 
ivoren voet met zilveren vergulde roosjes versierd — dit ivoorwerk was evenals het overige door 
Lambert van Pruyssen vervaardigd — twee dergelijke schelpen op zilveren en twee op 
sauveren vergulden voet. De goudsmid Harmanes Martensz had de laatste bewerkt en bracht 
voor het arbeidsloon van de beide „foetjens*', die ongeveer 20 lood zilvers mochten 
gewogen hebben, 36 gulden in rekening, terwijl voor de vier rozen ter versiering op de 
schelp zelve aangebracht, hoogstens 4 lood wegende, aan „fatsoen", gelijk men het 



■•) Moet men hier wellicht Gerrit Reinst lezen ? In de door mij gebezigde copie was *t schrift onduidelijk. Gsraro 
Retnst was er voor te vinden om soms een of ander kunststuk over te doen. Zoo kocht de stad in 1638 van 
hem een marmeren Cleopatra voor vier duizend gulden. (Tnesauriersrekening bl. Iio vo.) Waartoe? 

*') Jacob le Febre was te Antwerpen geboren in 1586. Hij woonde reeds 15 jaren in de Warmoesstraat 
toen hij op 7 Februari 1609 ondertrouwde met Anneke de Wolff, Frbderiks dochter. 



EEi^ Vorstelijk geschenk. • 187 

arbeidsloon toen noemde en thans nog noemt, 8 gulden werd betaald. Om dit alles te vergulden 
gebruikte hij wel 30 gulden aan goud, zoodat ieder dier stukken ongeveer op 63 galden 
te staan kwam, als men de prijs van de horens, die elk 6 k 8 gulden hadden gekost, er 
bij rekende. Het andere paar, op eenvoudigen zilveren voet, werd gemaakt door CORNELIS 
Walravens, insgelijks een broeder van St. Eloijen-gilde. Toen hij ze den 17 November 
161 2 kant en klaar op de weegschaal zette, vóór hij zijn berekening van gebezigd zilver 
en werkloon in zijn grootboek opschreef,' had hij al zijn aandacht noodig om zich in die 
berekening niet te vergissen. In weerwil van de vermaning van het. bekende spreekwoord 
willen we eens een oog in dit boek slaan en overnemen, wat daar te lezen staat: 

17 November 
Twee kockilien weghen: 30 ons 17 e(ngels) o as 

De bloete hoerens hebben gew: 10 „ 11 „ 16 „ 



Eest my noch in silvcr: 20 „ 5 „ 16 „ 

is in geit 4 9 schellin.de ons: 9 pont 2 scb. $% ff^* het 
fktsoen op naest van stuck 5 pont ia 10 pont 
noch gedaen 3 goude blomekens woghen 1 8 stuivers beloopt 
in alles 19 pont 5 schell., 51^ gr. 

• 

Wij zien hieruit, wat de schoone nautilus-bekers oorspronkelijk gekost hebben. De 
kleinere op vergulde voetjes al evenveel als een grooter soort op eenvoudigen zilveren voet. 

Een eigenaardig geschenk hebben we ten slotte te vermelden. 

Verhaer had bij Jan Harvinêr of Heuvener ••) twee honderd tulpen gekocht 
welke op zijn aanwijzing door Pauw betaald werden met 57 gulden. Ongetwijfeld hebben 
die bollen moeten dienen, om den Sultan te doen zien, hoe een bloemensoort, door zijne 
onderdanen in eere gehouden, door zorgvuldige kweeking in de hoven van kundige 
westersche bloemisten in verscheidenheid en in hoedanigheid was vooruitgegaan. 

Dé geschenken door de Staten aan hun nieuwen vriend vereerd hebben voorzeker 
in menig opzicht de aandacht van den Grooten Heer getrokken. Of ze in staat zouden 
zijn geweest om des Sultans gunst voor de schenkers te winnen, indien er geen redenen 
van politieken aard hadden bestaan, die op Hoogstdeszelfs gevoelen invloed uitoefenden, laat 
ik hier liefst in 't midden. 

Eenmaal in kennis gesteld met de rekeningen van bijkans al de voorwerpen, waaruit 
het geschenk bestond, achtte ik het niet van belang ontbloot daarvan het een en ander in 
ruimer kring bekend te maken, overwegende dat het bij ons niet overvloeit van dergelijke 
gegevens voor de geschiedenis onzer nijverheid. 

In een tijd als de onze waarin men met ijver de archieven doorzoekt om bijdragen 
te vinden voor de geschiedenis van de vaderlandsche kunst en voor de kunstenaars, waar 



••) Hebben we hier een schrijffoat van den afschrijver voor ons ? Moet men hier wellicht hovenier lezen ? 

24» 



188 • EEN VORSTELIJK GESCHENK. 

Holland roem op draagt, verzuime men niet aanteekening te houden van alles, watdieiKii 
kan om eens — zij 't ook later dan iedere andere natie — uit bouwsteenen van velerlei aard htt 
gebouw optetrekken, dat in den gevel prijken moet met een in gulden letteren gegrifd opschrift: 

GescAiedanis der Nederlandscke nijverheid. 

Daar zijn tallooze menschen-geslachten heengegaan, die zich hebben verdienstelijk 
gemaakt jegens het vaderland door den arbeid hunner handen. Dat zij in de eerste plaats 
werkten om in eigen onderhoud te voorzien, dit hebben zij met alle kunstenaars gemeoi. 
Dat zij er schatten uit hebben gegaard, die wederom der kunst en nijverheid ten goede 
zijn gekomen heeft de geschiedenis bewezen. Door de kunst is de Republiek niet groot 
geworden. Handel en nijverheid waren de factoren eener grootheid, waarvoor de bloei 
der kunsten ons het beste bewijs is. 

Wordt de kunst gehuldigd, dan vlechte men een lauwer mede voor hare voedsters 
handel en nijverheid. 



EEN RAADSELACHTIGE BLADZIJDE BIJ GEERAERT BRANDT, 

OPGEHELDERD DOOR BONTEMANTEL. 

DOOR 

J. F. GEBHARD Jr. 



E aanteekenmgen van den Schepen Hans Bontemantel, waarop 

ik reeds elders de aandacht heb gevestigd '), hebben door haar 

bijzonder en eenigszins vertrouwelijk karakter het voprdeel, dat zij 

meermalen een eigenaardig licht verspreiden over de persoonlijke 

verhoudingen tusschen velen zijner tijdgenooten. Ook al weet men, 

dat men bij Bontemantel geen volstrekte onpartijdigheid te wachten 

heeft (trouwens hij maakt ook nergens aanspraak op den naam van 

geschiedschrijver en geeft alleen zijne persoonlijke indrukken), toch is het bijna altijd de 

moeite waard om van zijne mededeelingen kennis te nemen. Meer dan eens geeft hij den 

sleutel tot het ontraadselen van duistere plaatsen in onze Amsterdamsche geschiedenis, 

en zelfs waar hij ons niet de volle waarheid kan geven, brengt hij ons toch zeer dikwijls 

op den weg, langs welken wij alle kans hebben die te vinden, en waaraan wij, zonder 

zijne tusschenkomst, waarschijnlijk niet zouden hebben gedacht. 

Zeldzamer is het, dat wij bij Bontemantel betrouwbare inlichtingen aantreffen 
over een tijdperk, dat aan zijn eigen leeftijd voorafging. Wel geeft hij op enkele plaatsen 
mededeelingen aangaande de Amsterdamsche partij-verhoudingen omstreeks het jaar 1630, 
doch deze berusten natuurlijk op verhalen van anderen, en wij hebben geen enkelen 
waarborg, dat Bontemantel bij het overnemen daarvan met den noodigen kritiscben zin 
is te werk gegaan. Om straks te melden redenen meen ik echter eene uitzondering te 
mogen maken voor eene aanteekening, die betrekking heeft op de buitengewone regeerings- 
verandering van het jaar 1618 door Prins Maurits. 

') In de „B|)dTageu" van Prof. R. Fruin, Jaaigang 1S79; „AmsterdBroiche Aantceke Dm^en nil 1673." 



190 EEN RAADSELACHTIGE BLADZIJDE BIJ GEERAERT BRANDT. 

In de „Historie der Reformatie en andere kerkelijke geschiedenissen in en ontrent 
de Nederlanden'*, van GEERAERT Brandt, wordt de geschiedenis van die regeeringfs- 
verandering, een der gevolgen van den val van 01denbarnevelt*s partij, uftvoerig beschreven. 
In het Tweede Deel, blz. 869 — 872, voegt hij daarbij nog het verhaal van een bijzonder 
geval, hetwelk misschien aan sommige lezers bekend zal zijn, maar dat wij toch in zijn 
geheel dienen mede te deelen. De reden, waarom wij die bladzijden „raadselachtig^* 
hebben e^enoemd, ligt natuurlijk hierin, dat geen der bedoelde personen bij name wordt 
genoemd, terwijl toch het geheele verhaal duidelijk doet vermoeden, dat de schrijver zelf 
die zeer goed moet hebben gekend, doch dat hij ze ter wille van de in zijnen tijd nog 
levende nakomelingen niet heeft willen laten drukken. Wij geven dus in de eerste plaats 
de bedoelde aanhaling uit het werk van BRANDT. 



„Ontrent dese en diergelijke versettingen volgde sijn Excellentie gemeenlijk den 
• raedt en 't goedtdunken van eenige der Regenten die tegens de meeste Leden van HoUandt, 
in 't voortdrijven der Nationale Synode, met d'andre Provinciën een lijn trokken, en in 
dit beloop der saeken met eenen scheenen toe te leggen om met het vorderen van [hunne 
vrienden hunne partij in de regeering te stijven, hunne banden vast te maeken, en bij 
gevolg ook degeenen, die hun in den wegh waeren, den voet te lichten. En 't sal misschien 
ten dien aensien niet onaengenaem sijn, soo ik seker sonderling voorval en beleidt, dat 
mij van dien tijdt (uit de vertellingen van sulke, die ik voor geloofi^'aerdig houde, en 
't geheim konden ontdekken) etlijke jaeren geleden, is voorgekomen, hier, soo verre mijn 
geheuchenisse toereikt, aentekene, laetende eenen ieder syn oordeel vrij over de waer- 
schijnlijkheit der saeken. 

„Een der Amsterdamsche Regenten, die te deser tijdt seer groot of wel 't meeste 
gesagh hadt in de regeeringe, en bijna alles naer sijn sin stelde, wierdt hier van sijn 
looser verschalkt. Men heeft een sijner partijen tegens sijn ooghmerk op 't kussen gehouden, 
een sijner vrienden daer of geschopt, en eens anders bedrijf t' sijnen laste gebraght. 

„Seker Oudtburgermeester der stadt Amsterdam sijnde ontrent dien tijdt bijna 
geduurig in den Haege, een ijvrig vorderaer van de saeken der Contra-remonstranten, quam 
op sekeren dagh tot Amsterdam, om met sijne partijdelingen in 't heimelijk t' overleggeii. 
wat persoonen. Leden van den Raedt, men aen syn Excellentie soude opgeven, om afgeset 
te worden. Men vergaderde ten dien einde op een nacht ten huise van seker vertrou- 
weling, in de Warmoesstraat. Na overleg van saeken werd men 't genoegsaem eens, 
formeert een lijst van naemen, die men een der Heeren Burgemeesteren in der tijdt, daer 
tegenwoordig, doet schrijven, of geschreven in handen geeft, om den Heere Prinse 
behandigt te worden, vertrekkende de beleyder des werks terstondt weer naer den Hage. 

„Op die ceel was ook gespelt de naem van seker Raedt en Oudtschepen, in weerwil 
van iemant, die 't, in die nachtvergadering tegenwoordig sijnde, niet kon keeren, doch 



' EEN RAADSELACHTIGE BLADZIJDE BIJ GEERAERT BRANDT. 191 

^ daerna sijn verstandt scherpte om sijn' vriendt te redden." Hij gaet in stilheit t'sijnen 
huise, ontdekt hem, onder eede, 't geen t' sijnen naedeel was beslooten, en raedt dien slagh 
met een trek te versetten, door middel van sijn broeder, de dochter des Burgermeesters, 
die de gemelde lijst aen den Heere Prinse >sou overleveren, ten vrouwe hebbende. Hij 
volgt dien raedt, keert sich tot sijn broeder, die op sijn versoek sijnen schoonvader met 
dese woorden aanspreekt. Wel Vader, wat hoor ik^ sal mijn broeder afgeset worden: 
en sult gij toelaeten^ dat mijne en uw dochters kinderen, dat uw kindtskindercn^ in iij'den 
en wijlen sullen moeten hoor en, dat haer oom als een landiverrader uit de Wet is gesetf 
De Burgermeester sijn schouderen ophaelende, seide, Wat kan ik ^er tegens doen ? ^TIs te laet* 
D* ander seit toen volgens het ingeven van dien bedekten vriendt, ^t Is noch niet te laet. 
Ik weet raedt om mijn broeder te redden, Schrap sijn' noem uit^ en set '^r een ander (dien hij 
noemde) in de plaets, die u voordesen soo schendig heeft gehoont. Met dees' en diergelijke 
redenen liet sich de Burgermeester, sonder veel overlegs, bewegen. Hij volgt dien raedt, 
maekt die verandering in 't briefken, levert het den Prinse, die den inhoudt nakomt, en, 
onder andrcn, den Heer, dien men in de plaats van den uitgeschrapten hadt gestelt, afset. 
Dees', die een sfjner dochters had besteedt aen een van de soonen des Oudtburgermeesters, 
die men hieldt dat het meeste beleidt hadt gehadt in dese verandering, en wetende wat 
hij bij den Prins vermoght, geloofde t* ergste, gaf hem de wijte, duide het ten oevelste, 
en verboodt selfs sijn schoonsoon sijn huis. Wat die Heer daer tegen met hooge woorden 
betuigde, 't moght niet helpen. 'T is waerschijnlijk, dat hij den Burgermeester, die de ceel 
overleverde, betichtte, die 't veel licht ontkende, of anders ontleide. 

y^Daerna socht die Oudtburgermeester de breuk te boeten, en sijn soons Schoon- 
vader ten naesten jaere te doen herstellen, te weeg brengende seker voorschrijven van 
hooger handt aen de Regenten, van desen inhoudt: Dat nadien ^sjaars te voor en in de 
meeste steden^ van Hollandt eenige Regenten van haere diensten waeren verlaeten, met 
sulken verstande, dat der steden Privilegiën daer door niet souden worden verkort; nochie 
de ver laet enen in haer eer^ goede natm en faem gequetst^ volgens de verklaering der 
Heeren Staeten van Hollandt den sesticnden van Slachtmaendt desjaers sestienhondert achtien 
^gedaen^ soo was '/ dat men goedtvondt om redenen van gewiekte wel ernstelijk te versoeken 
en te begeer en^ dat men den Heere N. N, weer in de Vroedtschap soude inlaeten of instellen' 
„Op 'tlesen van desen brief stondt iemandt der oudste Raeden op sijn beurt op; 
eenige seggen, dat het de Heer Jan Jacobssoon Huidekoper, andere, dat het de Heer 
CORNELis PlETERSSOON HoOFT was, seggende: ^T geen daer geschreven werdt van 
cP afgesette Heeren^ dat se door die verlaeting in hunne eere, en goeden naem niet sijn 
gequetst^ is waerachtig, moer dat men daer om eenige van d* afgesetten* inlaetende, juist van 
de jongsten sou beginnen, heeft gantsch geen reden. Laet ons liever van d* oudsten beginnen, 
of van sulke^ wiens ouders om de vrijheit in den kerker moesten treuren^ en ma hunne 
doodt op schavotten sijn onthalst, gelijk de vader van Dr, Sebastiaan Egbertssoon is geschiedt. 
^ese reden hadt krachts genoeg om den geenen dien men socht te herstellen te 



192 EEN RAADSELACHTIGE BLADZIJDE BIJ GEERAERT BRANDT. 

weeren. Doch in plaets van een der oude Vroedtschappcn in te brengen, vondt men geraeden 
seker ander Heer tot dat ampt te kiesen, en door desen, ook gehuwHjkt met een dochter 
van dien afgesetten Regent, den schoonvader voor altijds uit de Vroedtschap te sluiten, 
en de vijandtschap tusschen hem en den Burgermeester, dien hij sijn afsetting, hoewel 
t' onrecht, toeschreef, onversoenlijk te maeken. Daerna wies de vyandtschap tusschen de 
twee gemelde Burgermeesteren soo hoog, dat se op het punt stondt om tot daetelijkheit 
uit te barsten. Het bedrijf van den eenen, ontrent het veranderen van 'tbriefken, gat 
buiten twijffel porsaek tot groote oneenigheit, die men houdt, dat nog meer toenam^ ter 
saeke van hunne twist over seker treffelijk ampt, daer ieder van hun een sijner vrienden 
socht in te dringen. Men vertelt ook dat seker ander Heer, die te vooren de sijde van 
dien beleider der saeken plagh te stijven, insgelijks door een ampt, daer geschil om viel, 
van sijn partij wierdt afgetrokken. Ook ontschoot het hem met een der nieuwe Vroedt- 
schappcn, een man van verstandt en geleerdheit, die hem eerlang tegens viel. Daer waeren 
ook onder d' oude Heeren (behalve de geenen die over 't stuk der geschillen altijds van 
een ander verstandt ^vaeren geweest) noch eenigen die in 't kort de dingen anders insaegen 
en hem tegens gingen: 't geen daer na gclegentheit gaf om 't roer der saeken te wenden, 
en den stierman, die 't schip, hunnes oordeels, tusschen de barningen der precijsheit bijna 
verseilde, van 't roer té houden. 

„Dese dingen heb ik, al sijn Ifee niet seer kerkelijk, hier tusschen willen mengen, 
om dat se hunnen naedruk in 't kerkelijk hadden, en te weegh braghten, dat de Remon- 
stranten uit dienselven hoek van waer de donkre wolken hunner swaerig^eden meest 
opquaemen naederhandt de meeste lucht hunner hoope tot eenige vrijheit of ooghluiking 
saegen opdaegen." 



Wie doordrongen is van het gewicht, dat deze* veranderde stemming bij de meer- 
derheid der Amsterdamsche Vroedschap voor de geschiedenis van land en stad gehad 
heeft, voelt onwillekeurig begeerte om van dit geval het fijne te weten. Het is ons dus 
te doen om het invullen van de ontbrekende namen. 

Mija vriend Mr. A. D. de Vries Az. en ik hebben eens eene poging gedaan om daartoe te 
geraken. Met behulp van de regeeringslijsten over die jaren en van een aantal genealogische 
aanteekeningen, hebben wij toen getracht te zien welke van de in 1618 afgezette regenten 
daarbij in aanmerking mochten komen, en vooral welke burgemeesters Geeraert Brandt 
op het oog heeft gehad. Dat met den regent, die destijds „'t meeste gesagh hadt" en 
„bijna alles naer sijn sin stelde," Reynier Pauw bedoeld werd, scheen ons reeds aanstonds 
vrij duidelijk, zelfs al had niet reeds Wagenaar*) deze gissing geopperd. De woorden 
„van sijn looser verschalkt" doen immers denken aan „looze Reyntje", zooals Vondel den 
Contra-Remonstrantschen burgemeester noemde. 



*) Zie Wagknaar, Amsterdam, deel IV bl. 311. 



■■ 



EEN RAADSEL^CHTIGE BLADZIJDE BIJ GEERAERT BRANDT. 198 

Doch wie was de regeerende burgemeester, die het geschreven lijstje in handen 
kreeg, en die op verzoek van zijn schoonzoon de gewraakte verandering maakte? De 
regeerende burgemeesters van dat jaar waren Dr, Dirck Bas, Bartholt Kromhout. Jacob 
Boelens en Jacob Gerritsz Hoing, en van geen van die vier konden wij vinden, dat een 
hunner dochters de vrouw moet geweest zijn van een broeder van een der niet-afgezette 
Raden. Wij hadden dus reeds de zaak opgegeven, toen mij toevallig bij het lezen in 
BONTEMANTEL*s Aanteekeningen (op het stedelijk Archief te Amsterdam) een kort verhaal 
onder de oogen kwam, dat, naar onze meening, alle duisterheid in dezen moest ophelderen. 

Bij het bespreken van eenige familie- geschillen omstreeks het jaar 1672 tusschen 
de toenmalige heeren Spiegel, Backer, van Waveren, Valckenier en Hudde, acht BONTEMANTEL 
het noodig die geschiedenis wat hooger op te halen, en het is bij die gelegenheid dat 
hij o. a. plaats geeft aan de volgende mondelinge mededeeling: 

,,Domine Brant, remonstrants predicant, heeft mijn verhaelt, dat in den Jaere 
161 8, Pauw en Hoing, met haer addèrenten 's nachs een bij een comst hadden 
in de Warmmestraet tot een Laecken cooper, Alewijn genaemt, daer het goude 
hooft uyt steeckt, alwaer beslooten wie dat op een brief souden stellen om 
door Prins Mouritius uyt den Raet te setten; waer Volckert Overlander mede 
op stont, die dien selfde nacht daer van wierd geadverteert, en wierde de 
saeke soo besteecken, dat de broeder van Overlander, die een dochter van 
Burgemeester Hoing getrout had, ende die de brief had door de voorschreeven 
adderenten gestelt om aen prins Mouritius te geeven wie soude afsetten en 
wederom in de plaets stellen, alsoo regeerende Burgemeester was. Ten gevalle 
van sijn broeder verschreef de brief ofte memory en Het Volckert Overlander 
daer uyt, en stelde Lourens Jansz Spiegel in de plaets, soo dat Spiegel in 
plaets van Overlander wiert afgeset. Waer Pauw seer om te onvrede was, 
alsoo sijn soon aen de dochter van Spiegel was getrout, als sijn goet vrind 
sijnde, niet wetende waer dat van daen quam, ende socht Spiegel wederom 
. Raet te maeken, t' welck misluckte." 



Laat mij maar beginnen met te erkennen, dat wij, zonder de hulp van Bontemantel, 
hoogst waarschijnlijk nooit tot deze oplossing zouden gekomen zijn. Jacob Gerritsz Hoing 
behoort tot de minst bekenden onder de regeeringspersonen van die dagen, en van zijne 
betrekking tot andere regenten-familien was mij niets bekend. Hij was reeds in het jaar 
1593 in den Raad gekomen, doch werd eerst in 1618 tot burgemeester gekozen, welke 
-waardigheid hij nog slechts eenmaal daarna, in 1620, bekleed heeft. Na dat jaar heb ik 
zijn naam niet meer op de regeeringslijsten teruggevonden, en het vermoeden ligt voor 
de hand, dat hij niet lang daarna is^ gestorven. Althans in het bekende schimpschrift, 
dat in 1626 verscheen, en waarin de leden der Vroedschap in drie soorten worden onder- 

25 



194 EEN RAADSELACHTIGE BLADZIJDE BIJ GEERAERT BRANDT. 

scheiden, de „Quanten/' de „Waggelmussen** en „de Vroomen**, wordt Burgem'eester Hoing 
in het geheel niet genoemd. 

Het verhaal van Brandt is nu leesbaar geworden. Niet alleen weten wij nu — en 
nagenoeg uit zijn eigen mond — welke Burgemeester zich in 1618 liet overhalen om een 
zijner eigene partijgenooten, om bijzondere redenen, op de lijst der aftezetten regenten 
te plaatsen, maar wij weten tevens wie de Heer „N. N.** was, voor wien men zich in 
1620 zooveel moeite gaf om hem in den Raad terug te krijgen. Het was Laurens Jansz. 
Spiegel, die tot de ontslagenen van 161 8 behoorde, hoewel hij toen in zijn schepens-ambt 
gehandhaafd bleef. De toorn van Pauw over de verwijdering van Spiegel wordt verklaard 
uit het feit, dat een der zonen van eerstgenoemden, Michiel Pauw, gehuwd was met 
Hillegonda Spiegel. 

Wel sluit met deze oplossing niet geheel de andere mededeeling van Brandt, 
dat men in 1620 „seker ander heer" in den Raad opnam, die ook met eene dochter van 
den afgesetten regent getrouwd was, en dat men daardoor den schoonvader voor goed 
uitsloot Die zekere heer was Antony Oetgens van Waveren, de echtgenoot van Anna 
Spiegel, doch deze was eene dochter van Jan Laurensz Spiegel en Griet Claesd'. Boelens 
en alzoo eene zuster van Laurensz Jansz. De gevolgtrekking blijft echter dezelfde, want 
ook zwagers mochten niet te zamen zitting hebben in den Raad. Het is niet overbodig 
hier te doen opmerken, dat men reeds bij deze verkiezing de keuze heeft gevestigd op 
iemand, die geenszins in alle opzichten meeging met de bovendrijvende partij van 16 19. 
In het bovengenoemde schimpschrift toch vindt men ook Oetgens aangeduid als een der 
„Quanten, die oprechten sullen de Arminiaensche Santen." 



Met het geslacht Hoing (om nog even op hem terug te komen) schijnt het later 
minder voorspoedig gegaan te zijn. Op een andere plaats in Bontemantèl's aanteeke- 
ningen, waar hij melding maakt van het uitsteken van de Oranje-vlag van den toren 
der Oude Kerk in 1672, zegt hij aan het slot: 

„Dit heeft mijn verhaelt de voorsz. kosters weduwe den . . Sept. 1682, sijnde 
mijn nicht van haer mans wege, Lourens Hoying genaemt, sijnde de soon 
van Burgemeester Hoing. 




MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL 



DOOR 

J. H. W. UNGER. 



EEN onzer zeventiende-eeuwsche dichters is wellicht door den nakomeling 
met meer verachting en verguizing behandeld dan hij/ wiens naam boven 
' dit opstel vermeld staat. Over zijn leven, zijn maatschappelijke betrekking, 
zijn familie, zwijgen de geschiedschrijvers onzer letterkunde. Door enkelen, 
zooals Jeronimo de Vries '), wordt hij terloops genoemd, of, zooals door 
VAN DER Aa*), als „een dichter uit de tweede helft der 17* eeuw" zonder meer; ja zelfs 
citeert Dr. Jonckbloet in zijne zoo uitvoerige Geschiedenis der Ned. Letterkunde een aantal 
malen zijn werken, zonder één enkel woord aan zijn persoonlijkheid te wijden. Door de meesten 
wordt hij met minachting genoemd ; reeds in de i8* eeuw sprak LaMBERT Bidloo *) een afkeu- 
rend oordeel uit over Tengnagel's werken, behalve over de Spaansche Heidin, dat door hem 
^een voorwaar welgeschikt thoonneel-spel" wordt genoemd. WiTSEN GeysbeëK *) noemt hem 
misschien de(n) „morsïgste(n) en onhebbelijkste(n) rijmer der geheele zeventiende eeuw, die 
zelfs door FOCQUENBROCH niet overtroffen wordt." LOFFELT ') haalt hem gedurig aan als 
de(n) liederlijke{n) Tengnagel, de(n) beruchten TengNAGEL. Dr. J. TEN BriNK ') wijst er 
op, hoe Tengnagel, „de ellendige beruchtheid verworven heefl:, eene chronique scandaleuse 
van vele zijner letterkundige tijdgenooten te hebben nagelaten." Eindelijk noemt ook 



') Prrnvt itntT ttisthiedtnii dir tTtdtrdtiiUcki dichtkunde, I 33i, 

^ Biegraphiick Weardttünitk, in voce Tskgnagbl. 

■) Pan poltitan Balavum. 1720, bl. 254. 

«) Bicgr., AntA. en Crit. Wnordtaboti dtr Jftd. DüAfert, V 398. 

•) Gidi 1874, III bl. 131. 

■) G. A. Brkdekoo, bl. 133. 



196 MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL. 



« 



Dr. J. van Vloten ') hem „de(n) geheel veriiederlijkte(n) Matthijs Gansneb, gen*. 
Tengnagel, wiens Preciosa alleen wat hooger toon aanslaat", ja zelfs in de voorrede van 
zijn uitgfave van STARTER scheldt hij hej|^ voor „een liederlijke vuilik." 

Toch zijn deze oordeelvellingen m. i. veel te sterk gekleurd. Het is waar, Tengnagel 
behoorde niet tot de ingetogenen in den lande, hij leidde een vroolijk leventje; zijn pen 
was niet zelden in het scherpste venijn gedoopt, zijn taal is dikwijls plat en morsig, maar 
misdeeld van talenten is hij niet en daarenboven zijn zijne werken, uit een historisch oogpunt, 
belangrijk. Het zijn voor ons onschatbare bronnen voor de kennis van den maatschap- 
pelijken toestand van' het Amsterdam dier dagen. 

Bij geen enkele zijner tijdgenooten vindt men zooveel interessante bizonderheden 
opgeteekend over het Amsterdamsche volksleven, Amsterdamsche toestanden, over 
toen levende (of liever gezegd gestorvene) poCten en poëtasters, als bij hem. Onze letter- 
kunde is, vergeleken met die van andere volken, en vooral met de Fransche, helaas zoo 
arm aan memoires^ dat wij Tengnagel dubbel dankbaar mogen zijn voor hetgeen hij ons 
nagelaten heeft, al blijft er slechts betrekkelijk weinig over, dat ons, ook gedeeltelijk door 
onze geringe kennis van de histoire intinu van die dagen, recht duidelijk is. Betrekkelijk 
weinig noem ik het ; want is het voor ons, jongeren, reeds uiterst moeilijk een Spectatorplaat 
uit een der eerste jaargangen te verklaren, hoeveel te lastiger is het dan niet om ge- 
schriften — twee eeuwen oud — te begrijpen, waar in bijna eiken regel toespelingen 
voorkomen, die slechts door den tijdgenoot op hun juiste waarde geschat werden. 

Toch wil ik trachten, zij het dan ook zeer onvolledig, Tengnagel meer van deze 
zijde te doen kennen en zijn persoon en zijn werken eenigszins in een helderder licht te 
plaatsen, dan tot heden het geval was. 

Zooals ik reeds zeide, was van zijn levensgeschiedenis niets bekend. Had men de 
moeite genomen zijn werken te bestudeeren, dan zou daaruit reeds menige bizonderheid 
aan den dag zijn gebracht. 

Hij was Amsterdammer van geboorte en, zooals uit verscheidene plaatsen in 
zijne werken •) blijkt, zeer gehecht aan zijn vaderstad. 

Hij behoorde van moederszijde tot een zeer bekende kunstenaarsfamilie, en was 
door zijn ouders aan de beste Amsterdamsche patricische geslachten vermaagschapt. Zijn 
vader. Jan Tynagel of Tengnagel, was schilder •) en bekleedde tevens gedurende de 
jaren 1625 — 1635 het ambt van substituut-schout**), nadat hij van 16 19 af provoost geweest 
was. Hij werd door Ridder RODENBURGH onder de schilders van naam geteld, die in 



7) Beknopte Geschiedenis der Ned, Letteren^ bl. 302. • 

^) Zie de opdracht vtm de Spaensche Heidin^ en zoowel het begin als het slot van de Amsterdamsche Lindebladen, 
•) Zie ook over hem de monographie van Mr. A. D. DE Vries Az. over Dirk Barentsen in Taürel L*Art 
Chretien en Hollande et en Flandre bl. 176 en de noot aldaar. Zie de plaats uit Rodenburgh bij Jonckbloet, XVH«E. 1 164. 
*•) Commeltn. Beschryvinge van Amsterdam, (2e druk) I bl. 418 — 420. 



MATTUEUS gansneb TENGNAGEL. 197 

het begin der XVII' eeuw aldaar leefden. Het register van kerkelijke huwelijks-procla- 
matiën meldt ons aldus zijn ondertrouw: 

19 November 161 1. 

Jan Tengnagel "), oudt 27 jareuy won. in de pylsteegh, geen ouders hebbende^ 
geqss met RoMBOUT Jacobs syn com ter eenre en Meynsjen Symonsd'., 

otult 20 jareny won. op de Nieuwendyck geass. met Symon Jansz, Pinas 
liaer voeder en Neeltjen Jacobs, Itaer moeder. 
Uit dit huwelijk werd in het begin van het jaar 161 3 een zoon geboren, blijkens 
de volgende aante^kening in het doopboek der Oude Kerk: 

10 Januari 161 3, 

Jan Tingnagel, Meynsjen Symonsd'., Jan Pynas, Francisco Badens, 
Klaerken Kolyns. Matthetis. 

Ik kan niet nalaten even in het bizonder de aandacht te vestigen op het feit, dat 
Francisco Badens, de leermeester van Brederoo als doopgetuige optrad. 

Behalve dezen zoon werden uit dit huwelijk nog meerdere kinderen g eboren, waarvan 
ik alleen Jan") en Symon**) noem. De vader stierf in 1635, althans in dat jaar werd, 
volgens Commelin, in zijn plaats Claes Buyl, de zwager van Tesselschade, tot 
substituut-schout benoemd. De moeder overleed in de eerste helft van het jaar 1643, 
zooals men kan opmaken uit de opdracht van het blijspel De Spaenschè Heldin. Wellicht 
is zij van verdriet gestorven. 

Over Maitheüs' jeugd valt- niet veel mede te deelen; wij vinden hem voor het 
eerst weer, vermeld in het Leidsche Album Studiosorum. Hij werd door den rector 
Antonius Thysius den 20 October 1633 aldus ingeschreven: Matthaeus Tengnagel, 
Amsterodamensis 20 S(tudiosus) J(uridi). 

Hij woonde bij Pieter Gerritsen Speek op de Langhe Brugge. 

Daar hij slechts eenmaal ingeschreven is, ligt de veronderstelling voor de hand, 
dat hij zich niet lang te Leiden opgehouden heeft. Wellicht is hij, volgens de gewoonte 



**) De Teognagel's, soms ook genoemd Gansneb Tengnagel, waren verwant aan de Bicker*«, de van Loon's, 
de Valckenier's enz. Zoo vind ik een Jan Hermansz. Gansneb Tengnagel gehuwd met Jannetjen Boelens Loqp, 
uit welk huwelijk een dochier Catharina geboren werd, die met Andries Bicker huwde. (Zie de Geslachtslijst 
van de Boelens door J. A. Alb. Thijm en Mr. N. de Roever.) 

") Deze Jan Tengnagel werd den 21 Febr. 1619 in de Oude Kerk gedoopt. Opmerking verdient het, dat er achter 
den naam y2SL ^tr^yzAitT %X.9a\. nu nieus geworden provoost. Bij deze doop was Cornelis Jansz. Valckenier doopgetuige. 

Hij ondertrouwde «15 October 1643 met Susanna Adriaans van Zevenbergen (geboren 11 October 1622), 
uit welk huwelijk een drietal kinderen Jan, Adriaan en Michiel geboren werd. Hij was baljuw van Naarden en 
heeft zich als dichter doen kennen van het/ treurspel: Verwoesting k des stats Naerden. (t* Amsterdam, By Nicolaes 
van Ravesteyn, Anno 1660) en eeu bundel van XL Geestelycke Meditatien^over Eenige Aenmerckens-waerdigeHooft- 
puncten in de Christelijcke Godsdienst, ('t Amsterdam, by Daniel Bakkemude, MDCLXX VI.) 

^*} SiiiON Tengnagel werd in Augustus 1646 op 20jarigen leeftijd door den rector Ewaldus Schrevelius als 
student in de Theologie ingeschreven. Hij ondertrouwde den 6 Juni 1652 met Cornelia Adriaans van Zevenbergen, 
een zuster van Susanna (geboren 2 November 162 1). Uit dit huwelijk werden vijf kinderen Symon, Nicolaas 
Mattheus, Cornelis en Michiel geboren. 



198 



MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL 



dier dagen een buitenlandsche reis gaan mak^n; want eens bij de herdenking zijner misslagen, 
slaakt hij deze verzuchting, waaruit tevens blijkt, dat hij een niet al te ingetogen leven leidde : 



Wie ik immer heb bedrogen, Datze noch uyt Woerden quamen, 

Of belogen, staet voor my. Uyt den Haeg, of Rotterdam, 

'k Zie hier Waerden, en Waerdinnen, Of ujt Haerlem, 't was te ramen, 



Die my deden goede cier, 
Om haer nooderuft te winnen, 
Die van daer, en dees van hier. 



Mits ik daer zo dikwils quam; 
Ja uyt Geldre, 'k lou 't verschoonen. 

En uyt Zeelant, 'knam 't in best, 
Maer ik zie'er zich vertoonen 

Buyten ons vereent gewest. 



Elck dringt my, om betalen, 
Woort dat my in 'therte snee. 

Met een schrik, die 'k lüet kon malen. 
Wat een yver dat ick dee: 

Maer als ik het kon ontspringen, 
't Was met hantschiift, eed, of list, 

He Paste niet op zulke dingen. 

Mits ik van geen naween wisL 



Franschen uyt wel twintig steden. 
Die ik eer te vinden wist. 

Vaderstadse drinkverkopers. 

Die my schromen, in mijn pijn, 
Stiert^ van my, 4ese lopers; 

'k Zal aen u verso huldigt zijn. 
Want mijn Broer zal u gedenken; 

Niet die naar Vyanen trekt: 
Maer wien zijn gedachten wenken, 

Hem die uyt de dooden wekt. 



d' Antwerps Leeuw brant in zijnoogeiu 

Tc Stelde 't huys in rep en roer. 

In Heb met hantschrift hem bedrogen. Wat mijn erfdeel op kan halen. 

Mager loon voor kost en voer. Zal hy, die go6 blijken doet, 

Londenaren dringen mede Met een goet gemoet betalen : ^*) 

Om betaling, die hem mist, 

Voor de studie was hij niet in de wieg gelegd. Andere zaken lokten hem meer 
aan : de vrouwen en de liefde hadden voor hem grooter aantrekkelijkheid dan zijn boeken, 
gelijk hij zelf getuigt in een Minneklagt "), gestort aan de I^aedyk, buiten de S. Antonis Poort. 

Zomtijds koomt myn kamer wenken: Loop ik dan om haer te lezen. Geef ik ieder een de schop, 

Niemand wil de lette wezen: En ik slae myn Nazo op. 

Elk wü voor ander gaen: jy^^^ ^^^ ^^^^ ^^^^ ^^^^^, 

Let eens hoe ik daer moet staen: 
'kKanze t^zaemen niet gerieven: 
En om ieder te believen, 



En myn boeken roepen schier. 
Leerling! leerling! koom doch hier! 

'kLig, en schimmel in de hoeken! 

Niemand koomt my hier bezoeken! 
En 't gckap van Rat, en Muis, 
Draegt myn lett'ren uit ten huis! 



Die weet al dat andere weten. 



Bij voorkeur schijnt hij zich bezig gehouden te hebben met jagen, zoowel met 
brakken, als met den havik, met visschen, nu eens met den „schakel", dan weer met het 
„scepnet**, met snoeken strikken, met eenden en duiven schieten, „dat het Gelders recht 
verboot'*, met eieren te zoeken 

Als de kivit kivit riep; 
En mijn boeken jongen, jongen. 

Die noch meenden dat ick sliep: 
Maer ze misten in'er meenen. 

Want ik was voor zonneschijn 
Met mijn spitsen op de beenen. 

Die al mêe niet murrew zijn 
Door "t gestadig letterjagen *• ) ; 



") Di Geest van M. G. Tengnagel ed. 1652 bl. 3 en 4. 

Kenmerkend voor hem is de volgende anecdote, die ik vond in een Ms. verzameling van dergelijke ver- 
haaltjes, geschreven door den dichter Aernout van Overbeke. De bundel is in de Koninklijke Bibliotheek* 
Mattheus Tengnagel raeckte met een van syn mackers, die soo kael als hij self was, inde kroeg, 
men was er vrolijck, maer eijndelijck moest'er geit zijn, R. Ey maet betael eens voor tween, R. Doet 
ghy het eens, ik heb waeragtig geen Ideijn geit etc. Op het lest moest er het hooge woort ten wederzijden 
uyt, dat sij alle beijde beroijt waeren. R. wat doet gij inde kroeg? R. Omdat ik dorst had. R. Hoe, 
Hoe duyvel derQe dorst krijgen, als gij geen geit en hebt. ' 

") Afgeslagen Bloemsel van de Atnst, Lindebladen 1641 bl. 25. 

") M. G. Tengnagels, Amsterdamsche Lindebladen 1640 bl. 15 en 16. 



MATTttEuS GANSNEB TENGNAGEL. 



199 



Zooals uit de boven aangehaalde plaatsen genoegzaam blijkt, is zijn leven vrij 
avontuurlijk geweest en heeft hij o. a. veel gereisd. Welke betrekking hij bekleedde, is 
mij niet mogen gelukken te ontdekken. Uit sommige- verzen *') zou men de gevolgtrekking 
kunnen maken, dat hij in krijgsdienst geweest was; maar een ingesteld onderzoek op het 
Rijks-Archief deed hem mij noch bij de ritmeesters, noch bij de luitenants van Holland 
ontmoeten. Toch schijnt hij in relatie te hebben gestaan met Zijn Hoogheid ";. 

Dat hij zich, niettegenstaande zijn heen en weer trekken, veel te Amsterdam opge- 
houden heeft, kan men opmaken uit zijn nauwkeurige en uitgebreide kennis van alle 
galante avontuurtjes, die er voorvielen. 

Onze dichter schijnt een hartsvriend gehad te hebben, die lang voor hem gestorven 
of wellicht naar elders vertrokken is, immers in de klucht van Frick in '/ Veurhuys (1642), 
zegt Mr. Pieter de Poëet (d. 1. Tengnagel zelf): „Dat loof ik well toen (driejaren geleden) 
had ik mijn kameraed.Jacob noch byme, die lose Vallek en nou ben ik allien." Ook 
in zijn Lindebladen spreekt hij tweemalen van zijn trouwen vriend Damon. Wie deze 
Jakob is, weet ik niet te beslissen : in Tengnagel's gedichten wordt gesproken van drie 
vrienden, die Jakob heeten : jAKOB Baek "), Jakob Feytama *) en Jakob Heerde (deze 
was den 6 Sept. 1640 in Zwol). Misschien bevatten de woorden van Mr. Pieter een toe- 
speling op Jakob Valk, die op de bekende lijst van poëten in de Amsterdamsche Linde- 
bladen (blz. 65) voorkomt. Hij wordt echter overigens niet bij Tengfnagel vermeld. 

Ook Jan Zoet heeft tot Tengnagel's vrienden behoord, alhoewel nergens ééne 
plaats bij ZOET bekend is, waar hij hem noemt. De boekverkooper J. J. Schipper «en 
de acteur J. N(OOSEMAN) waren eveneens met hem bevriend. De eerste vervaardigde 
een lofdicht op de Lindebladen^ de tweede deed het voor zijn Frick in '/ Veurhuys. Eindelijk 
leeren wij uit TENGNAGEL'S poëzie nog als zijn vrienden kennen: DOMINICUS Heerde"), 



17) Hij spreekt o. a. veel over zijn spitsbroers, met wie hij in Gelderland paarden was gaan koopen. 
") In een hoogst zeldzaam bo«kje, getiteld: SU Niklaes-gift Bestaendt in Bevallike Koddtryen^ aerdige 
VoervalicH, vreemde Potsen, en verdichte Vonden enz, . t* Amtsteldam, Voor Comelis Last, . . 1653 vindt men, 
behalve een zeer belangrijke voorrede, een groot aantal anecdoten enz. Op bl. 43 wordt het volgend ^yAertigh Ant- 
wocrf* verhaald: 

D' overaertige Poet Mattheus Tengnagel, in een barbiers winckel komende, om hem te laten scheeren, 
wicrt, zoo hy 'er toesat, van de knechts, dat lustige vleyers waren, gevraeght, Myn Heer, waer is syn 
Hoogheit? hoe staen syn saken? sal hy, meent ghy, wat opdoen? is de vyant van d' andere zyweersterck 
in de weer? en dat zoo dickwils datse hem, die andere saken, die hem meer troffen, in *t hooft hadt, ver- 
veelden, en zy ondertusschen syn hair een weynigh afgenomen hebbende, vraegde hem weer. Mijn Heer, 
hoe ghelieft ghy u baert geschoren te hebben, waerop hy, met een itatigh gelaet, besadigt antwoorde, 
al swijgkende^ dat d* andere lieden, de fout der knechts bemerckende, niet weynich tot lachen kittelde. 
*•) Deze was dezelfde als de vriend van Vondel. Hij stierf tusschen de jaren 1637 en 1640. (v. Lbnnep 
III 313). Vondel en Barla^us bezongen zijn dood, terwijl Tengnagel de moeder een Troostdicht toezond. 

*•) Jakob Feytama overleed eerst veel later. EjUIEL Verloove maakte een: Lof- en lijckdicht over *tprijs- 
lijck Leven en Sterven van den Amsterdamschen Filosoof of wijsgeerigen Jakob Feytama, Gestorven in Amsterdam 
op den 10 dagh in Slagtmaand, in 't Jaar 1669. Te vinden in: Den Koddig en OpdUser^ Den tweeden Druck. Am- 
sterdam, 1678, bl. II — 16. 

«) Ook deze vervaardigde een lofdicht op de Lindebladen, gedateerd uit Zwol, denóvanHerbtsmaand in*tjaer 
1640 ziek te bed liggende. Hij stierf spoedig daarna ,/uin de Teering", en werd door Tengnagel in een graf- 
schrift herdacht 




200 MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL. 

die eveneens een lofdicht op de Lindebladen schreef, O. v. GrOLSTEiN, een vriend in 
Kopenhagen, enz. 

Slaat men Tengnagel'S werken op, dan ziet men reeds dadelijk, dat ze van zeer 
verschillenden aard zijn; 'gewoonlijk blijft zijn pofóie laag bij den grond, een enkele maal 
treft men een bevallig minneliedje aan, maar meestal worden zijn gedichten ontsierd door 
grove platheden of liever onkieschheden, die het uiterst moeilijk maken 'hem aan den 
negentiende-eeuwschen lezer in zijn ware gedaante voor te stellen. 

Een ander maal, zooals in zijn Spaansch heidinnetje, loopt zijn stijl zoo op stelten, 
dat men moeite heeft in zoo'a ernstig en godsdienstig man den vroolijken TENGNAGEL te 
herkennen. Om zijn werken te leeren kennen is het 't best ze achtereenvolgens eens door 
te loopen en daarbij het belangrijkst aan te teefcenen. De volgorde, waarin zij verschenen, 
is niet altijd gemakkelijk te bepalen; het is daarom, dat ik het beter vond dit te bespreken 
in de Bijlage, waar ik tevens een proeve van bibliographie van zijn werken geeC 

In het jaar 1639, dus op 26jarigen leeftijd, deed hij zijn eerste pennevrucht, onder 
den titel van Amsterdamsche Maneschijn, maar zonder zijn naam, het licht zien. 

In de toe-eygeningh, „aen de Stercke Walsche boer" vertelt Melis, dat y,in den 
tijd .... dat de Wijngaerd bot, de Boomen groenen, de Vruchten setten, de Wegen drogen, 
*t Ghevogelt broeyt: in 't kort" in de lente ^spande (hy) zyn Leckerbecken (paarden) in, 
die sonder sweep met een harde draf van de Vincke-buyrt, langs de Amstel-dijck tot in 
stee joeghen; doch sy wisten wel, dat de reys om versche (hennip)Koecken te halen, nae 
Jacob Claesz. op 't Rockin lagh; ick betaelden 't oud en borgden 't niéu, maer de goede 
man wel wetende dat ick een van de beste klanten was, sette mijn een Beecker op de 
handt, daer een van mijn Ruynen wel een Been in gebroken souden hebben." De waard 
schonk hem in een zoo ruime mate bier, dat, toen hij op wilde staan, „de beenen niet 
mee wilden." De zon begon te dalen en hij zette dus ^ijn beesten op stal en raeckte 
met struyckelen en vallen neffens haer in 't Hoy." De paarden echter, die den geheelen 
dag geen drinken hadden gehad, maakten zoo'n geraas, dat hij wakker werd en eenmaal 
wakker zijnde, beschouwde hij, nog onder de werking van het mout, de zaken vrij wat 
luchthartiger. Hij zag, dat het buiten „krielden van menschen", die „hand aen hand in 
de schaduw, onder het jonge groen van de Ypen, ende Linde-boomen haer vermaken 
met verscheyden kueren, die nou te langh zyn om te verhalen: maer het stond my 
geweldich aen, en daer was stof ghenoech om Lietjes af te maken, had ick maar Reden- 
Ryckers by my gehadt : Dus wandejende schoot my in, dat ick^ op so menighen In-tre 
gheweest ben in verscheyde Dorpen, en dat ick op de Kamer 't Ouwer-schie, en te Pyn- 
acker, door 't beantwoorden van al heel diepe Vragen, schier de prijs gewonnen had, 
soo teegh icker selfs aen,' en ick songh nae mijn Boere verstandt, .... dese Deuntjens, die 
ir.k mee een naem geef, want ick noemse de AMSTERDAMSCHE Mane-SCHIJN, omdat de 
Maen op die tijdt helder scheen." 



^ 



MATTHEUS gansneb TENGNAGEL. 201 

■ 

Aldus de inleiding van zijn eerste werk. Daarna vangt het gedicht aan, dat, evenals 
al zijn andere satyrische werken, gesteld is in trochaeische verzen, elk van 8 regels, 
dezelfde maat, die Huygens gebruikte voor zijn Voorhout. 

Na het avondmaal geeft Melis aan zijn „ineyt" Grietje nog eenige bevelen en wacht 
dan zijn kameraad, zijn spitsbroer op, „om een straetje door te gaen." Zij gaan nu op 
weg om y,met de mantel over de ooren" de vrijende paartjes te bespieden, want 

*t Minnen kan veel dingen wecken, 
't Minnen maeckt de bloo^en stont, 

't Minnen maeckt de wysengecken, 
^t Minnen maeckt de jongers out, 

'tMinnën mint het minsaem spreecken, 
£n sy maeckt de minnaers stom, 

En noch duytent minne-treecken 
Gaender in het minnen om. 

Zij ontmoeten nu achtereenvolgens een aantal vrijers, die zonder twijfel werkelijk 
bestaande personen moesten voorstellen, welke door de tijdgenooten als met den vinger 
aangewezen konden worden. Zoo hoorde hij 

ft 

melden van een Vryer En hy swoer het loon te sachten, Maer ''tmisluckte 't murwe knechje, 

Die gyn eerste Wambuys droegh, Als syn Vryster waer syn Vrouw', . Daer syn sin was opghestelt; 

'tMaecken was hy aen de Snyer, * Want hyselfssoolangh most wachten Gijsbert wordt ghehaet v«i Brechje 

Aen de Winckel *t Laecken schoegh ; Eer hy duyten hebben sou: Nou heeft gheen van dryen jreldt 

Het is voor ojis natuurlijk onmogelijk te weten te komen, wie er mede bedoeld 
werden; maar dat aldus bekende personen aan de kaak werden gesteld, zal men mij 
lichtelijk toegeven. Na het mededeelen van een dergelijke historie geeft hij aan verliefden 
den raad, „lett'ren te eyschen van haer hand*', want 

Soo 's het dan ont-dryen willen 
Daer sijn rechten voor in 't land: 

En ick sou de saeck betrouwen. 
Keuning, Wilde of Molyn, 

Die tot pleyten voor de vrouwen, 
Dry d<y)r-slepen meesters sijn. 

Nu eens ontmoeten zij drie paren, die gemaskerd rond loopen, dan weer 

een rey van twalef vromen, 
Daer een ycder lust in schept 

Zelfs ziet hij 

Somtijdts wel trotse ^Luyden, 

Die 't haer Vroutjes niet beduyden, 
Waerse 's avonds zijn gheweest. 

Zeer eigenaardig is zijn ontboezeming, als hij een pikant avontuurtje, dat we onze 
lezers maar zullen sparen, heeft hooren vertellen: 

'k Hoorde lest een klucht vertellen. 
(Wisten s' het 't quam op 't Tooncel, 

Want de net-ghevylde spellen 
Hebben doch geen gunst of deel.) 

26 



202 MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL. \ 

■ ■" 

En dit werd in 't jaar 1639 geschreven I Wel een bewijs, dat het niet geheel aan 
tooneelschrijvers als Vondel lag, dat hun stukken geen opgang msiakten. Het publiek 
zag veel liever de vuilste kluchten in armelijk dialect bijeengerijmd, dan de deftige s^ken 
van een Vondel of een Hooft. 

Hierop volgfen een aantal verzen, die zeer belangrijk zijn voor het bepalen van 
den tijd, waarin het bekende Ifedeboekje : ^ Amsteldams Minnebeeckje ") verscheen, waaruit 
tevens blijkt, dat NiCOLAES Pels en Moor te zamen „naar d'Indiaen vertrocken." 

Dat er verder werkelijk hatelijkheden werden bedoeld aan het adres van Lambert, 
Leenert, Stille Joris enz. kan men duidelijk zien uit zijn verontschuldiging aan het slot: 

Vrystcrs heb ick wat gheschreven 
Datje niet wel aen en staet, 

Ay! dat moetje my vergheven, 
Want het haten is te quaet 

Vanje Vryers magh ick hoopen 
Soo *t haer wat te droUigh luyt, 

Dats'er ellick eentje koopen. 
En haer drollen krabben uyt. 

„Toen ick 's morgens t'huys quam," aldus vertelt MELIS in de opdracht van de 
Amsterdamsche Sonneschijn „aen de Amsterdamsche moye Vryers" had er „suldcen 
ty egaen tusschen my en mijn wijf. . . . omdat ik de hiele nacht uyt ebleven had, datter 
het gansche durp van weegde; en haddet onse domine Pastoor niet estuyt, 't had noch 
geen effe water eweest" De goede heer Jan, de pastoor, bracht eindelijk zijn vrouw tot 
bedaren; deze had hem y,op den hals verboden niet weer na stee te gaen"; maar toch doet 
hij het stilletjes en daar hij er nu is, ,,moet (hy zich) weer wat op (z)yn benier vermaecken." 

Even als de vorige maal, gaat MELIS nu weer wandelen met zijn „spitsbroer", of 
liever Tengnagel gaat op weg met zijn trouwen vriend Jacob. Het is Melis — ik zal 
hem zoo maar blijven noemen — om het even welken weg zij zullen gaan; 

Maer ik moetme eerst wat sterken 

Met een mond-vol brood, of twee ; 
Daer een dijker op so|i werken, 

Die twee dagen honger lèe. 
Of kan 'teeten niet verkloeken? 

Hou je 't met den alsem-wijn ? 
Laet ons dan Dirk Mouten soeken, 

Daer de klaerste romers zijn. 

Nadat zij aldus gelaafd zijn en beloofd hebben aan „twee moye nichtjens", die 
wonen, daar „Roeland *) Stage wacht houdt", t'avond terug te komen, hooren zij plot- 
seling brand roepen. Nu geeft de dichter een uitvoerige, niet onverdienstelijke beschrijving 
van het blusschen van den brand, die wij, uit vrees voor te groote uitvoerigheid, noode 
den lezer onthouden. 



2*) Ik hoop aan dit boekje later een a&onderlijke beschouwinji te w|jden. 

^) De Steenen Roeland stond in de stoep van een oud gebouw, op den Nieuwezijds- Voorburgwal, over de 
Kolk. Zie Wagenaar. Amsterdam IX bL 4. 



M 



XTtV^^US GANSNEB TENGNAGEL. 208 



Aan het slot wijdt bi) een aantal verzen aan de kermis en roept daarbij den 
kermisgasten een welgemeend: „welkoomi welkoom !" toe. Hieruit laat zicji tevens de tijd 
bepalen, waarin het gedicht vervaardigd werd. Want het is bekend, dat de Amsterdamsche 
kermis aanving, in de maand September, op Zondag na den Feestdag van St Lambert**). 
Ook volgt het uit het gezegde: 

'kWed se komen altemalen 
Van de Valckenbnrgse mis, 

die in het begin van September werd gehouden. Het gedicht dagteekent dus uit het 
jaar 1639, omstreeks het midden van Herfstmaand. 

Even als bij de twee vorige gedichten heeft Tengnagel bij zijn Grove-Roffel 
OFTE QUARTIER DES AMSTERDAMSCHE Mane-Schijn", een opdracht gevoegd ; ditmaal 
aan: „d'Heer mijn Heer H. Paarde-schoen "), a Mye", waarin hij verhaalt, hoe de schrijver 
Fop „door het afsterven van een oude Pete-moey" bij het verdeelen van haar erfenis in 
allerlei financieele moeilijkheden geraakte, die hem noodzaakten zich tijdelijk te Amsterdam 
te vestigen en zijn geschillen met zijn erfgenamen door een advocaat te laten beslechten, 
maar ook in dien tijd reeds gold het gezegde: 

Advocaten, Procereurs 

Dat zijn kanckers inde Benrs. 

„Onder tusschen niet wetende waer (hij) (s)yne overschietende uren soude besteden", 
heeft hij zich ,,ghevoecht, daer men ghemenelyck wat nieuws heeft, ende daer soo eenige 
quackjes gehoort hebbende van onse hedensdaegse Jonckertjes, (heeft hy) de selve, Per 
Memory aen ghetekent, ende te huys komende, die wat breeder uytghesmeet." 

Tengnagel begint ook weer met een opwekking tot zich zelven, waaruit tevens 
de strekking van het gedicht kan opgemaakt worden. 

Nu wel aan d^n rappe sinnen y^-j^^ j^.^^ ^ ^^^ ^j.^^^ ^^j^^^^ j^j^ ^^^ ^^^^^ ^^^^ maecken, 

'kHeb de Neb in Int ghedoopt, Schenckt dat toe, als op de koop. 

Komt wUt vaerdigh gaen beginnen ^^ ^»«^ g^^^« dartelheen, oc ene t i , ais op ae Koop 

Toont hoe dat de Weerelt loopt, Al haer rappige gebreken, 

Wijst hier al den lossen handel, yan haer buyten gave leen. ^n wel aen dan Pen en handen 

Al de dartelhejt der Jenght, Tast het hartste 't eerste aen. 

Toont haer domme kromme wandel. ^^^^ '^^^"^^^ g^^ ^°™^ ^^ raecken Broyckt daer toe de scharpste tanden 

80 perfeckt ghy immer meugh. Mannen haer verkeerde loop, Laet het slegst op 't leste staen. 

Ook nu worden tal van vrijende paartjes besproken en bespot, allerlei grappen verteld 
en avontuurtjes beschreven, die zonder twijfel feiten tot grondslag hadden, maar welke 
wij, deels om niet te uitvoerig te worden, deels omdat ze minder geschikt zijn in hun 
geheel overgenomen te worden, niet kunnen vermelden. Enkele historietjes worden her- 
haaldelijk in de liedboekjes uft dien tijd aangetroffen of soms op het tooneel gebracht. 



•*) Wagen AAR, XI bl. 7 en Commklin, II bl. 1157. 
*) Hoogstwaarschijnlijk is dit een gefingeerde naam. 

2«^ 



204 MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL. 

wel een bewijs, dat het geliefkoosde stofie was voor dichters van den lO* rang. Ook 
van dit boekje . kan nauwkeifrig den tijd van vervaardiging bepaald worden. Aan het 
slot leest men: 

Ie Moet {mijn vrouw) een kermis kopen ^ 
Walit de kramen zijn gezet, 

waaruit dus volgt, dat het in kennistijd geschreven is. 

Veel belangrijker is zijn volgende pennevi-ucht : St. Nicolaes milde gaven, aen 
d'Amstelse Jonckheyt, Ofte het laatste Qüartier der Amsterdamsche Mane- 
schijn. In de voorrede spreekt St. Nicolaes zijn „Lieve Keyeren" aldus aan: Na mijn 
oude ghewoonte kome ick hier wederom mijn gaven op-offeren, ende mildelijck uyt 

deelen Maar ick heb nu een tijdt langh herwaerts, boven op de schoorsteen 

sittende gesien, de quade gangen, ende lasterlijcke daden, die hier van vele gepleecht 
ende die mijn rijcke gaven ontwassen sijn, och dat ick in mijn hoogen ouderdom sulck 
een droevigen ende verkeerde staet moet beleven, datmen alle goede vermaninge en 
stichfelijcke dingen verwerpt, die een Mensche brenghen tot sijn eyghen welvaren: Ick 
had soo wel ghehoopt datter wat betemis inde gemoederen soude ghekomen sijn, door 
het schijnen van de klaeren heele ende grove roffels Mane-Schijn, ende van het nimmer 
ghenoech ghepresen Sonne-Schijntje. Maer wat ist, hoe schoon men 't licht haer voorstelt, 

sy blyven in die groote duysternis al wandelen, Ick sal nu maer ter loop, eenighe 

dinghen aenroeren die my noch vars in de gedachten speelen . . ^ . . . wel dan Vrienden, 
betert u handel en wandel, ende neemt dese goede vermaninghe in acht, of ^ ick sal 
ghenootsaeckt wesen, al u dinghen noch beter op te mereken, en teghens toekomende Jaer, 
Tynnagel, en Jan Soet, met den Advocaet *•), in 't werck stellen, die alle jou bedreven 
fouten na den rechten stijl sullen uyt-legghen." 

De dichter begint met te betoogen hoe elk jaargetijde zijn eigenaardigheden mede- 
brengt en dat men in de herfst het beste doet 

te roocken en te smoocken Doch ons Jantje salt niet seggen Geen van al de noble basen 

In de stintfkende Toback Die *tsoo heerlijck weet te doen Soo daer leven by de roock 

Dat een jder 't hart moet koocken En soo braefjes uyt te leggen Die dit mantjen can verblasen 

Als men denckt om 't ongemack, Dat het 's mensen lijf kan voen. In het drincken van de smoock. 

Met Jantje wordt hier bedoeld Jan 2k)ET; daarop volgen een reeks toespelingen op 
Ackersdyck, den dichter Claes Seep, den makelaar De Haes, Claes van den Heuvel, Abeel 
,,die door syn singhen yeder stem en keel verdooft", maar zij zijn, even als bijna alles, 
Wat er volgt, zoo onduidelijk, .dat het onmogelijk is ze te verklaren. Daarna wordt 
een „tweemaal ses ghetal van vromen" over den hekel gehaald; hiertoe behooren 
Pauw, heer van Achttienhoven met zijn zwager, Six, Joncker Jan van Piepenfoye (?) enz. 



««) Zou hier Jacob Baeck bedoeld zijn? Deze was Licentiaat in de rechten. (Zie v. Lennep, III bL 309 
en 313.) 



MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL. 



205 



*k Moetje d' Amstel» heerlijckheden 'k Sal van een dozijntje roemen, 



In het stuck van wijse Uen, 
Oock een beetje gaen ontleden 

En hier blijcklijck laten sien. 
Dat men niet en hoeft te sturen 

Na de een of d' ander plaets, 
Om te halen die de koren* 

Beter pleyt als onse maets. 

IcMeen den Amstel is verheven, 
Alsoo wel als 'tHaechse Vleck, 

Om de wijsheydt plaets te geven 
En te spelen met den beek. 



Mits *ker hier soo veele vijn 

Die haer advocaten noemen, 
Datter sou geen ent aen zijn. 



Van *tverkeeren in het boeckje, 
Met het pypjen inde handt. 



Vogel-zangh, de Raet en Roeters,' 
Door haer hooch en kloecke geest. 

Zijn de gauwe wijsheyt wroeter», 
En verstaen de rechten 't meest. 

Om 'tghetal dan vol te maken. 
Van dees twalif op een ry, 

Can ick Oyens niet versaken, 
Noch soo lichtlijck gaen verby. < 



Vinck en Bas, die sijn wat lacker ^^^^^^^ Rendorp, als de lest, 

Maer de andren sijn goet slicx. 

Niet te stellen voor verschovling 



Nieuwen-hoven, en van Bassen, 
Sasborch, Bevers, en Cappit, 

Zijn die vinnich op gaen passen, 
Daer maer slechts wat kley by sit. 

Davelaer, van Loon, en Kloeckje, 
Hebben weer het recht verstant, 

Oyens *') schijnt een drukke praktijk gehad te hebben, maar ook wel van een 
eenigszins verdacht allooi. 

Nu komen ,,de soete coUeganten, die ghestadich by de vocht, niet en doen als 
schijven planten, oock eens wandelen voor de bocht" Bij hen schijnt vooral een stevige 
dronk gewoonte geweest te zijn; immers „'t syn al te samen brakjes". 

Die wel weten met wat quackjes 
Dat men 'tglaesje vegen moet. 

Bontemantel, Soop en Backer, 
Campen, Hasselaer en Sicx Outgers, Vlaming, en Dirck 't Ho vling Want sy mogent trots de best 

Eene bekende lierberg ,/t Franse Schutje tot moy Saertje" aan de Weesper vliet 
-wordt daarna besproken. 

„Om ras na huys te gaen" wandelt TENGNAGEL door twee kamers. „D'ouwe luytjes 
moet (hy) eeren"; als leden noemt hij Geeraers, Oyens en klein Franckje, Beeringh, Ipelaer 
en Metsu w, Welbbrch, Brentes en Jan huer (?). Welk soort van kamers hier bedoeld worden 
is mij een raadsel; waarschijnlijk ziet het op een of andere Sociëteit ofGilden-vereeniging. 
Zeker is het, dat hier* geen sprake is van een Rederijkerskamer. 

Sprekende over een zestal vrijers, zegt TENGNAGEL dat zij „vertoonde(n) hunne 
lessen, op de Feest, van Monsieur Kroock*'"). 

Vervolgens treft men toespelingen aan op Papenbroek, Bloys, Broeckje, Buys, 
Mons. Calanbryn, Colpyn, de Raet en nog menig ander. 

Zeer Icenmerkend zijn eenige verzen, waarop ik nog even de aandacht wensjh te 
vestigen : 

'kWil niet hopen datje handen, 
Van mijn yleys so jeuckerich syn. 

Al» op hem die hier quam landen. 
Met een heldre Mane-schyn. 
/ 'k Sal maer slechts je vanne raken. 
En je daden laten staen, 

Want daer sou m'en boeck van maken 
Wel van vier-en-vyftich blaen. 

'T) Vooral de volgende verzen geven geen loffelijke getuigenis van zijn praktijk. Hij is zonder twijfel dezelfde 
ab Abraham Oyens, die ook bij Vondel voorkomt (v. Lennep, III bl. i6o.) 

^) Waarschijnl^k wordt hier bedoeld Cornelis Laurensz. Krook, die in *t speekeizoen 1658/59 voorkomt 
als Balletdanser {Ifet Ned, Tooneel^ 2* jaargang bl. 249). Ook wordt hij vermeld door Mr. A. van Halmael in zijn 
Bijdragen tot de Geschiedenis van het Tooneel, bl. 29. 



206 MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL. 

De Maneschijn heeft dus vermoedelijk de pennen en tongen van de bespotte lieden 
aan den gang gemaakt; het is misschien om deze reden, dat Tengnagel het publiek op 
een dwaalspoor trachtte te brengen, door ditmaal zijn weric te onderteekenen met de 
letters P. V. 

In het volgende jaar verscheen een klein-octavo bundeltje onder den titel van 
M. G. Tengnagels Aemsterdamsche Lindebladen. Hiervan bestaat een druk van het 
jaartal 1639, maar deze is ge-antidateerd, zooals men duidelijk kan opmaken uit de 
volgende verzen, waarin, sprekende over Brederoo's liedjes, gezegd wordt; 

Die noch daegHx vreugde baeren, 

Tot vermaek van Gerbrands geest, 
Schoon hy twee-mael ellcf jaeren , 

Deezen dag**) is dood geweest* 

Het boekje behoort dus wel degelijk op het jaar 1640 gesteld te worden ; het is 
het eerste, dat met Tengnagel*s naam op den titel verscheen. Het werkje is opgedragen 
aan zijn vriend Jakob Feytama,, onder dagteekening van 23 van Oogstmaand, 1640. Op 
bl. 14 schuift Tengnagel het vaderschap ,,van d'onkuische MaeneschijnJ*^ ,i(Een onlangs 
uyt gegeven boekje)" ver van zich af. Het voorbeeld van den „wakkren" HuYGENS, 

die zomwijlen, 
Ledig, naer het dichten schoot 
Als een star, waer naer wy zejlen 
Zoo He mag vlotten in die vloot, 

spoorde Tengnagel aan om zijn krachten te beproeven aan een tegenhanger van de 
tafereelen, die de Haagsche Ridder in zijn Voorhout had geschetst 
Hij koos tot zijn stof de 

Lindebladen! Lindebladen! 

Lastig loof, dat in uw* jeugd 
d'Aemstel, en de binnepaden 

Van zijn grooten Dam verheugt. 

V 

Dit gedicht staat over het algemeen veel hooger dan de vorige. De vorm is meer 
verzorgd, de taal meer gekuischt en niet zelden treft men er zeer aardige tafereeltjes in 
aan. Toch is het geheel in denzelfden trant geschreven als de Mane- en Sonne-Schijn ; 
ook nu weer vergezelde hem zijn trouwe vriend Damon^ die hem meetroonde naar. „de 
wandelbaen", hetgeen hem niet „verdroten" heeft „want (z)y meenig klucht genooten." 
Eerst een buurtstandje^ dan een vechtpartijtje, om vervolgens over te gaan „van het 
vechten op het vrijen." We kunnen natuurlijk niet bij elke ontmoeting stilstaan, maar 
teekenen slechts het merkwaardigste aan. 



••) Bredere^ gestorvtft dtn 23 Augustus 16 18. Kantteekening. 



MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL. 



207 



Sprekende over het noodzakelijke van den arbeid heet het: 



de ronden 
Rollen nimmermeer te ras: 
En de pot is lang gevonden. 
Die vol dubbeloenen was: 

Niemand hoeft' er naer te zoeken. 
Warnar is al dood**), verrot; 

En al in de Kosters boeken 
Aengeteikent: maer den pot 



Heeft zijn zwager in de Jcluiven ; 

En die word te langzaem klaer 
Omze hier, of daer te schuiven 

Onder steigers, als zijn vaer. 

Och! Hij weet het wel te maeken, 
Datze Lekker niet betraept; 



Dat de zorg niet hoeft te waeken; 

Wantze groeit, terwijl hy slaept. 
Tien ten honderd I t' Is geen schande 

Meenig koopman wenscht'er om: 
En hy gaf wel waer in hande. 

Ging het maer met stille trom. 



Een van de best ge'slaagde tafereeltjes is het beschrijven van de kermis; ik kan 
niet nalaten dit in zijn geheel af te schrijven. 



Zondags moestje 't hier eens waegen, 

Baitebnorman: dat's een dag, 
Dien ik by geen kermis dagen 

Van de buurt gelijken mag. 
Dan IS 'tal in rep, en roeren; 

Waerje gaet, of waerje staet; 
By de steelui, by de boeren; 

Binnens huis, en op de straet. 

Kiel moet dan de golven schaeven 

Van het Y, en Aemstelstroom, 
Kol moet voor de wagen draeven, . 

Klepper wisselt op den toom; 
Die te wonder wel mag lijden 

Dat zijn meester hem beschrijd, 
Maer zoo dartel is, dat hy den 

Armen ganger naulix mijd. 

Dan de dartelheid, moet daelen, 

Want vermoeidheid word zijn voogd, 
't Zeiltje wordt door warme straelen 

Ondertusschen meè gedroogt. 
't Leutert, 't Windje ligt te slaepen. 

't Is op 't heetste van den dag. 
'kWed een voerman zou wel gaepe 

Dat hy koeien drinken zag; 

Want de zon doet ieder zwoegen, 

'tZy te water, of te land. 
Sta nu vast ! Geen kerk maer kroegen. 

Louter! 't Is een schoone wand. 
EUek ty aen 't messen slijpen. 

Keekjezwelg, en Tantjebijt 
Staen al schrap, om aen te grijpen, 

'tGeen'er Lekkeroogje vrijd; 



Kyk hoe alles, nae behooren, 

Aengerecht staet op den disch* 
Zou dit*>) kokje niet békooren. 

Die zoo graeg van wangen is? 
' r Sa ! dat geld de hard, en hammen, 

T'is een gek, die honger lyd, 
Sta by kreupelen, maer geen lammen 

Repje ! repje ! 't is nu tijd. 

Of-bekoortje geen gezouten? 

Benje 't Pekel- vleisch al wars? 
Daer voor staender Schapen-bouten, 

Mals gebraden, kars en varsch; 
Hoend'ren, Kallekhoenen, ^ K'nynen, 

Gans en Vogels wel vereent 
Met Kastanjens, en Rozynen: 

Voor de Schutters klein-gebeent ; 

Lysters, Kievits met'er kuiven, 

pieken, Kemphaen, Leeuwerik, 
Wilsters, b tinting. Jonge duiven, 

Slobben, Duikers, Koeten, Krik, 
Water-hoen met roode bekjens, 

Musschen, Spreeuwen, Vink, Plevier, 
Lekkre Snippen met'er drekjens, 

En noch meenig ander dier. 

Reigers, Quakken, en Puttooren, 
Voor de Visschers varsche visch. 

Karper, Braesem, Posk, en Vooren, 
Snoek, Baers, Bot, en watter is; 

Voor die niet veel houd van kluiven 
Mellek, Stremsel, Room, en Zaen, 



Taeie boter, korte struiven, 
Vette Kaezen; Airen, Vlien, 

Koekjens, Koek en Kraekelingen, 

Heete Gamer, Krabben, Kreeft, 
En noch duizend andre dingen, 

Dien de tyd van 't Jaer dan geeft ; 
Applen, Peeren, Kersen, Nooten : 

(Die 't slechs 'alles noemen kon) 
En dit ook niet dient verstooten, 

Scheele Herri**) op de ton. 

Met zyn Arend Pjet£R Gyzbn 

Met zyn Marten Aepjes mee, 
Met, ik weet niet hoeveel wyzen 

Van de rechte ouwe snee ; 
Die noch daeglix vreugde baeren. 

Tot vermaek van Gerbrands geest. 
Schoon hy twee-mael ellef jaeren 

Deezen dag is dood geweest 

Gut! Wat heb ik daer vergeten. 

Al het bier, toebak, en wijn. 
Kan een maeltijd vrolijk heeten 

Daer die googlaers niet en zijn ? 
Neen. Zij moeten mêe vergaeren. 

Zonder dat was vaer het kind, 
En de vedel had geen snaeren; 

En de lakpijp zonder wind. 

Dit is 'tlouterlieflijk leven 
Van het lustig Aemsterdam. 

Zouje 'thofbanket niet geven. 
Lekker Haegje? Jy den ham. 

Dorstig Haerlem ? 



**) Men denke hierbij aan de conjectuur over den persoon, die Hooft als model voor zijn Warenar gediend 
heeft, door J. ter Gotrw, in zijn boek : De Volkrvermaken bl. 6 en 692. 
•*) Een gekt <i*^ ^^f hammen op eeten kon, Kantteekening. 
") Een speelman, Kantteekening. 



208 MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEU 

Daarna beveelt hij de Amsterdamsche Poëten, waarvan hij de bekende lijst geeft, 
die o. a. onlangs door Prof. Jonckbloet ^ op nieuw gedrukt werd, „al de vreugd van al 't 
gevry" aan, terwijl hij het geheel besluit met' een warme lofrede „op (z)ijn Vaderlijke kreb, 
waar de zege stadig vloeide van den Hemel in'er welvermaerde vest*', hoe daar gezorgd 
wordt voor de armen, voor den ouden dag, voor de kranken, ^,binnens wals en buitenjs 
grachs'*, hoe voor razery en melaatschheid (Lazery), hoe duizenden „van bier en brood, 
geld en kleding" meer voorzien worden „dan hun armoed heeft van nood", hoe Amsterdam 
is „een plaets van vrygelei, niet voor guits, als eertyds Rome, maer voor 't arm veijaegt 
geschrei", hoe het in zijn geboortestad „krielt" van zoo veel menschen, „op den verfcn 
vreemdeling, die den handel met ons spande"; hoe , 

t*er woelt van Schepen, 
En van Schuiten of en an; 
Die met alle winden sleepen 
Wat de werelt levrcn kan. 

Wie zal ooit den rijkdom gronden 

Van dit 'kleine werelds rijk? 
Waer word Land, en Zand gevonden 

D'Aemstel, in zyn schat, gelijk. 

Tengnagel wil aldus voortgaan met den lof van zijn vaderstad te verkondigen, 
maar hij bedenkt zich, dat hij op die wijze „in een anders schoen" gaat; 

(Hy) laer dit Hoofd, Barlaeus, Schryver, 

^ MOSTKRT, VONDELEN, ViCTRYN, 

Koster, die al't'zaem in jver, 
En in wysheid meesters zjn. 

Ten slotte herdenkt hij nog met een enkel woord het bezoek ,,onlangs" door de 
„Blyde Moeder Van de Goden" Maria de Medicis (1638) aan Amsterdam gebracht 

Ofschoon afzonderlijk gepagineerd, behoort tot dit boekje nog een vervolg, ge- 
titeld: „Afgeslagen bloemsel van de Aemsterdamsche Lindebladen, Al wandelende 
in de Zomer opgeleezen, zonder orden hy een verzaemelt, en in den Winter uitgegeven 
door den zelven." Het is gedateerd 1641, maar de gedichten zijn van verschillende dag- 
teekening. 

Onder de reeks van gedichten, zoo groote als kleine, treft men enkele airn, die 
werkelijk bevallig en liefelijk van vorm zijn. Als proeve geef ik het volgende gedicht, 
misschien het beste, dat ons van Tengnagel is overgebleven. 



■») Geschiedmis der Ned* Letterkunde» XVIIe Eeuw, I bL 112—114. 



MATTHEÜS GANSNEB TENGNAGEL. 



201) 



ZANG. 



S T E M M : 



POLYPHEMUS AEN DE, &c 



Als de zon hacr flaeuwe straelen 
Nu laet daelen, 
Loop ik dwalen 
Gins, en weer, 
n uw* groente, lieve Linde*, 
Om te vinde* 
Dien ik minde : 

Maer niet meer; 

Want haer eeden, mjr gezwooren, 
Zijn verlooren 
Z* is gebóoren 

Tot mijn smaet : 
Dies mijn liefde, dien 'k voor dezen 
Heb bewezen 
Is gerezen 

In een haet. 



Blaedjens, wistge wat al kluchjens, 
Wat al zucbjens, 
Wat al vruchjens, 
Van 'tgevry 
In uw' lommer, haer get)eurden: 
*k Zweer gy treurden , 
Ja verscheurden 
U, om my. 

Schoon mijn oogen zich bepaelden, 
En nooit dwaelden, 
Maer steeds straelden 
Op' er borst: 
Niet een traentjen (droef bedinken) 
Kon ik winken, 
Om te drinken 

Voor den dorst. 



'Kplach'er duyzend te bedijen, 
Te vcrblijen : 
Maer. het vrijen 

Van dien bloed. 
Wist' er trouwelooze zinnen 
Zoo te winnen; 
Dat mijn minnen 
Treuren moet. 

Evenwel wensch ik 'er oogen, 
Nu vervlogen 
Eens te mogen 
In uw* laen. 
Mefer nieuwe lief ontmoeten, 
'k Zouze groeten. 
Schoon 't gemoed, en 
Spijt ontraen. 



Verder vindt men er in een versje: aen Marten Harpertsen Tromp ; Op het 
Toekomende Raedhuis; Op de dood van mijn vriend DOMINIKUS Heerde ; de reeds boven 
aangehaalde Minne-Klagt, Gestort aen de Kaedijk, buiten de S. Antonis-Poort; Op A. van 

Gelder, Klagte van juffer A over het vlugten van heur liefste K(arel?) V(an) G(elder?): 

Op het gebouw van de Wester-Kerx-Tooren met het Stads- waepen; een grafschrift van 
Juffer Maria van Landskroon tot Harderwijk; Moeders Traenen, gestremt door t 
Geest'lijk troosten van heur zoon JakobBaek; Grafschrift van K. V. Gelder, t' Harderwijk; 
Troost a^n de droevige Gemeente, wegens het ont>'dige sterven van den Eerweerdigen, 
Wijzen, Diepgeleerden, en Voorzightigen Robbert van der Hoeven •*), Weiervaren Artz 
in de geneeskunst ; Kreet over een brief, meldende de dood van myn vriend, O. van Golstein; 
Gabrids groet, op het verjaer-feest van Zuzanna Adrians ") ; Jan Aldeweereld •*) tegen 
zijn zoon, op zyn' geboortedag, den 4. van wiedemaand, 1640; Grafschrift van Koert 
Eiken, Olie-koek-bakker in de Seryet-steeg. en tal van kleinere gedichtjes en bijschriften. 



>*) Dezelfde, dien Vondel n de opdracht van zyn Joseph m Dothan^ aan Joachim van Wickevoort, noemt 
als bezitter van eenige schilderstukken van Jan Pinas en Pieter Lastman. 

**) Dit was de verloofde van zijn broeder Jan, zie boven bL (307) 

**) Deze, geboren 28 Juli 1614, was 3 Januari gehuwd met een zuster van Susanna,Hest£R van Zevenbergen, 
geboren 17 December 1619; zij stierf 5 Januari 1645. Zij hadden viei* kinderen: Elisabeth, Comelis, Adriaan en Jan, 
geboren 4 Juni 1640. 

27 



210 MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL. 

Twee jaren later gaf Tengnagel een proeve van zijn komisch talent in zijn KLUCHT 
VAN Frick IN 'T VeüR-HUYS. Deze wordt gewoonlijk aangehaald als een der vuilste stuk- 
ken uit dien tijd en het is niet te ontkennen dat, zoowel de intrigue als de taal, alles- 
behalve een kieschen smaak verraden; toch vindt men er tafereeltjes in, het penseel 
van een BROUWER, een Ostade waardig, ja zelfs kunnen enkele gerust de vergelijking 
met Brederoo doorstaan. Ook zijn hieruit een aantal niet onbelangrijke zaken te leeren, 
die onze kennis van het leven onzer voorouders vermeerderen. In de opdracht aen A. H. (?), 
gedateerd: den 28 van Meimaand 1640, roept de schrijver de toegevendheid en de hulp 
in van A. H., die hem vijandig schijnt gezind te zijn. (Hy is 't niet die ghy meent, Ghy 
houdt hem voor ü vyand, hy is u vriend.) 

Ook wordt er nog gesproken van y,den Eerwaerdigen Klaes DE Flink, Heer van 
de korte Warmoesstraet, tegenover de handboogs Doelen", die blijkens een gezegde van 
Frick ook schilder was. 

De handeling van de klucht is als volgt: 

Het eerste tooneel brengt ons in een naaischool, waar Grietje van Buren, de 
matres, "„met een flep voor'er hooft als kraemvrou van zes weken", les geeft in 
handwerken aan een aantal meisjes. Een paar meisjes komen te laat, met of zonder 
verontschuldiging en dan ontvloeien aan den mond van de matres, gepaard met de noodige 
klappen, een aantal verwijten, die wij onze lezers maar zullen sparen. 

Het kind in de wieg begint luide te schreeuwen, omdat zij haar moederlijke 
plichten verzaakt. 

Het volgende tooneel doet ons kennis maken met Frick in 't Veurhuys, die „al dans- 
sende en schreeuwende" zich verheugt de bruigom* te zijn. Hij houdt een bespi^eling over 
zijn vroolijk, onbezorgd, lichtzinnig leven als jongman, en herdenkt al hetgeen hij al genoten 
heeft. Ook nu worden tal van personen over den hekel gehaald, hetgeen zonder twijfel he^ 
succes van het stuk bij de tijdgenooten verhoogde ; o. a ook de „suyvVe en ware leer van 
Jan Symonsen Corentius,... Haddé zTiem noch te Haerlem, in plaets van pynigen, aan 
lOQO stucken doen knotten, soo had hy in Engelandt niet levendigh hoeven te verrotten." 

Vervolgens geeft hij blijken . bizonder goed bekend te zijn in de huizen van verdacht 
allooi te Amsterdam; hij geeft er een breede lijst van, zoo ook van de bewoonsters. 
Deze laatste is indertijd door Dr. J. ten Brink aangehaald in zijn studie over BrederoO •'). 
Terwijl Frick hierover nog staat na te denken, komt zijn moeder Diewertje met een „narm 
vol linnen en een huyk op' er hoofd." Zij laat hem het linnen zien voor zijn uitzet Op 
de vraag van Diewertje: wat veur kangkjes wil j'er an hebben? waer hebje sin in, briet 
of smal.^ antwoordt» Frick, dat hij alleen verstand heeft van „mannewerc daer wijsheyd 
'in gelegen is: oordeel te geven van bier en wijn, van Ferines Toeback, van ien varsch 
oestertje, van ien frisse Trijn, van ien dobbelwerkje, van klossen, van schu)nren, van 
kaerten, van ti^tacken, en verkeren," waarop zijn moeder terecht aanmerkt: Al hadje 

^) BI. 288. 



MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL. 211 

dat mannewerk ien aer man veur jou laten lieren, 't souje anje hylik niet ien. krummel 
deeren." Frick wil naar Mr. Jan, de poëet gaan om een Bruylofs-gedicht te bestellen. 

Wie lou 'taers in de hiele Stadt beter maken? 
Hy doet het immers veur elk ien schier alledaeg, en mit ien trou-heyligjen veur an, om kleyn geld : 
Ja somtyts wel om niet, die hem maer ien Intjen an 't oor leyt en lelt. 
Want hy het sellefs sucken beseten sin in rijmen en rederijken, 
Dat hy ien aer voort helpt, en laet het sijn hiele smits-winkel mit al 't gerietschip aenkyken. 

Hiermede is öf Jan Krul óf Jan Soet bedoelt; men lette vooral op de uitdrukking 
yfSyn hiele smitswinkeV^ 

Diewertje gaat nu op weg naar de nayster Grietje van Buren. Zij brengt haar 27 
ellen tot 6 hemden en nu vraiagt Grietje welk soort van naysel ze begeert, ^daer zijn 
schuynsjens, spaensjes, schuynse spaensjens, pissebedjens, gaetjes-werk, gesneenwerk, witwerk, 
jeudwerk, 4 bientjes. 6 bientjes, 8 bientjes, spinnekopjens en diergelijken." Diewertje 
vindt yjien rond zoomtjen mit 3 schuynsjens op de borst" voldoende; „dat doen de rijken." 

Nadat zij de qualiteit van het linnen besproken hebben, vraagt Grietje, wat voor 
kantjes er aan moeten gezet worden. Ook nu volgt een geheele reeks verschillende soorten, 
die ik als curiositeit afschrijf. ^ 

Dat kangje, datje daer nou inde hangd hebt, sou niet qualijck staen met die duytse slag: 

Of ien aer; daer is het Graef-Mouris kangkje, het beusemkangkje, het poppetje, het muysetantje. 

Het doodshoofje, het doodshoofje mit h^t pijltje, ^tprincesje, het ennetjes kantje 

Het Tulpje, het Weyertje, het Italiaens vloertje, 't dubbelde princesje of soo ien. 

Zoek uyt, zoek uyt bestemoer daer is dubbeld over verschiets genoeg in de doos, soo 'k wel mien. 

Als Diewertje de namen van den Bruidegom noemt, waarmede de neusdoeken gemerkt 
moeten worden, stuift Grietje eensklaps op en begint de oude vrouw uit te schelden en te 
slaan, zoodat op haar geschreeuw een buurwijf y,met een schrobber in 'erhand" uit komt 
loopen. Het blijkt nu, dat haar kind Frick tot vader heeft en dat deze haar trouwbelofte 
gegeven heeft. Terwijl ze de penning gaat halen, maakt Diewertje zich uit de voeten. Grietje 
toont nu het buurwijf „het goud, daer hy me veur Grod me gehuwt het" en valt daarna in 
zwijm. Als zij wat bijgekomen is, vraagt zij het buurwijf even „een huys 8. of 10. hier 
vari daen (te) gaan" om aan haar vriendin Saartje de Stijfster te verzoeken bij haar te komen. 

In dien tusschentijd wordt Frick „al schreeuwende" door Diewertje „met een stock" 
onder een vloed van scheldwoorden het huis uitgejaagd ; terwijl hij nog wat staat heen en 
weer te draaien, neemt hij de vlucht, als hij Saartje „mit noch ien Feex" a'kn ziet komen. 

Grietje verhaalt nu hun beiden omstandig haar ongeluk, maar als zij den naam van den 
onverlaat noemt, barst ook Saartje uit en werpt haar een aantal min welluidende verwijten naar 
het hoofd. Ook zij heeft „Schrift van zijn hand; mit bloed onderteykend".... daarenboven 
^noch een Idjnd van ien jaer, onse Abrampje, dat hem (Frick) S9 gelijkt, of 't uyt zijn vaers 
aensicht esneen waer." Beiden gaan nu om het hardst zitten schreien, tot dat Tryn, het 
buurwijf hen met een zeer eigenaardige logica begint te troosten en hen aanspoort om 
y,samen naer zyn huys te gaan." Dit wordt goed gevonden en zij begeven zich nu op 
weg ; de een gewapend met haar ysere ellen, de ander met de standert van 't bord, de 
derde met een schrobber. Zij ontmoeten Diewertje voor haar huis, terwijl zij bezig is 



212 



MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL. 



„om'er stoep uyt te vegen." Nu eerst begint de klucht; het nu volgende tafereel neemt 
bijna vier compres gedrukte bladzijden in: er ontstaat een heftige woordenstrijd tusschen 
Diewertje, die in huis gevlucht is, en de drie andere vrouwen, terwijl voortdurend het 
tooneel dichter bezet wordt van „rappalje.*' Het regent natuurlijk aan weerskanten 
scheldwoorden; het slot er van is, als zij vernemen, dat Frick niet tehuis is, dat zij be- 
sluiten, ,,hem veur Commissarissen" te ontbieden; „de jongens trekkener de kappen al" 
en jouwen ze uit, waarop zij ,,met horten en stooten altemael binnen raken*', behalve 
Roodneus en Bliekvyst, volgjens de lijst der ,,Spreeckende Personagien" twee kittebroers. 
Deze verheugen zich in zoo'n standje en Bliekvyst zegt dan ook: 

Maar weetje wat ik noch wel wod, 'k wod datter iens een Po^t op de baen quam. 

Die *er een klucht af rijmde voor de Schouburgh, ten profijt van 't Wees-hujs en ou-Mannen-huys van Amsterdam. 

*k Wodder noch wel 4. stnyvcrtjes an verloeren, al zou 't de biersnurf verveelen . 

En inzonderheyd as^er aerdige Dirk ^) met de syne mee in zouwen speelen. 

Intusschen komt de koster bij Diewertje aankloppen, om haar zoon ,,te verdag- 
vaerden, tegen morgen nochtend te negen uren, voor Commissarissen in d'ouwe Kerk," 
eerst uyt den naem van Grietje van Buren, dan van Saartje Jakobs by de Wael. 

Gelukkig voor de beide kittebroers, komt juist Mr. PlETER DE POEET (Tengnagel 
zelO aan. Hij komt 

Van huys ; en ick sou iens ot Aeltjen Verwous, Vader Abrams, Joost Hartgers of Jacotten om een nu-tijnkje 3») gaen 

Zy willen hem graag al het nieuws vertellen, dat er in Amsterdam is, 

maer je most ons ierst beloven dat j'er ook wat nuws op zelt maken; 
Want dat Sinter Klaes Boekjen, dat je liet in druk gaen over twie Jaer, 
(Hoe wel *t eerloos was) stond me hier en daer soo aen, dat me docht het niet te verbeteren waer, 

Mr. Pieter. 

Dat loof ick wel! toen had ik mijn kameraad Jacob noch bym<*, die loose Vallek; 
En nou bin ik aliien. 

Mr. Pieter belooft aan hun verzoek te voldoen en ze gaan nu samen „tot Frans 
de Gecken^) op 't hoekje vande Wortelmarkt, by de Hal; daar is goed Wyn en Bier." De 
klucht eindigt met een dankzegging van Roodneus aan „de Liefhebbers voor 'er aen- 
dachtige tegenwoordigheydt als goede gunst tot den Armen." 

Men ziet, op de klucht valt uit het oogpunt van kieschen smaak wel wat af te dingen ; 
de taal is buitengewoon plat en de geheele geschiedenis voor onze ooren minder geschikt 

Het is niet meer dan een gedialogiseerd verhaal ; hoogst waarschijnlijk ligt ook hieraan 
een ware gebeurtenis ten grondslag. Als zedeschildering van het toenmalig Amsterdam 
verdient zij onze aandacht Ik schroom niet te herhalen, dat de dichter in sommige 
tafereeltjes onzen grooten Comicus Brederoo nauw op den voet volgt. 



3^) Zou dit Dirk Cornklisz. Houthaeck zijn, die in het Speelseizoen 1658/59 onder de spelers voorkomt? 

3') Hieruit blijkt, dat bij verscheidene uitgevers de conranUs nouvelUs uitkwamen. Met Vader Abrams wordt 
Abraham de Wees bedoeld. 

^) Hier wordt de komiek van den Schouburgh bedoeld, die waarschijnlijk tegelijkertijd herbergier was. Hij 
sal wel dezelfde zijn als ,^rans, de gek in 't spelen,** die de eerste minnaar geweest is van Ad RIAN A van den 
Bergh. Tengnagel deelt dat mede n zijn Geest van M. G, Tettgnagel^ in d^ andere w er elt hy de verstorvene Poit en. 



MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL. 218 

2^er aardig het is, wanneer men zoo pas de klucht van Frick uit de handen gelegd 
heeft, het verschil op te merken tusschen den stijl en de taal van dat werk en van HET 
LEVEN VAN KONSTANCE, w(ur af volgJU het tooneehpel, DE Spaensche heidin. In de klucht 
is de taal een plat volksdialect geworden, in het laatste werk vindt men een deftigen stijl 
en sierlijke taal. Men zou bijna zeggen, dat het niet door denzelfden persoon kon ge- 
schreven zijn; toch is het wel degelijk van onzen Tengnagel. Hij heeft dit werk, met 
verlof der Overigheid, ,,aen Daniel Mostart, Raeds Secretaris der stad Amsterdam," 
opgedragen. Nadat hij aldus onderdanig verlof gevraagd heeft, wendt hij zich tot zijn 
vriend MoSTART. Deze was een y,broederlijke** vriend van zijn vader zaliger en hij hoopt, 
dat hij de goedheid zal hebben deze opdracht te aanvaarden. 

Hij verhaalt verder dat „de teekeningen, dien gy speuren zult, zijn gemaekt van 
den voortreffelijken natuurschilder SiMON DE Vlieger, van den geestigen PlETER Quast 
en den voldoenden Izak Izaksoon. Het etsen is van PlETER NOLPE, de Muzijk van Gerret 
Bolhamer, beide uitmuntende, doch elk in 't zijn." Ten slotte meent hij zijn moeders 
geest te zien. „Heur zalige geest schijnt noch al zorg te dragen. Zy lijd niet dat ik haer 
zoo vroeg vergeet, en my zelven dus verwar iu aerdsche beuzelingen." Hij schijnt zijn 
ouders zeer lief gehad te hebben; hij vraagt haar: ,,Groet Vaders zalige ziel, en neem, 
'vf\ dankbaerheid van alles goeds, dit welverdiende Grafschrift^ van uwen oudsten zoon, 
en eerstgebooren kind, vrolijk en vrymoedig meê. 

Hier rust van zorg een vrouw, die deeglijk was, en schrander, 
Twee gaeven, in een mensch, te zelden by malkander. 

Bij den inhoud van het tooneelspel, dat vooral gegaan wordt door het leven van 
Konstance, zal ik niet nader blijven stilstaan ; de geschiedenis, o. a. ook door Cats uitvoerig 
behandeld, is bekend genoeg. Het stuk voldoet niet aan de eischen, die men een drama 
moet stellen; het heeft hetzelfde gebrek van zoovele stukken uit dien tijd; het is niet meer 
dan een aaneenschakeling van samenspraken, zonder eenige handeling of karakterteekening. 

Toch wensch ik nog even de aandacht te vestigen op een ander punt De op- 
dracht is gedagteekend, den 14 van Hooimaand des jaers 1643. Tengnagel zegt zelf 
in de opdracht, dat deze stof vóór hem behandeld is, behalve door den Spaenschen artseny- 
meester Pozo, ook door den Heer Jakob Kats en Juffr. Katalina Verwers. Maar als 
men het tooneelspel van deze laatste ter hand neemt, dan ziet men, dat op den titel 
uitdrukkelijk vermeld staat, dat het gespeeld is: Den ï2 yuny, Anno 1644**). De bekende 
lijst van C. N. Wybrands vermeldt, dat Tengnagel's Heydinnetje den 14*» Juni 1644 
werd opgevoerd ; hoe kan dit mogelijk zijn } De boeken van den Schouburg zouden hierop 
antwoord kunnen geven, maar deze zijn, helaas! ontoegankelijk. 



«) De titel luidt: Juffrouw C. V. Dusarts, Spaensche Heydin. Blyspel. Gespeelt op d'Amsterdamsche Schouburg. 
Den 12 Junij, Anno 1644. fAmsterdam. Voor Abltie Vbrvouw, Weduwe van Balthazar van Dorsten, Boek- 
verkoopster op den Middel-Dam in 't Schult-boeck, Anno 1644, in 8^ 

Reeds wees J. H. Rossing hierop in den Tijdspiegel van 1875, I, bl. 151. 



214 



MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL. 



Zeker is het, dat het stuk van Tengnagel steeds met bijval ten tooneele werd 
gebracht; gedurende het speeljaar 1658/59 werd het den 12 Sept. 1658 vertoond meteea 
opbrengst van ƒ200 : 2 *•). Ook in de XVIIP eeuw werd het blijkens bovenaangehaald getui- 
genis van Lambert Bidloo nog opgevoerd; zelfe nog in 1786 vind ik het op de „Lijst van 
Tooneelspellen, welken op het Amsteldamsche Nederduitsche Tooneel vertoond werden** *•). 

In het Jaar 1652 verscheen een boekje, groot 32 bladz. in '4** en getiteld : De GEEST 
VAN Mattheus Gansneb Tengnagel. In ^andere werelt by de verstorvene Poëten. 
Hoogstwaarschijnlijk is dit de eerste druk; het beweren van A. C.LOFFELT,**) dat dit boekje 
reeds een tiental jaren vroeger verschenen was, moet nog altijd bewezen worden. Het tegendeel 
is waar: behalve dat in ,1652 van de kleinere dichters, voor zoover hun sterfjaar bekend 
is, geen enkele meer tot de levenden behoorde, blijkt uit het noemen van Barlaeüs, 
Hooft, met Anna roemers en Tesselschade, dat het gedicht op zijn vroegst geschreven 
is na 6 December 165 1 den sterfdag van Anna Roemers *•). Een andere belangrijke vraag 
is of we hier te doen hebben met het werk van een nog levenden dichter of dat het 
eerst na zijn dood, in het licht werd gegeven. Het antwoord hierop zal natuurlijk alleen 
het begrafenisboek van een kerk kunnen geven; zeker is het dat Tengnagel 9 Dec. 
1651 nog leefde en gestorven is voor 1657. *•) , 

Dit boekje maakt eigenlijk het belangrijkste deel uit van Tengnagel'S werken; 
het bevat een reeks scherpe aanmerkingen en hekelende verzen op de gestorven dichters, 
die door den schrijver, als in den hemel bijeen verzameld, worden voorgesteld. Toch moet men 
met dit gedicht voorzichtig te werk gaan; slechts onder zeker voorbehoud kan men geloof 
slaan aan de door den schrijver medegedeelde feiten. Het is zelfs aan te wijzen, dat 
Tengnagel een paar malen geheel bezijden de waarheid gaat 

Hij begint zijn gedicht met een verzuchting over zijn a%eloopen leven en zijn 
toekomstig lot, waaruit men den dichter niet van de gunstigste zijde leert kennen: 



Voel ik niet een ander wezen, 

Nn ik nyt 'et leven ben. 
Dat my zo geviel voor dezen. 

Zo my nu noch heugen ken! 
*k Leefde meest in zond* en schande, 

^Heb zo wejmig nnt gedaen. 
Och^ waer zal ik nu belande 

Langs dees onbekende pden? 

Bleek gebeent bespreyt hier d^aerde, 

Is 't van menschen of gediert? 
't Zijn van mijn gekochte paerde: 



'kBen in Gelderlandt gestiert; 
Daer ik met mijn spitsbroérs streefde, 

Op dat ik, in dit geval, 
Hoe ik met de Meesters leefde 

Eeuwiglijk gedenken zaL 

'k Ben vol schrikken, 'k ben vol beven 
' Herte siddert in mijn lijf. 

Ach wat heb ik al bedreven! 
'kWeet van anzt nau waer ik blijf. 

Dat ik, in de tijt, noo]rt dachte 
Denk ik nu, laes! uyt de tijt; 



Dat my nooyt te knagen plachte, 
Knaegt my nu; ja, *k was verblijt 

Als ik, in mijn schelmerijen, 

Vuyle vonden aerdig von. 
En die vonden wist te vlijen, 

Dat'et in de konst beston. 
Voerman, die de Schouburgswagen 

Aefirechts mende, weet gy 't niet 
Hoe dat ik, voor dou en dagen. 

Pleeg te zingen aen uw liet? 



*«) Het Nederlandsch tocnetl. Kroniek en Kritiek^ H, bL 23. (Overdruk.) 

*») Sehouwburghs Almanaeh voor den jaare MDCCLXXXVL Te Amsteldam By Cesar Nofil Guerin in I2«, bl. 123. 
*<) Gids 1874, m, bU 121. 

M Gedichten va» Anna Roemers, ed. Beets, II, 352. 

^) In Klivos^ kraamt De TSoeede Opemng^ 1657 bL 253 is een grafdicht op Tengnagel door Schellinks 
te vinden. Hij was dus toen reeds gestorven. 



MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL. 215 

Daarop volgen de verzen, reeds boven op bl. 198 aangehaald. Zich angstig makende, 
waar hij te recht zal komen, hoopt hij „bij zulk een volk te komen, daer (hij) eertijts 
wel by waer," namelijk bij de Poëten. Nu ziet hij eensklaps „iets van varre" genaken 
„'t zijn ook geesten, naer ik zie". Hij bemerkt achtereenvolgens een aantal dichters en 
elk moet nu een veder laten. 

Eerst is Jan van ARP *^) „die blaser^'aan de beurt, „die ttr Prixus Helvaert maakt." 

Van hem wordt gezegd, dat hij van het Tartersrijk zooveel heeft uitgebraakt, „van 
het branden, van het braên, van het knerssen, van het kraken, dat een 'thair te berg 
moetstaen,**en dat hij zich ofschoon „op de oever van sijn leven, op hetSchouburgh slepen liet" 

Daarna komt MooRS aan de beurt „die niet min van Duyvels speelt", daarna 
ROELANT, de maker van Byron^ ook deze deed door zijn ijselijkheden hem het hair ten 
berge rijzen, vooral Keyser „de'er duyzent yzen, als 't gespeeld wiert op 't tooneel." 

Van „Pels, die van prachen en van schennis altijt sprak" wordt verhaald, „dat de nijdig- 
heyt hem stak", omdat men zijn Trineus^ om Voskuyl's Hülebranden^ „zo verbande, 
dat er niemant nu van weet", en hoe de hoofden van den Schouburg het moesten ontgelden 
in een gedichtje, waarin hij hem verwijt het in dezen „tempel, opghebout met weese 
duyten" aan „de kerck haer recht ontogen" wordt, „door een volck om geit ghehuurt". 

„De Vos, die loze gast" antwoordde hierop in een vinnig versje, dat we onzen lezers 
maar zullen onthouden. 

Daarop volgen de bekende regels op Ridder RODENBURG, wiens „zes en twintig spellen 
zijn niet waerdig eene spel." Hier begaat Tengnagel echter een fout door te beweren, 
dat hij zijn Isabella tegen die van COSTER schreef. **). 

Neffens hem de Minnestichter, 

Die met roos en lely pronkt, 
Dat is Krul, die zoete dichter, 

Die zoo menig ziel ontfonkt. 

Tengnagel geeft van hem een bijna volledige lijst zijner werken. „Daer op 
volgt een vol gepeynsen. Jacob Struys is *t lieve maet." 

Op de weinige bekende regels over Starter „de groote bruylofs Hymen", die de 
maet van zijn staet verloor door rijmen, en moest sterven als Soldaat", volgen er eenige op 
„een man vol geestigheden, Brederode, Fenix in de boertery." 

HoGENDORP, met zijn Prins-moort zonder voeten wordt hoflijk gegroet; vervolgens 
wordt VAN Zwol besproken, daarna Jepthd's vader, ABRAHAM Koning, 

Die het gonde Bjbel stof Die het wil, die mag het prijzen, Jammer dat die grote geest 

Pleeg te stellen ten vertoning, '^ Zou niet willen, schoon ik kon. Kon gedulden, in zyn harssen. 

Op het Schouburg, of hy 't hof Vondel durft zich onderwinden ^^ ^^J"^ ««^^« ^^^^^y» 

Voor had van de grote, wijze, Doch is onze taal gheweest, Al de grillen, al de farcen 

Rijke Koning Salomon, Daer men zijns gelijk zou vinden? Van de malle Papery. 

^) Uit vrees van al te uitvoerig te worden, bespreek ik al deze dichters niet verder. Later hoop ik de voor 
naamste van hen afzonderlijk te behandelen. Men vergelijke over ben de bekende woordenboeken van Witsen 
Geysbeek en van der Aa. 

«) Dr. W. J. A. JONCKBLOET, Geschiedenis der Ned, Letterkunde, XV JI* Eeuw, I, bl. 172. 



216 MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL. 

„Daer komt IZAK VOS^) aan hinken"; het is de schrijver van de Moff en de 
Mo/fin^ lemant en Niemant. 

Toch stierf hij in het httys van Arremoe. 

Nu volgen CODDE, de schrijver van Alfreda en Nootmans, de dichter van & 5/^55- 
by Pavyen en Vlysses. 

„'kZie drie Artzen van ter zyen; Barent, Klaes en Jan Fontein," het „waren 
minnaers in haer darmen van de Poësy," maar geen van drieën bezaten zij de dichtersgave 

„Daer is Kemp", die met zijn Osman meent, dat hij veel wonders zeyt". daarna 
komt KOLM een „ijsselijk rijmer"; op hem volgt ,,een grofsmit in zijn stof: 't is de 
schrikkelijke rijmer Herkmans, die het Zeevaerts lof, met dat van de Kaelkops dichte; 
d'ondergang van Troje schreef; en de slag van Vlaendren stichte." Tengnagel meent, 
„dat de drukpers zelve barste" onder dit ,,3rsselijke werk." 

„Daer zie ik noch vier gelyken :" Meyndert Voskuyl „met zijn spellen, daer zoö 
weynig pit in is, dat ik 't oordeel niet kan vellen, waer in meer, waer in minis;"DUüR- 
kant met zijn Sesiiljane^ en Mildert met zijn Virgilia^ benevens Colevelt. De werken 
van deze vier po^en kunnen volgens Tengnagel „vry aen ene veter" geregen worden. 

,,Op het voetpat van die vier" treedt deftig Salomon Questiers, „die de griexe 
Amadis dichte, en van Soudan Sair schreef*. Achter hem komt Bodecher met zijn DiDO 
en zijn Munt-Godin. 

Daer 's de snaek van alle snaken. mostaert moet daer mede wezen ; "^ ^^"«'^ ^^^^ ^^^ Vondel swichteu 
Roemer Visscher, meen ik, die Niet het uyten door de stem. 

Quik, en quakken wist te maken. ^^""^ ^^ ^'^' *^^ ^^""^ ™°^^- 

Daer ik Ann' noch Tessbl zie, 'T was een man, die ook voor dezen .y^ Loof zy mê by hen verwachte,' 

Daer de Poêsy'er stralen, *^^ oordeel om een spel te stichten, Dat haer voor en nageslachte, 

j Nacr den eysch, van leenen kost. Was niet kleyn, maar groot by hen; Zelfe de Roemers, voor haer zwicht. 

Ten slotte komt de beurt aan Karel van (der) Mander, Nieulant, „die eer 
zeven spellen maekt, daar noch Brabant op kan tarte ;" neffens hem staet VAN den Branden, 
de schrijver van „d'eygen Spaens Heydin, die ik rijmde lang voor hem." 

Nu volgen Stribee en van Santen „met een ander telloos tal, en ontelbre Comeed- 
japten, daer van ik wat noemen zal." Ter wille van de beknoptheid, zal ik alleen hun namen 
opnoemen: de Bray, die alle soort van vrouwenrollen vervulde, PieterAertz,Zacharyas, 
Jan de Harp, Harripoen, Nieuwenhaen, van Ilt, Tomas Keyzer, „'t ciersel onzer 
eeuw toneelen," Jan van Sanen, Jan Bos, „de grote Vrouvertoner," Willem Ruyter, 
Adriana van den Bergh „en haer Vaer, die hooggeachte speelder in zijn jonge tijt" 

Daarna komt „de hinckende Vulkaan, die ik soo langh had verlooren.' en die nae 



\ 



*•) zie over hem het opstel van Dr. J. A. Worp in het Tijdschrift voor Neder L Taal- en Letterkunde^ lü 
bl. 63—92. 
^^) Zonder twijfel Sybilla VAN Griethoysen. 



MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL. 



217 



Met noch vele» die ik kan. 
En nooyt kon by mijn gedenken, 

z' Hebben my al in 't verzicht; 
Jaze zeker, want zy wencken, 

'k Voel derhalven my verplicht, 



Dat ick ergens plaets zou vinden, 
Daer ick wel zou zijn gemoet. 

'k Nader daerme tot die vrinden. 
Vrinden, weest van my gegroet. 



Guinee moest gaen/* vervolgens toespelingen op van Wassen aer (welke?), Klaas van 
Harten, Harmen Keyzer, Robberts Jan en Koolvelt. 

Om dat schoon getal te groeten. 

Vreught ziet hen ten oogen uyt, 
Elck voegt zich om my t' ontmoeten, 

Daerom was 't niet mis geduyt, 

De andere geesten der Poëten, hem kennende, roepen* Tengnagel nu een hartelijk 
welkom toe en vragen hem hun zijn werk voor te lezen ; maar de geest van TENGNAGEL 
verzoekt hen zich ,,tot luystren te voegen, (want) de Voerman komt voor an." 

Het hier bedoelde gedicht is zeer belangrijk, maar helaas! ook zeer duister. Het 
geheel levert echter een uitstekende bijdrage voor onze tooneelgeschiedenis en het is daarom 
zeer te betreuren, dat slechts enkele bepaalde personen aangewezen kunnen worden. 
Het bepalen van den tijd, waarin het vervaardigd werd, is daardoor zeer lastig geworden ; 
waarschijnlijk ziet het, blijkens vs. 309, op het jaar 1638. Ten einde het gedicht meer 
bekend te doen worden, geef ik het hier in zijn geheel, in de hoop, dat het onzen litera- 
toren moge gelukken, het volkomen te verklaren. 



D' ONBEKENDE VOERMAN VAN 'T SCHOU-BURGH. 



Wonder, wonder, noch eens wonder! 
't Gat leyt boven, 't hooft leyt onder, 
En het gaetter wel verkeert. 
Daar de knecht sijn meester leert. 
5. Onse wagen die sou hollen, 
Stond zy maer op rat, of rollen: 
Want mijn Elzels*^) gaender voor, 
Sonder wetenschap van spoor, 

D'eerste draefk vry wat hoveerdigh, 
10. En de tweede gantsch oneerdigh, 
Doch de derde valt soo goet. 
Dat ick d'Ezel prijsen moet. 
'kBen met 't vierde heel bedroogen, 
't Arme beest heeft glaesen-oogen, 
l5. En het kijckter niet meer uyt. 
Maar het vijfde moest ick hebben, 
Want de haver inde krebben 
Wou aen 't wassen met gewelt 
20. Ofse stond op *topen velt, 
Daerse swelt van dauw en regen, 
Had ick Slock-op niet gekregen 
*kWas nou al aen 't dorsen vast, 
Daer ick nu van ben ontlast. 



25. Maar wat dunckje van de leste? 
•t Is al vry wat veer van 't beste, 
Daerom loopt hy oock voor speek 
Sonder bitjen in sijn beek. 

Yemant sou hier konnen vragen: 
30. Kan een Ezel so hart jagen, 
Dat hy met sijn snelle gangh. 
Kar en Voerman valt te bangh? 
Daer de luyaert niet wil roeren, 
Of men moet hem eerst soo voeren. 
35 Met een hout dat wacker kleeft, 
Dat hy bult of strepen heeft : 
Hierop segh ick met de waerheyt, 
Ondervlndingh die maeckt klaerheyt, 
Nodeloos word het bediet 
40 Datmen voor sijn oogen siet. 

Heughtje noch wel Kameristen, 
Hoe Sint Jacob *8) plagh te twisten? 
En hy had niet eene Schulp 
Die sijn vrome Meester hulp. 
45 Juyst quam Jantje *•) met sijn Krullen 
Om Sint Jacobs kap te vullen, 
En hy gaf hem sulcken hert, 



Dat de stumpert lachend wert. 

*t Is geen nood, bedwinght jou klagen 

50 Moetje van de oude wagen, 

Seyden Jantje, ick weet raet 

Dat het jou wat beter gaat: 

Siet wy sullen *t samen lopen, 

En een eygen wagen kopen, 

55 Peerden heb ick al besteet, 

Was de wagen maer gereet. 

Yser-wcrrick heb ick mede,' 

Benje sleghjes wel tè vreden. 

En wy sullen, soo ick meyn, ^ 

60. Dichjes by de Lombert zijn. 

Dat kan oock voor al niet schaden, 

Vind* jy 't oock soo niet geraden. 

Jacob Oom? Wat dunckjer van? 

Wel dat gaetter dan op an. 

65 Daer mee gingh het op een bouwen, 

Op een hacken, op een houwen, 

Datmen in een korten tijt 

Al het yser raeckten quijt. 

En het geit was mee te soecken, 

70 Arme Jacob weer aen *t vloecken. 



*7) De zes schouburgh hoofden. 
«) Jakob Heerman of Jakob Baeck ? 

*•) Jan Hxrmansz Krul, de bekende dichter. Vs. 57 schijnt een toespeling te bevatten op zijn werkkring. 
Wagen aar heeft dus gelijk gehad hem als smid aan ons voor te stellen, zie boven bl. 211. 

28 



218 



MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL. 



En de peerden opter loop, 
Daer Imgh 't alles overhoop. 
Hadden die luy sulcken sothejt. 
En h&er peerden sulcken botheyt; 
75 Hoe sal 't met mijn wagen gaen ? 
Daer maer Ezels trecken aen? 
Maer dat wil ick wel bekennen, 
Dat mijn Wagen niet sal rennen. 
Want hy ü van Camper-hout W) 
80 Al te groot, en swaer gebout, 
En met kalck' en steen geladen, 
Sonder rollen, sonder raden, 
Soo men ergens rollen vont, 
Die staen opwaerts in de gront: 
85 Dus en hoef ick niet te duchten. 
Om het hollen: maer ick suchte 
Dat mijn Ezels gUijckerhandt 
Sullen met haer onversiandt, 
Daer geen reden is te scherpen, 
90 Al mijn Wagen ommewerpen. 
En als 't onderst boven leyt. 
Dan is al mijn werck bekayt; 
En ick kan hem niet oprechten. 
Want ick heb geen hulp van knechten 
95 Of ick schoon na Joosje **) loop, 
Die en krijgh ick niet goet koop. 
Want doe hy sijn dienst my gonde. 
Hebben s'hem naer hays gesonden 
D'eerste Ezel van de ses 
100 Wou niet luyst'ren na sijn les; 
En de andere balckten Amen, 
Want sy hoorden al te samen . 
Meer na d'Ezels bot gebrem. 
Als na Joosjet sweep of stem 
105 Die doe meed' de Wagen mende, 
Doe hy noch stond over-ende; 
Doch hy leyt noch niet heel neer: 
Maer ick zie hem al omveer. 
Och ick mach'er niet op denckenl 
1 10 Want ick sou mijn sinnen kreucken, 
En ick ben mijn niet gelijck. 
Als ick op mijn Ezels kijck; 
Die in schijn van menschen trecken, 
En mijn oogen soude decken, 
115 Seyde niet haer buyten schijn, 
Datse binnen Ezels zijn. 
Op een nieuw fatsoen gebooren, 
Sonder lange steyle ooren; 
En 't is seker, want haer daet, 
120 En haer woorden houden maet; 
£n men kan in Ezels wercken 
Sulcken plompheyt niet vermercken. 



Als in dese ses haer doen, 
Diemen menschen zou vermoen. 
125 Want het beest, recht beest ge- 

schapen 
Is gemaeckt nu om te slapen. 
Dan te wercken na den eysch. 
Anders krijght hy harde spijs, 
Maer mijn Piompaerts moet ick voeren, 
130 Beter als Moer Claters Hoeren, 
Die wel lecker in 't gemeen 
Waren, maer oock licht te vreen. 
En noch yemant voordeel deden 
Al was 't maer met open leden; 
135 Maer mijn Luy aerts wercken niet. 
Als aen 't geen mijn schade biet: 
En sy willen echter hebben 
Suyver stroy, en volle krcbben. 
Ja in sulcken overvloet, 
140 Dat mijn blaes weer roocken moet; 
Die ick uyt de Schoorsteen haelde. 
Want ick dacht niet dat ick dwaelde, 
Maer ick meende, heel verblijt. 
Hem te proppen metter tijt; 
145 En met duyten vol te garen. 
Die ick nou begost te sparen, 
En mijn jonckheyt vaeck ontnam. 
Of de oude dagh eens quam, 
Die soo menigh na laet jancken, 
150 Alsser niet en is te bancken; 
Luye Ezels waer je 't vroe, 
Hoe een out man is te moe. 
Die wat leckers heeft te smullen; 
'k Meen niet datje soo sout pullen, 
155 En de Pachters loopen aen. 
Die Zach*rias heten gaen, 
Sonder eenigh Cijns te langen, 
Wantje maeckten 't haer soo bange, 
Alsje lickte met malkaer 
160 Vaetjen voor, en vaetjen naer, 
Don Vrou Mari met haer Papen 
Alleman joegh in de Wapen: 
Dan je klaerden 't doe so moy, 
Dat je haver kreeght voor hoy: 
165 Maar je ginghse haest misbruycken 
Door de veelheyt van de kruycken. 
Dat ick menighmalen dacht. 
Dat het nutter was gebracht 
In mijn blaes, en die te hopen, 
170. Om hier na te mogen hopen, 
In een eygen stille kluys. 
Warme kost in 'tMannen-huys; 
En het overschot te senden 
Na jou Meesters bonté bende, 



175. Daer jy Ezels selfs wel weet 

Dattet beter is besteet« 

Als jou hoUe Jaepse basten 
Met haer broekjes (^overlasten. 
Die je dickwils overgaf, 
170. Als een Vereken geett sijn dral 
Wijse Floris»*), sonder weten. 
Of die wijs wil zijn geheten, 
Jy behoorde sulcken doen. 
Met oogh-luyckingh niet te doen, 
185. Maer veel eerder uyt te rojen. 
Dan ick denck het klockend' poyea 
Had met jon oock sulcken val, 
Als met yemand van haer al: 
En het is oock vaeck gebleken 
1 9a Door je droncken Hoofsche streken 
Als de swarte Leeu sijn vat 
Seyde Hopmans Seun is nat: 
Maer hy is weer wel gewapend, 
Want hy heeft mijn kracht al gapend', 
195. En mijn vochtigh ingewant 
Door sijn toogjens over-mant 

Wel wat nood was 't dat jou sinnen 
Buyten bierigh, en van binnen. 
Maelden als een Water-wiel, 
200. Als je 'tsoopje binnen hiel: 
Maer je moetje kracht stracks uycen 
En je hovaerdig ontsluyten, 
Die met sulcken bottigheyt. 
Al je malle doen beschyt, 
205. Dat je knechten t* samen rotten 
En je Heerschappy bespotten, 
En een yeder, die het hoord 
Barst van lachen,en schreeuwt moord! 
En men acht het voor een wonder 
210. Somer- Vorst, en Winter-donder; 
Maer dit wonder is noch meer. 
Want de knecht gebiedt sijn Heer: 
En de Meester die moet letten 
Op het kind zijn arme wetten: 
215. Kloecke Schipper sonder schnyt: 
Heer je munt te bijster uyt! 
Maer je gieter scl verderven, 
Siet hy rot al in de kerven; 
Want daer is niet eene dagh, 
220. Dat hy eens weer drogen magh; 
Wou de steen van 't graf eens wijeken, 
Dat zijn Maecker op mocht kijckcn, 
Die belaen was met de surgh 
Van zijn opgeboude Burgh. 
225. *k Meen hy zou zijn borst vcr- 

(scheoren, . 

En het arm gewelf betreuren. 



*•) De eerste steenen Schouwburg werd in 1637» door Nicolaas van Campen (+ 2 April 1638) gebouwd. 

«*) Joost van dkn Vondel? 

*'/ Floris Soop, Schouburghoofd in de jaren 1638—40. 



MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL. 219 

• 

Dat üjn maexsel ongescherpt, Als s' hem om een lootjen vargen, Dattet nu met jou niet gaet 

Schandelijck te gronde werpt, Wel een vrientschap doen, soo 'k meen, Als je broer, die lest verdroncken 

Lieve Claes **) het is verkeecken, 260 Datse dobbeld zijn te vreen, 290 In 's Stadts-Herbergh sat te pronc- 

230 Soo 't geoorloft is te spreecken Nou aen 't loopen sonder schromen, kern 

Metje schim die altijdt maeld. Of het blinde beest sal komeiï, £n in plaets van daer te zijn, 

En ontrent het Weci-huys dwaelt. Jongens, segh ick, maeckt ruym stee, Was hy eerst te Loevesteyn. 

Daerje ecrtijts in je leven Of hy neemtje daetlijck mee; Kom jy binnen, sonder blyven. 

Goede ordre plagh te geven, 265 Voort na school toe!of depocken Ick en wil op jou niet kyven: 

235 Met een mner,welhooghensterck Selje halen, sonder jocken, 295. David buyr*<) jy bent een man, 

Tusschen 't doeck en 't binnewerck, Gut hy heeft soo grooten mont ; Die geen zonden doen en kan : 

Dat malkander soo genaeckte. En daer by niet gesont; Maer ick wilje eer verschoonen; 

Dat het kleyne kapjens maeckte; Wel! je meughter dan op letten. Want je ginght jou goetheyt toonen; 

Kapjens, die men met de kost 270 'k Sweer hy selje heel opvretten; Doe je lest na Wtrecht voer 

240 Wt de Pap-pot voeden most) Want hy komt wel op het spul, 300. Op de Hof-stee by jou moer, 

Hadje doe jou eygen kater En h^ maeckt het daer soo dul. Om het staegh-verwijt te mijen 

Oock een ho(.kjen over 't water Met sijn suypen 'en sijn swclgen, Datje 't Bataviersche vrijen 

Achter jouwent opgebout, Daer de Wesen haer aen belgen, Liever op 't Toneel liet sien, 

(Dat jou koud gebeent nu rout) 275 En 't Ouw-mannen-huys om knort. Als het spel van Messalien»») 

295 Daer de Dick-kop sat bedwongen Seker! "t kompter by te kort. 305. Holla!*k zou my hier verpraten, 

Soo was 't Puysjen niet Icsprongen, Maer die daer komt moet ick loven, Maer ick magh het hier by laten. 

En hy had ook, soü men gist. Want hy gaetse al te boven: En bevelen 't voort de tijt: 

In jou Schouburgh niet gepist, 'k Bidje siet hem doch eens aen, Dat het harde yser slijt. 

Doe hy lagh by 't vat te dromen, 280 Lyckt het niet de volle Maen ? 'k Zie de Son is vast aen 't dalen, 

250 Maer wat sel ons hier opkomen ? Die de heele zee kan cwingen: 310. En hy schiet zyn goude stralen 

Sacht wat! 't is de best van al Want hy treckt te sonderlinge. In het peeckel van de zee. 

Die de uytspraeck geven sal; Wt het Rotterdamsche vat En 7ijn zuster komt in stee. 

Siet sy soecken al te malen Heele stroomen in sijn gat; Met haer staet van Hof-gesinden: 

't Haerlems kind wat moy t' onthalen, 285 Daer hy wacker by kan smoocken, 'k Mach mijn kooy in 't hoygaen vinden; 

255 Want dat is haer ooghmerck wis, ^ Schijten, spouwen, grouw'lijck roken, 325. 't Is koud weer, en ik ben moe. 

Dat hy Vacr van 't broot-huys is, * Letten op, jy holle vract: Goeden nacht, tot morgen toe! 

En hy kan haer schier of margen, /^ou aen 't Ictchen, 

Behalve deze grootere werken, zijn mij nog eenige kleinere gedichten van TENG- 
NAGEL bekend. In de eerste plaats een drietal niet onaardige minneliedjes, te vinden in 
T' Amsteldams Minne-beeckie^ Den sevende Druck. f Amsterdam^ by Paulus Matthysz. 
gedruckt^ Voor JooST Hartgers 1645 "). 

Vervolgens een vierregelig bijschrift onder het portret van J. J. SCHIPPER, oud 
XXIII Jaren in 't Jaer 1641 en. eindelijk een gedichtje, gedateerd 7 December 165 1 
in het Album amicorum van den Amsterdamschen rector JACOB Heiblocq *'). 

TENGNAGEL Stierf, zooals gezegd is, tusschen 165 1 en 1657; een onderzoek naar 
denda'tum van zijn begrafenis in de Amsterdamsche grafboeken ingesteld, leidde tot geen 
resultaat, zoodat ik vermoed, dat hij niet in zijn geboorteplaats is gestorven. 

. Dat hij zich niet bemind gemaakt had door zijn scherp hekelende verzen, is licht 
te begrijpen; toch is het vreemd, dat er bijna niets tot ons is gekomen van de geschrif- 



55) NiCOLAAS VAN CaMPEN. 

»<) David Zes, een der schouwburghoofden? 

*») Het treurspel van Vondel, dat door dezen, toen de tooneelspelers er politieke toespelingen in zochten van 
hen opgeêischt en verbrand werd. Zie Brandt's leven van Vondel 1682 bl. 42, 

'«) Bl. 148, 150 en I87. Het tweede is ook te vinden in den eersten druk van 1638. 

W) J. Heiblocq. Atnstelodamensis Farrago Lattno- Belg ten Amst. By P. van den Berge. 1662 p. 238. 

28» 



220 



MATTHEÜS GANSNEB TENGNAGEL. 



ten, die zeer zeker in niet geringe mate tegen hem zijn uitgegeven. Een nauwkeurig 
en herhaald onderzoek in onze boekerijen en pamflet-verzamelingen deed mij slechts ééa 
gedicht vinden. Het is getiteld: De geest van M. Tengnagel en telt 44 regels. Men 
vindt een exemplaar er Van in de Bibliotheca Duncanniana ter Koninklijke Boekerij, waarin 
het op het jaar 1651 bijgebonden is. Het bevat een scherpe kritiek op TEN GNAGEL's werken. 

Hier kom ick dondVen op uyt d*Afgrondt, om *t aenschouwen, 
Gelyck ick eertij ts plach, d'Amstelsche landouwen 

De plaetsen, die ick door myn guijtery, wel eer 

Ontroert heb, daer in waart myn Geest nu heen en weer 
Op 't gruwelijckst mis-maeckt, verselt met yslijck steenen, 
Doen ik ter Hellen quam, is myn in't eerst verscheenen 

Den grooten Bredero. Verselschapt met een Rey 

Poëtetty die ter stont my onder hacr geley 
. Genomen hebben; en na volghender ceremonie 
So heeft een Vos-en-start met opgeheven tronie' 

Syn uyt-spraeck dus gedaen: Zijt welkom snoode flelt, 

Wiens boesem altijt heeft van fieltery gekrielt, 
Naem-roover, eere-loos, uyt-suyper, Mensche-plager, 
Een schantvleck uws Gcslachts enz. 

Zoo gaat het voort, en op elk van zijn werken wordt hevig gescholden: van Frick 
heet het: 

En schoon daf Frick van u noch jongh was wech gesonden; 
Soo wiert de heele stadt, daer echter door geschonden. 

En wat doch rester meer, de smet van mensch of huys, 

Sondt ghy aen ieder een, als tot een Klaes-gift t* huys. 

Zelfs wordt hem in het daarbij behoorende grafschrift verweten, dat hij was: 

Hy die hier onder leyt ontsielt, 
Was d'afeherechten Fielten Fielt, 

Een lasteraer, selfs van syn Vader. 
Syn Tongh hingh in een schelm, syn Mondt 
Die leughens sprack, t' aller stondt 

By u was Vriendt, van u Verrader. 

Ook Willem Schellinks ") vervaardigde een Graftdicht op hem, waarvan ik boven 
reeds melding maakte en dat ik niet kan nalaten hier in zijn geheel af te schrijven. 



Hier leit de schrandre Ganzeneb, 

Die in des werelds spinneweb. 
Helaas, zoo licht'lijck wierd gevangen. 
En bleef moetwillens daar in hangen ; 

Totdat de Doot hem met een slagh. 

Uit medelij, smeet uit dat rach; 
Van vreugd kon d' Amstel, *t Y, noch 't Spaaren, 
Noch Sein, noch Theems, noch Rijn^ bedaaren 



In hem herleefde Plautus geest. 

Hy scheiden op Terentios leest. 
Hy was een Satyr in zijn leven; 
Die Momus niet te goe wou geven. 

Lees, gaa voorby in stilligheit; 

Dankt Godt, dat die haer onder leit 
U niet en kon, of zo Wel kenden, 
Dat hy u niet vermocht te schenden. 



' 



*•) Klioos Kraam, De Tweede Opening, 1657. bl. 253. Zie over Schellinks het artikel in Oud-HollandXiL isoenvlg. 



MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL. 221 

B IJ L A G E. 

PROEVE EENER BIBLIOGRAPHIE VAN TeNGNAGEL'S WERKEN. 

Een bibliographie *•) van dezen auteur te geven is uit den aard der zaak moeilijk. Nadat zijn eerste 
gedicht verschenen was, toonde men, zooals alleszins te begrijpen is, wanneer men den inhoud en de strek- 
king van zijn werken nagaat, zeer groote belangstelling. De eene druk volgde den anderen op en wel zoo 
snel, dat er in één jaar soms vier oplagen ter perse werden gelegd en daar zij veel gelezen werden, is het 
aantal overgebleven exemplaren zeer gering. Sommige drukken heb ik dan ook slechts alleen aan kunnen 
duiden, niet beschrijven, omdat ik geen exemplaar er van heb kunnen machtig worden. Moeilijk noemde ik 
hêt en dat wel om nog een andere reden. De pamfletten verschenen zonder naam of plaats van drukker. 
Daaruit volgt natuurlijk, dat slechts met de uiterste omzichtigheid de rangorde van de drukken kan bepaald 
worden. Ik heb zooveel mogelijk naar volledigheid gestreefd, maar, overtuigd hoe veel deze lijst nog te 
wenschen over laat, kan ik, waarde lezer, niet eindigen zonder een beroep te doen op uwe welwillendheid 
en u uit te noodigen, zoo u nog andere edities bekend zijn, ze mij mede te deelen. 

In de eerste plaats noem ik eenige uitgaven van de komplete werken van onzen dichter, om ver- 
volgens elk gedicht afzonderlijk te behandelen. * 

I. Werken. 

In deze bundels is een vaste volgorde aangenomen, die in alle dezelfde is. Eerst De geest van T., 
dan Sonneschijn, Grove Roffel, Maneschijn, Lindebladen, St. Nicolaas Mildegaven, en Frick in *t Veurhuys. 
Ik zal de titels- der stukken afzonderlijk in de tweede rubriek opgeven. 

A. De J geest || van || Tengnagel, || In de andere Wereldt by de || verstorvene || Poëten. || X Vinjetx 
een gelaurierd poëet \ Tot Leyden, |! Voor Jan Pieters^.. Anno 1658 || in 120. 

Dit exemplaar «•) is ongenummerd en bestaat uit edities van verschillende jaren, maar heeft een 
doorloopende signatuur (A-M). De titel van het eerste stuk draagt het jaartal 1658 en de twee 
daarop volgende gedichten zijn zonder jaartal, doch meer dan waarschijnlijk tegelijkertijd met 
het eerste stuk gedrukt, met dien verstande, dat van den Groven Roffel alleen de titel tot den druk 
van 1658 behoort; de tekst van dit stuk en van alle volgende is, blijkens letter en papier, gedrukt 
in 1654. In dit eerste gedeelte (sign. A-C) komen in het exemplaar van de Universiteitsbibliotheek 
te Gent 3 prentjes voor; in een ander exemplaar, in het bezit van den Heer van Berg van Dussen 
Muilkerk, alhier, dat overigens geheel aan het vorige gelijk is, treft men ze niet aan. 

N. B. In de catalogus auctie- J. L. C. Jacob (No v. 1860) komt onder No. 6435 voor: De geest 
van Tengnagel en alle zijne boertig he poëtische werken, Leyden 1654 in 12°. Van dezen druk 
heb ik nergens een exemplaar kunnen vinden. 

B. Dezelfde titel.'*) — Tot Amsterdam, || Gedruckt in 't Jaer 1660 || in 120. 

Sommige stukken hebben het jaartal 1661. De volgorde is "hier geheel dezelfde. 

C. Dezelfde titel zonder naam van plaats of drukker en zon Ier jaartal (in 120). 

De Frick heeft op den titel: t' Amsterdam, by Michiel de Groot, zoodat daaruit blijkt, dat de 
geheele editie, die een doorloopende signatuur A-L heeft, bij hem is verschenen. Deze druk is, evenals 
bijna alle uitgaven van de Groot, zeer slordig; ook zijn hier vele gedeelten uitgelaten. 



^*) De hier beschreven uitgaven zijn alle te vinden in de bibliotheek van de Maatschappij van Ned. Letterkunde 
te Leiden of in de Koninklijke Boeketij. Alleen het bandje, vermeld sub I A, behoort aan de Universiteits-bibliotheck 
te Gent. Den Heeren Th. J. J. Arnold te Gent en Loüis D. Petit te Leiden betuig ik tevens openlijk mijnen 
dank voor de mij verleende hulp bij het opstellen van deze lijst. 

«0) Dit is de eerste mij bekende druk van de Werken. Wellicht heeft er nog een vroegere editie bestaan. Mogen 
we den Heer A. C. Oudemans gelooven, dan zou die druk in het jaar 1642 verschenen zijn. De volgorde is, 
blijkens zijn citaten in zijn Woordenboek op Brederoo dezelfde. Uit den inhoud van de „Geest van T^ blijkt 
genoegzaam, dat het eerst na 9 December 1651 het licht kan gezien hebben. Waarschijnlijk is het door Oudemans 
geraadpleegde exemplaar een dmk geweest van 1652 in 8<> , die mij onbekend is gebleven. 

<•) In den catalogus auctie-Nieawenhttjzen (Maart 1861) komt onder No. 2307 voor een editie^ geheel gelijk 
aan de onder A beschrevene, maar verschenen te Leyden bij Jan Pietersz 1659 in I2« , terwijl de Frick op den 
(itel had: Ledden by Pieter Jansz. 1654. 



222 MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL. 

II. AFZONDERLIJKE DRUKKEN. 
I. AMSTERDAMSCHE MANESCimN. 

A. Amsterdamsche || mane-schiin. || Horat. Art. || Ficta, voluptatis causi, sint proxima veris. Hx Vinjet: 
ruiivormig krulornament iGhedruckt in 'tjaer Anno 1639. 1)32 blz. in 40. 
Op bl. 6 staan 3 Latgnsche citaten uit Ovidius en Horatius. 

R Amsterdamsche || Mane-schiin. || Horat. Art || Ficta, voluptatis causi, sint proxima veris. J X Vinjet: 
nymphen, || Ghedruckt in 'tlaer Anno 1639. || 16 blz. in 40. 

De Latijnsche citaten ontbrekeü hier, terwijl het gedicht in 2 kolommen gedrukt is. 

C. Nieuw Kluchtigh || Amsterdamsche Maneschijn. || Gerijmt tot vermaeck voor Jonge Lieden. || Horat. Art || 
Ficta, voluptatis causa, sint proxima veris. || Anno 1639. || 12 blz. in 40. 

Nadruk van A op zeer slecht papier in twee kolonmien met een leelijke Gotische letter. De 
citaten worden hier onder de toe-eygeningh gevonden. 

D. Nieuwe Kluchtighe || Amsterdamsche || Mane-schyn, || Met het || qvartier II derselver,l| Daer naer een 
duystere II Sonne-schyn. (I X Vinjet: vlammende zon |i Ghedruckt in 't Ia er M. DC. XL. || 16 blz. in 40. 

Deze editie schijnt blijkens de titel de eerste te zijn van een verzamelband. Het gedicht is in 
2 kolommen, terwijl de Latijnsche aanhalingen hier eveneens gevonden worden. Op de laatste 
bladzijde vindt men een iJonghe-Dochters^ Nieuwe-Iaers Liedt, Van de Sweetsche Koeck.'* 

£. Amsterdamsche || Volle || Maneschyn Q van H Tengnagel. || Horat. Art. \ Ricta, voluptatis causa, sint 
proxima veris. t| X Vinjet- Krularnamentjè.Xlot Leiden, II Voor lanPietersz. Anno 1654. II Signatuur D-E, 
Een gedeelte van I A. De citaten ontbreken hier evenals fn de volgende drukken. 

F. Dezelfde titel als K — Tot Amsterdam, || Gedruckt in \tjaer 1661. Signatuur DpEg. 

G. Dezelfde titel als E, zonde^ naam van plaats of drukker. Signatuur D — Es. 

2. Amsterdamsche Sonneschyn. 

A. Amsterdamsche j] Sonne-schyn. Q Ovid. i. fast. J Consda mens recti famae mendacia ridet: |i Sed nos 
in vitium credula turba sumus. |i X Vinjet: Krulornament met satyrs, \ Ghedruckt in 't laer CID ID C XXXIX. 
20 blz. in 40. 

Op blz. 2. een gedicht: >Aen de Maats" van J. N(ooseman); op bl. 6 citaten uit Horatius, Plautus 
en Sencca; op bL 17 een gedicht: Spits Bekoonie Harder, gevolgd door 2 kleinere. Het eene, ge- 
teekend L. S. is een Drinklied en wordt ook gevonden met de onderteekening J. S. in den 
Amsterdamse he(n) Vreugdestroom^ 1654 II bl. 143. 

6. Amsterdamsche ll Sonne-schiin. |! Ovid. i. fast. |{ Conscia mens recti famae mendacia ridet: || Sed nos in 
vitium credula turba*' sumus. /ƒ Vinjet: nymphen, ll Ghedruckt in 't laer Anno 1639. 8 blz. in 40. 

Het gedicht is in 2 kolommen gedrukt. Het is, blijkens het vinjet, bij den zelfden drukker ter 
perse gelegd als I B. 

C. Amsterdamsche || Sonne-Schyn | van | Tengnagel, || Ovid. i. Fast. || Concia mens recti famae men- 
dacia II ridet: Sed nos in votium cre-|| dula turba sumus. || X V^jet: houtsnede, een maaltijd voor- 
stellende, II Tot Leyden, ji Voor lan Pietersz. || (1654.) sign. B4-B11. 

Dit is het tweede stuk van I. A. 

D. Amsterdamsche || Sonne-schyn || van |] Tengnagel. jf Ovid.i .Fast. |f Concia mens recti fiunae mendacia ri- \ det: 
Sed nos in vitium credula || turba sumus. (( X Vinjet: Krulornament. || Tot Amsterdam, H Gedruckt in 
't Jaer 1660. || Sign. Bj-Cj. 

Het tweede stuk van I. B. 

C. Dezelfde titel met eenigszins andere regelverdeeling. Zonder naam van drukker of plaats en zonde 
jaartal Sign. Bj-Cj. 



MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL. 228 

3. Grove-Roffel ofte Qüartier des Amsterdamsche Mane-Schijn. 

A. Grove-Boffel || ofte Q qvartier Q des || Amsterdamsche Mane-Schijn. Q Principijs opsta, Sero Medicina 
paratur || Gum mala, per longas invaluere moras. || X Vinjet: voste. || Amio. 1639. || 28 blz. in 40. 

B. Grove-Roffel || ofte Q qvartier Q des | Amsterdamsche Mane-schijn. [ Principijs opsta, Sero Medicina pa- 
ratur II Gum mala, per longas invalnere {sic) moras. 1| X Vinjet: nymphen. Q Ghedruckt in 't laer Anno 
1639. Il 16 blz. in 4.0. 

Blijkens het vinjet van denzelfden drukker als i B en 2 G. Het gedicht in 2 kolommen. 

C. Grove-Roffel, ü Ofte || qüartier || des Amsterdamsche J Mane-schyn || van Tengnagel. || Prineipib opsta, 
Sero Medicina paratur, U Gum mala, per longas invalnere {sic) moras. || X Vinjet: houtsnede^ dftnsende 
nunigte. || Tot Leyden, || Voor lan Pieterez. || Sign. Bu-Ci,. 

Een gedeelte van de voorrede is weggelaten. Het is het derde stuk van I. A. 

D. Dezelfde titel als G. — Tot Amsterdam. | Gedrukt int Jaer 1660, jj Sign. Gj. — D4. 

Derde stuk van I B. 
K. Dezelfde titel als G. — Zonder naam van plaats of drukker en zonder jaartal. ' 

Derde stuk van I G< 

4. S«. NiCOLAAS MILDE GAVEN. 

A. S». Nicolaes || milde gaven, !| aen \ d^Amstelse ] Ion:kheyt. Ij Ofte het laetste Qüartier der Amsterdam- 
sche II Mane-schijn. || X Vinjet: houtsnede \ 2 bisschoppen met nonnen en monniken, 1 Gedruckt in 
"t laer, 1640. | 24 blz. in 4o. 

BI. 3 eindigt uyt te leggen. Het gedicht in twee kolommen. 

B. Dezelfde titel — Gedruckt in 't laer 1640. || 24 blz. in 40. 

BI. 3 eindigt op te mercken, en, op bL 4 het vinjet met de nymphen : dus uit de drukkerg van 
I B; 2 C en 3 B. 

C. Sinte II Nicolaas | milde gaven, || aen H d' Amstelsche || Jonckheyt : I van ü Tengnagel. || Op (sic) het 
laatste Qüartier der Amster- || damsche Mane-schijn. || x Vinjet: Krulornament fl Tot Leyden, || Voor 
lan Pietersz. Anno 1654. (j Sign. H. — J,j. 

Zesde stuk van I A. 

D. Dezelfde titel — Tot Amsterdam, j| Gedruckt in "'t Jaer 1661. Sign. Hg — Kg. 

« 

Zesde stuk van I B. 
£. Bijna dezelfde titel — Zonder naam van plaats of drukker en zonder jaartal. Sign. Ga. — !«. 

5. Amsterdamsche Lindebladen. 

A. Bf: G: Tengnagbls || Aemsterdamsche || Lindebladen. || Gb.udia post tantos oriuntur tanta dolores. || y 
Vinjet: wapen van Amsterdam. || t* Aemsterdam, jj Gedrukt by Nicolaes van Ravesteyn, \ in 't 

Jaer 1640. || 74 genummerde blz. in 80. 

BI. — 3-8 opdracht aan Jakob Feytama, gedateerd in Aemsterdam, den 23 van Oogstmaend, 1640. 
Daarachter met afzonderlijke pagineering, doch doorloopencl^ Signatuur (E«-H) : Afgeslagen || bloem- 
sel II Van de \ Aemsterdamsche il lindebladen, || Al wandelende in de Zomer op- 1 geleezen, 
zonder orden by een || verzaemelt, en in den Winter 1 uitgegeven door den || zelven. || X Vinjet: 
Krulornament, D t'Aemsterdam, o Gedrukt in *t jaer 1641. n 54 gen. blz. in 80. 

B. M. G. Tengnagels H Amsterdamsche || lindebladen. j| Gaudia post tantos oriuntiur tanta dolores. t x 

Vinjet: nymphen. [ Ghedruckt in 't laer Anno 1639. || 24 blz. in 40. 

Deze druk is geantidateerd, zie boven blz. 206. De opdracht en de verzen van de gebroeders Heerde 
ontbreken. Het gedicht is in twee kolommen gedrukt. Blijkens het vinjet behoort het tot de reeks 
I By 2 G, 3 B en 4 B. Het afgeslagen bloemsel ontbreekt. 



224 ^ MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL 

C Mathaeus Gansneb JTengnagels II AmsterdamscheH linde-bladen. |I Gaudia post tantos oriuntur |1 tanta 
dolores. || X Vinjet: KrulornamenL || Tot Leyden, || Voor Jan Pietersz. Anno 1654. liSign. E4-G1,. 

Het Afgeslagen bloemsel (G4-G„) is zeer verkort; het bevat, in plaats van 51, slechts 43 gedichten 
De fraaiste zijn hier weggelaten. Het is het vijfde stuk van I A. 

D. Dezelfde titel — Tot Amsterdam, |1 Gedruckt in 't Jaer 1661 . n Sign. E9-H7. 

Inhoud gelijk aan C. Het is het vijfde stuk van I B. 

E. Dezelfde titel als C. zonder naam van plaats of drukker en zonder jaartal. Sign. Fj-G,©. 

Deze editie, het vijfde stuk van I C. is geheel gelijk aan de vorige. 

5. Klucht van Frik in 't Veurhuys. 

A. (Klucht van Frick in 't Voorhuis. Amst. voor Joh. Jacott, 1642. Eerste en echte druk, lang 40.) 

Aldus beschreven op bl. 45 onder No. 243 in de Naamlijst van een.... verzameling van.... 
Tooneelspellen... van een voornaam Liefhebber (Dr. Leempoel), verkogt te Rotterdam, 1772, door 
Burgvliet en Arrenberg). , 

B. M. G. Tengnagels, I1 Klucht || van J Frick in 't Veur-huys. H X Vinjet: houtsnede^ 2 mannen voer- 
stellende. || Gedruckt naer de Copye, in 't Jaer M. VIc. XLII. 28 blz. in 40. 

Bl. 3 eindigt : 0/ wilt ghy dat, 

C.' M. G. Tengnagels, // Klucht !l van ƒ/ Frick in 1 Veurhuys. |( X Vinjet: houtsnede, een hopende vos met 
visch voor stellende, p Gedruckt naer de Copye, in 't laer M. Vic. XLII. 28 blz. in 40. 
BL 3 eindigt: hy komt, 

D. M. G. Tengnagels || Klucht H van li Frick in 't Veur-huys. li X Vinjet: Krulomament, \\ Tot 
Leyden, 5 Voor lan Pietersz. Anno 1654, (| in i2o Sign. K.-M. 

Het laatste stuk van IA. 

E. (Een uitgave in 40 met het jaartal 1661.) 

Zie: Naamrol der Nederlandsche tooneelspeldigteren. Amsterdam, H. Bosch, 1727. bl. 103.) 

F. Dezelfde titel als D. — Tot Amsterdam, Gedruckt in 't Jaer 1661, in 120, sign. K9-N. 

Laatste stuk van I B. 

G. M. G. TenöNAGELS h Klucht y van Ij Frick in 't Veur-huys, |Jx Vinjet: wapenfig uur, j t' Amsterdam, 1, By 
Michiel de Groot, Boek- |j verkoper op de Nieuwe-dijk. |1 in 120 Sign. I-. — L,5. 

Laatste stuk van IC. 

H. M. G. TEhGNAGELS l Klucht ( van h Frick in 't Veur-huys. Jx Vinjet: een drinkend en zin^ena 
geselschap, B Gedruckt nae de Copye, in 't Jaer 1686. || 28 gen. blz. in 40. 

I. (Frick in 't Veurhuis, klugtspel, Amst., Jan Winkel, 1731 in 8*) ^ 

Zie Naamlijst van een — verzameling (Dr. Leempoel) bL 139 N^ 350. 

K. (Een uitgave van 1753 te Amsterdam in kl. 80.) 

Zie Dr. J. ten Brink, G, A, Brederoos bl. 289 noot. 

6 Spaansche Heidin. 

A. Het U leven \ van \ Konstance : || Waer af volgt het |l tooneelspel, \ De |l Spaensche heidin : «Door M, G, T. p 

Vtnjet: tijdcirkel met randschrift: noch-^tyt, noch-rusi, J t' Aemsterdam, Gedrukt by Nicolaes van 
Ravesteyn. u Voor lohannes lacott. Boekverkoper by de Beurs, || op 't Rockin, inde vergulde Cronijck. 
1643. Il 172 blz. in gr. 40. o j » 

Bl. 5— 44 bevat het Leven van Konstance in proza; dan volgt de Spaensche Heidin, blijspel 
Bl. 49-52 opdracht: „Aen de verstandige Liefhebbers" Bl. 157-1S9 de muziek van G. Bolhamer 
bij twee koren en bl. 161 -171. Opdragt, Met verlof der overigheid, Aen Daniel Mostart, 
Raeds Secretaris der stad Aemsterdam, gedateerd den 14 van Hooimaend des jaers 1643. 

Men vindt in de uitgave een viertal schoone gravures van Pieter Nolpe, zie boven bl. 213. 

B. (Een uitgave van 1657 by Gillis Valckenier te Amsterdam verschenen). 

Zie A. M. Ledbboer, Alfabetische lijjst der boekdrukkers, enz, blz. 175 en J. A. Alberdingk 
Thym. Verspreide Verhalen III. bl. ^2, 



MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL. 225 

C. De B Spaensche |f heidin, |1 bly-spel, |i gergmt doorj M* G' TengnaGbl || Vertoont op d'Amsterdamsche 
Schouwburg, || X Vinjit: vogel Phenix^ uit de asch herrijzende ^ met onderschrift: Perseveranter II 
t' Amsterdam, | By Jacob Lescailje, Boekverkooper op de Middel- 1) dam, naestde Vismarkt, 167, \\ 72 blz. in 8©. 

Het leven in proza en de opdracht aan D. Mostart ontbreken. Op bl. 3 een bericht van Lescailje 
aan den kunstlievenden lezer (ged. 12 van Herfstmaand., 1671) Hij zegt daarin dat hij „dit treffelijk 
Blyspel, voor ontrent dertigh jaren gerijmt door den uytsteekenden Dichter Mattheus Ganzneb 
Tengnagel (die, zoo hem de Tijdt en andere hinderpalen niet belet hadden, een der helderste 
lichten in de Dichtkunst en een cieraet zijnes Vaderlants zou verstrekt hebben,) had, na de gewoonte 
van zommigen in die tijdt, het veelvoudigh gebruik van den dierbaren name Godts; *t welk aen 
verstandigen Beminnacrs dezer konst ten hoogsten mishaagt. Derhalven heb ik die aanstootlijkheit 
weghgenomen, niet om des Auteurs kunstwerk te verminderen, maar om de jeugt te leeren, dat 
men den allerheiligsten name Gods in Spel niet behoort te misbruiken, enz. 

D. (Een uitgave „met het leven van Constance: Treurspel, Met figuren (Amsterdam) Gillis Valckenier 1677 in 40 . 

Zie Naamrol der nederlansche toneelepeldigteren Amsterdam. H. Bosch 1727 bL 103. 

E. De Spaensche || heidin. H blyspel. || Zo als het zelve op de Leidse en Haagse J Schouwburgen werd ver- 
toond. II Vinjet: Olympus me f attributen en onderschrift nulla quies. || Te Leyden, || Gedrukt voor de 
Leydse en Haagse || Schouwburgen, 171 8. || 67 gen. in 80. 

F. De II Spaanache |] heidin; (j blyspeL H Door M. G. Tengnagel. || Zo als het zelve op den Amstel- 
damschen Schouwburg II vertoont word. || X Vinjet: allegorische voorstelling. || Te Amsteldam, || By 
Izaak Duim, Boekverkooper op den hoek van de || Voorburgwal en Stilsteeg, 1753. Met Privilegie. 
72 genummerde blz. in 8^. 

BI. 3—5 Copye van de Privilegie. De beide opdrachten zijn weggelaten. 

7. De Geest van Tengnagel. 
A. «) De II geest jj van || MArrHEUS II Gansneb n Tengnagel, \\ In d'andere werelt by de verstorvene \\ 
Poëten. II Vinjet', nymphen, \\ Tot Rotterdam, || By lohan Neranus Boeckverkooper, 1652. || 32 blz. in 4. 
Deze druk behoort dus, volgens het vinjet, tot de reeks, i B, 2 C, 3 B, 4 B en 5 B. 
Hiervan bezit de Koninklijke Bibliotheek een titel-uitgave met dezen titel : De || geest || van || 
Mattheus Gansneb Tengnagel, || In d'andere wereld by de ver- h storvene Poëten. || Vinjet: 
krulornament, jjTot Amsterdam, jj By Gerrit Jansz , Boek-verkooper in den Engel, 1652. 

B. De H geest j van Tengnagel, || In de andere Wereldt by de || verstorvene || Poëten. (| x Vinjet: hout- 
snede, een gelaurierd hoofd, ||Tot Leyden, ] Voor lan Pietersz. Anno 1658. || in 120. Sign. A-B,. 

Dit •«) is het eerste stuk van I A. 

Er staat nog een afzonderlijke titelprent voor. 

C. Dezelfde titel. — Tot Amsterdam, Gedruckt in 't Jaer 1660. || in 12**. Sign. A-B5. 

Eerste stuk van I B. 

D. De Geest van || Tengnagel || In de andere werrelt by de verstorven || Poëten. || in 120. Sig^ A-B4. 

De titel is een prent voorstellende de dichters in den hemel {?). 

E. (Een uitgave in 120. te Amsterdam met het jaartal 1731I)). 

Zie Dr. J. ten Brink, G, A, Brederoo, bl. 98 noot. 



«>) In de Naemlijst van een. . . . verzameling van. . , . tooneelspellen van een voornaam liefhebber (Dr. Leempoel) 
verkogt te Rotterdam, 1772 komt op blz. 45 onder No. 245 voor een editie van 165 1 te Rotterdam. Dit zal wel 
een drukfout zijn voor 1652. 

In den Naemlijst van Van der Marck, Leiden 1774 (blz. 23 No. 326) komt voor: De geest van Tengnagel, 
vHier achter Frick in '/ Veurhuis, 1642. Dit moet een vergissing zijn, het is alleen mogelijk op dit jaartal aan 
een geheel ander gedicht te denken. 

•■) In den catalogus auctie- Jacob wordt een editie in i2o van 1654 te Leyden vermeld, zie boven bl. 221 

In den catalogus van de auctie- Jan Schouten (Jan. 1853) komt op bl. 166 N*. 208 een in 120 editie te Leyden 
met het jaartal 1659. Ook dit is wellicht een drukfout. 

29 



IETS OVER 

MAGNUS HENDRICKSZ. EN HENDRICK MAGNUSZ. 

«VERMAARDE BOEKBINDERS" DER ly EEUW. 

DOOR 

J. F. VAN SOMEREN. 



ETGEEN tot nu toe bekend geworden is over de werkzaamheid en 

voortbrengselen van Nederlandsche boekbinders uit de 15de en 

l6de eeuw is weinig, zeer onvolledig en onsamenhangend; wat 

Noordnederland betreft, meer nog dan ten opzichte der Zuidelijke 

provinciën. Ginds althans brachten de nasporingen van L. 

Delaborde •), Alex. Pinchart *}, ƒ. De St. Génois *), P. Van der 

Meersch e. a. de namen aan het licht van een groot aantal 

Vlaamsche binders, en werd menig fraaie band van hen afkomstig 

in plaat gereproduceerd. Van de boekbinders in ons land is echter vee! minder met 

zekerheid aangewezen. Mr. J. Nanninga Uitterdijk te Kampen deelde uit de rekeningen van 

de St. Nikolaaskerk aldaar (1526 — 74) de namen mede der volgende binders ; Johan Evcrss, 

boeckbynder (1526 — 39) en Gert Joesten (1544) te Kampen, en van „Jelijs boeckverkooper 

y,bijnnen Zwolle" (i S73)'J. De heer A. Bredius te 's Gravenhage maakte verscheiden boekbinders 

bekend als leden van het Haagsche gild van St Lukas in het Archief voor kunstgeschiedenis, 



') L, Dklabordb, Ettai (Tun catalegut dn arlultt ariginaires dei Pays-Eas, Bu emfloyh h a cour dti dnii ^ 
B»urgi>gnt aux XlVt tl XVt siielti. Parit 1849. 80. 

L. Delaborde, Let duts de Bourgogne, Étudei sur la lettres, les arts et rüidasIrU pendant U XVt siiiU ett. 
Parit 1849—51. Tom. I— III. 80. Pteuïes. 

*) Al. Pinchart, Arekivis dts arts, iciatcei it lettres. U Slrii. Z tmn. Gatid 1860, 63. 80. 

•) Zie: Messager dts stiences hisl. de Belg. Ann. 1853 — 56, 65 et 74. 

*) In: Bijdragea lat de gesekudenh voh Overijssel. Dl. 4, .bti. aSi en vv.; Dl 5, bl. 89, 31a eni. 



FACSIMILE VAN EEN BAND DOOR MAGNUS HENDRICKSZ 
VAN AMSTERDAM. 

Ttp. Ombrardirt Bivfr, imtttriam. 



IETS OVER MAGNUS HENDRICKSZ. 227 

deel IV en V. Ook schijnt men acin den boekdrukker te Leuven, Culemborg en Utrecht, 
Johannes Veldener, banden toe te kennen, wijl zijn naam voorkomt op den band van 
een exemplaar in de Koninklijke Bibliotheek in den Haag van den Fascicultis tempornm^ 
dien hij in 1476 te Leuven drukte. Op den band van een ander werk, door hem te Keulen 
gedrukt, leest men evenwel den naam van Joh*. Fabri •). 

Uit eenige overgebleven inventarissen van middeleeuwsche boekvefzamelingen kan men 
vernemen welke stoffen destijds tot het binden van boeken gebruikt werden. Het waren: 
„franchyne ofte parchement, zwert, geel, tanneyt ende root leer met berderen (houten borden 
„fr. : ais de bois" •), alles met of zonder „sloten, seyden nestelen of snoerkens, geverft met 
„gruen op de canten" '), en dikwerf „met eender kethenen gebonden", tegen het stelen. In 
den regel werden de boeken in Duitschland, Vlaanderen en Nederland voorzien van eiken- 
houten borden, overtrokken met bruin, wit, geel of rood leder, zelden met zeem; beschreven 
perkament was aan de binnenzijde geplakt; de ruggen waren genaaid op perkamenten 
riempjes, waarvan de uiteinden veelal met talrijke dwarssteken zorgvuldig in uitgeholde 
ruimten in het houten plat werden bevestigd. De snede was meer wit, dan wel gekleurd, 
soms beschreven, en slechts zeer zelden verguld •). Een groot gedeelte was voorzien van 
gladde of geciseleerd koperen sloten, met daarbij passende koperen, ijzeren of looden 
hoeken en noppen. Het plat was versierd met kleine ingeperste voorstellingen en randen 
die door middel van warm gemaakte metalen rollen, in welks midden een lange staaf 
bevestigd was, met den schouder met alle kracht ingedrukt werden. Meestal vindt men 
in het midden een grootere voorstelling, die in den trant van houtgravure of maniere 
criblée behandeld schijnt, omlijst door kleinere beeldjes en randwerk. Niet zelden treft 
men op zulk een band den naam of het monogram van den binder of eigenaar aan, doch 
het eerste veel zeldzamer dan het laatste. Op den band b.v. van: Des. ErasmtiSy Ecclesiastae 
slve de ratione concionandi, Basileae 1535. 8*. leest men onder de middenfiguur op beide zijden : 

3oïjl^ moïnere me fetit 

Hoewel de naam van Vlaamschen oorsprong schijnt, is het niet onwaarschijnlijk, 
dat de binder in Noordnederland gewoond heeft; althans het boek behoorde eerst aan den 
pastoor Philippus Boestius ab Helmont, die zijn handteekening op het schutblad plaatste, 



i) Zie: Messager des sciences hist. Ann. 1855, h\i. 431. 

•) Zie daarover : W. Wattenbach, Das Schriftwesen im Mittelalier, Leipz. 187 1. 80. Bk. 222 en w. ; Jos. Cundall, 
On bookhindings ancient and modem. Land. 1881. 40. Blz. 48 — 52. Met 2 afbeeld, van Duitsch middeleeuwsch 
bindwerk; Chr. E. Prediger, Der acmrate Bnchbinder und Futteralmacher, ^Bde, Anspach 1741 — 5 3 -80; en vooral 
de voortreffelijke bijdrage van RiCH. Steche : Z«r Geschichte des Bucheinbandsm'. Archivfür Geschichte des Deutschen 
Buchhandels, I. Leipzig 1878. 80. 

7) Messager des se. hist Ann. 1867. Blz. 28, 29; Bibliographische adversaria III, blz. 60 — 65. 

®} Matthaeus, Analecta veteris aevL I, blz. 217 en vv. ; Wattenbach, Das Schrifiwesen i. M, Blz. 228; Cundall 
On bookbindingsj blz. 49. 

- 29* 



228 IETS OVER MAGNUS HENDRICKSZ. 

en van wiens erfgenamen pastoor Buyck het met andere werken gekocht heeft •). Op den 
anderen band wordt op een label, onder in de middenfiguur, de naam gelezen: 

Het boek is een 4*** incunabel, in 1497 te Cremona gedrukt, doch heeft blijkens 
inschrift in 1556 behoord aan pastoor Alb. Jas te Amsterdam, daarna, evenals het vorige^ 
aan pastoor Buyck. Moge nu de naam Andri Bovle niet geacht kunnen worden die 
van den binder te zijn, doch veeleer doen denken aan den Amsterdamschen burgemeester 
Andries Boelens (1496 — 1525)**), dan heeft toch de ontdekking van een Amsterdamsch 
boekenminnaar uit de eerste helft der zestiende eeuw, die het noodig achtte de boeken 
van zijne zeker vrij groote bibliotheek te kenmerken, ongetwijfeld hare waarde "). 
Bijna alle boeken uit dit tijdvak (1480 — 1550) in de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam, 
alle handschriften, afkomstig uit het klooster te Windesheim, en thans berustende op het 
Stedelijk archief te Zwolle, en de meeste werken in de Koninklijke Bibliotheek in den 
Haag, en in de Universiteitsbibliotheken te Leiden en Utrecht zijn in dergelijke houten 
stempelbanden gebonden "). Houten banden met k jour bewerkt metaalwerk kwamen in 
Duitschland dikwijls, hier zelden voor. Een proeve van noordnederlandsch bindwerk uit 
de 12** eeuw is afgebeeld tegenover blz. i in deel 8 van het tijdschrift Archief voor de 
geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht. 

Natuurlijk werden in vele kloosters de boeken door een der kloosterlingen gebonden, 
zoo als o. a. bij de Broeders des gemeenen levens. Het is echter mijn voornemen om mij 
hoofdzakelijk bezig te houden met nasporingen naar personen, die het binden als brood- 
winning hebben uitgeoefend "). 

De oprichting van het Athenaeum Illustre, meer nog het sluiten van de Munsterschen 
vrede, lokten tal van geleerden, kunstenaars en handwerkslieden naar de stad aan het Y. 
Onder de oudste ledefn, die in het Naamboek der gildebroeders van het boekverkoopers- 
boekdrukkers- en boekbindersgild te Amsterdam uitdi-ukkelijk als boekbinders vermeld 
worden, treft men de volgende namen aan: Hendric Jansz 1619; Gerrit Hendricksz 1622; 
Gerrit Jansz 1629; Frans van Lieshout 1622. Verder bleek mij uit de Stadsrekeningen 
van Amsterdam dat de volgende personen ten behoeve van de Tresorye, Stadsscholen of 
Bibliotheek, prijzen en boeken hebben geleverd of gebonden: Barthalomeus Jacobsz 1541 — 46; 



•) Mr. N. De Roever teekende uit het Reg. van Taxateurs bl. 21 v. het volgende op: „Jan Molenaer woont 
1557 op het Rokin, derde huis, benoorden Spaerpotsteeg." 

W) In: H, Lempertz, Bilder'Hefte %ur GeschichU d, deutscken Bücherhandels, Cöln 1S54 fol. vindt men talrijke 
ftaaie afbeeldingen van dergelijke Duitsche stempelbanden, die met de in ons land vervaardigde groote overeen- 
komst vertoonen. Voor zulk een 4to band was in 1480 aan een binder te Uim betaald de somma van i; bOhm. 
Groschen ! 

") Beide werken berusten op de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam. 

**) De boekerij van het Florentiushuis en die van het klooster te Windesheim lijn grootcndeels ten goede 
gekomen aan de Stadsbibliotheek te Deventer; meerdere werken ook aan de Koninklijke boekerij te 's Gravcnhage . 

") EenDuitsch boekbinderstarief van 1578 is medegedeeld in: Archiv, f, Gesch d, Deutschen Buchh,\. Blz. 173. 



IETS OVER MAGNUS HENDRICKSZ. 229 

Hendrik Laurens 1632 — ^47 "); Hessel Gerritz (ook bekend als graveur en uitgever van 
kaarten) 1632; Gerrit Jansz (zie voren) 1633 — 51; Frans van Lieshout 1633 — ^45; Sara, 
weduwe van Frans van Lieshout 1646 — $71 Jan Bennings 1634 — 61"); Jacob Heereman 
1622—46"); eindelijk Magnüs Hendricksz 1657-^63"). Met uitzondering van laatstge- 
noemde, is er noch van de hier vermelde, noch van de door den Heer Bredius medegedeelde 
boekbinders eenige belangrijke kunstarbeid aan te wijzen. Gelukkig is dit met Magnus 
Hendricksz niet het geval. Gelukkig, zeg ik; immers de banden, uit zijne werkplaats 
afkomstig, onderscheiden zich zoodanig door smaakvolle uitvoering en delikate versiering, 
dat het alleszins gerechtvaardigd is om op zijn werk de aandacht te vestigen. 

Met de tweede helft der zestiende eeuw begon het uiterlijk van den band, tegelijk 
met dat van het boek langzamerhand een ander karakter te verkrijgen. Terwijl de logge 
olianten en dikke kwartijnen al kleiner werden in formaat en door octavos spoedig in 
aantal werden overvleugeld, maakte het houten bord plaats voor op elkaar geplakte papieren 
vellen, met behoud der ingestempelde figuren op den lederen overslag. Tegen het begin 
der 17** eeuw zien we nog kleinere formaten optredm, en ontbreekt dikwijls het papieren 
bord, zoodat een slap hoornen of lederen plat het bekleedsel vormt. De versiering is 
veel eenvoudiger en bepaalt zich tot een dubbele zwarte lijn op het plat, met een klein 
verguld rosetje in het midden en in de hoeken, en eenige lijnen tusschen de ribben op 
den r jg. Eerst tegen den tijd dat Magnus Hendricksz optreedt, wordt de verguldsel versie- 
ring rijker en menigvuldiger, waarschijnlijk onder den invloed der uit Frankrijk overge- 
waaide mode. De prachtbanden, tot geschenken bestemd, uitzonderende, blijft het verguldsel 
toch nog langen tijd tot den rug bepaald. Alleen psalmboeken en bijbels komen in dezen 
tijd ook, verguld op snede, voor. 

De vriendelijke hulp, mij op het Gemeentearchief te Amsterdam door Mr. C. M. Dozy 
bewezen, verschafte mij de aanteekening, dat ,,Magqps Heyndricks van A, oud 23 jr., geen 
„ouders hebbende geass. met Harmen Heyndricks, zijn broeder, won. Angelierstraet en 
,,Luytgien Gysberts van A., 25 jr., geen ouders hebbende, won. in de Angelierstraat, geass. 
„met Iets Alberts haer meu" den 11 April 1634 voor commissarissen in het Register 
van Kerkelijke Proclamatiën hun ondertrouw hebben doen inschrijven. Den 26 April 
daarop zijn ze in de Nieuwe kerk getrouwd. Hij was gedoopt den 26 Dec. 16 10 in de 
Oude kerk. Zijne ouders waren: „Heinrik Hermansz vlotschuitvoerder en HenrikjeMangnusdr", 
zoodat hij naar zijn groorvader van moederszijde genoemd is. 



") Door Ledeboer vermeld van 1602 — 1645. 

^*) Door Ledeboer vermeld van 1625 — 1646. 

*•) Door Ledeboer vermeld in 1638 „op den Dam, op den hoeck van de Voghel-steeg.*' 

*7) Mr. A. D. De Vries Az, noemt mij nog ab „boeckbynders" te Amsterdam omstreeks 1591 Lourensn Jaftst 
inde bijbel op 't water en; Jan Evertsen^ bij wien regenten van het Burgerweeshuis in het genoemde jaar hunne 
pleegkinderen: Jan Arisz en Jan Gerrits in de leer deden. (Zie Register van die besteedinge der kinderen op 
ambachten; archief Burger- Weeshuis). 



230 IETS OVER MAGNUS HENDRICKSZ. 

In het Naamboek der Gildebroeders van het Boekverkoopers-gilde te Amsterdam 
staat aangeteekend : „Mangnus Hendricksz in 't gild gecomen A** 1635 28 April." Men mag 
dus met zekerheid aannemen, dat hij op dat tijdstip zijn bedrijf als boekbinder uitodende. 
Zooals ik hiervoren reeds mededeelde, blijkt uit de ,,Reckeningen van ontvang en uytgaef 
der thesorieren ordinaris", dat Magnus Hendricksz op 27 Maart 1657 de som van lOO gulden 
en 10 stuivers ontving y, wegens het binden der prijzen voor de Latijnsche schole." Sedert 
dien datum vind ik hem geregeld eens of tweemaal vermeld als binder van de prijzen voor 
de Latijnsche scholen en sedert 1660 ook als zoodanig voor de v,Stadtsbibliotheecq" of 
den „Hortus [botanicus]." Na 1664 evenwel worden de posten op die Reckeningen niet 
meer gespecificeerd, terwijl ook de „Rapiamus van thesaurieren ord.", die mij anders had 
kunnen inlichten, met dat jaar ophoudt. Noch in de Resolutie-boeken of Grootboeken 
van die heeren is verder eenige aanteekening over dien persoon te vinden. Het is mij 
niet gelukt met zekerheid eene verwantschap te bepalen met den boekverkooper Albert 
Magnus (1663 — 86) of den boekbinder Jacob Magnus in den Haag (1645).") Met het vast- 
stellen van den datum van zijn ovej^jden ben ik voorspoediger geslaagd. In het Begrra- 
fenisboek van het Karthuyser kerkhof staat aangeteekend, dat op Woensdag 2 Mei 1674 
aldaar is begraven: „Magnus Henderycks boekbinder In Dirck van Assensteeg In de 3 
,,boecken een ouwe doot van i [gld.] — 4 [stuivers] en roef." 

In 1880 gaf de heer A. Willems te Brussel zijn degelijke studie in het licht 
over de typografische werkzaamheid van het beroemde boekdrukkersgeslacht Elzevier. Op 
blz. 391 van dit werk deelt de schrijver de geschiedenis mede van een band voor een 
Vergilius van 1676 in I2*, door een zekeren Magnus van Amsterdam gebonden voor Daniël 
Elzevier, om aan den Franschen Dauphin ten geschenke te worden aangeboden. De afbeel- 
ding van dien band, als illustratie aan het werk toegevoegd, vestigde de aandacht van 
sommigen op andere banden, die mot dezelfde stempels op den rug of op het plat versierd 
waren. Het onderzoek naar banden van dezen Magnus (d. i. den later te noemen Hendrick 
Magnusz) bracht tevens, of liever in de eerste plaats, banden aan het licht van zijn vader, 
den hiervoren genoemden MagnüS HENDRICKSZ, te weten voor: Camphuyzen, Stich- 
telijke rymen. Amsterdam 1652. in 4***"); L' ancienne AUiance 1632. 2 tom. — Nouv. 
AUiance 1656. — Psaumes de David mis en rime fran9. par Clément Marot et Théod. 
De Bèze. Se vend k Charenton par P. Des-Hayes et A. Cellier etc. 1657. In i bandje 
kl. 80; Novum Testamentum. Graeca edit nova. Stud. et labore S. Curcellaei. Amstelae- 
dami, ex off. Elzeviriana 1658. kl. 80. (Deze twee bij den heer B. Quaritch te Londen *•); 



>') Zie : Archief voor Kunstgesck. Dl. V. 

") Op de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam. 

*•) Zie zijn: Catalogue of books in historical or remarkable bindings^ 1883, No. 13202 en 13204. De heer 
Quaritch, die mij met groote welwUendheid beide nummers ter bezichtiging zond, schrijft nog een band in zijn cata- 
logus (No. 12941) aan onzen Magnus toe. Daar ik niet in de gelegenheid was die te zien, vermeld ik zijn oordeel zonder meer. 



IETS OVER MAGNUS HENDRICKSZ. 281 

Camphuyzen, Stichtelijke rymen. Rotterdam 1658. kl. S""** (zie de afbeelding hiernevens "); 
Le Noweav Testament. Se vend k Charenton par E. Lucas etc. i6s8.kl. 80; A. Cellarius, 
Harmonia microcosmica. Amsterdam 1661. fol. (Deze twee bij de firma Fred, Muller en 
Co te Amst); een HoUandsche Bijbel, Leyden bij de Wed. en Erfgen. van J. Elzevier 
1663. fol. (Koninkl. Bibliotheek in den Haag). Het schijnt mij boven alle bedenking verheven, 
dat deze zeven werken, waarvan het laatste vooral door een pronkjuweel van een band 
is omhuld, door Magnus Hendricksz zijn gebonden. De versieringen en het randwerk 
leiden ontegenzeggelijk tot de gevolgtrekking, dat zij door geen ander dan door den maker 
of door den leermeester van den maker van den Vergilius-band kunnen uitgevoerd zijn. 
Wetende nu, dat Hendrick Magnusz niet vóór 17 December 1663 lid van het Boekver- 
koopers-gfilde geworden is, aarzel ik niet die eer aan zijn vader toe te kennen. De 
laatstgenoemde verdient te meer de voorkeur, wijl de kleine vogel-figuurtjes, op den folio 
Bijbel voorkomende, reeds gebezigd zijn op den band van den Camphuyzen van 1652. 
De mogelijkheid blijft bestaan, dat die werken eerst lang na hunne uitgave op last van 
den een of anderen liefhebber aldus gebonden zijn, en dus ook Hendrick Magnus als 
vervaardiger van de banden in aanmerking kan komen. Maar die veronderstelling strookt 
niet met de gewoonte van die dagen, volgens welke dergelijke prachtbanden terstond 
bij de uitgave van het werk werden besteld om ten geschenke te dienen aan den schrijver, 
vertaler of commentator, ook wel aan zijne vrienden of aan dezen of genen aanzienlijken 
Maecenas. Dit wordt bevestigd door de briefwisseling van Daniel Elzevier met Dan. 
en Nic, Heinsius, aanwezig op de Universiteitsbibliotheek te Utrecht. Behalve deze zeven 
banden, zijn er mij nog 5 bekend, die of aan den vader of aan den even kunstvaardigen 
zoon mogen worden toegeschreven. Namelijk voor: een folio Bijbel bij Elzevier (Museum 
van zeldzaamheden in den Haag, wegens de overbrenging der voorwerpen niet door mij 
gezien); een keurig handschriftje op perkament. i2mo (Verzam, Six in het Museum van 
het Kon., Oudheidk. Genootschap); een Zeeatlas. Amsterdam,^ H. Doncker 1666. fol. (Bij 
de firma Fred. Muller & Co.); een Sainte Bible, trad. par S. et H. Des Marets. Amster- 
dam, L. et D. Elsevier 1669. 2 tom. fol. (Museum Meermanno-Westrheenianum in den 
Haag); en een Pharos linguae Italicae, per G. Sonneman, Gron. 1675 i2mo. (Bij de firma 
Fred. Muller & Co). Laat ons hopen, dat nog n^eer bewijzen van beider talent aan het 
licht zullen komen. 

Bij den dood van MagnüS Hendricks werd namens de erfgenamen van de in 
het sterfhuis aanwezig zijnde boeken een inventaris of catalogus gemaakt, waarvan het 
eenig bekende exemplaar 'mij bij het doorzien der boekverkoopersgildeboeken toevallig 
onder oogen kwam. Deze verkoopcatalogus, welks titel hierachter zoo getrouw mogelijk 
is nagedrukt, is 12 ongenummerde bladzijden groot, in 4*® formaat. Hij telt 60 nos. in folio. 



'O Op de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam. 



CATALOGUS 

Van diverfe Fraye 

B O E C K E N, 

Soo in 7 Latyn, Frans, Duydts en andere 

Talen, veele net gebonden in Franfe en andere banden; 

Een goede Party gelijnde en ongelijnde Schrijf- 

boecken, in allerhande Formaten, van vaft 

Papier, tot yders gerief. 

Als mede een Party Vergulde Kerck-boecken, in Segreyn, en een 
Party Schoolgoedt; miUgaders oock allerhande Gereetfchap, als 
uytfteeckende Yfere, groote Houte en andere Parffen, Platen, 
Stempels, Rollen, Letters, en wat verder aan de Boek-bindery 
dependeert, alles wel geconditioneert ; 

Na gelaten by wijlen 

M A G N u s H E N D R 1 c K s E. in fijn leven vermaard Boekbinder, in 
Dirk van Aflen-fteeg, in de 3 Boecken, tot Amfterdam. 

De Verkooping fal gefckieden op Dingfdag den 24 July 1674, des Voor- 
middags ten 9 uuren prefys, ten Huyfe van den Overledenen voor- 
noemt, alwaer de Catalogus te bekomen is. 



c'AMSTERDAM, 

Vóór Hendrick Magnus, Boeck-verkooper op de Cleveniers-burgwal, bij de 
Bos-huys Sluys, alwaer ook mede de Catalogen te bekomen zijn. 



IETS OVER MAGNUS HENDRICKSZ. 288 

75 nos. in 4**, lOi in S^, iio in I2*en 41 in kleinere formaten. De varia eindigen aldus : 
„Oock sal mede Verkocht werden het Vythang-bort etc!" 

Teneinde in de openbare bibliotheken van ons land ter eenige tijd nog andere, 
licht te herkennen banden uit de werkplaats van Magnus Hendricksz terug te kunnen 
vinden, deel ik hieronder eenige der volledigst beschreven titels mede: 

In Folio, 
I. Bybel Romeynse letter, Elsevier ^ Imperiael Papier. 
5. Histor. Saken van Staet en Oorlog, door Z. van Aitzema^ fijn Papier, seer 

curieus in een Franse bandt gebonden, compleet. 
7. Beschrijving van Mallebaer en Cormandel, fijn Papier vol Figuren, in een 

Franse bandt seer curieus gebonden. 
II. Scheeps-bouw en bestier van N, Witsen^ curieus gebonden. 

31. Zee- Atlas, Goos^ fiin afgeset, en in een Franse bandt, seer curieus gebonden. 

33. Zee-spiegel Bleau^ groot 

34. dito, gemeen. 

42. Wonder-boek, in een Franse bandt seer curieus gebonden. 

In Quarto. 
20 en 36. Camphuysens Stigtelijcke Rijmen. 

41. Joan Arents Ware Christendom, seer curieus gebonden in een Franse bandt. 

In Octavo. 
25. Codicis Antonia Contii compleet, 9 deelen, in hooren overtrocken, verguit, 

seer curieus gebonden. 
27. Annalis Grotii. 
39. Grammatica Vossii. 
62. Hugo Grotii Jus Belli en Pacis. 
6y. Lijk-redenen Prins Frederik Hendrik. 

In 120. 
13. Reyse van Sijn Hoogheyt d' Heer Prince van Orangie in Engelandt. 
18. Kruys-schoole Wudiran Amsterd. 1645. 
27. Den Duytsen Souter. 

32. Amitiel Amours, a Paris 1664. 
53. Zuydt- Hollandsen Thessalia. 

106. Vrouwelijck Gebede-boek van Zesen. 

De titel van dezen verkoopcatalogus leert ons verder drie dingen: i*. zijne toenmalige 

woonplaats; 2*. dat de catalogus verkrijgbaar was bij Hendrick MéGNUSZ, zijn zoon, 3*. dat hij 

door zijn tijdgenooten reeds een „vermaard boekbinder" genoemd wera, voorwaar geen geringe 

eerl De aangekondigde veiling kon evenwel niet ongehinderd voortgang hebben. In het 

Requestenboek over 1661 — 1725 van het Amsterd. Boekverkoopersgilde komt eene acte 

voor van ,,Michiel Baers, Notarus publicus tot Amstelredam" die de aanleiding tot die 

80 






234 IETS OVER MAGNUS HENDRICKSZ. 

stoornis verklaart, „Den 23 Julij A° 1674 gecompareerden voor mij in presentie van 
„naergenoemde getuijgen Hendrik Kinckhuysen "), boeckbindersknecht, woonachtig binnen 
„deese stadt, out omtrent 23 jaren, ende heeft ten verzoecke van d' Ooverluyden vant 
„Boeckverkoopers gilt, verklaert ende geattesteert soo waer is, dat hij getuijge heeft gesien 
„ende geexamineert seeckere catalogus van boecken, die staen om verkocht te worden op 
„de naem en quansuys als naergelaten bij wijlen Magnus Hendricks in sijn leeven 
„boeckbinder alhier, ende dat hij getuijge seer wel ende seeckerlijck weet, dat het meeren- 
„deel van de boecken in folio, ende verscheijden andere van de beste boecken in deselve 
„catalogfus staende (ende specicalijck die hij getuijge met een streep in margine van de 
„neevensgaende catalogus voor de nomb: heeft aengehaelt) bij den selven Magnus Hen- 
„dricksz zal ^ noijt in eijgendom zijn beseeten, maer dat al deselve andere lieden zijn 
„toebehoorende. Geevende voor reedenen van weetenschap dat hij getuijge veele jaeren 
„als dienende op de winckel van deselve Magnus Hendricksz zal «" geweest, ende tot 
„naer desselfs 00 verlijden toe, aldaar gebleven is, ende derselven wel weet wat boecken 
„daer zijn geweest en daarom vant punt voorschreeven staet goede kennisse is gevende. 
„Presenterende hij getuijge des noot, en versocht sijnde deesen t'allen tijde bij solemneele 
„eed te stereken. Dat aldus passeerde binnen Amsteld" in 't bijweesen van p" Hendrik 
,,en de Dirck Boom als getuijgen hier oovergestaen." Doch het waren er niet zooveel, als 
men uit de voorafgaande verklaring zou opmaken; in het geheel zijn slechts 27 nos., als 
aan anderen toebehoorende, aangehaald. 

Deze verklaring, in tegenwoordigheid der Overheden afgelegd, bleef niet zonder 
uitwerking: althans den volgenden dag werd den erfgenamen van MAGNUS HENDRICKSZ 
door den gildebode Thijs Janse uit naam van de Overheden aangezegd, dat „syluiden 
„met de verkooping van de boeken niet en sullen hebben voort te gaen, volgens 't artykel 
„van haer ordonnantie op de boete daer toe staende", welke „interdictie" hij aan Hendrick 
Magnus in persoon „behandigde". Den dag daarna (25 Juli) herhaalden Overheden het 
verbod, ditmaal bij aanzegging door den gerechtsbode „interdiceerende voort te gaen met 
„de verkoopinge der boeken daarmede in vendutie werd gesonden door Hendrik Magnus 
„en consoorten, onder pretex als raeckendé het sterf huys van Magnus Hendrickx." Uit 
de hier gebezigde uitdrukking meen ik te moeten afleiden, dat men vermoedde, dat een 
deel der boeken (als „winkeldochters") door Hendrick Magnus en anderen wellicht in 
deze veiling gestoken was, teneinde zoo doende een goede en goedkoope winst te behalen — 
een fraude, die, zooals blijkt uit de Notulenboeken van het gild, meermalen gepleegd werd. 
Hendrick Magnusz berustte niet in dit bevel, maar diende bij Schepenen een rekwest in, 
waarbij om verlof tot vooij|gang van de vendutie verzocht werd. Hierop stonden „Sche- 
„penen . . . Hendrik R^^nus toe, met de verkoopinge voor te gaen, voor soo veel de 
„ongedruckte boeken en gereetschappen aengaan, mits dat deselven het sterfhuys van 
„syn vader zijn aengaende en dat sonder eenige parmissie. Actum 2 Aug. i674,*' Daar hij 

^) Hendrik Kinckhuysen schijnt later geen zelfstandige zaak te hebben gedreven. 



IETS OVER MAGNUS HENDRICKSZ. 335 

zich evenwel niet aan de bepalingen van de ordonnantie had gehouden, werd hij volgens 
een „Extract uyt de RoUe van Kleyne Saken der stadt Amsterdamme" den 19 December 
1674 „gecondemneerd tot betaling van de somma van ƒ 3 — 3 — o alsmede comp. van costen." 
Wat nu in het midden der 17de eeuw ongeveer berekend werd voor het binden 
van diverse werken, blijkt uit een boekbindersrekening van het jaar 1666. Schuldeischer 
was Abraham van der Putte te Amsterdam; schuldenaar een zekere Nicolaas Everard "*). 
Hieronder volgen eenige merkwaardige posten: 

Ao. 1665 Voor de bant alleen debet G. St. 

31 Mei Een 4* schrijf boek, verguit op G. St. 26 dito. 6 Getij in 240 sp. leer 2 — 8 — o 

snee in perkament 0—18 — 8 Mrt. 1 Dortse bijbel in 80 sp. leer i — 2 — o 

9 Junij. 2 Schat der gebeden in segrijn 2 — 16—0 3 ApriL 2 Rotterdamse bijbels sp. leer 2 — 4—0 

4 Julij. I Testament ini2®sp. leder o - 16—0 dito. 1 Bijbel groue letter sp. leer i — 2 — 

II dito. I boeckie 120 spaans leer 0—12 — o 16 dito. i dortse bijbel segrijn 2 — 10 — o 

10 Oct. 25 Wegh des Hemels sp. leer 10 — o — o dito. 1 bijbel fijn lett. rasp. leer i — 2—0 

A«. 1666. 17 Jan. Een Missael in folio in 26 dito. i boeckie in 48» in segrijn o — 12 — o 

segrijnde bant 10 — o — o 28 dito. 28 stucks Wegh des Hemels als 

dito 2 Brevieren in groot I2<» in 3 ander goet verguit op 't snee 

banden in sp. leer. 7 — 4 — o in parckement 19 — 12 - o 

lóFebr. 20 stucks 24© in sp. leer 8 — o — o enz. enz. 

dito 2 Bijbels in 8® in segrijn 5 — o ~ o 

Over Hendrick Magnusz, den zoon, heb ik weinig kunnen aanteekenen. Hij was 

gedoopt in de Nieuwe Kerk 24 Juli 1639. ^^ het Poorterboek vindt men: v,i663 7 Nov. 

,,Henrick Magnusz boeckbinder, soon van Magnus Hendricksz mede boeckbinder & poorter 

„alhier, is den H"* Burgermrn en Schepenen deser stede gebleken te sijn een ingeboren 

„poorter derselver stede". Vervolgens trof ik zijn handteekening aan onder een rekwest 

einde 1663 aan de Vroedschap, tot handhaving van de ordonnantie van Jan. 1663, mede 

onderteekend door Magnus Hendricksz en Albert Magnus. Daarop volgt de reeds 

gemelde datum van zijn lidmaatschap van 't gild, 17 Dec. 1663. Verder iDericht de Heer Willems 

terloops zijn naam in eert noot, verwijzende naar een bundel brieven van Daniël Elzevier, 

berustende op de Universiteitsbibliotheek te Utrecht. Ik heb er dien bundel**) nog eens 

op nagelezen en daaruit woordelijk overgeschreven wat Dan. Elzevier mededeelt over het 

binden van den Vergilius. In een brief, gedagteekend 18 Februarij 1679, schrijft Elzevier: 

„Voor de banden sal goede sorge draghen die voor den Koninck ende den Dauphyn dienen 

„wel in morroquin de levant de andere in Hoorn als voordesen, sal goede sorge draghen 

„dat wel sullen ingebonden werden die in morroquin de levant moeten a petit fer verguit 

,, werden dat hier een binder seer wel doet, Magnus genoemt." En verder in een anderen 

brief van 22 Februari van hetzelfde jaar schrijft dezelfde: „Het Exemplaar voor den 

„Koninck sal in Blau Turx leer a petit fer verguit laeten binden ende dat voorden Dauphijn 

'•) Abraham van der Putte was volgens Ledeboer's Alphab, naamlijst werkz. van 1635 — 95 ; Nicolaas Everard 
vind ik niet bij Ledeboer vermeld. 19 Mei 1664 werd deze lid van het gild en ,he^t sijn Burgercedull getoont." 
Uit de Puiboeken teekende ik zijn ondertrouw op: Nicolaas Everhardi van Zwynum, boekverkooper te Amsterdam, 
23 jaer oud, geass. met Lysbert Jansz. zijn moeder, woont in de Warmoesstraet, ende Francina Pieters van Ommen 
uyt Vollenhoven. ... 14 Nov. 1664. 

^) Universiteitsbibliotheek te Utrecht. Aevum recens scripta varii arg. No. 38, in 4to. 

30* 



« 



236 IETS OVER MAGNUS HENDRICKSZ. 

„int root Turxleer; doch mijns oordeels moeten die 2 Exemplaren op een wyse verguit 
„syn ten ware UEd. het anders ordonneerde" *)• Eindelijk wordt, volgens de notulen 
van het Amsterdamsche gildeboek van boekverkoopers, in Februari 1688 de weduwe van 
Hendrik Magnusz genoemd onder de leden van het gilde, die hunne burgerceelen nog 
niet getoond hadden, zoodat hij kort voor dien tijd schijnt te zijn overleden. Zijn 
woonplaats vindt men op den verkoopcataloog van den inboedel zijns vaders. Niet 
onwaarschijnlijk is het, dat de weduwe de zaak een tijdlang voortgezet heeft, blijkens 
de banden met dezelfde stempels van boeken, na 1690 gedrukt zooals er eenigen op de 
Universiteitsbibliotheek te Amst. voorhanden zijn. *•) 

We hebben nu gezien, dat Magnus Hendricksz gebonden heeft voor bijna alle 
groote inrichtingen der stad; dat hij, volgens het weinige, dat ik over zijn arbeid heb 
kunnen opteekenen, veel schijnt gewerkt te hebben voor de Elzeviers, zoowel voor het 
huis te Leiden, als voor het jongere te Amsterdam. Maar bovendien: — boven iedere 
post van uitbetaling aan hem voor het inbinden der prijzen in de Rekeningen van Thes. 
ord., vond ik bijna geregeld een andere van uitbetaling aan „Mr. Joan Bleau*', voor het 
leveren van de boeken, die ,,sullen dienen tot prijzen in de Slatius (Latynse) Schole." 
Het spreekt wel van zelf, dat dergelijke leverantiën hem, die de boeken leverde, herhaal- 
delijk in aanraking brachten met hem, die ze inbond. Het zou mij dan ook niets ver- 
wonderen of onze Hendricksz heeft voor het huis Blaeu die fraaie atlanten en stedeboeken 
gebonden, waarvan zoovelen als geschenken aan buitenlandsche vorsten gediend hebben. 
Hij en zijn zoon Hendrick hebben zich beijverd in ons land de smaakvolle bewerking van 
het vergfulden k petit fer in te voeren en maakten daarbij gebruik, behalve van de reeds 
langer in zwang zijnde effen lijnen en hoeken, van gestippelde kromme lijnen en orna- 
menten. Dit zoogenaamde „pointiUé-werk" was in Frankrijk door Le Gascon ingevoerd. 
„About 1620", zoo bericht de heer B. Quaritch in de degelijke inleiding voor zijn Cij/^j/tya^ 
0/ books in historical or remarkable bindings^ — „a binder, who is usually called le Gascon 
,,or Le Gascon who must have been a workman in Clovis Eve*s house, added to the 
„geometrical and fanfaresque patterns of the latter a new kind of ornament, consisting of 
5,minute gold dots elaborated into Unes and curves of singular brilliancy and elegance. 
„This pointillé ornament, as it is called, gradually drove out the interlaced patterns with 
„which it was at first combined, and from 1630 to 1660 the favourite style of decoration 
„on the backs and sides of books was produced by the luxuriant convolution of those 
„lines of dotted gold 

„In the meanwhile the Le Gascon ornament had become fashionable in England, 
„Italy, and the Low Conntries^ and some very excellent work of that sort was produced 
„in those countries even down to 1680." 



^) Dit schrijven klopt dus niet met de groene kleur der afbeelding, die in het boek van den heer Willems voorkomt. 
^) Hendr. Magnusz heeft drie zusters gehad, nl.: Marritje, Geesje en een tweede Marritje, zijnde respec- 
tievelijk gedoopt 17 April 163$, 10 Juni 1636 en 29 Juli I638. 



IETS OVER MAGNUS HENDRICKSZ. 



237 



Het zou mij natuurlijk zeer aangenaam zijn geweest, indien ik door eenig bewijs 
had kunnen staven, dat Magnus Hendricksz tot Le Gascon in betrekking gestaan heeft. 
Zonder dat zou ik ongaarne mij verdiepen in een hypothese, die, hoe aannemelijk ook, 
niet zou passen in dit kader van historische feiten. Hoe het daarmee zij, Magnus Hendrickz 
en Hendrick MagnüSZ mogen zonder overdrijving onder de dii maiores der boekbinders 
gerekend worden. Hetzij dat zij de kleine ornamenten in allerlei richting door en over 
elka^ werkten, zooals op den band van den Camphuyzen van 1652, of wel ze totgroote 
vakken en hoeken combineerden, zooals op de folio Bijbels van 1663 en 1669, hun werk 
blijft altijd een cachet van bevalligheid, teerheid en fijnen smaak behouden. Ook de 
dierenfiguurtjes, zoo los en sierlijk gesneden, onderscheiden hun werk van dat van alle 
anderen. Alle hierboven gemelde banden zijn verguld op snede, en óf in rood marocco, bi 
in naar 't havanna zwemend Turksch leer gebonden. Waar al de „curieuse" banden van 
den verkoopcatalogus gebleven zijn. ^ Helaas, wie zal het zeggen 1 — Met HENDRICK MagnüSZ 
stierf de laatste Nederlandsche boekbinder, die zijn vak eerder als tak van kunstnijverheid, 
dan als handwerk had uitgeoefend. De banden der 1 8* eeuw, in ons land vervaardigd, ver- 
dienen, behoudens hoogst enkele uitzonderingen, niet de belangstelling der kunstliefhebbers. 



NASCHRIFT. 

Reeds was het voorgaande ter perse, toen mij op de Bibliotheek der Koninklijke Akademie van Wetenschappen 
te Amsterdam het exemplaar van Huygens, Korenbloemen, in handen kwam, dat men in den catalogus, 2de deel» 
bladzij 414 onder nummer 390 zal beschreven vinden. Het is een exemplaar van den tweeden druk, in 1672 te 
Amsterdam bij J. van Ravesteijn in 't licht gegeven. Het boek is gebonden in rood marocco, met al de stempels 
verguld, die op den band van den folio Bijbel van 1669 als het werk van Magnus Hendricksz voorkomen, en verguld op 
snede. Het is een prachtband, door den dichter, die i^ een zes en dertig regelig eigenhandig geschreven Fransch gedicht 
zijn werk ten geschenke aanbiedt, vereerd aan Mevrouw de Prinses van Oranje-Nassau, op Oudejaarsavond van het 
Jaar 1686. Het nog niet uitgegeven gedicht luidt letterlijk aldus: 

A SON ALTESSE ROIJALE 



MADAME 

L'infame masse de Papier 
Que peu devant devant hier 
Vous eutes la bonté, Princesse, 
De recevoir parmi la presse 
D^une armee d'honestes gens, 
Hommes solides et Sf auants, 
Qui dans vos petites demeures 
Vous regalent aux belles heures 
Desrobl]2es é, ce tracas, & 
Que vous soufirez, et n^aijmez pas 
D'une infinité de causeuses, 

Ces mesmes Fueilles (sic^, trop heureuses, 
Revienent encor ceste fois 
Vous divertir en leur patois. 
Accoustumée que vous estes 
De longue main & leurs Somettes, 
J'espere que dans les habits 

La veiUe de 1'An 1686. 



Que vous voijez qu*elles ont pris 
Vous resoudrez è. leur permcttre 
D'entrer en Cour, et d'j parestre 
Parmi des foux de leur mestier. 
C'est de quoy vous prie TOuurier: 
Non pas TAuteur; mais le Libraire. 
Car Pautre n*a plus qu*A se taire, 
Apres tant d*effroijable bruit, 
Dont il vous lasse par escrit. 

Pardon, de grace, Ame Royale, 
Qui ne connoissez point d'égale; 
Je promets de m'en corriger, 
Sans plus ainsi vous outrager. 
Si ie vous manque la parole, 
Que votre déplaisir m*enrole 
Au nombre des plus malheureux: 
Je veux souffrir tout avec eux; 
Quand vous voudriez pour ma ruine, 
Me traicter en Escran de Chine. 



Bovenaan op het schutblad staat nog geschreven: ,^ieren i688*'; ongetwijfeld het slot te Dieren in Gelder- 
land, waar Willem III dikwijls vertoefde. Deze band zou waarlijk geen Le Gascon of Boyer oneer aandoen. 
10 October 1883. 



EEN VERJAARD VERJAARFEEST. 



Mr. N. de roever. 



p ET Nederlandsche volk is een volk vg.n heldenzonen, rustende op de lauweren 

t door de vaderen behaald. Zoo had men eenige tientallen van jaren geleden 

t onze natie kunnen kenmerken. Thans trachten we, meer dan toen, zelf 

pi eenige lauweren deelachtig te worden, en de tijd van rust moest plaats 

(t maken voor eenen van harde werkzaamheid, maar daarom hebben we nog 

niet met de helden, onze vaderen, gebroken. Teerden we kort geleden op bunnen alom 

verbreiden roem, thans groeien wij in al wat dien roem verhoogen kan, en. . . . wij werken 

zelf aan die verheffing hard mede. 

Als gevolg van een nauwgezet onderzoek der papieren nalatenschap van onze 
voorvaderen, staan er nu en dan mannen uit den doode op, die door hun tijdgenootcn 
of levend begraven, of met ijskoude onverschilligheid afgemaakt waren; andere herrijzen, 
die in hun tjjd ruim deel hadden aan klinkdicht en loftrompet, maar die van lieverlede 
verdiend of onverdiend in 't vergeetboek waren geraakt. 

Wij gevoelen ons de schuldenaren, door erfgenaamschap zoowel als uit eigen hoofde, 
van die groaten onder ons voorgeslacht en wij trachten te herstellen wat werd verzyimd, 
tekortkomingen goed te maken. Daarom richten we standbeelden op, plaatsen gedenktafelen 
en vieren feest. Onze behoefte aan feestvieren houdt gelijken tred met onze begeerte om 
ware talenten te huldigen. 



EE.^ VERJAARD VERJAARFEEST. 239 

Dr. Abraham Kuyper heeft eens scherp en geestig gezegd, dat men thans feestddig 
viert waar men vroeger bid' en geefi^Lgtn hield. 

Inderdaad, als de natie eene nationale gebeurtenis herdenkt, men organiseert een 
gecostumeerden optocht Is het een rond getal jaren geleden, dat een groote geest 

■ 

geboren werd of stierf, tot een feestmaal wordt besloten, waar een godvruchtig voorge- 
slacht een bedestond zou hebben gehouden, een mis voor de rust der ziele zou hebben 
opgedragen. De geefddigtn. zijn daarmede echter niet uit de mode geraakt. 

Met het vieren van nationale gedenkdagen, geboorte- en sterfdagen, meent men de 
kinderen van de XIX* eeuw voor een wijle te doen leven in het verleden en de mannen 
van beteekenis Van voorheen binnen te leiden in den kring van de corijfeeën van het 
heden. Of men er op deze wijze in slagen zal ? Onze tijd neemt het gros der menschen 
te veel in beslag, en het is daarom slechts in een kring van uitverkorenen waar men de 
kennismaking ernstig opvat. De veelheid dier feestdagen werkt schadelijk op de belang- 
stelling en niet ieder is het er mede eens, dat de weg, die door de feestzaal leidt, de 
aangewezen weg is om in het verleden door te dringen. 

Deze reden moet Prof. Dr. NiCOLAAS Beets hebben bewogen het lidmaatschap 
af te wijzen eener commissie, die zich ten doel stelde in het jaar 1884 den 300»^ ge- 
denkdag der geboorte van Anna ROEMERS ViSSCllER te vieren. Het gemis van den 
naam des gevierden uitgevers van Anna'S werken weegt niet op tegen de meer- 
derheid der namen, die op de presentie-lijst van de eerste Anna VlSSCHER-commissie- 
vergadering prijkten. De meerderheid, zeg ik, want één naam stond voorzeker de eerste 
in die rij — en zoo die dddr niet stond, dan had hij er behooren te staan — de naam van 
een man, die met den Utrèchtschen hoogleeraar in één adem mag worden genoemd, die 
niet minder dan Beets een vriend is van den huize ViSSCHER, die dien huiselijken kring 
kent, alsof ze van ouds zijn speelnooten waren, die niet minder dan Beets is doorgedron- 
gen in den tijd, waarin hij zijn personen handelend doet optreden, maar die — wat baat 
het ons het te ontkennen — in de keurige historische schetsen, die men zijn welversneden 
pen dankt, de historische waarheid soms deerlijk te kort doet en zijne personen voorstelt 
niet altijd gelijk zij waren, maar gelijk zijne dichterlijke verbeelding ze hem voortoovert, 
geschapen alzoo naar de luim van zijn vernuft, van zijne voor- of tegen -ingenomenheid. 
Een dichter kan geen geschiedschrijver zijn. Wat stoort een dichter zich aan de uit- 
komsten van angstvallig bronnen-onderzoek, die het gebouw, zoo kunstig door hem in 
eikair gezet, . zouden omverwerpen! Het geschiedboek, dat hij schrijven zal, loopt gevaar 
om onder zijne handen een historische roman, het opstel eene novelle te worden, waar 
facta en data ondergeschikt zijn aan intrige en ontknooping. 

Het is zeker niet aan zoodanig verwaarloozen van de historische waarheid, maar wel 
aan ontstentenis van de noodige gegevens te wijten, dat zich onder de auspiciën van den Heer 
Prof. J. A. Alberdingk Thijm juist in dit jaar de commissie vormde, die ik zoo even noemde. 

Dat zij zich voorstelt in het jaar '84 de geboorte van ROEMERS oudste kind te 



240 EEN VERJAARD VERJAARFEEST. 

vieren, bewijst, dat zij uitging van de onderstelling, dat de jubilaris, als die oud-testamen- 
tische leeftijden nog van onze eeuw waren, haar driehonderdste jaar zou hebben bereikt, 
en alzoo in 1584 ter wereld kwam. 

Dwaalde de commissie daarin — ik zal de laatste zijn er haar een grief van te 
maken — dan is het te wijten aan alle biografen van vroegeren en lateren tijd, die willens of 
niet, de commissie hebben van het spoor gebracht Had slechts een der zegslieden op 
dit punt van de anderen afgeweken, ik geloof niet, dat het der commissie ontsnapt zou 
zijn, en zeker had het de aandacht getrokken van Prof. Beets, toen hij den ouderdom van 
Anna bepalen moest. Ook hij echter kon slechts het algemeen gevoelen onderschrijven. 

Laat ons allereerst onderzoeken op welken grond dit gevoelen rust. 

Dat Anna Roemers oudste kind was, wordt ons door hare vrienden en tijdge- 
nooten verzekerd. 

Sedert door verschillende navorschers de oude bescheiden van den burgerlijken 
stand zijn doorgeplozen, is het geen onbekende zaak meer, dat op den 26»^ Februari 1583 
de ondertrouw van ROEMER in het 2« kerk-inteekenboek ') is aangeteekend onder de 
volgende bewoordingen : 

„Compareerden enz.: GiERTE PlETERSD*^ de huysvrou van Jacob VAN Campen 
,,exhiberende sekere hilixksche voerwaerden waer wt myn Heo'en de 
„Commissarissen geblecken es, dat ROEMER PiETERSSEN VissCHER in 
„huwelick vergaderen sal tot Delft met eene Aeffgen J ANS°* van Delft en 
„heeft oversulcx vercoft (sic) dat de proclamationes hier ter stede soude 
„geproclameert werden, twelc by deesen verwillicht ende geconsenteertis." 

Roemer is dus niet vóór de tweede helft van Maart 1583 gehuwd, omdat er 
vroeger drie Zondaagsche proclamatiën ongehinderd moesten verloopen zijn eer de huwe- 
lijksvoltrekking plaats had. Niemand kon er dus iets op aan te merken hebben, dat men 
Pa 1^84 als Anna's geboortejaar vasthield. Ter bevestiging daarvan beriep men zich op 
den in 1679 geschreven berijmden brief van Anna's eigen en eenig overgebleven zoon 
Mr. Romanus van Wesel aan den dichter JOANNES VOLLENHOVEN, welke aangehaald 
wordt o. a, in VAN Lennep's Vondel-uitgave, deel VI, Nalezing bl. 12, en waarin de 
Haagsche rechtsgeleerde wel met juistheid opgeeft, wanneer zijne moeder overleden is, maar 
zich, waar het op haren geboortedag aankomt, er van afmaakt met de woorden: ^Syne 

„oudste dochter Anna Roemer Visschers tot Amsterdam, geboren den 1584." Het 

klinkt vreemd, dat de man, die zich den jaardag van tante Tesselscha zoo goed wist te 
herinneren, zich niet kon te binnen brengen, wanneer zijn eigen moeder hare verjaring vierde. 

JacobüS Scheltema, de eerste die eene monografie aan ROEMERS dochteren wdjdde 
„doch wiens mededeelingen slechts met groote voorzichtigheid te gebruiken zijn" *), beroept 



/ * 



*) Het Puiboek bestond toen nog niet. Het eerste vangt aan met 19 Maart 1583. 
8) J. A. Alb£RDINGK Thijm, Dietsche Warande X blz. 378. 



J 



EEN VERJAARD VERJAARFEEST. 241 

zich op Brandt's, Dagwijzer der Geschieden 'ssen Tblz. 643), waar deze op den 6 December 
het jaar 165 1 als Anna's sterfjaar boekt, er bij voegende, dat zij toen 67 jaren oud was. 
Gekard Brandt lost hiermede echter de kwestie evenmin op. Hij zegt b. v. niet of 
Anna in haar 6y^ jaar of de 6^ reeds gepasseerd was, zoodat we uit zijne opgaaf even- 
goed zouden kunnen afleiden, dat Anna in 1585 geboren was. Wat hij boekstaafde moet hij 
van hooren zeggen hebben gehad. Dit blijkt duidelijk hieruit, dat hij geen nadere aan- 
wijzing kan geven van zijn bron, hetgeen hij gewoonlijk wèl doet, zelfs met zoodanige 
nauwkeurigheid, dat hij het niet verz^vijgt, wanneer hij zijne gegevens uit particuliere 
papieren of onuitgegeven stukken heeft geput. 

Mag men zulke gegevens onvoorwaardelijk gelooven? 

Ja! heeft Jacobus Scheltema daarop geantwoord, en hij heeft zelfs op de gravure 
naar de schoone teekening van GOLTZIUS, welke in zijn Anna en Maria Tesselschade, 
de dochters van Roemer VISSCHER (Amsterdam, by Yntema, 1 808), voorkomt, in den rand 
Anna's leeftijd laten invullen, hetgeen de teekenaar zelf niet had gedaan, een van die han- 
digheden van Mr. jACOBUS, waardoor hij zich het wantrouwen van onzen tijd op den hals 
heeft gehaald. 

Jal antwoordde daarop Prof Beets, die meende, dat dergelijke opgaven „van alle 
^kanten door officiëele stukken waren bewezen" en met deze gegevens, telkenmale als hij 
het noodig oordeelde, Anna's leeftijd becijferde. 

Ik veroorloof mij echter hier een vraagteeken te plaatsen. 

In de gewone gevallen van twijfel aan of van onvolledigheid van de particuliere 
berichten, slaat men ter overtuiging of aanvulling de archief-stukken op. 

Hier ligt het voor de hand om het doopboek te raadplegen. 

Als eenmaal den datum van den doop vaststond, zou 't erkend worden, dat Anna 
slechts een paar dagen ouder kon zijn. In dien tijd waren Katholieken, Martinisten en 
Calvinisten het er over eens, dat men, „in aanmerking nemende de seeckerheyt des doots 
yjen de onseeckere uresvan dien", met het toedienen van dit sacrament niet lang mocht wachten. 

Het ongeluk wil echter, dat de doopboeken der Roomsch Catholieke gemeente, uit 
de zestiende eeuw na de alteratie van 1578, niet meer aanwezig zijn, en ons eerst weder 
ten dienste komen te staan tegen het midden der zeventiende eeuw, zoodat een beroep 
pp de doop-acte ons niet veel baat. 

Als dit bewijsstuk ons begeeft, is er geen beter bron ter vaststelling van den 
ouderdom van iemand, die aan de Amstel- en IJ-boorden het levenslicht aanschouwde, 
dan de voortreffelijk ingerichte boeken van commissarissen van de huwelijks-zaken, Vaarin 
de ondertrouw van hervormden en niet-hervormden werd aangeteekend. Dat zijn de 
bekende Amsterdamsche kerk- en pui-inteekenboeken. ? 

Anna ondertrouwde den 17 Januari 1624 met DoMiNiCüS BOOTH VAN Wesel. 
Dit is reeds lang bekend. Het Pui-boek zou derhalve kunnen uitmaken hoe oud zij op 
dit oogenblik was. Dan, het Pui-boek zwijgt, waar wij het gaarne hadden hooren spreken. 

31 



242 EEN VERJAARD VERJAARFEEST. 

Wel zien we, dat de bruigom den leeftijd van 38 jaren had bereikt, maar dit is ons op 
't oogenblik vrij onverschillig, nu Anna's ouderdom niet wordt opgegeven. 

De gewone officiëele berichten ontbreken dus. Was er nu slechts door een van al 
de poëten, die ROEMER'S drempel hielpen verslijten, één gedicht op de zoo of zooveelste 
verjaring van Anna vervaardigd, maar dit zal men te vergeefs zoeken. Nu ook derge- 
lijke niet minder vertrouwbare bewijzen ons in den steek laten, worden we terugge- 
bracht tot de autoriteit van den kleinzoon van ROEMER en diens reeds aangehaalden 
berijmden brief en van Gerard Brandt, waar een ieder vrede meê zou kunnen 
hebben, als zij slechts de zaak in allen deele uitmaakten, hetgeen, gelijk we zagen, het 
geval niet is. 

Ik kom hier een officieel stuk aanvoeren, dat de balans niet in 't voordeel van 
Romanus en van Gerard doet overhellen. 

Wanneer een stad op een gegeven oogenblik een groote som van penningen noodig 
had en die som uit de gewone middelen niet te vinden was, vroeg en verkreeg zij van 
de hooge overheid de vergunning om geld op te nemen. In het laatst van de zestiende 
eeuw was het uitgeven van schuldbrieven door de steden nog niet in gebruik, maar 
verkocht men tegen meestal vrij hoogen rente-standaard los*rente-brieven of lijf-ren te- 
brieven op een of twee lijven, waarvan de renten op vastgestelde tijden werden betaald, de 
lijfrenten zoolang de persoon in den brief genoemd in leven was. Een eeuw of wat vroe- 
ger, toen zulke lijfrenten soms slechts onder zeer bezwarende voorwaarden konden geplaatst 
worden, was het wel der moeite waard om aan den persoon, die der stad het heugelijke 
dood-bericht van een taaien lijfpensionaris bracht, een geldelijke belooning uit te keeren, 
maar dat was langzamerhand in onbruik geraakt Niettemin hield men nauwkeurig register 
van de brieven, die afgegeven waren, en van hetgeen in de meestal op perkament gedrukte 
formulieren was ingevuld. Dat men daarmede uitvoerig en voorzichtig was, behoeft bijkans 
geen betoog, omdat dit de gegevens waren, die door identificeering van den persoon tegen 
misbruik van den brief wapenden. 

Gewoonlijk werden nu in den brief opgenomen de namen der ouders en de 
ouderdom van den lijfpensionaris. 

Evengoed als de staten en de steden aan de pasgeboren kinderen van 
onze Stadhouders lijfrentebrieven schonken, evengoed kochten in dien tijd zorgzame 
ouders lijfrente-brieven voor hunne kinderen, indien de gelegenheid daartoe werd open- 
gesteld. 

Onder al de burgers en burgeressen, die zich in den jare 1587 ten stadhuize aan- 
meldden, om tegen den niet onvoordeeligen koers van „den penninck zesse" lijfrenten te 
koopen ten laste dezer stad, bevond zich ook ROEMER ViSSCHER. Hij gaf zijn verlangen 
te kennen om een rente van zes gulden te vestigen ten lijve van zijne toen reeds vier- 
jarige dochter ANNA „daer moeder aff was Aeff Jans." In een oogenblik was dit 
alles opgeteekend, zoowel in het af te geven document als in het minuut-register, dat ten 



EEN VERJAARD VERJAARFEEST. 24S 

stadhuize zou worden bewaard, en daarmede geboekstaafd, dat ROEMERS oudste kind niet 
in 1584, maar nog in 1583 geboren werd'). 

Het schijnt, dat op dit oogenblik Anna niet alleen ROEMERS oudste, maar ook 
Roemers eenig kind was. Waarom zou hij anders geen tweede of derde lijfrente gekocht 
hebben? Mogen we hieruit afleiden, dat PiETER, de kortelings opgediepte zoon van den 
ronden ROEMER, jonger was dan Geertruy (geboren 1588), dan Grietje (gedoopt 
7 Januari 1590 en den 21 Juli daaraanvolgende begraven*) en dan het kind, dat den 
23 Juni 1592 in het familiegraf in de Oude Kerk werd bijgezet? 



Ik heb hier op grond van de eigen verklaring des vaders een twistappel geworpen 
aan den feestdisch, waaraan Anna's vereerders gereed zijn plaats te nemen. Gelukkig 
zal geen Troye daardoor in vlammen opgaan. Maar toch droeg ook deze appel een 
opschrift, aan den beruchten appel niet ongelijk. Wie hem heeft verdient laat ik gaarne 
onbeslist. Zoolang echter de Anna VissCHERS-Commissie den Paris niet heeft gevonden, 
die hem haar toewijst, is het opschrift van dit opstel, meen ik, niet opgepast. 

Sloeg ik der Commissie hiermede eene, zij 't ook lichte wonde, dan leg ik er gaarne 
een pleister op door de mededeeling van hetgeen mij, sedert ik in „de Navorscher" van 1879 
bl. 557 seq. eenige berichten gaf over den zoon van onzen ROEMER en zijn huis op de 
Geldersche kade, aanteekenens- en vermeldenswaardig is voorkomen. 

Roemer Visscher werd geboren in 1547, vóór 20 Juni. Zijn vader was genaamd 
PiETER JACOBSZ en zijne moeder heette ANNA Roemers dr. In 1538 worden deze 
personen reeds als gehuwde lieden gemeld. Hij dankt zijn voornaam dus aan zijn 
grootvader van moederszijde. De ViSSCHERS konden er niet op bogen van groote familie 
te zijn. Ze hadden nooit zitting in een der regeerings-colleges, doch mochten te recht 
onder de eersame burgery worden geteld. Zijn voorvaders van moeders-zijde waren van 
dezelfde kwaliteit als de BUYCKEN en de HOOFTEN. Ze hadden hun fortuin op zee gemaakt. 
Roemer verloor zijne ouders op jeugdigen leeftijd. Hij was pas elf jaren, toen hij op 
den 7 Juli 1558 vader') en moeder tegelijk naar 't graf zag dragen. ♦De treurige stoet 
verliet den lakenwinkel, op den hoek van de Oudebrugsteeg tegenover het Accijnshuis en 



•) Minuutregister der uitgegeven los- en lijfrente brieven 15 17 collier gemerkt No. 4. bL 14, 
de tekst luidt: 

Anna Roemer Viskers dochter out iiii. 
jaren moeder Aeff Jans. VI gL 

in margine staat aangeteekend door latere hand : 
obiit. in Decem. 1651. 

*) Geertruy en Grietje werden beide opgenomen in de Hervormde kerk. Bij den doop van de laatste was 
Grietje Dirks getuige. Was dit wellicht Roemers schoonmoeder ? Anna was vernoemd — gelijk straks blijken 
zal — naar Roemers moeder. 

*) Prof. Alberdingk laat Roemers vader inNov. 1588 sterven en den 26sten in de Nieuwe Kerk ter aarde bestellen» 
In 1560 waren de goederen van Roemer echter reeds onder oppertoezicht van de Weeskamer, zoodat de door 
Prof. Alberdingk geciteerde Pieter Visscher een ander moet zijn. 

31» 



o 



U EEN VERJAARD VERJAARFEEST. 



begaf zich naar de Oude Kerk, waar de doodgraver kort te voren een graf had geopend. 
Het schijnt, dat aanvankelijk een oudere broeder zich den knaap aantrok. Is dit zoo, dan 
heeft dit niet lang kunnen duren, want op den 2 November 1559 ontsloot zich het graf 
in de Oude Kerk opnieuw om hem, Jacob PlETERSZ. VisSCHER uit de Oudebrugste^, 
op te nemen. Wie toen de zorg voor ROEMERS opvoeding overnam is gemakkelijk te zeggen. 
Het naaste daartoe was Geerte PlETERS, zijne oudere zuster, die met een zoon van den 
om den hoek in ie Warmoesstraat wonenden rijken HuGO Zeegersz in *t Moriaens-hooft, 
was gehuwd. Geerte's echtgenoot droeg den naam van jACOB VAN Campen, ofschoon 
niet zijn vader, maar zijne moeder tot de in Amsterdam welbekende familie van dien 
naam behoorde. Deze jACOB VAN Campen heeft de voogdij waargenomen, en verkreeg 
op den 16 Mei 1584, toen ROEMER reeds lang meerderjarig was, kwijting over zijn be- 
heer*). PiETER Jacobsz Visschers nalatenschap werd tusschen Geerte') en Roemer 
verdeeld. 

Niet terstond na den dood zijner ouders, maar kort na den dood van jACOB PlETERSZ 
ViSSCHER, wiens kleederen door ROEMER werden geërfd, en wel op den 20 Juni 1560, 
werden die goederen ter Weeskamer opgebracht. Zij bestonden in de helft van het 
navolgende : 

Een huis aan de noordzijde van de Oude brugsteeg op den hoek van het Damrak 
tegenover het Accynshuis; belast met een oud eigen van i fransch schild en een 
jaarl. rente van 34 gl. 

Dit huis werd met winkel en kelder door jACOB VAN Campen aanstonds in 
huur genomen voor den tijd van zeven jaren, tegen 150 car. gl. sjaars, op 
voorwaarde, dat „RoMER PlETERSZ zijnen inganck ende coste in den zelven 
„huyse hebben zal, zoe wanneer bij thuys compt ende weder vertrect" 

Een blok huisjes bestaande uit drie op den Achterburgwal en drie aan de Veste 
aan de Nieuwe zijde, te zamen belast met een jaarlijksche rente van 36 gl. 

Toen in 1584 Roemer met zijn zwager afrekende, bekende hij, dat zij weinige 
dagen te voren voor schepenen de onroerende goederen hadden verdeeld. 
Roemer schijnt deze huizen te hebbea gekregen, die — men denke aan 
Schae-Baet — in waarde stegen, toen de oude stadsmuur werd afgebroken 
in 1601. Roemer betaalde voor de waarde-vermeerdering van het waar- 
schijnlijk op dit terrein gebouwde en 33 voet breede huis „de Kreeft" 
behoorlijk de „melioratie" Hij schijnt het huis te hebben verkocht aan 



«) Weesboek No. 7 bl. 93V0. 

7) Geerte*s kinderen bleven den naam van Campen dragen. Een hunner Cornelis van Campkn Jacobsz 
ondertrouwde 17 October 1602, op 38 jarigen leeftijd met Catharina Quekels, en werd daarbij ter zijde gestaan 
door zijn oom Roemer Visscher. 

Prof. Alberdingk stelt het voor, alsof de vader van Cornelis een broeder was van Roemers vrouw, hetgeen 
onjuist is. Prof. Beets heeft op deze voorstelling vertrouwd en zeide (deel II bl 3) dat thans van alle kanten uit 
officieele bescheiden gebleken was, dat Aef Jans een zuster was van Jacob van Campen, den grootvader van de 
schoone Machteld door Huygens begeerd, door Vondel bezongen. Prof. Beets ging hier wel een weinig te ver, 
daar zijn eenige bron Prof. Alberdingk's stamtafeltje der Visschers was, in de Dietsche Warande gepubliceerd. 



"EEl^ VERJAARD VER J A ARFEEST. 245 

CORNELIS VAN Campen, die in 1608 zijn verzoek, om de losrente uit hoofde 
dezer y,melioratie*' gevestigd af te lossen, door den Oud-Raad zag afgeslagen ')• 
Een huis en erf met moutery, mede aande Nieuwe zijds vesten gelegen^ 
belast met een jaarlijksche rente van 17 gulden. 

Dit huis werd na bekomen vergunning om zijne bouwvalligheid in Januari 1566 
verkocht. 

Voorts : 

de inboedel, welke onder de hand geschat was op 150 gl. 

het laken enz. in het sterfhuis aanwezig geweest, maar verkocht voor de 

achterstaande prijzen te weten: 

5 stukken rood haagsch laken ^ 12 gl. 60 gl. 
4 > bruin idem & 13 » I5st 

onder aftrek van 3 kleine looden 52 t 15 st. 

3 t laken 16 > 15 st: 

Smaldoek 4 > 

het gereede geld beloopen hebbende 26 gl. 1 2 st 

de nog in te vorderen schulden volgens de boeken ten beloope v^n 1 1 39 „ 1 8 st. 

een paar schuldbekentenissen tesamen 12 gl. 's jaars tegen den penning 18 uitgezet. 

Daarentegen was de boedel belast met schuldbrieven, tot een gezamenlijk bedrag 

van 25Y9 gulden sjaars •). 

Voor de helft van deze roerende goederen gaf JACOB VAN Campen zijn minder- 
jarigen zwager een rentebrief van 3972 gl. 'sjaars berekend tegen den penning 18. Hij 
bekende daarmede aan Roemer 710 gl. 18Y2 st. schuldig te zijn. 

Bovendien was zijn uitsluitend eigendom een lijfrentebrief van 6 car. gl. 'sjaars ten 
zijnen lijve in 1554 gesloten, de kleederen door zijn vader en broeder nagelaten, een noot 
met zilver beslag en twee zilveren lepels. 

Roemers vader was alzoo een gezeten, maar geen vermogend man geweest. 

Ontmoeten we den ronden Roemer in later jaren als een vermogend man **), dan 
mogen we het er voor houden, dat hij zelf de bouwmeester van zijn fortuin is geweest, en 
in zijn tijd een koopman van naam, doorkneed in de kennis van het graan, zijn handels- 
artikel. Daaraan zullen wij het moeten toeschrijven, dat wij hem in het jaar 1603 genoemd 
vinden onder de acht gezwofen broodwegers, die gezamenlijk eene jaarlijksche wedde van 
200 gulden uit de stadskas trokken en twee boden in dienst hadden: een kleine post 
van vertrouwen, welke hij nog in 1605 heeft bekleed "). 

Van zijn jeugd weten we niets. Uit de voorwaarden waarop zijn zwager jACOB 
VAN Campen het ouderlijke huis in huur nam, schijnt men te mogen opmaken, dat hij 



8) Resolutien oud Raad I bl. i2vo. 

^ Roemers vader had o. a. geld opgenomen van Griete en Claesgen Croock en van Pieter Stevensz (zijn 
zwagers) kinderen en daarentegen geld geleend aan Mattheus Willemsz en Sybrand Pietersz te Uitgeest 

1^ In 1592 schoot hij ten verzoeke van Thesaurieren een som van 600 gl. voor ter betaling van eenige fortificatie- 
werken buiten de St. Anthon^spoort. (Rekening 1592 bl. 39), 

1*) Stads-rekeningen onder het hoofd der uitbetaalde wedden. 






246 EEN VERJAARD VERJAARFEEST. 

reeds vroegftijdig reisde en trok, wellicht naar die havenplaatsen van Noord- en Oostzee 
waar een levendige graan-handel werd gedreven. In Juni 1564 en Januari 1566 was 
hij echter in 't vaderland 

Roemers eerste woonplaats na zijn huwelijk was niet het huis op de Geldersche 
kade, een gracht, die eerst een aangenaam aanzien kreeg, toen de oude stads muren waren 
afgebroken, maar een huis op de Oudezijds Kolk, het vierde huis van den 2^edijk en het 
negende van het Kamperhoofd, alwaar hij op 11 Januari 1586 woonde, toen hij, tengevolge 
van den aanslag van taüateurs voor de capitale impositie, de som van 21 gl. en 12 st 
betaalde"). In 1578 wordt de naam van ROEMER nog niet onder de bewoners van de Kolk 
aangetroffen. Hij schijnt er echter nog te hebben gewoond in 1590 toen Aeltje jans- 
DOCHTER, van Delft, (voorzeker eene bij hem inwonende zuster zijner vrouw), wier woon- 
plaats wordt opgegeven te zijn de Oudezijds Kolk, aanteekende met LIEVEN PlETERSZ, 
geboortig van St. Oedenrode in de Peel en woonachtig te Rotterdam, als wiens gemach- 
tigde Roemer den 19 Mei 1590 voor Commissarissen van huwelijkszaken verscheen"). 
Zekerheid ware in dit opzicht te verkrijgen geweest als het begraafboek van de Oude 
kerk, alwaar of) den 21 Juli 1590 en op den 23 Juni 1592 door ROEMER een kind werd 
ter aarde besteld, de woonplaats van den vader had opgegeven. 

In dit huis op de thans onaanzienlijke Oudezijds Kolk mag men alzoo aannemen, 
dat Anna en Truitje geboren zijn. 

Wanneer de familie VISSCHER het huis op de Geldersche kade betrok is nog niet 
uitgemaakt. Terwijl dit huis aan PlETER ROEMERSZ ViSSCHER werd toebedeeld en door 
hem in 1639 verkocht, schijnt het huis op de Kolk in 't bezit van de familie te zijn gebleven. 
Tesselschade's stoffelijk overschot werd althans uit een huis op de „Colck" naar zijn 
rustplaats in de Oude Kerk gedragen. Of moet men het er voor houden, dat zij hare 
laatste jaren sleet in de onmiddelijke nabijheid of wellicht ten huize van haren zwager 
Claes van Buyl, die op den 11 Mei 1648, toen zijn vrouw in de Nieuwe Kerk begraven 
wbrd, woonde in de „Duif op de Nieuwe Zijds Kolk? 

Voorloopig blijven er nog vragen genoeg ter oplossing over. 



Bij het doorzoeken van eenige bescheiden, in 't archief der Oude Kerk hier ter stede 
bewaard, teekende ik eenige gegevens aan voor de kennis van de familiebetrekkingen van 
Roemer Visscher, zoo van vaders als van moeders zijde. Uit de archieven der Amster- 
damsche weeskamer had ik later gelegenheid ze aan te vujlen en bij elkander te schikken. 

Dit ware mij niet mogelijk geweest, als de weinig voorkomende doopnaam ROEMER 
mij niet telkens het spoor had aangewezen. Bij gebreke van zoodanige hulpmiddelen zou 



^^ Register van de capitale impositieii. 

**) Extraordinaris Puiboek achter Puiboek N^. 3. 



EEN VERJAARD VERJAARFEEST. 247 

men al een ervaren genealogist moeten zijn, om de Amsterdamsche tamilién, die in de 
zestiende eeuw en later nog geen familienaam droegen, in hunne, oudste generatiën te 
volgen. Waren de PiETER Roemersen's en Roemer Pietersen's Pieter Claesen's of 
Jan Pietersen's geweest, ik had mij de moeite niet gegund ze allen uit de geraadpleegde 
bescheiden over te nemen. 

Het is aan een dergelijke oorzaak te wijten, dat het eerste geslachtlijstje slechts 
enkele graden boven den ronden ROEMER opklimt. Er waren in de zestiende eeuw vele 
visschers en visschersfamiliën buiten de stad nabij de Haarlemmerpoort gevestigd. De 
beide Visscherstraten zijn nog daar om 't te bewijzen. Al nemen wij aan, dat de naam 
ViSSCHER reeds lang aan Roemers voorouders eigen was, daarmede is het nog niet 
gemakkelijk den familienaam van de beroeps-aanwijzing te onderscheiden. Ik nam het 
zekere voor het onzekere en gaf slechts hetgeen ik zou kunnen bewijzen. 

Uit dit geslachtlijstje blijkt niet, waar de bakermat dezer familiën moet worden gezocht. 
Evenmin brengt het ons nader bij de oplossing van de ten vorige jare in eene vergadering 
van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap door Mr.' A. D. DE VRIES aanhangig 
gemaakte kwestie over de herkomst van het wapen, dat men der familie VisscHER heeft willen 
toekennen, en dat de bekende geslachtkundige M. Balen niet had kunnen te weten komen. ") 

In ieder geval zien we er uit, dat de ViSSCHERS in Roemer'S tijd reeds gedurende 
eenige generatiën in Amsterdam gevestigd waren geweest. 

Van de in onze stad bloeiende geslachten der vijftiende en zestiende eeuw en van 
hunne onderlinge verwantschap is weinig bekend. De Eggerts, de BiCKERS, de BOELENS 
en enkele anderen duiken* uit de zee der vergetelheid op, een voorrecht, dat ze deelachtig 
werden boven de RüYSCHEN, de Zaelen, de Schaepen en de Waelen, die, op gezag 
van zeventiende-eeuwsche schrijvers, als de oudste en voornaamste geslachten der veste 
bekend staan. De oorkonden voor ^e geschiedenis der amsterdamsche geslachten zijn 
dan ook niet talrijk. Een ruim veld lag alzoo ter exploitatie open voor genealog^sten, die 
ter wille der rijke koopmanszonen van voorheen pralende stamboomen wisten te planten 
en er den slag van hadden, om met den franschen slag geslachtsregisters in elkaar te 
lijmen. Dat er toen een ruim gebruik van is gemaakt, daarvoor zal ik ter gelegener tijd 
eenige bewijzen bijbrengen"). Inmiddels moge deze bijdrage voor deze hulpwetenschap 
der Amsterdamsche geschiedenis niet onwelkom zijn aan hare beoefenaren. 

Tevens moge zij dienen ter verbetering van een geslachtiijst der ViSSCHERS en der 
Van Campens welke door Prof. J. A. Alberdingk Thym werd opgemaakt. 

Aangezien die ook betrekking heeft op onzen grooten bouwmeester Jacob van 
Campen, heb ik evenzeer de voorouders van dien treffelijken man op dezen stamboom 
aangeteekend. Men zal er uit zien, dat hij eigenlijk niet VAN Campen had behooren te 
heeten, ofschoon hij op dezen naam altijd nog meer recht had dan Roemers gade. 

ï^ VgL Balen beschrijving van Dordrecht (genealogie van Wezel) blz. 127 1. 
^') Men wil, dat dergelijke kunstenaars thans niet meer worden aangetroffen. 






B H H o* f> 



M • « 2 r« ï? s 

«s: H p tr 




G '^ P >i« rt ' 



^ O S > w 



<sas|rft.s té. 







1 liliiir^ ' 






.^,ës 



5^ I 



lil ?!li 













-il'SlI^ïlïi'i-SSsIzal 



y^l il 

13=1 



'lij 

-i il 

ipjll 



sspll s 



ïïidssa 18, 




REMBRANDTS DOCH.TER, 

CORNELIA VAN RIJN ' 

EN 

HAAR ECHTGENOOT 

CORNELIS SUYTHOF 

DOOR 

Mr. A. D. de vries Az. 



FSCHOON in de laatste vijfentwintig jaar over menig duister punt 
uit Rembrandt's leven en omgeving nieuw licht is opgegaan, kan, 
het bleek reeds uit vorige bladzijden van dit tijdschrift, het onder- 
zoek ook naar dit deel onzer kunstgeschiedenis geenszins als ge- 
sloten worden beschouwd. Onder mijne aanteekeningen over onze 
schilders en plaatsnijders, uit verschillende, voornamelijk Amster- 
damsche, archieven geput, bekleeden dan ook die over RembraNDT 
geen onbelangrijke plaats. 

Voor ditmaal deel ik mede, wat er geworden is van CORNELIA 
VAN Rijn, dé dochter van Rembrandt en HENDRICKIE JagHERS, wier levensgeschiedenis 
tot nu toe begon en eindigde met de vermelding, dat zij op Frijdach 30 October 1654 
in de Oude Kerk te Amsterdam werd gedoopt '}. 

Hoe gaarne zou ik den belangstellende tevens belangrijk nieuws hebben meegedeeld 
omtrent Cornelia's geheimzinnige moeder, die eenmaal door Rembrandt tot zijne levens- 
gezellinne werd gekozen, zij 't ook zonder dat van deze keuze door hen getuigenis 



') Wie 13 toch de Anna Jans die bij deien doop gewige was? 



REMBRANDT'S DOCHTER. 2>1 

werd afgelegd voor Commissarissen van huwelijkszaken *). Ongelukkig genoeg valt slechts 
een zeer flauwe lichtstraal op Hendrickie, nu een tot nog toe onbekende huwelijks- 
proclamatie het enkele levensbericht, dat ons van Cornelia ter oore kwam, komt aanvullen. 
Zij luidt aldus: 

3 May 1670 
Acte »). Compareerden CORNELIS Suythof van A(msterdam) schilder oud 24 jaren, 

ouders doot, geass(isteert) met zijn voogt Adriaan DE FijN, woont op derose- 
gracht en CORNELIA van RijN van A(msterdam) oud 18 jare, ouders doot, 
geass(isteert) met haer voogt Abram Franse, woont ut supra. 

w. g, Corneles Cornelia. 

Deze aanteekening geeft tot menigerlei opmerking aanleiding ; dat de bruid niemand 
anders dan Rembrandt's dochter is, zal voor hem, die overweegt dat deze Cornelia van 
Rijn woonde op de Rosegracht, waar Rembrandt, zooals bekend is, in het begin van October 
1669 overleed, en dat zij Rembrandt's vriend ABRAHAM Francen tot voogd had, voorzeker 
geen nadere bevestiging behoeven. Bij het inschrijven der huwelijks-aankondiging schijnt 
de bruid als haar ouderdom eerst zeventien jaar te hebben opgegeven, om deze opgave 
later te veranderen in achttien jaar, want in de oorspronkelijke akte is het getal 17, dat 
er eerst stond, in 18 veranderd. 

De vermelding van Cornelia's ouderdom is niet van belang ontbloot. Reeds is in 
dit tijdschrift het vérmoeden uitgesproken, dat het tijdstip, waarop de innige betrekking 
tusschen REMBRANDT en Hendrickie Jaghers ontstond een paar jaar vroeger kan 
worden gesteld dan het jaar 1654, dat Hendrickie in Juli door den kerkeraad zag kapit- 
telen en dat de kleine Cornelia den 30 October in de Oude Kerk zag doopen. Immers reeds 
15 Augustus 1652 werd een kind begraven, dat waarschijnlijk Rembrandt tot vader, maar 
Saskia van Ulenborgh niet tot moeder had *). Ook nu wij weten dat Cornelia op 3 Mei 1670 
zeventien of achttien jaar was blijkt dat zij niet, zooals men uit den datum van haar doop 
zou besluiten, in October 1654 werd geboren, maar dat zij in elk geval reeds op 3 Mei 
1653 in leven was, ja misschien reeds in 1652 of 51 was ter wereld gekomen. 

Wij hebben hier te doen met een dier uitzonderingen op den regel, dat in de 
17* eeuw de kinderen slechts enkele dagen na hunne geboorte werden gedoopt. Wat mag 
de reden zijn, dat men gewacht heeft Cornelia te doopen totdat zij minstens den ouder- 
dom van anderhalf jaar had bereikt. Zou Rembrandt eerst hebben geaarzeld het kind 
van Hendrickie Jaghers als het zijne te erkennen? Of zou de kerkeraad, die zich blijkbaar 



») Ook de doopboeken te Ransdorp (vgl. hiervoor bL 6) kunnen ons over Hendrickie Jaghers niet inlichten ; 
de burgemeester dier plaats meldde mij dat doopboeken uit de eerste helft der zeventiende eeuw nSet aanwezig zijn, 

») Dit woord, dat in margine van de proclamatie staat, leert, naar ik meen, dat Suythof en zijn bruid niet te 
Amsterdam zijn gehuwd, maar een acte hebben verzocht, waaruit moest blijken dat hun huwelijk te Amsterdam 
was afgekondigd, om dat elders te laten voltrekken. In de Amsterdamsche trouwboeken heb ik de voltrekking van 
hun huwelijk dan ook niet gevonden. 

%) VgL hiervoor bl. 5 noot 2. 

82» 



252 REMBRANDT'S DOCHTER. 

over de verhouding tusschen Rembrandt en Cornelia's moeder niet weinig ergerde, den 
doop niet hebben willen toestaan ? Of zou Rembrandt aan de plechtigheid van den doop 
weinig gewicht hebben gehecht? Wie zal 't beslissen? Veilig kan men echter aannemen, 
dat bij het onderhoud, dat Hendrickie in Juli met den kerkeraad had, de vraag over het 
doopen van Cornelia niet onbesproken zal zijn gebleven, en misschien was de plechtigheid 
van 30 October van dit onderhoud een gevolg. 

Hoe lang Hendrickie met Rembrandt heeft geleefd is niet duidelijk; na 1658 wordt 
geen melding meer van haar gemaakt; thans blijkt dat zij in 1670, toen Cornelia huwde, 
niet meer in leven was. Haar dood zoeke men dus tusschen deze beide jaren. 

De voogd, die Cornelia bij haar ondertrouw ter zijde stond, is geen onbekende voor 
hem, die zich in Rembrandt's omgeving uit het laatste tijdperk van zijn leven te huis 
gevoeld. Abram Franse is dezelfde kunstvriend, die, omringd van zijne kunstschatten, 
door Rembrandt omstreeks 1655 in het koper werd afgebeeld') en die in 1665 bij de 
meerderjarig verklaring van Rembrandt's zoon Titus, de verklaring aflegde, dat deze „bequaem 
was om zelfs zijn handeling te drijven"*). Overigens was er zoo goed als niets van hem 
bekend totdat een aanteekening op een der exemplaren van zijn portret in het British 
Museum mij leerde, dat hij tot het Apothekersgilde behoorde. Die aanteekening luidt: 

Jan Francen apotheker kunstbeminaer 

De vergissing, die den schrijver dezer aanteekening aan Rembrandts vriend den 
voornaam Jan deed geven, heeft er waarschijnlijk den heer Dutuit toe geleid zonder verdere 
onderzoekingen te verzekeren, dat Abram Francen geen apotheker is geweest'). Het 
bleek mij echter, dat de schrijver der aanteekening, wat het beroep van Abram Francen 
betreft, zeer juist was ingelicht, want in een lijst van Amsterdamsche Apothecars ') opge- 
steld den 28 Maart 1637, vond ik onder N* 20 vermeld: 

Abraham Fransz op de hoeck van de St. Agnietenstraat 
terwijl hij, zoowel in een acte van 23 Nov. 1654*) (die ons tevens leert, dat hij in i6*7„ 
was geboren) als in een andere van 15 April 1662, waarbij hij een huis op de Egelantiers- 
gracht voor 4000 Car. guldens aan Pieter Adriaensz Raep verkocht ^% als Apotheequer 
wordt genoemd. 

Maar wenden wij ons tot CORNELIS Suythof, Cornelia's bruigom. 



5) Zie Bartsch No. 273; Ch. Blanc No. 176; Middelton No. 172. 
•) VosMAER bL 450. 
7) Dutuit Cat. II bL 487. 

•) Voor het Groot Rekenboek derinspectores van het Collegium medicum (Inventaris Amst. archief m, p. 1 10. No. 7.) 

•) „Compareerden voor mij Salomon van Nieuland openbaer not etc Abraham Fransz Apctheecquer binnen 

4eeser steede oud 44 jaren ende heeft ten versoecke van Sr. Johannes de Renialme coopman aUiier by waere 

.woorden enz. verclaert dat hij attestanc (omtrent ruym twee maenden geleeden) .... uit den mond van Sr. Pieter 

,pE MOLYN Schilder tot Haerlem ten huyze van den requirant gehoort heeft dat Sr. Willem de Lange notaris te 

„Delft hem de Molijn hadde gepre^enteert seeckere Obligatie ten laste van Willem Koo Claes steenvcrcooper" enz. 

w, y. Abraham Francen. 

*•) Papieren van den Notaris J. Hellerus, pak 157, 






REMBRANDT'S DOCHTER. 25S 

De vier en twintigjarige jongman, die evenals zijn bruid, op de Rozengracht woonde, 
was de zoon van BartholomeüS Suythof en Celitje Hose"), hij behoorde tot den 
kleinen burgerstand. Zijn broeder Hendrick wordt in Juni 1669 als „varentsgezel wonende 
op de Rosegracht" vermeld en was in Juni 1670 als timmerman in de Anjeliersdwarsstraat 
gevestigd ^*). 

De vooruitzichten van Cornelis Suythof waren, ook nadat hij zich met Rembrandt's 
dochter in het huwelijk had verbonden, blijkbaar niet schitterend, want reeds vijf maanden 
na hun ondertrouw hadden zij het besluit genomen het vaderland vaarwel te zeggen. 

In het begin van October 1670, zij woonden toen in de Laurierstraat, zien wij Cor- 
nelis orde op zijn zaken stellen; den 4*" machtigt hij zijn oom Adriaen Taffijn ") (denzelfde, 
naar mij voorkomt, die als voogd hem bij zijn ondertrouw assisteerde en in de huwelijks- 
proclamatie Adriaen de Fijn wordt genoemd) een lintkramer, die ook in de Laurierstraat 
woonde en bij wien het jonge paar, dus misschien zijn intrek had genomen, om voor 
hem te innen y,sï}n portie in de nalatenschappen van zijn oud meuje Mariken Hosée in 
haar leven huysvrou van Lubbert Gerrits Staphorst, m'. Cleermaker en van Sara Hosee , 
zijn meuje in haar leven huysvrouw van Jan Askes rafinadeur", terwijl hij op denzelfden 
dag de eerst genoemde erfportie aan Taffijn afstond. ^*k Een of twee dagen later maakten 
de jonge echtgenooten voor de notaris JACOBUS Helletos een testament, waaruit ons blijkt, 
waarheen Cornelis Suythof verplicht was, zijne Cornelia te brengen. Het luidt, voor 
een deel ontdaan van de gewone formulieren en voor ons niet belangrijke bepalingen, 
als volgt: 

In den name des Heeren [Amen, Kennelyck sy een iegelijck] bij dit jegenwoordigh 
pubLinstrument [dat in den jare onzes Heeren Jende Salighmakersjesu Christi 1670 
[den vijfden ")] Octob. des middaghs de clocke ontrent twee [uuren voor my] 



") Bartholomeos stierf voor Nov. 1667, blijkens eea acte van ii Nov. 1667 voor den Notaris J. Hellerus ge- 
passeerd (zie zijne minuten pak 169), waarin een aantal leden der famielje Hosee worden vermeld eu waarin de 
moeder van Cornelk voorkomt als: Celitje Hosee, weduwe van wijlen Bartholomeus Sdythoff, wonende op de 
bloemgraft; Celitje Hosee werd 2 Febr. 1670 op het Westerkerkhof begraven. 

'*) Zie kerk. huw. procL van 17 Mei 1669: 

,yHendrik Suythof van A. varentgezel wed. van Saertie jans woont op de rosegracht en Meynsie pieters van 
A wed. van Zander janse woont ut supra, hij Weescamer voldaan**' en van 14 Juni 1670: 

y^Hendrick Suythof van A., timmerman wed. van Meynsie pirs woont in de anjelierdwarsstraat en Belitie 
Hendricx van Embden oud 38. j. ouders doot geass. met Dieuwertje Hendricx haer zuster woont in de blomstraet.'* 
Dit huwelijk werd 6 Juli 1670 door Ds. van Son in de Nieuwe kerk voltrokken. — 15 Juni 1670 werd voor den 
notaris J. Hellerus een inventaris opgemaakt van datgene, wat Hendrik en zijn tweede vrouw te zamen hadden 
bezeten; op deze komt voor een huis op de Prinsegracht met eenige achterhuisjes, getaxeerd op / 5700. — In die 
inventaris wordt onder de schulden deze post aangetroffen: ,yi^ zijn broeder Cornelis Zuythoff over verschoten 
geld. . . ./3--3." 

") Hij was gehuwd met Agnietje Hosee, zie de reeds genoemde acjte van 11 Nov, 1667. 

**) Zie twee acten, beide van 4 Oct. 1670, in de papieren van den Notaris Hellerus, pak 175. 

") Of zesden, als uit de volgorde der acten blijkt; de tusschen haakjes geplaatste woorden zijn in het origi- 
neele stuk niet meer aanwezig; dit testament is als vele stukken van het Amsterdamscjie notarisarchief door den 
brand van 12 October 1762 zwaar beschadigd. Wagenaar (XXIH. bl. 221) heeft de belangrijkheid van het Notaris- 
archief niet begrepen; hij zegt als hij dezen brand behandelt: 



254 REMBRANDT'S DOCHTER, 

Jacobus Hellerus, nots. publ. by den hove van HoUandt [en Westvrieslandt] f 
Amsterdam residerende ende de naebeschreven getuy[gen gecompareert] en ver- 
schenen zijn S. CORNÊLIS SUYTHOFF Schilder ende juffr. [CoRNELIA VAN] RiJN 
echteluyden wonende in de laurier straet dezer stede [mij notaris] bekent voorge- 
nomen hebbende hun metterwoon na Oo[st'indie te] begeven op BATAVIA met het 
schip TULPENBURGH, cloeck en gesondt henluyden verstant ende spraeck ten volle 
gebruykende soo 't openlyk scheen en bleeck, dewelcke door overdenckinge des 
Doods verclaerden gemaeckt te hebben henluyde Testament ende uyterste [wille] 
in maniere navolgende, In den eerste hunne siele Godt almachtig ende hunne 
doode lichaemen de christelycke begravinge bevelende hebben over ende weder 
't sy de eerstaflyvige van hen beyde Testateuren comt te overlyden met ofte 
sonder kint ofte kinderen ofte verdere descendenten int leven naetelaten tot 
hunne eenige en universele erfgenaem in alle goederen roerende onroerende 

actiën crediten en gerechtigden gene ter werelt uy tgesondert geïnstitueerd 

ende genomineert d'een d'ander Gedaen t' Amster<tem ter woon- 

stede mijns notaris in het bysijn van W[illem Cloppenburgh] en Hendrick van 
Hoven myne clercquen al^getuygen hiertoe gebeden 



(o-o^. 




W. Cloppenburgh, 
Hendrick van Hoven, 
J. Hellerus, Nots publ. 

1670. 

Zoowel in dit testament als in de aanteekening van zijn ondertrouw wordt SUYTHOFF 
schilder genoemd; men zou bij een oppervlakkig onderzoek hebben kunnen betwijfelen of 
hier werkelijk aan een ^««^/schilder moest worden gedacht, ware het niet dat Nagler in 
zijn Künstler-Lexicon van Suythof gewag maakt "). Ten spijt van talrijke onderzoekingen is 



Gelukkig (N.BJ) bevondt men, alles onderzocht zijnde, dat de vlam meest gewoed hadt in oade(D en voor de 
stad minst belangrijke papieren. 

>') „Comel SujthoflP, Maler aus Holland, tlbte seine Knnst auf Reisen und fertigte zahlreiche Bildnisse. Um 
16S1 lebte er in Batavia J. A. Boener stach nach ihm das Bildniss des Artztes Otto Hellwig (lees Johan Otto 
Helwig), bezeichnet: C. Suythoff pinxit Batavfae in India orientali 1681." 

Kramm, die blijkbaar Nagler naschreef noemt SuytholT „een Hollandsch kunstenaar, die zijn vak ook van 
„portretschilderen steeds stijgende oefende (!)" 



REMBRANDT'S DOCHTER. 255 

het mij niet mogen gelukken ook maar één enkel schilderij van onzen schilder op te 
sporen en moet ik mij reeds gelukkig achten, na lang wachten en menige vruchtelooze 
nasporing in de voornaamste prentenkabinetten, er eindelijk in te zijn geslaagd een exemplaar 
machtig te worden van een door Nagler genoemd en door J. A. Boener *^) naar Suythof 
gegraveerd portret van JOHANN Otto Hellwich *^). De duitsche geneeskundige is in 
borstbeeld naar rechts afgebeeld, hij draagt een groote krulparuik, die tot op de borst 
afhangt, een kanten bef en een medalje met het borstbeeld van Karel II(?), die te voorschijn 
komt uit zijn gedeeltelijk losgeknoopte kleeding. Het portret is gevat in een lauwerkrans, 
om welke zich van boven een lint slingert met .het opschrift: Johannes Otto Helbigius 
Ph, et Med, Dr. P, C. V. Van onderen staat zijn wapen (een uil op een wereldbol) 
en het volgende vers: 

Weisheit die in Süden, Westen, und in Osten ist zu finden, 
Wormit China sich berühmet: Was ein Bramin kan ergründen, 
Diese Stime halt verborgen. Helbigs istsl mit ihm will prangen 
Teutschland. India wir lassen dir nach ihm dein hertz verlangen. 

Zur imer warenden Freundschaflft, bezeugnung setzte dis 
M. Simon Bommeister Reet: Zum H: Geist. 

Ter zijden van het wapen: 

Cornelis Suijthoff pinxit Batavia in India Orientali. Ao, 1681. en Joan Alex ander 
Boener Sc Norib *®). 

Zich naar dit portret een denkbeeld te vormen van Siiythoff's talent zou onrecht- 
vaardig zijn, want de Nürnberger JoAN Alexander Boener is geen uitzondering op den 
regel, dat de meeste Duitsche graveurs uit de zeventiende eeuw slechts middelmatige 
kunstenaars zijn. 

Hoe gaarne had ik willen meêdeelen, dat Su YTHOF zich in de school van Rembrandt 
als jong schilder had gevormd, maar daarvan legt deze gravure van Boener naar de 
schilderij van 1681 geene de minste getuigenis af; zooals de prent voor ons ligt herinnert 
zij geen oogenblik aan REMBRANDT, maar eerder aan een gravure naar een schilderij van 
Sandrart. 



*7) Gcb. te Nürnberg 1647, aldaar gestorven 1720. 

^•) Joann Otto Freyherr von Hellwig werd in 1654 geboren, hij studeerde te Jena en Erfurt, waar hij in de 
Medicijnen promoveerde; hij 'ging naar Amsterdam en van daar naar /ndiH, yratLr hij een geruimen tijd te Batavia 
de praktijk uitoefende. Na zijn terugkomst werd hij Chur Pfaltzischer Rath en Professor ^onorarius te Heidelberg. 
Ook Hertog Friederich van Saxen-Gotha en Christiaan V van Denemarken gaven hem titels en Karel II van En- 
geland ridderde hem. Hij heeft veel gereisd en bezocht o. a. Portugal, Frankrijk, Italië, Denemarken, Holland en 
E^eland. Hij stiert te Bareuth in 1698 (zie: Crosses V olstdndig es Universal Lexicon, Halle und Leipzig,lT^$ in. voet). 
In Hellwig's Curiosa Phystca (ed. van 17 14) komt een ander portret van hem voor, in profiel naar rechts, dat 
gemerkt is: Jacob Petrus Sc. Erffurti. 

1^) De prent is hoog 262 en breed 182 millim. In den linkeronderhoek staat nog een latijnsche opdracht, 
waarvan echter op mijn exemplaar, dat geschonden is, slechts enkele letters overig zijn. 



258 REMBRANDT'S DOCHTER. 

Heeft Coraelis Suythof Rembranut nog persoonlijk gekend ? De gegevens om deze 
vraag iret zekerheid te bcanhvoorden, ontbreken. Toch is het waarschijnlijk") en wij 
mo^en dus vermoeden, dat hij den invloed van Rembrandt's machtig genie niet geheel 
zal zijn ontgaan. De 'atere levensloop van Cornelis geeft ons echter geen hoogen dunk 
van de trouw, waarmede hij aan zijn kunst gehecht was en in dat opzicht was hij voor- 
zeker al heel weinig doordrongen van den geest, die Rembrandt gedurende zijn geheele 
leven bezielde. Reeds toen Suj-thof het schip Tulpenburg betrad om naar Oost-Indiê te 
varen, zal ontwikkeling van zijn talenten als kunstenaar, dunkt mij, zijn doel wel niet zijn 
geweest"). Ik word in deze meening bevestigd, omdat hij in l68g cipier der burger 
gevangenis te Batavia was, voorzeker geen ambt, dat, voor een kunstenaar, die zijn kunst 
lief heeft, groote aantrekkelijkheid kan aanbieden **). Wat er verder van Comelis Suythof 
en Cornelia van Rijn is geworden, bleef mij onbekend; slechts kan ik nog vermelden dat 
hun vóór 1686 een zoon was geboren") en dat Comelis waarschijnlijk in 1692 nog te 
Batavia woonde "). Misschien is er aldaar de een of ander, die het door mij gewezen 
spoor wil vervolgen en ons nadere berichten omtrent Rembeandt'S schoonzoon, dochter 
en kleinzoon kan verschaffen. Moge dan tevens SuyTHOf'S schilderijen worden terug 
gevonden en daarna zijne waarde als kunstenaar duidelijk in het licht worden gesteld. 



*M Hij lal, hondt men lijn eigen woonplaats 'va Mei 1670 en die lijner moeder in 1667 {lie noot 11) in het 
oog, lijne Comeli» en hsmr vader wel langer dan een groot half jaar voor tijn linwelijk hebben gekend. 

I') Hoe weinig artistiek leven zich ook in Batavia openbaarde, toch heeft Suythof er minsten* twee knnstenaars 
kunnen aantrefTen. De een was Frans Witroos, die, zooals Honbraken (II bL 189} verhaalt, leer in gonst 
wa* hij den Gonvemenr Generaal Camphuis, die van 1684 — 1691 regeerde; de ander een graveur JoaknbsDe JOKCH, 
die een portret van Comelis Speelman graveerde, gemerkt; Joannes Db Jongh FaciebaT et sculpsitet EXCCDit 
Batavia Ao 16S4. 

») Blijkens deze acte, bernstende in het Weeskamei-archicf te Amsterdam, Lade 411, waarvan ik de kennis- 
making te dankeo heb aan de naiporingen van Mr. De Roever: 

Wij ondergeschrevene. . , . Weesraeeiters deser stede.,., nemen aen ende belooven hiermede.... te indem- 
neren Meis. Joan Gilles en Joan de Mortier, burgers der stadt Amsterdam, wegens zoodanige 894 gnldens en 7 
stuiver* als haer E. onder hun gehadt en in den jare 1686 aen de Heeren Weesmeesters aldaer overgelevert hebben 
per resto van t gene by deselve berusted; wegens seekerc erienisse die CoBNELts Suythof, cipier volt de burger- 
gevangenissi ie deitr stede aenbestorven was van zijn moeders suster Sara Mosé zal'. . . . Batavia den 25 Febmarij 
ao 1^9 (vfL over dezelfde erfenis hiervoor bl 253). 

■) ■ In Weeaboek 37 bl. 52 wordt vermeld dat Jan Gilles grynreeder den 21 Nov. 1686 den in de vorige noot 
genoemden som uit de nalatenschap van Sara Hosee bij de Weeskamer had opgebracht „ten behoeve van Cornelis 
SUYTHOFF efte ivel dcstel/s seen, synde bejde op Bauvia." Ook blijkt nog uit deze plaats datSnythofte Amsterdam 
een zwager had die Abraham van Woudenbergh heette. 

") Weesboek 37 bl. 52 vio. 



Mr. aernout van overbeke 



DOOR 

Dr. J. A. worp. 



E man, wiens naam boven dit opstel is geplaatst, was 
geen dichter van den eersten rang. Hij moet slechts 
een zeer bescheiden plaatsje innemen op den Helicon, 
liefst een beetje achteraf. Vele zijner verzen hebben 
eene hoogst verdachte kleur en zijn alles behalve stich- 
t<-!ijke lectuur. Maar zijne werken zijn een tijd lang zeer 
populair geweest, en dit billijkt het, dat het leven en 
de verzen van dezen dichter in een paar bladzijden 
worden besproken. 



In 1588 had PlETER VAN Overbeke Antwerpen 
verlaten en zich te Frankfort aan den Main neergezet, 
waar hij met een meisje uit Brugge in het huwelijk trad . Zijn zoon, Matthijs van OvERBEKE, 
trouwde in 1613 te Frankfort met Agatha ScHOLlERS, maar kwam later naar ons vaderland. 
Daar hun in 1616 te Frankfort een zoon werd geboren en ditzelfde geluk hun in 1620 te 
Amsterdam ten deel viel, valt hunne uitwijking tusschen die jaren. Zij zetten zich metterwoon 
neer te Lelden, waar OvERBEKE in 1623 van den heer van Mathenesse een huis op het 
Rapenburg kocht '). Van de negen kinderen, die uit hun huwelijk werden geboren '), 

I) Deze mededeeling dank ik aan de TrelTrillendbeïd van Jbr. W.J.C. Rammelman Elsevier, ArcbJvarisv&n Leiden. 
') De boventtaande bijzonderheden over de familie van onzen dichter zijn ontleend aan een opstel van den 
heer J. G, Frederiks in De Navertcktr van 1871, bli. 238, vlgg. 



258 Mr. AERNOUT VAN OVERBEKE. 

was Aernoüt het achtste; hij zag den 15** December 1632 het levenslicht •) en werd 
den 19** van die maand in de Luthersche kerk ten doop gehouden *). Van zijne jeugd 
valt niets anders mee te deelen, dan dat hij reeds op elfjarigen leeftijd als student werd 
ingeschreven ^), hoewel hij toch zeker eerst jaren daarna de academische lessen begon te 
volgen. In 1649 stierf zijne moeder — zijn vader had hij reeds in 1638 verloren •) — 
en kort daarna schijnen de kinderen in een langdurig proces te zijn gewikkeld t^en 
zekeren Hendrick Brandes te Leiden 7). Het proces gaf Aernoüt aanleiding tot een 
komisch vers. 

In 1652 werd het ouderlijke huis op het Rapenburg verkocht •); vreemd is het 
zeker, dat in de akte de naam van alle kinderen behalve van Aernout voorkomt. 

Met recht mogen wij veronderstellen, dat Aernout als student wel niet alleen 
colleges bezocht en zich opgesloten zal hebben op zijne kamer. Naar zijne verzen te 
oordeelen heeft hij heel wat meegemaakt, en zal ook wel op hem zelven van toepassing 
zijn geweest, wat in één zijner „Tafelspelen" voorkomt*): 

»'t Za, nu treek ick mee aen het Refereynen; 

Wie dat maer wil, 't en scheelt my niet een haer. 

Meenje, dat ick wil sitten alleyne, 

Of ick een Jool, of eèn Sultoor waer? 

Neen seecker niet »dat waer verdriet; 

Ick heb te veel verteert 

Met Waerden en Studenten, 

En al die lichte Venten, 

Daer men wat meer als Wagen-wielen smeert." 



') Dat hij op den I5den December was geboren, blijkt uit zijne gedichten; zie De Rym-wereken van wylen 
den Heer en Meester Aernout van Ovbrbbke, Den vierden Druck, Vertaemelt en uytgegeven door J, C, T, H, 
f Amsterdam, By Jan ten Hoorn, enz, 1685, blz. 127. 

De pagineering van dezen druk, waarnaar ik steeds zal verwijzen, komt overeen met die der meeste latere uitgaven. 

^) Volgens mededeeling van Jhr. Rammelman Elsevier komt in de Luthersche doopboeken van Leiden de 
volgende akte voor: 

,^en 19 Dec: 1632 heeft Mathias van Overbequs ein sohn laten dopnen, genaemt Arnoldus. De getngnen 
sin Amold Houton, Hans vair Bodeck und Catharina van Overbeke.'** 

•) NI. den 9den November 1643; in het album wordt hij twaalf jaar genoemd. 

•) Vgl. De Navorscher, t. a. p., blz. 239. 

7) Vgl. De Rym-wercken, blz. 65, 66. 

^ Aan Jhr. Rammelman Elsevier ben ik een afschrift dier akte verschuldigd. Zij luidt aldus: 
,,Wy Comelis Dircx Block en Anthonis Pieters van Dieningen, Schepenen in Leiden oirconden dat voor ons 
gecomen ende verschenen zyn Johannes van Overbeke, Hieronimus Peter van Overbeke mitsgaders Jufr. Agatha 
VAN Overbeke ongehuwde persoon daerom met adsistentie van haren voorn : broeders voor haer zelve, ende noch 
de voorn. Johannes met Hieronimus Peter van Overbeke als testamentaire voochden over Bonaventura en 
Matheus Frederix van Overbeke hare minderjarige broeders, en in die qualite allen erfgenamen van zaliger 
de Heer Matheus van Overbeke en Jufr. Agatha Scholiers haerL zaL vader en moeder — verkoopen aan 
Ds. Andreas Lansman, Bedienaar des H. Evangeliums biimen deser stede een partye huysinge — opRapenbui^^ — enz. 
Het stuk is van 25 Joni 1658. 

•) Vgl. De Rym-wercken, blz. I25. Ik haal aan naar de uitgave van 1678, wat den tekst betreft. 



VlïU AERNOUT VAN OVERBEKE. 259 

Den icy^ Maart 1655 promoveerde OvERBEKE op eene disputatie de Transactianibus "). 
Na zijne promotie heeft hij in den Haag en in Amsterdam gewoond; althans later in 
zijne reisbeschrijving van vliegende visschen sprekende, zegt hij, dat zij ^altoos aen leger wal 
(zijn), even eens r's ick in den Haegh en t' Amsterdam*^ ^^). Vooral met de eerstgenoemde 
stad was NOUT, zooals hij zich zelven dikwijls noemt, goed bekend; hij zinspeelt telkens 
op allerlei personen, die er woonden "), en denkt nog als hij op reis is aan de genoegens 
der Haagsche kermis "). Daar hij eerst vier jaren na zijne promotie, nl. 23 Januari 1659, 
den eed ?!s advokaat voor het Hof van HoMand heeft afgelegd "), heeft hij in dien tusschentijd 
waarschijrHjk van zijn vermogen geleefd. Zijne praktijk als advokrat zal wel niet ver- 
bazend groot zijn geweest en misschien zijn de eenige stukken, die hij in die kwaliteit 
opmaakte, de beide volgende gedichten : Proces crimineel door Mr. Aernout van Overbeke: 
Patiënt van onverdraeghlyke Tant-pyn, Eyscher ter eener, Contra een van syne kiesen, 
als Peilurbateur van des selfs dagh en nachtrust^ Gedaeghde in V voorschreven cas ter 
anderen zyde^ en het Scllicitatie-bUlet aen den Eed. Hove van Hollant overgelevert. Zijn 
tijd wist hij overigens wel klein te krijgen; hij speelde viool"), was waarschijnlijk lid 
van ééne der drJe rederijkerskamers"), die in den Haag waren*'), en woonde alierlei 
pretjes bij, voor welke hij dikwijls dwaze verzen schreef En hij offerde niet alleen aan 
de Hollandsche Muze, maar ook aan de Latijnsche; in de laatste taal bezong hij de 
kroning van Leopold I tot keizer in 1658, richtte een g<td\d[it Ad fortunam miki novercam 
en schreef eenige puntdichten. Van zijne letterkundige sympathiën en antipathiën weten 
wij niets anders, dan dat hij de werken van Krul in een puntdicht veroordeelde ") en 
lofdichten schreef Aen den Heere van Brandtwyck op syn kusjes^^) en op de werken 
van Jan Vos*®). 

Als een goed vaderlander schreef Overbeke natuurlijk een gedicht over de gebeur- 
tenissen in het noorden in 1659, ^^i* ^^Ü Zege-zang op de veroveringh van ^teylant Funen 
betitelde en waarin alles behalve liefelijke dingen over de vroegere koningin Christina 
worden gezegd. Ook de restauratie van Karel II in 1660, die in ons land zooveel dichtvuur 



10) Volgens eene vriendelijke mededeeling van den heer L. D. Petit, Conservator aan de Leidsche bibliotheek; 
de disputatie is bij Geervliet gedrukt» bevat 15 stellingen en beslaat 8 bladzijden. 

>>) Vgl. Rym-wercken, blz. 278. 

W) t e. p., blz. 55 en 56. 

") t. a. p., blz. 279, 281. 

1*) Zie De Navorschery t. a. p., blz. 238. 

>•) Vgl. Rym-wercken^ blz. 293- 

1^ Ik maak dit hier uit op, dat sommige zijner verzen eindigen met eene toespraak tot den ,^rince." 

17) Vgl. over die kamers Mr. L. Ph. C. van den Bergh, 'x Gravenkctagscke Bijnonderkeden^ 185 1, I, blz. ii^ 
vlgg. en Dr. G. D. J. Schotel, Geschiedenis der rederijkers in Nederland^ 2de druk, 1871. II, blz. 89, vlgg. 

1*) VgL Rym-werckeny blz. 97. 

'•) Dit lofdicht is ook opgenomen voor dl. I der Gedichtenvan]9kCohW^stcTh9iGn.tRidder, Heer van Brandmjck 
en Gyhland etc, In 's Gravenhage^ By Anihony Johannes ende Pieter Tongerloo, Boeckverkoopers^ 1657. 

*) Vgl. Alle de gedichten van den Poeit Jan Vos. Verzamelt en uitgegeven door % L. f Amsterdam^ By 
Jacob Lescaille, enz. 1662, voor dl. I. 

83» 



260 Mr. AERNOUT VAN OVERBEKE. 

deed ontvlammen, werd door OvERBEKE niet met stilzwijgen voorbij gegaan; naar aan- 
leiding van die gebeurtenis schreef hij de Herstelling van Carel de Tweede^ Koningh van 
Groot Brittagne en Nederlandts uytnoding aen Koning Carel de II; Als sijn Majesteyt 
naer Engelandt gaende^ te Breda versocht wierdt eenigh verblijf en sijn Reys in en over 
Hollant te nemen. Doch spoedig is hij met geheel ander werk bezig. In 1663 gaf hij 
nl. eene nieuwe berijming der psalmen Davids voor de Luthersche gemeenten "\ een lijvig 
boekdeel van 705 bladzijden. Het boek werd opgedragen' aan de predikanten en ouderlingen 
van de y,Gemeente der onveranderde Augsburgsche Confessie tot Amsterdam.'* De vele 
^onduytsche en qualijck rijmende woorden" van den vroegeren psalmberijmer Willem van 
Haeght hebben eene nieuwe bewerking noodig gemaakt, zeg^ de dichter in de opdracht. 
„Om dan onse Psalmen met de eygenschap van onse hedendaeghsche . Tael wat meerder 
te bekleeden, soo hebbe ick vrywilligh dese last op mijne schouderen genomen, niet om 
mede te proncken, want daer is het werck niet na opgeschickt, maer om de Gemeente 
daer mede te dienen; versekerende dat by aldien een van de onse hadde gelieft sich sulcks 
te onderwinden, dat ick mijn hals gaeme dit pack soude onttrocken hebben." In het 
woord, dat hij „Aen den Christelijcken Leser** richt, verdedigt hij zich verder tegen hen, 
„die sich het lichtste souden stooten aen eenige dingen, die sy voor nieuwigheden souden 
opnemen, of t' eenige andere daer ick in soude schijnen de outheyt te kort gedaen te 
hebben." Daarom heeft hij berijmd naar den tekst en niet naar het vorige psalmboek, 
en wel „hier en daer een regel verandert om de sin te beter aen malkander te doen hangen, 
maer eenige Hymni^ waer van dat de samenvoeging wat duyster is, selver in 't Latijn, 
hebbe ick soo van regel tot regel overgeset, en liever in het sarfienhechten der Versen, als 
tegen ^de oudtheyt der selver willen sondigen; om dit klaer te betoonen soo zijnder een 
of twee, daer in ick om de oude manier niet te breecken, soo kennelijck tegens de regels 
van de Poëzy^ en de snijding der selve heb gesondigt, dat het een Kindt soude konnen 
mereken. En bekenne anders geen verdediging te hebben als dat ick weet, dat de 
Gemeente in Lofsangen, die alle Sondagen gesongen worden, lichter de fouten in de 
Dichtkunst kan verdragen, als eenige verandering, daer ick my in 't generael oock voor 
hebbe gewacht, soo veel het mogelijck was," enz. 

Het werk was in Jiet begin van 1663 voltooid; dit woord aan den christelijken 
lezer is ten minste gedateerd van den io<^ April. De dichter gaf zijn werk op eigen 
kosten uit, immers voor enkele exemplaren vinden wij de mededeeling, dat de schrijver 
slechts de J geteekende exemplaren voor de zijne erkent. Hij zal bij zijne uitgave geene 



") DeS titel luid: aldus ï 

De Psalmen Davids In Nederduytsche Rijmen gestelij Door Aernout van Overbeke. Op de selve Wijsen^ 
en getal van Sang- Versen, als die in de Gemeenten in N'eder landt, de onveranderde Confessie van Augsburg toegedatn, 
werden gesongen. De Sang-Nooten op ontelbare plaetsen verbetert, en alle op een Sleutel gebracht. Als oock alle de 
Lofsangen in de voornoemde Gemeenten aengenomen, en te voor en gebruyckt. En met eenige Nieuwe Liedertn vet' 
meerdert, t Amsterdam, By Borrit Jans%, Smit, enz. 1663. 



Mr. AERNOUT van OVERBEKE. 261 

zijde hebben gesponnen. Vooreerst werd hij bedrogen door zijn uitgever, want van de 
drie exemplaren der Psalmen, die mij onder de oogen zijn gekomen, zijn er twee, die niet 
met de handteekening van Overbeke zijn voorzien. En verder blijkt het slechte geldelijke 
succes uit een paar woorden in zijne reisbeschrijving. Daarin lezen wij nl."): „lek ben 
al mijn leven een lief-hebber van de translatie geweest, als blijckt (eylacy) aen mijn 
Psalmen/' en iets vroeger"), „ick sagh *er oock soo vriendelijck uyt, of ick den heelen 
dagh Luytersche Psalmen hadt te koop gehadt." In lateren tijd had Josua van Iperen 
in zijne Kerkelijke Historie van het Psalmgezang der Christenen •*) een woord van lot 
voor Overbeke's berijming over. 

Was het niet bekend, hoe geheel verschillende onderwerpen vooral onze I7^«eeuwsche 
dichters bezongen, dan zou het vreemd schijnen, dat OvERBEKE de man was voor eene 
nieuwe psalmberijming, een werk van langen adem, dat zoo sterk afwijkt van zijne gewone 
levenswijze en wereldbeschouwing. Dat hij echter meermalen een godsdienstigen toon 
aansloeg, blijkt uit zijn vers Op het aenschouwsn van de comeet^ in 1664 geschreven. 
Maar het volgende jaar maakte hij voor den verjaardag van één zijner vrienden op 19 Maart 
het Tafelspel van de vyf sinnen, door soo veel Personen gerepresenteert^ een dol stuk, 
waarin de vijf zinnen, bijna alle even dwaas uitgedost, achter elkander optreden en verzen 
voordragen, waaruit men moeilijk iets kan aanhalen. Dedichter zelf stelde het gevoel voor *•). 

Een tegenstuk hiervan was het tafelspel De verkeerde vyf sinnen^ dat op zijn eigen 
verjaardag, den 15^"» December 1665, werd vertoond. Hierin treden op de ongevoelige, 
de doove, de reukelooze, enz., en, terwijl het vorige stuk eindigde met een koor der vijf 
zinnen, wordt dit tafelspel besloten met de Phrenetique . Toe-sangy vah een die alle sijn 
vijf Zinnen verloren heefty waarna dan de jubelaris antwoordde met De contra vyf zinnen, 
ofte mijn antwoort tot Danck-heb. 

In hetzelfde jaar schreef Overbeke naar aanleiding van den oorlog der republiek 
tegen den bisschop van Munster eene Geestighe Samenspraeck tusschen sijn Genade Alexander 
de VIL Paus van Romen, En Joncker Christophel Berent van Galen. Dezelfde vader- 
landsche gevoelens als in dit gedicht treffen wij ook aan in den Danck en Zegen-sang^ 
over de getergde Wapenen der vrye Vereenighde Nederlanden^ Tegens den vervolger der 
vrijheyt Carel dé Tweede^ Koningh van Engelandt, waarin de vierdaagsche zeeslag werd 
bezongen. Het gedicht maakte zooveel opgang, dat het terstond (1666) drie uitgaven 
beleefde**). In 1667 volgde de verheerlijking van den tocht naar Chatham in het gedicht 



^ RyiU'Wercken, blz. 302. 

M) T. a. p., blz. 288. 

**) Van de dagen der Apostelen af^ tot op onzen tegenwoordigen tyd toe; en intonderheid van onze verbeterde 

Nederduitsche Psalmberymtnge, uit echte gedenkstukken saamgebracht. Te Amsterdam^ enz. dl. I, 1778, blz. 183. 

•*) VgL Rym-wercken van 1678, blz. 107. 

«) Vgl. P. A. Tiele, Bibltotheek van Neder iandsche pamfletten^ No. 541 1, 5412 en Isaac Meulran, Catalogus 
van de Tractaten^ Pamfletten^ enz., No. 4293. 



262 Mr. AERNOUT VAN OVERBEKE. 

Op de VictarjhVreugt geviert den 6 Jufy 1667, over den glorieusen en welgeluckUn 
aenval op cP Engelsche Oorlogschepen in hare eygene havens ouder het beleyd van de 
Heer e Cornelis de Wiih en Michiel de Ruyter. Ook dit vers kwam afzonderlijk uit *) 

en werd daarna opgenomen in eene verzameling van gedichten, die alle op die over- 
winning waren gemaakt "). Aan het slot van het vers komt de dichter met kracht op 
voor de eerlijkheid en onbaatzuchtigheid der gebroeders de Witt: 

„Wat adem schept^ zingh meê. Of, vind men noch al keelen, 

Die swggen, en haer deel versaken aan de Vreugtt 

En bijt men noch so bits en vinnig op de Deugt f 
1 al te vruchtbare Nijdt in kinderen te teelen I 

En perst men noch het Sweet, door dwang, den Burger af? 

Rijdt noch de Overheyt op d*halsen der Gemeente? 

Wert noch al Weeuw en Wees gevilt, tot op 't gebeente? 
En sit de Staet aen 't Roer den Onderdaen tot straf? 

Maer ! die sich selfs soo bot, uyt domme drift, spreeckt tegen, 

Veracht Godts goetheyt, en is tegens 't Vaderlant 

Soo veel, en meerder, als den Engelsman gekant; 
En wil de saeck niet als naer eygen Baetsucht wegen. 

Wat proef gaet sekerder, als datmen Lijf en Goet, 

En Eer soo menigmael gaet voor de Vryheydt wagen? 

Hoe is 't dan mogelijck, dat sulcke konnen dragen 
So blijkelijken Deugt in een geveynst Gemoedt ? 

Daer een der Broederen^ met wijsheyt, 't Boer bewaert; 
Daer d^andre 't voorst van 7 Schip verdedigt met den Degen, 
Daer gaet het wel: En die hier morrende spreekt tegen, 

Stap uyt het Schip, want hy en is de vracht niet waert,** 

Bij dit gedicht sluit zich een ander aan. Op het afbeeldsel van den Heere Cornelis 
de Wüh, de bekende schilderij te Dordrecht op het stadhuis opgehangen, het werk van 
Jan de Baen, dat in 1672 door het grauw geheel werd vernield *•). 

Van geheel anderen aard is eene reeks verzen, die te zamen getiteld zijn De 

cfj.ctiriuse ZcdiaCy figurelijck gedemonstreert^ en seer propies^ en Musicael gesongen^ op 

Minne-Rym: den 31 May 1667. Na eene inleiding, door Cupido uitgesproken, volgen 

13 gedichten, waarvan verscheidene verbazend plat zijn. Wijntje en Trijntje worden er 

om beurten in bezongen: 



>7) Vgl. Meulman. t. a. p., No. 4408. 

*) In V Verheerliekt Nederlandt, door de Wapenen van de,,,. Staten- Generael der Vereen, Nederlanden^ onder 
*t Opper-beleyt van .... Corneïts de Witt^ Ruart van den Lande van Putten .... Ende de voortreffelicke Zege, soo op 
de Reviere van Londen en Rochester, als andere Engelsche kusten verkregen .... Uytgebeelt door versckeydt Rijm- 
oeffeningen der geestighste Poëten, (Vgl. Meulman, t. a. p., No. 4476). 

«•) Eene gravure naar de schilderij is te vinden in de Tirion-uitgavc; van Wagenaar*s Vadert, Hist,y Xm, tegen- 
over bil. 478. 



MR. AERNOUT VAN OVERBEKE. 268 

„Waerom niet de Beker opgeheven? 
IJders kroes staet, of hy gespyckert was. 
Of meent ghy, dat ick u wil vergeven ? 
He Zal contrary toonen met dit Glas. 
Vat an, val an „elck kies sijn Man, 
Die naest sit aen sijn zy ; 
Op datter niemant klaege 
Te sijn overgeslagen, 
En sijn Liefd* verkeer in Jalousy." 

Of wel : 

„Tot nog toe heb ick toegehoort, 

Maer schier geborsten van 'tlangh swijgen; 

't Is om een ongemack te krijgen; 

Uw kaecklen heeft mijn geest versmoort 

D'eene, die wenscht om "'t geen de ander vliedt ; 

Ségh, waerom roep j'eenpaerigh niet ? 
Wegh met het Glas, wegh met het Glas, en al die beuselingen ; 
Alleen de Min, alleen de Min is waert om van te singen.'* 

Maar dat vroolijke leventje zou niet lang meer duren; van dichten kan men niet 
leven, dat moest Overbeke ondervinden. Zijn financiewezen was gahsel in de war; hij 
schrijft iets later *^): „'t slimste souw geweest zijn aen 'tstrantvan Calis (hier woordspeling 
op Calais) gedreven te werden ; 't is een kust die ick soo dickwils bevaren hebbe, dat ick 
des Opper-stiermans plaets op het Schip, daer nae toe gaende, soude derven pretenderen." 
Misschien is het in dezen tijd, dat hij de verzen dichtte Aen ae Fortuyn QtiAdfortunant 
mihi novercam. In het eerste lezen wij : 

j.Noch soecktm' uw Voorhooft, en veel sien 't ook, maer ik blinde, 
Mijn oogen blijven onverlicht : 
*k Geloof ick eer, en ruym soo licht, 
Den oorspronck van den Nijl souw vinden, 
Of 't Hol der onbekende winden. 
Als uw verblijdende (Jesicht. 

Houd eenmael op van so standvastig gram te wesen, 
En nu 'k de weg niet weet, hoe *k voor uw oogen kom, 
Soo weest so goet voor my en keert u selver om, 
• Dat ick de vriend'lijckheydt mach uyt uw Aenschijn lesen : 

Dat deel, daer ^hy den mensch alleen meê kont behagen. 
Is my alleen maer onbekent. 
*t Is waer, men is het ongewent 
Van 't onbekend* sich te beklagen; 
Maar eynd'loos Ongeluck te dragen 

Helpt selfs hei grootst' geduldt ten endt." 

Overbeke besloot naar Indie te gaan ; hij werd benoemd tot raad van justitie en 
zeilde den 12*" April 1668 uit. De reis leverde weinig merkwaardigs op. Stormen 

*•) Rym-wercken^ blz. 274. 



264 Mr. AERNOUT VAN OVERBEKE. 

en windstilte, een goed maal en bedorven eetwaren, een man over boord, visschen, kleine 
feestjes, een standje met den nieuwen commandeur van Klaap de Goede Hoop, Jacob 
Borghorst, en het medereizen naar Batavia van den vorigen commandeur, Comelis van 
Quaalberg "), dit waren de voornaamste avonturen. Den 7*~ October bracht schipper 
Swart hem op de reede van Batavia en in een brief, van i Februari 1669 gedateerd, geeft 
hij eene beschrijving van zijne reis aan zijne vrienden, die bewijst, dat hij zijne vroolijkheid 
onderweg niet had verloren. Ofschoon de brief ruw van taal is, evenals OvERBEKE's gedichten, 
dwingt de goede luim van den schrijver toch een glimlach af, als hij bijv. meedeelt, dat 
hij bij het begin van de reis de geheele kajuit goed bekeek, „even als die vrienden, die 
eerst in 't Rasphuys komen, de plaets wel te degen betrachten daer sy langh huys sullen 
moeten houden"; als hij vertelt, dat de boter zoo sterk was, dat zij wel een man kon 
staan en wel alleen een marszeil zou kunnen inhalen, of als hij bij de aankomst te Batavia 
den fiskaal Paeuw, die de opmerking maakte, dat een pakje van hem „ongemerkt" was, 
te gemoct voert : „laet 't dan ongemerckt doorgaen." Hij eindigt zijn brief met de mede- 
deeling, dat hij te Batavia „treffelijck" is, „en die $ of lojaeren (dieickalseenPfl:r^«/A^!^ 
in mijn leven rekene) sullen haest om zijn." 

OvERBEKE behoorde nu tot het hoogste rechtscollege van Indi^. De Raad van 
Justitie bestond, althans later, uit negen leden "). Aan de betrekking was een inkomen 
van 150 gulden in de maand verbonden. Bovendien konden de' emolumenten jaariijks 
wel op 300 rijksdaalders worden geschat "). Voor dien tijd een aardig inkomen! 

Ook te Batavia heeft onze dichter nog verzen geschreven, nl. twee verjaringsge- 
dichten voor een meisje op haar 7*** en 9** verjaardag in 1669 en 167 1. In het eerste 
gedicht lezen wij : 

»Zes en dertigh duysent uyren 
Moet myn tydt op Java duyren*', 

maar nog voordat deze verstreken waren keerde OvERBEKE naar het vaderland terug. In 
het begin van 1672 zeilde hij uit als bevelhebber van de retourvloot, die vijftien schepen 
sterk was en zich 31 Januari vereenigd had '^). Den 23"*" April bevond Overbeke zich 
ikaan de Kaap, zooals blijkt uit het opschrift van een versje, dat hij in het stamboek 
schreef van Albrecht van Breugel, die daar een dag voor hem was aangekomen als 
opperkoopman **) en er alles in de war vond. In het l^tst van Juli kreeg men op de 
vloot het bericht, dat de oorlog met Engeland was uitgebroken en dat Engelsche 



'*) Van Quaalberg was van 1666— 1668, Borghorst van 1668 — 1670 commandeur van de Kaap (Vgl. Valentyn, 
Oost'IndiMn, dl. V, Beschryvinge van de Kaap de Goede Hoop, blz, 40). 

^ Vgl. Valentyn, t a. p., IV, blz. 352. 

M) T. a. p., IV, i,blz. 247. 

•*) Vgl. Valentyn, i, a. p., I, i, blz. 244. 

'^) Overbeke zegt, dat hij aan de Kaap commandeerde, maar Valentyn (V, Beschryvinge van de Kaap dt 
Goede Hoop^ blz. 41) noemt hem opperkoopman. Hij bleef er tot 1676. 



Mr. AERNOUT VAN OVERBBKE. 265 

vloot zich op het Doggerszand ophield om de tenigkeerende schepen te onderscheppen. 
Zij waren echter reeds te dicht bij het Doggerszand, om zich nog in eene Noor- 
weegsche haven te kunnen redden, en zeilden nu recht door naar het vaderland over 
het Doggerszand heen zonder den vijand te zien. Bij het Heilige land, een klein eiland 
bij de Holsteinsche kust, gekomen, werden zij ontdekt door twee Engelsche fregatten, 
die om hulp seinden en het vuur openden, dat door de Hollanders werd beantwoord. 
En toen één der schepen gevaar liep genomen te worden, daar het langzamer zeilde, 
kwamen de overigen te hulp. Steeds achtervolgd door één der Engelsche fregatten kwam 
de vloot den 3<^«" Augustus op de Eems voor Delfzijl ten anken Overbeke schreef 
terstond van het schip Tidor een brief aan de bewindhebbers der Compagnie, waarin hij 
zijn wedervaren vermeldde en beloofde, als de wind tegenbleef, naar de Elbe te zullen 
afzakken, en liever te sterven dan den rijken buit in de handen der vijanden te doen 
vallen. Maar de Engelsche vloot kwam niet opdagen en de Ruyter, die eenige dagen 
later op bevel der Staten de retourschepen kwam beschermen, begeleidde deze naar de 
verschillende havens ••). De vloot was rijk bevracht en met recht kon Condé, die te 
Arnhem ziek lag, uitroepen : „Daar is den grootsten zee-roover een braven buyt ontsnapt*' ")• 

Waarschijnlijk was de goede afloop van dit avontuur wel niet in de eerste plaats 
aan Overbeke toe te schrijven, maar het moest hem wel eene zekere populariteit bezorgen 
en nog in hetzelfde jaar zag te Amsterdam de Geestige en Vèrmaeckelicke Reys-besckrij- 
ving e van den Heer Aemoui van Overbeke ^ naer OosUlndien gevaren y ten dienste van de 
. , .Oost- Indische Compagnie ^ voor Roet 7*an Justitie^ in den Jare 1668 het licht ••). Het is 
de brief in het begin van 1669 aan zijne vrienden geschreven; een paar zijner gedichten 
waren er aan toegevoegd. 

Wij mogen vermoeden, dat Overbeke zich na zijn terugkeer in den Haag heefl 
nedergezet Hij schreef nog enkele gedichtjes, die betrekking hadden op de gebeurtenissen 
van den oorlog, nl. Op het schrickelyck verbranden en verwoesten van Bodegraven^ op graaf 
Koning smarck, die bij Bonn was gesneuveld, en de Blyde Inkomst van sijne Coningh- 
lycke Hoogheyt den Heere Prince van Orange, nae het innemen van de stad Bony Ver- 
winnaer weder gekeert. De stadhouder kwam den 8«*~ December 1673 in den Haag 
terug ••), en onze dichter bezingt in dit vers de gebeurtenissen van den veldtocht. Zooals 
reeds uit de maat blijkt, moest het stukje dienen om gezongen te worden; het tweede 
couplet, dat doelt op de zoogenaamde wonderdadige ebbe^, luidt aldus: 



•«) Zie over de terugkomst der vloot G. Brandt, Het Uven en hedryf van den Heere MUhel de Ruiter, cnr. 
1701, bU. 722—734. 

") Vgl. Valkenier, V Verwerd Europa, 1742, I, blz. 812. 

») Vgl. Meulman, t. a. p., No. 4970. 

»•) Vgl. Valkenier, t a. p. II, bli. 617. 

^) De heer Frederiks maakte er opmerkzaam op in De Navorscher van 1878, blz. 306, en Prof. R. Fruin ge- 
braikte het conplet in zijn betoog, dat de dubbele ebbe niet in 1672, maar in 1673 heeft plaats gehad, (Vgl, NijholTs 
Bijdragen voor vaderlandsche geschiedenis en oudheidkunde. Nieuwe reeks, dl. X, 1879, ^^' '33* 

84 



266 Mr. AERNOUT VAN OVERBEKE. 

„*tWaeter, 't waeter, *t waeter most Cours verandren, 

En leerde tweemael ebben, 
Op 't vermetel Voornemen en 't Landen der Eng'landren, 

En 't Landen der Eng'landren: 
't Heeft sigh van d'oude Plighten en de Natuur ontslaegen 
Om nae Gods wil sigh „om nae Gods wil sigh 
In alles te gedraegen." 

Deze cantate werd door den dichter ten zijnen huize in het bijzijn van Huygens 
gezongen, door hem zelf, y,om dat daer niemant zijn stem toe wilde leenen" **). Een paar 
dagen later zond de grijze dichter aan Overbeke een exemplaar zijner Korenbloemen 
ten geschenke, en deze, die dat erg aardig vond en meende, dat hij 

Met (zijn) sang eer een bock, als so een boeck verdient" 

had, bedankte in een vers en zond Huygens zijne Psalmen. 

Kort daarna, nl. den i<)^^ Juli 1674, is Overbeke te Amsterdam op 4ijarigen 
leeftijd gestorven**). Zijn lijk werd naar Leiden overgebracht en daar in de Pieterskerk 
bijgezet**). Hij is een vroolijke lichtmis geweest, wiens verzen voor een groot deel niet 
door den beugel kunnen, maar misschien juist daardoor opgang hebben gemaakt Behalve 
gedichten heeft hij een bundel anecdoten nagelaten, die niet gedrukt zijn, maar in hand- 
schrift op de Koninklijke Bibliotheek worden bewaard **). Over de uitgaven zijner werken 
nog een enkel woord. 

Boven zagen wij, dat zijne Psalmen in 1663 in het licht kwamen en dat enkele 
zijner gedichten**) en de reisbeschrijving afzonderlijk werden uitgegeven. Maar eerst vier 
jaren na zijn dood verscheen eenc volledige uitgave zijner werken onder den titel: 
De Geestige Werken, van AERNOUT VAN OvERBEKE, In sijn leven Ad*, voor den E, Hove 
van Holland; Bestaende in Liederen en Gedichten. Nevens sijn vermaeckelijcke Reys naer 
Oost-Indien. Met ^roote moeyte by een vergadert^ en in V licht gebracht f Amsterdam^ 
By Jan Claesz. ten Hoorn, enz. 1678**). De uitgever deelt mede, dat hij de gedichten 
van Overbeke, die bij zijne vrienden rondzwierven, bijeen heeft gebracht, en hoopt, dat 
zij, die in het bezit zijn van nog andere verzen, hem die ter hand zullen * stellen, zoodat 
hij spoedig een tweeden druk kan bezorgen. In eene „Vermaeckelijcke Voor-reden Aen 
den Leser" wordt dan verteld, dat Overbeke niet zooals anderen door den wijn werd 



**) Vgl. Rym-wtrcken van 1678, blz. 88. 

^^) VgL De Navorscher^ t. a. p., blz. 239. 

^^) Volgens mededeeling van Jhr. Rammelman Elsevier werd daar in de week van 21 — ^28 Juli 1674 begraven 
,Arnoüt Overbekcq, van Amsterdam.*^ 

-•*) Zie de mededeeling van den heer J. H. W. Unger in de 3<ï« afl. van dit tijdschrift, bb. 198. 

^*) Ook andere dan de reeds genoemde gedichten zijn afzonderlijk verschenen. Zoo vond ik op de Groningsche 
bibliotheek eene uitgave in plano van het vers Lyck-Klackte over de Geesiigey en Kunst-volle Hondt Van den 
Water-Bevelhebber (Vgl. Rym-wercken^ blz. 234. 

♦•) De ,,Aenspraek van den Drucker aen den Leser" is gedateerd van 6 November 1677. 



Mr. AERNOUT van OVERBEKE. M7 

:geinspireerd, maar door sterk te eten, en worden eenige staaltjes van zijne vraatzucht 
verhaald, waarvan wij de geloofwaardigheid mogen betwijfelen, maar die misschien wel 
aan de bovengenoemde anecdoten verzameling zijn ontleend. De uitgave, die met een 
portret van den dichter prijkt, is merkwaardig, omdat bij sommige gedichten, nl. die van 
Den atnoureusen Zodiac de muziek is gevoegd, waarop zij gezongen moesten worden. 

Nog in hetzelfde jaar een tweede druk het licht, nu onda- den titel De Rym- 
-wercken van wylen den Heer en Meester Aernout van Overbeke"). Deze uitgave, die 
voorzien is van een lofdicht, onderteekend K. V. P., is met enkele verzen vermeerderd; 
«en paar gedichten, in den vorigen druk ten onrechte opgenomen, zijn in een „By-voeghsel" 
geplaatst. Daarentegen zijn eenige y,Geestelycke Liederen," uit de Psalmen van onzen 
■dichter"), weer a^edrukt. Eén der verzen van het Bijvoegsel, de Japanscke droom, is 
■ook wel aan Focquenbroch toegeschreven. 

Andere drukken, mij bekend, zijn van 1685"), ïÖgó**), 1699"), I70i*')en ï/ig")- 
Nog in onze eeuw werd Overbeke's Proces crimineel tegen zijne kies herdrukt"). 

Groningen, Nov. 1883. . 



") Veitaemtlt en uytgegtvtn dom- J. C. T. H. T" Amittrdam, By Jan Clata. ten Hoitm, eni. 1678. 
"l Daar te Tinden vmn bli. 631 — 699. 
") Zie boven. 

••) Dtn letdtn druek l'Amtlirdam, By Jait ten Hsern, eoz. 
■1) Den tevende druk. Bij deotelfden uitgever. 
•>) Den achtste DruJt. Bij denielTden. 

•)) De tiende Druk .. . f Amsterdam, By Joh van Heekeren, eoi. 

M) In den bundel C«mitehe Pltideayen, geveerd voor de ' riepective rtgthanken van PuilervetH, Cyfrut en 
de regenlenkamer van den Amsterdamithen Sehmaburg. Mei de noodige stuhkm en munimtnlen, mittgadere de 
vonnaten, in deten getijen. Door A, Alewijn, R. Hennebo, J. de Mure tn J. J. Harttiiick. -Altmedt proeei crimiiuel 
-van A. VAM OvBRBiKB, legen tijne helle kiei, Ritum leneatiit Te Aimttrdam,bij f. C.vanKeitiren\%i-i,\>yx.iii—\Vi. 



NOG IETS OVER 

JACOB VAN EYCK EN ZIJN FAMILIE 

DOOR 

J. H. W. UNGER. 



3e groot belang de notaris-archieven zijn voor de geschiedenis der 
wie zal het na al de opgedane ondervinding nog ontkennea Te be- 
1 is het daarom, dat belaas zoo menig archteftot heden geheel ontoe- 
iijk is geblevea Spreken we echter nogmaals den wensch uit, dat van 
ingswege spoed^ besloten worde al deze kostbare archieven zonder 
onderscheid — natuurlijk mogen de protocollen slechta tot een zeker tijdstip publiek 
eigendom worden — aan den wetenschappettjken onderzoeker in gebruik te geven. 

Onlangs bleek het mij weer opnieuw, hoe men bizonderheden, naar welke men te 
vergeefs veel tijdroovende nasporingen heeft gedaan door één enkel stuk, door een testament 
kan te weten komen. Alhoewel ik sedert langen tijd naar gegevens voor het leven van 
JaCOB vak Evck zocht, slaagde ik er niet in over hem meer bij elkander te brengen dan 
ik hierboven mededeelde; thans komt een „Extract uit het register van transporten en 
plechten van Schoflt en Schepenen van Utrecht" een geheel nieuw licht werpen over hem 
en zijn familie. De heer M'. S. Muller Fz., archivaris der gemeente Utrecht, verblijdde mij 
met de toezending van dit stuk. Hem zij daarvoor opentijk dank betuigd. 



NOG IETS OVER JACOB VAN EYCK EN ZIJN FAMILIE. 269 

Het stuk luidt aldus: 

Anne 1654 den XX V^ Fgbmarij des 
smiddacks ten twaelff uijre. 

Jon» Jacob van Eijck woonende alhier binnen Utrecht ons well bekent, met ons gaende, staende, ïijne 

redenen én verstants uijterl. machtich sulcx ons blcecke overdencken de menschelijcke kranckheyt, op deser aarden 

niet seeckerder te wesen als de doot ^ niet onseeckerder als de ure van dien, omme welcke, onseeckere urbe te 

prevenieren bij dispositie testamentair over sijne tijdelijcke goederen, verclaerde in crachte van octroije s'hoofüs van 

Utrecht In date den XIII j!P deses maents ende Jaers des middaechs ten XI J uren te revoceren, casseren ende 

anolleren, alle makingen ende dispositien, soo testamentair als codicillair, bij hem compt voor date deses gemaeckt 

ende gepast* ende waer die gepass*. zijn, ende op wat manieren daer van blijcken mochte, alle deselven houdende 

voor null krachteloos ende van onwaarden in schijn off de selve noijt en waere gepass*. Ende wederomme op nieuws 

van zijne tijdelijcke goederen disponerende bevelende alvoren sijne ziele als die van lichame getcheijden sall sijn 

in handen van Godt Almachtich en sijn lichaem de christelijcke begravinge, Verclaerde in de goederen roerende 

ende onroerên actiën ende crediten sulcx hij testatoir in hertochdom van Brabant leghende ende uijtstaende heeft, 

die hij testateur metter dood ontruijmen ende achterlaten zall tot sijne Erff'gen in selve te nomineren ende institueren, 

gelijck hij testateur nomineren ende instituerende is, bij desen Jol Haelwich van Eijck hujsvrouw van Jo* Willem 

BftocH zijne nichte ende Jon"* Rudolphus Fierlands, Johan Babtista Fierlands zijne neven, mitsgaders de 

kinderen van Jonl Jacob Fierlands Za. mede zijns testateurs neve was bij representatie in haerl. vaders plaetsen, 

omme de voorverhaelde goederen in Brabant voornt gelegen ende uijtstaende onder hunU in vier egale portien 

gedeijlt ende genooten te worden, mits ende wel verstaende dat zijlieden gehouden sullen wesen uijt de selve 

goederen uijt te keeren ende betaelen aen Jof Simon Fierlands Adv, tot Brussele insgeL zijns testateurs neve de 

somme van eens twee hondert vljftich K(aro!us) gul(den) a XX strs hoUants sonder dat h$ in dese voorsz. 

Erffenisse iet meer sall hebben te pretenderen, Dvoorsz. somme uijt de voorseijde goederen legateren mitsdesen, Behoudel. 

dat onder de voorgeroerde goederen niet en sall sijn gecomprehendeert ende begrepen een campje hoijlandt onder 

Empel off* Meerwijck in Braband onder de maijerije van 's Hertogen Bosch gelegen, t'*welck hem compnt testateur 

bij scheijdinghe ende erffdeijlinge der goederen bij Jo^!^ Ida en Heijlwich van Eijck Za: zijns testateurs moije 

ende out moeije respective nagelaten, aengecomen is, welek voorsz. campge hoijlants hij compnt testateur, legateert 

aen JOHAN DiRCX >) borger t Utrecht, verders begeert hij testateur oock mede dat d'actie, die hij heeft, in seecker 

weerdt gelegen onder Driell in Bommelre weerdt in Gelreland, hem testateur aengecomen door doode ende overlijden 

van Za: Jo^ Anna van Etck sijn snster, mede sall comen ende blijven, aen ende tot behoeff van sijns testateurs 

Boedel tot Utrecht, zijn voor hem testateur in voorsz. weert een gerecht derdepart, alwaard oock dat ^t voorsz. land 

l)ijt leven van hem compnt testateur noch niet en was vercoft, ofte de cooppen van dien noch niet en waren 

ontfangen, off, dat de selve uyt crachte desen niet en costen volgen, vermits eenige contrarie coustumen in Gelrelandt 

mochten worden gemoveert, off hier tegen geexpireert sullen dezelve bij d' voorn geïnstitueerde erffgen d'selve 

eooppen, evenwell moeten worden uijtgekeert, ofte anders missen, uijt de goederen, die in Braband voorsz. gelegen 

zijn, soo veel het voorsz. derdepart van versz. weerd off de cooppen derselver bedraecht, de voorgeroerde goederen 

in Braband, voor ende ten dien aensien affecteren ende beswarende bij desen, ende dvoorgemeite geïnstitueerde 

er%en. inde selve op pene van exheredatie belastende mits desen, Ende in alle zijns testateurs andere goederen 

ende Boedel tot Utrecht ende elders^ waer dat de selve souden mogen zijn gelegen, roeren en onroerên actiën en 

crediten egheen uijtgesondert (daeronder niet begrepen de goederen in Braband voorsz. gelegen en hier vooren was 

gedisponeert) maer well was d'voorsz. goederen alle d'achterstallige landtpachten en renten, off die bij sloten van 

reeckeningen op date van zijns testateurs overlijden noch niet en zijn voldaen, als mede het lopen Jaer pachten 

ende renten, daer in hij testateur soude mogen comen t'overlijden, egheen als voorsz. uijtgesondert van wat nature 

en op wat plaetsen die gelegen zijn verclaerde hij compt testateur in alle deselve tot zijne erffgen te nomineren 



') Deze, nu eens Johan Dircx, dan weer Johan Dicx genoemd, is van Evck in zijn stadsbetrekking opge- 
volgd. Zie Bouwsteenen. Derde Jaafboek bl. 56 en de noot. 



270 NOG IETS OVER JACOB VAN EYCK EN ZIJN FAMILIE. 

ende instittteren bij desen, gel. hij testateur tot sijne universele eiffgenaem nomineren ende institaer»i is Johan 
DiRcx Borger t Utrecht voornf, off bij desselfs voor overlijden zijne wettige descendenten, met dese expresse oon- 
diden dat hij gehouden sall wesen, uijt de goederen hier voren gemelt daer inne hij is geinstitneert aen sijns 
compnts testateurs hospita Henricrgen Blom, indien zij op sijns testatenrs overlijden int leven is uijt te keeren 
en voldoen eens de somme van een hondert en vijftich, gul(den) ende de selve te vpldoen met een renth Obligatie 
off rentebrieff van een hondert gul(den) capitaels ende vijftich gul(den) in gelde, ende noch daer en boven aen 
voorn Henrickgen Blom Jaerl. uijtkeren haer leven lanck geduerende ende langer niet een lijffi-ente van 't 
seventich K(aroliis) gul(den) Jaerl., prijse als vooren, alle halff Jaer te betalen, ingaende nae syns testateurs 
doodt, met welcke voorsz. institutie den compnt testateur bij desen verstaat te cesseren ende bij hem testateur 
met de voorsz. Institutie wort gederogeert seecker contract ') ende conditien tusschen hem testateur ende den 
voorn JoHAN Dicx opgerecht ende voor den nots Nicolaes Verduyn ende seeckere getuijgen alhier binnen Utrecht 
op den II J*? Junij XV J^ drie en vijftich gepasz*. , in, schijn off t^selve noijt en waere aengegaen ende gepast^, ende 
by desen gehouden wort voor gecass! , Legateert den compt testateur noch aen Diaconije van waere gereformeerde 
Kercke binnen Utrecht De somme van eens hondert gul(den) die bij de voorn, sijne eerste vier geïnstitueerde erff 
gen. nae zijns testateurs overl. moeten worden nijtgekeert, uijt de voorsz. goederen in Braband voor den 
aenvangh, vande selve goederen, die daer voor mede affecteren ende beswaeren bij desen, willende en begeeren 
voorts den compnt testateur dat t'geene voorsz. bij sijne voorn, erffgen. naer zijne overl(yden) in allen sijne poincten 
sall worden achtervolcht en naegecomen sonder eenige de minste tegenspreecken en ingevalle hem ijemant vande 
voorsz. er£fgen, hier tcgens quamen t'opposeren in reehten off daer buijten directel. off indirectel. off de voorsz. 
Institutien quamen te contradiceren, die en soo veel het soude mogen wesen sullen zijn en blijven versteecken van 
t*£eene voorsz. een ijeder hier vooren is gemaeckt ende gelegatèert, ende zall t'selve in sulcken gevall comen voor 
d' een helft tot behoeff van voorsz. Diaconije ende d' ander helft ten behoeff van voorn Johan Dicx in snlcken 
cas d'voorgenoemde Diaconije ende Johan Dicx in des contradicteur off contradicteurs ende opposant off oppo* 
sants plaets roepen ende stellende bij desen, wienvolgende den compt testateur tot executeur van desen sijnen 
testamente en uijterste wille, stelt ende authoriseert den voorgenoemde Johan Dicx, den selven gevende soodanigen 
macht ende authoriteijt als eenich executeur naer rechten ende cousturoen van noode heeft, Alle t'welcke voorsz. 
staedt, Den compnt testateur, will ende begeert dat na sijn overl. zijn volcomen effect hebben ende sorteren 
sal sulcx eenich Testament, codicille laeste ende uijterste wills, gifte^ onder den levenden off uijt saecke des doodts 
best valideren sall mogen niet tegenstaende eenige coustumen off landtrechten ter contrarie, ende off alle noodighe 
solemniteijten naer rechten gerequireert in desen, niet en waeren geobserveert, die hij compnt testateur hout voor 
gerepeteert, op én van t^geene voorsz. den compt testateur versochte hier van gemaeckt ende gelevert te worden 
Instrument in formd sonder arch. 

Dit Stuk is zeer belangrijk. Wij leeren er uit, dat jACOB VAN Eyck nooit getrouwd •) 
is geweest, althans» dat hij geen kinderen had. Verder wordt er door bevestigd, dat 
Anna van Eyck zijn zuster was ; vreemd is het, nergens in dit testament iets aan te treffen 
over zijn broeder Gaspard van Eyck, Drossaart van Heusden of over diens kinderen. De 
neef, over wien in de brieven gesproken wordt en die blijkbaar een zoon van Gaspard is,, 
wordt geheel uitgesloten. Eindelijk ziet men er duidelijk uit, dat VAN Eyck, geen onbe- 



*) Deze acte, die ons waarschijnlijk de verhouding tusschen Jonkheer Jacob en Johan Dicx nauwkeuriger 
bad kunnen doen kennen, is verloren gegaan. Het protocol van den notaris Verduyn eindigt met 1650. 

») Indien we den bundel anecdoten van Aernout van Overbeke, waarvan ik reeds boven, blz. 198, melding 
maakte, mogen gelooven, was hij echter geen vrouwenhater. Joncker Jacob van Eyck, die blind was, zegt Overbske, 
soende by provisie de meyden eerst en dan vroeg hij 's anderen daegs aen syn maet of sy moy waeren? 



NOG IETS OVER JACOB VAN EYCK EN ZIJN FAMILIE. 



271 



middeld man was, zooals zijn tweede brief en zijn requesten aan de Vroedschap van 
Utrecht zouden doen vermoeden; dit blijkt ook bij zijn begrafenis. 

Vertrouwende op de mededeelingen van den heer S. in de Bouwsteenen, overge- 
nomen door den heer Van Riemsdijk, liet ik Jonkheer jACOB VAN Eyck in de Nicolaï- 
of St Nicolaaskerk begraven worden. De heer M'. S. Muller Fz. maakte er mij, even. 4 
wel opmerkzaam op, dat uit het, door mij op blz. 99 genoemde, MS van Van Engelen iets 
anders bleek. Het hoofd Weeskerk is daarin uitgevallen, zoodat de schrijver in de Bouw- 
steenen gemeend heeft, dat Van Eyck en al de andere op de naaste pagina's genoem de 
personen nog begraven waren in de aan de Weeskerk (oude kapel van het Reg^liersklooster, 
later Weeshuis) voorafgaande St. Nicolaaskerk. Dit is echter niet zoo. Van Eyck lag be- 
graven in het koor der Weeskerk; zijn wapenbord werd gehecht tegen de achtermuur 
van dat koor, even ten zuiden van het middelpunt Dit wapenbord, dat ook in het wa- 
penboek afgebeeld is, bevat de op blz. 100 gemelde kwartieren met eenige kleine vari- 
anten. De authentieke aanteekening in het doodboek luidt aldus : 



Oosters 

V, 

Dom groot 

1I/2 uer 

St Jacob 



Dootgravers 

Reguliers 

te laet in K 

Eenwapen 



Bidders 

V4 

A. Segerman, 

Vier knechts 

Dom groot % uer 

te laet in de K 



1657 



JoL Jacob van Eijck aëïï Reguliers 
brugh nalaten collaterale 
mundige erfFgen. 
Geen vast goet. Reguliers 
Een Wapen N (?) 



Om dit geheel en al goed te begrijpen, moet ik even stilstaan bij de gewoonte, 
die te Utrecht gevolgd werd. Het doodboek, dat ook voor de Weeskamer diende om 
erfenissen aan minderjarige opkomenden aan te wijzen, en waarin tevens alle bizonder- 
heden werden aangeteekend, die voor het heffen van allerlei rechten in aanmerking kwamen, 
bevat dientengevolge verschillende meer of minder wetenswaardige aanteekeningen. De 
kosters der kerken deden aangifte, of er over den doode geluid werd op den dag der be- 
grafenis (hier •/4> d. i. 6 April) en wel in welke kerken, hoe lang en met de groote of 
kleine lui-klok ; wanneer iemand met het groote gelui overluid werd, betaalde hij /9 
aan de Aalmoezenierskamer. De doodgravers berichtten, waar de doode begraven was 
(Regulierskerk), of het lijk ook later dan op den voor begrafenissen bepaalden tijd (12 
uur) ter kerk was gekomen, in welk geval — aanzienlijken deden dit zeer dikwijls, om- 
dat het beboete uur kostbaarder en daarom fatsoenlijker was — eene boete van / 12 
moest worden betaald aan de Aalmoezenierskamer, en of er ook een wapenbord met kwartier- 
staat of inscriptie boven of bij het graf was opgehangen, waarvoor natuurlijk kerkerechten 
verschuldigd waren en bovendien / 24 aan de Aalmoezenierskamer. De bidders eindelijk 
gaven aan, door wien de begrafenis werd bezorgd — voor eiken knecht, die den bidder y,int noo- 
digen ter begrafenisse assisteerde," betaalde men ƒ2 aan de Aalmoezenierskamer — en de 



272 NOG IETS OVER JACOB VAN EYCK EN ZIJN FAMILIE. 

andere reeds vermelde bizonderheden. De mededeeling, dat er mondige er%enamen waren, 
maaScte uit, dat de Weeskamer niet in de voogdij behoefde te voorzien ; die, dat er collateraU 
erfgenamen, doch geen vast goed waren, diende voor de coUaterale successie of 40** penning. 

Ten slotte nog eenig^ aanvullingen en verbeteripgen: 

Behalve Sanderus^ maakte ook LoDEWijK Meijer een Lijkdicht op onzen musi(^m. 
Het is in-plano uitgegeven met dezen titel: Op de Doodt VandeEd. en konstryken Jonker 
Jacob van Eyk. Uitnemendt Musicyn, en Directeur van de Klókwerken, tot Uitrecht, 
Op den 26 Maert, 1657 in den Heer ontslaepen. Een exemplaar hiervan bezit de Maat- 
schappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden* 

Wat Gaspard yan Eyck, zijn broeder, betreft, deze huwde in den Haag, zooals een 
briefje in dato 2 Mey 1622 van Constance Huygens aan haar broeder CONSTANTIJN ons leert*) 
Het aanteekeningregister van de Groote kerk te *s Gravenhage vermeldt dit feit aldus : 

Den 5* Aprül 1622 Caspar van Eyck, yongman^ wonende tot Neusden met "Juffrou 
SuSANNA DE RECHTER, Jonge dochter y wonende alhier te *s Gravenhage. In margine staat 
hierbij : Den 24^ Aprü 1622. Getrout by D. Beyerus. 

In het dagboek van Constantijn Huygens den jonge wordt herhaaldelijk een 
neef VAN Eyck genoemd (o. a. April 1691, April 1692 enz.) Zou deze misschien dezelfde 
zijn, als de door Anna zoo herhaaldelijk genoemde neef? 

In een der laatste afleveringen van den Navorscher (1883) blz. 220 vestigde de heer 
J. G. Frederiks mijn aandacht op een vergissing, die door mij bq^aan was. Reeds VONDKL •) 
had in 1661 gezongen: 

lek verhef mjn* toon in *t zingen 

Aen den Aemstel en het IJ, 

Op den geest van Hemonv 
D*eeuwige eer van Loteringen, 

Die *t gehoor verleckren kon 
Op zyn Idockspijs, en zyn nooten, 
Ons zoo kunstryck toe gegoten. 

De gebroeders Hemony waren dus niet^ zooals ik abusievelijk vermeldde, teZutfen, 
maar in Lotharingen en wel te Levecourt geboren. Dat zij een tijdlang in Zutfen ge* 
woond hebben, blijkt uit het feit, dat den 10 Febn 1677 Francoys met het Zutfensch bur- 
gerrecht werd tfbegfunstight.'* 

Hoezeer de klokken van den Wijnhuistoren naar den zin van het stadsbestuur waren, 
blijkt ons uit het volgende getuigschrift, dat we, — ^ daar het geheel verscholen is in de 
Beknopte geschiedkundige en plaatselijke beschrijving der stad Zutphen en hare bevallige 
omstreken door H. N. van Til — gemeend hebben hier nog eens te moeten afiirukken. 



<) JoussBN, Cömtantin Huygmt. I bl. 1I9. 
•) Van Lbnnbp, IX bl. 237. 



NOG IETS OVER JACOB VAN EYCK EN ZIJN FAMILIE. 27S 

Wy Burgemeester, Schepenen ende Raedt der stadt Zutphe.n, doen kondt, ende tuijgen, certificeerende mit$ 
desen, voor de gerechte waarheyt, dat wij tot cieraet onser stadt, als mede tot dienst van de gemeente goet ende 
noodigh gevonden hebben een klocken-spel te doen gieten op onse Wijnhuistoom, op die marckt staende: en dat 
daer loe hen gepresenteert hebbende die Eer ende Konstrijcke meesteren Fran^ois en Pierre Hemoni, gebroedren, 
uyt Lothringen van Levecourt geboortich^ den welcken wij 't selve hebben aenbestaedet sijade de grootste, soo voor 
die nijr-klocke wort gebruijckt, van gewichte over die vier duijsent ponden ende die andere, tot ses-en-twintich 
kloeken in 't getal nae advenant. Welcke uijr- en speelklocken door onpartijdige meesters, van ons daer toe ge- 
roepen, niet alleen voor goet verklaert, nemaer ook anderer naebuirige steden Speelwercken in toon ende resonnantie 
Ie boven gaende sijn erkant ende opgenomen geworden, alsoo dat wij daer aen een goet genoeghen hebben, ende 
den voornoemde Meesteren haeres arbeidens wegens het gieten ende leveren der voorsz. kloeken hiermede doen 
bedancken. Ende alsoo wij verzocht sijn daervan hnnluijden Attestatie te geven, die wij denselven oock te geven 
niet en hebben kunnen verweijgeren; als hebLen wij tot waerheijts oorkonde onzes stads seereet-segel onder aen 
desen briet doen hangen. Actum Zutphen den derden Octobris des iaers onses Heeren duijsent, ses hondert 
ses-en-veertich. 

Ther ordonn: van selve 

(Was get:) Theod: Cremer, 
Secret: 1646. 

Eindelijk nog eene kleine bijdrage tot het Prutünter-lijstje. Door een toeval vergat 
ik er nog bij te vermelden, dat zich in de verzameling van pamfletten van Meulman (N®. 3447) 
het volgende gedicht bevond : Grafschrift van den Heer M'. JOAN DE WiTTE, Rechtsge- 
leerde, t' Amsterdam overleden den XX. van Hoimaent des jaers 1653. Het is in-plano 
gedrukt en geteeken^: Prudenter, Deze JOAN DE Witte *) was een vriend van VONDEL. 
De heer J. A, Alberdingk Thijm') maakt dezen rechtsgeleerde, evenals weleer Joan VlC- 
TORYN, ook katholiek ; waarop dit beweren steunt is mij tot heden uit niets gebleken. 
Wellicht kan dit gedicht eenig meerder licht verspreiden over de gezindte van den 
dichter Prudenter. 

Rotterdam, Dec. 1883. 



•) Van Lennep. VondeK V, 516 en XII, 229. Tevens wijs ik op het feit, dat de pensionaris van Dordrecht 
GovERT Slingeland, evenzeer de spreuk Prudtnter voerde. Waarschijnlijk is dus het sub 6 genoemde gedicht 
van hem; rest nog aan te toonen, door wien de andere vervaardigd zijn. 

7) PortrttUn van Joost van den Vondel, bl. 85. 



85 



EEN EN ANDER OVER GLASGRAVURE. 



D. HENRIQUES DE GASTRO Dz. 



vele uitvindingen uit vroegere eeuwen, die èn wetenschap èn 
ten goede komen, neemt die van het glas voorzeker eene 
mts in. Hoe zouden astronomie, microscopie, chemie o( phy- 
buiten deze nuttige zelfstandigheid kunnen schikken ? Hoe de 
het in hare verschillende vertakkingen, zonder dit onwaardeer- 
baar lichaam kunnen stellen ? Reeds in de oudheid trok het glas om zijne vele goede 
eigenschappen de aandacht. Men wist het op verschillende wijzen te bewerken ; men kon 
het blazen, gieten, persen, polijsten, tot spiegels fabriceeren ; men verstond het er de heer- 
lijkste kleuren op te malen ; kortom men wist het tot velerlei doeleinden dienstbaar te 
maken. Ook het graveeren op glas was den ouden niet onbekend, zooals blijkt uit de 
kunstverzameling door den heer Disch te Keulen nagelaten en aldaar in l8Sl in publieke 
veiling gebracht Onder andere antieke glazen voorwerpen, afkomstig uit Romeinsche 
begraa^laatsen in sommige gedeelten der Rijnprovincie, vond men namelijk in die ver- 
zameling ook een glazen beker, waarop, zooals men berichtte, beelden gegr(a)eerd waren. 
Deze beker bracht de buitengewone som van 8000 mark op. 

Onder de weinigen, die zich in lateren tijd bezig hielden met de kunst om op glas 
te graveeren, treffen wij twee pronkjuweelen van Nederlandschen bodem aan, twee vrouwen, 
kwistig met begaafdheden bedeeld en door Huygens, Cats en Hooft in hunne gezangen 



EEN EN ANDER OVER GLASGRAVURE. 275 

vereeuwigd : Anna Roemers Visscher en hare zuster Maria Tesselschade. Van hare 
kunstwerken zijn helaas, weinige tot ons gekomen en de heer Schinkel, zooals hij zich in zijne 
„Oudheidkundige Bijdragen" •) uitdrukt, rekende zich hoogst gelukkig, na vele vergeefsche 
pogingen, eindelijk drie glazen machtig te worden, waarvan twee door Anna en een hoogst- 
waarschijnlijk door Maria bewerkt was. Ik laat hier een uitt-eksel volgen uit de beschrijving, 
die de heer Schinkel van deze glazen geeft: 

I. Drinkglas van Anna Roemers. 

Dit glas, afkomstig uit de nalatenschap eener hoogbejaarde vrouw, wier mans groot- 
vader tuinman op Zorgvliet was, heeft vermoedelijk aan den Raadpensionaris Cats behoort. 
Het heeft den vorm van de ouderwetsche rijnwijnroemers op breeden voet. Tusschen een 
anjelier en een wilde roos bevindt zich een afrikaan of theunisbloem, waarop zich een 
insect, de zoogenaamde glazenmaker, schijnt te willen vestigen. De teekening is geestig 
en natuurlijk. Tusschen de twee bloemen staat met een fraaie schrijfletter een versje in 
de Italiaansche taal, aldus luidende: 

»6ella Dori gentil, Noi vaghi fiori 
»Da te prendiam gli honori." 

Onder deze regelen bevindt zich een liggende dadelhoorn en tusschen de zoo- 
genaamde lakken op den voet van het glas, staat aan de eene zijde „ANNA Roemers" en 
aan de tegenovergestelde zijde het jaartal 1621. 

II. Bokaal van dezelfde^ 

Deze is van dik groen glas. In sierlijke trekken is de spreuk „Vincens tui" (Ver- 
win u zelven) daarop aangebracht De ruimte tussschen de^ krullen der letters zijn aan- 
gevuld door een vioolbloempje, een kersentakje met vrucht en blad en een vliegje. Tus- 
schen de onderste lakken aan den voet van het glas staat „Anna Roemers 1646" 

III. Bokaal van Maria Tesselschade, 

Ook deze bokaal is van groen glas. Met stoute trekken en sierlijke krullen is 
daarop ingesneden : „A demain les affaires," Overigens komen er geene versieringen 
op voor. De heer Schinkel werd er toegebracht dit kunstwerk aan Maria Tesselschade toe 
te kennen door een brief van HooFT, gedateerd 23 September 1632, waarin hij tot 
haar het verzoek richt, op een haar toegezonden roemer het bovenstaande opschrift te 



*) De volledige titel van dit zeldzame werkje is : Oudheidkundige bijdragen. — Beschrijving van merk- 
waardige Drinkglazen en Bekers, onder welke uitmunten die van Anna Roemers en Maria Tesselschade, door 
A. D. Schinkel. Met drie afbeeldingen. 

35* 



276 EEN EN ANDER OVER GLASGRAVURE 

malen. Ook in de overeenkomst van het schrift van Tesselschade met de letters van het 
opschrift vindt de heer Schinkel grond voor zijne opvatting •). 

In de verzameling van den heer A. Willet alhier, eene verzameling, rijk aan oude 
porceleinen, aardewerken en andere oudheden, treft men eveneens uitmuntende glasgra- 
vures uit de 17* eeuw aan. Door de heuschheid van den bezitter, die deze voorwerpen 
gedurende eenigen tijd ter mijner beschikking stelde, ben ik in staat eene afbeelding van 
een viertal der fraaiste glazen uit deze verzameling hiernevens te voegen. 

Twee dezer glazen zijn het werk van een graveur, die zich achter dit monogram verbergt : 



/c/r 



Ik vestig op dezen kunstenaar bepaaldelijk de aandacht, daar zijn werk, boven het 
meeste van datgene wat in de 17** eeuw op het gebied der glasg^avure werd vervaardigd, 
uitmunt, en koester de hoop dat eenmaal zijn naam aan het licht zal komen. 

Ten eerste een roemer, die waarschijnlijk voor godsdienstige plechtigheden bestemd is 
geweest (zie de prent); aan de eene zijde : dfe^^^^^r/^«/^ï/i Ci4m/«^/ Maria knielt voor het kind 
Jezus, aan welks hoofd- en voeteneinde een engel staat ; naast een der engelen. Jozef met 
eenig werkhout in de armen. De tegenovergestelde zijde stelt voor de vlucht naar 
Egypte ; Maria, op een ezel gezeten, houdt het kindeke Jezus in hare armen; aan hare 
zijde een engel met een staf in de hand; Jozef in werkmansgewaad gaat vooruit. De 
beide ruimten tusschen deze voorstellingen bevatten twee van ornamentwerk omgeven in- 
scriptién, luidende: 

iLof zij Godt in den hemel vrede op aarde 
»In den mens goede wille." 

Dit glas is gemerkt met het hierboven afgebeelde monogaam en het jaartal 1652. 

Een ander drinkglas (zie de prent) heefthetzelfdemonogramenhet jaartal 166 !• Het 
' vertoont aan de eene zijde een jager te paard en zijn valkenier, beiden in de kleeding van 
het midden der 17* eeuw. De valkenier draagt het raam met de valken ; en een valk op 
zijn rechterhand. De ruiter houdt met de eene hand de teugels van het paard vast; op 
de andere zit een valk. De ' achterzijde stelt voor een ruiter en eenige jagers met 
honden; ook zijn er eenige boomen op aangebracht. 

Verder bezit het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap te Amsterdam van den- 
zelfden meester de twee volgende werken: 



') Waar deze drie glazen zich thans bevinden, is mij onbekend. Wellicht kan een mijner lezers hieromtrent 
de een of andere inlichting geven. 

[Men vindt nadere mededeelingen over deze en andere glazen, die aan de gezusters Visscher wbrden 
toegeschreven in Nic. Beets Anna Roemers Visscher^ II, bU 191 en 315. DE Vribs Az.] 



CEGRAVEEItDE GLAZSN UIT DB ZEVENTIENDE EEUW, (VerzaiaeUo^ A. WlLLET. 

Op hout geteekend door A. Henriqubs De Souxa. 



EEN EN ANDER OVER GLASGRAVURE. 279 

I®. Een g^oote gfroene bokisud, een zoogenaamde berkemeier, waarop aan de voor- 
zijde: de godin der overwinning, door twee geniussen met een lauwerkrans getooid 
wordende; in de eene hand heeft zij den palmtak, de andere rust op het wapenschild 
der stad Haarlem; aan hare voeten links, een liggende leeuw. Aan de tegenovergestelde 
zijde van het glas: een woelend water, met drie ten krijg gewapende schepen. Ter zijde 
een toren met krijgsvolk bezet en daarachter eene vesting: een en ander voorstellende 
de blokkade der vesting Damiate, door de kruisvaarders in 1218. Boven dit tafereel 
een ornament, aan welks beide uiteinden een klokje, voorstellende de zoogenaamde 
Damiaatjes^ die o. a. als zegeteekenen bij deze gelegenheid werden medegebracht 
In de ruimte tusschen de beide voorstellingen: het oude wapen van de stad Haarlem, 
zijnde een ontwortelde boom zonder blad, geplaatst in een door ornamentwerk gevormd 
ovaal. Het glas heeft het medegedeelde monogram, benevens het jaartal 1644. De 
beide eerste voorstellingen zijn gecopieerd .naar prenten, voorkomende inSAMüEL 
Ampzing Beschrijvinge ende Lof van de stadt Haerlem^ te Haerlem^ by Adriaen Rooman 
CID IDCXXVIII. welke door T. Matham en W. Akersloot, naar composities van 
I. BouCHORST, zijn gegraveerd. 

2^ Een drinkglas, waarop twee voorstellingen. De eene: een ridder, die aan eene 
herderin, aah wier voeten twee schaapjes liggen, eene tulp aanbiedt. De andere, een sater, 
eene boschnimf liefkoozende. Naast den sater staat een wijnkan. Ter zijde van de eene 
voorstelling leest men: lek om gelt^ en van de andere: lek om lijeft (liefde). Het glas 
heeft hetzelfde monogaam, nu met het jaar 1652. 

Opmerkelijk, doch tevens te betreuren is het, dat zoovele meesters op het gebied 
der glasgravure hunne namen aan hunne werken onthielden, en ons daardoor buiten staat 
stelden, hunner nagedachtenis eene welverdiende hulde te brengen. 

Onder de merkwaardige I7*eeuwsche glazen zonder naam van graveur, munten de 
volgende uit, waarvan de twee eerste zich in de collectie Willet, de drie volgende 
in het Oudheidkundig Genootschap en de overigen zich in mijne verzameling bevinden: 

Eene fluit (zie de prent), waarop een mij onbekend mannelijk en vrouwelijk 
wapenschild, waarboven een leeuw. Op de tegenovergestelde zijde van het glas: een 
vaandrig met eene vlag in de hand en het opschrift: „'T welvaren van de crijsraet 1666." 

Een bekervormig glas van een deksel voorzien. (Zie de prent) Rondom op 
het glas zijn twee dansende personen, een fluitspeler, eene vrouw de tambourijn bespe- 
lende en een liedjeszanger afgebeeld. De uit\'oering getuigt van meesterschap in de kunst. 
In de ruimte boven de figuren hier en daar 6f een vlinder 6f een kever. Op het deksel 
zijn eenige bloemstengels aangebracht 

Eene glazen pul, waarvan de buik door vertikale banden in vakken verdeeld is. 
In de vakken zijn fazanten en pauwen aangebracht, zittende op boom- en bloemtakken. 
De hals der pul is met wijnranken omslingerd. 



280 EEN EN ANDER OVER GLASGRAVURE. 

Een fluit, waarop een muzikant, met viool en strijkstok in de eene, en eene bierkan 
in de andere hand; verder eene rookende vrouw en een boer met vedermuts *), allen 
tusschen geslingerde wijnranken geplaatst. Langs den bovenrand van het glas zijn even- 
eens wijnranken aangebracht. 

Een dergelijk glas, waarop aan de voorzijde het borstbeeld van Prins Willem II> 
omgeven door twee van onderen saamgebonden oranjetakken. Aan de tegenovergestelde 
zijde 's Prinsen wapenschild, gedekt door een prinsenkroon. Onder het schild een vrucht- 
dragende oranjeboom. Langs den bovenrand van het^ glas: bloemstengels, insecten en 
vogels. De uitvoering is minder gelukkig dan die van de vorige fluit. 

Een antieke fluit op zilveren voet, waarop voorgesteld is een tuin, waarin een minne- 
koozend paar bij een boom gezeten en een ridderknaap met zijn meisje dansende op de 
muziek van een doedelspeler, die op een piëdestal staat. Vogels doorklieven de lucht 
Langs den bovenrand van het glas twee boogsgewijze afhangende linten, waaraan vruchten 
vastgehecht zijn, op welke een vogel toeschiet Onder de voorstelling bloemstengels, 
trossen vruchten en eenige insecten. 

Eene fluit, waarop het wapenschild van Prins Willem L Op eenigen afstand van 
dit schild een afgeknotte boomstam, waarop een tak van een oranjeboom geënt is. Hier 
en daar vliegen bijen rond. Langs den bovenrand van het glas het opschrift : Vwe Ie 
Prince cT Orange. 

Drie uitmuntende bij elkaar behoorende wijnglazen, waarop respectievelijk eene 
allegorische voorstelling van het Geloof , de Hoop en de Liefde, 

■ 

Verschillende i8* eeuwsche meesters in de glasgraveerkunst hebben der nakome- 
lingschap hun naam echter niet onthouden, onder anderen Frans Greenwood *); van 
dezen meester bezit ik een gegraveerden roemer, prachtig van uitvoering, voorstellende 
een mansfiguur (buste), in de kleederdracht der 17* eeuw, merkbaar voldaan over de 
beschouwing van een roemer, dien hij in zijn hand houdt Het glas is gemerkt: 
F. Greenwood Fee*. 1743. 

Een tweede glas van Greenwood kwam voor op de tentoonstelling van retrospec- 



^) Deze figuren zijn gecopi^erd naar Pieter Nolpe. 

•) Frans Greenwood werd in 1680 te Rotterdam geboren en begaf zich 1726 naar Dordrecht, alwaar hem 
een ambt bij de gemeene middelen werd opgedragen. Voor zijne uitspanning beoefende hij miniatnurschilderen en 
graveerde hij met een diamant op glas. Dit laatste deed hij, in afwijking van de gewone methode, door de licht- 
partijen der voorwerpen te etsen en voor de schaduwpartijen het glas zelf te doen dienen. Men heeft van hem twee 
portretten, waarvan één door Aart Schouman geteekend en gegraveerd is. (Zie Immerzeel en Kramm.) De glas- 
gravures van Greenwood zijn vrij zeldzaam. 

[In Augustus W. Franks Catalogue of tkt Collection of Glass formed hy Felix Slade is nog een glas van 
Greenwood afgebeeld en besproken. Het is gemerkt: F. Greenwood F* en geeft een voorstelling van Bacchns 
met Saters en Bacchanten te aanschouwen. DB Vribs Az.] 



EEN EN ANDER OVER GLASGRAVURE. 281 

tieve kunst in 1883, namelijk een wijnglas, waarop een mansportret in de kleederdracht 
der i8* eeuw, met een beker in de hand en het bijschrift: aanzien DOET gedenke, gestipt 
naar een prent door Abr. Blooteling naar een schilderij van Jan van Mieris in 
zwarte-kunst gegraveerd (IVessefy 116). Het is gemerkt: F. Greenw(ood) 1724 en is het 
eigendom van het Rijksmuseum. 

Een derde glas van denzelfden maker bevindt zich in de verzameling van Jhr. Dr. 
J. P. Six : een groot drinkglas, waarop een vrouw met een palet in de hand, voor een schil- 
dersezel staande, hierop een schilderij; naast deze een piëdestal, waarop een borstbeeld 
zonder armen, met het gelaat van een sater; daaronder een aap met de hand in een 
verfdoos. Op een der bollen boven aan den steel, gemerkt: Frans Greenwood fed 1722 

Verder vinden wij, dat de bekende Aart Schouman ^) ook in de kunst van glas- 
graveeren uitmuntte. Mij zijn twee door dezen kunstenaar gestipte glazen bekend. 

Op het eene glas het portret van Prins Willem IV, waarbij een tak met oranje- 
appelen ligt en een lint met HONI SOIT QU[l mal y] pe[nse] benevens een helm; op het 
andere het portret van een man, die een bierkan in de hand houdt. De glazen zijn respec- 
tievelijk gemerkt : 

A: Schouman Fee, 1750 en A: Sehouman Fecit. 175 1. 

Ook deze twee glazen behooren aan het Rijksmuseum. 

Verder bevindt zich in mijne collectie een hoogst zeldzaam gegraveerd wijnglas: 
een boer en eene boerin gezellig zittende te drinken (genre Ostade). Dit glas is uit- 
muntend schoon gestipt en gemerkt : 

G. H, Hoolaart f\ (7). 

Ook op PlETER Luyten en Willem Fortüyn, die tot heden niet als glasgraveurs 
werden vermeld ®), vestig ik hier de aandacht. 

Van de eerste is een wijnglas, waarop een schaal, waarin een druiventros ligt; 
onder de schaal staat : Vrede en vriendschap^ tusschen welke woorden twee kruiselings 
geplaatste palmtakken zijn aangebracht. Langs den bovenrand van het glas leest men in 
omloopend schrift : het groeijen en bloeijen van Vreden oord. Het glas is aan de onderzijde 



•) Aart Schouman werd in 17 10 te Dordrecht geboren. Hij wijdde zich aldaar onder leiding van Adriaan 
van der Burgh, aan de kunst en vestigde zich later te *sHage, waar hij overleed. Zijn hoofdsaak was het schil- 
deren van plutnigedierte en portretten. Hij vervaardigde ook zwarte-kunstplaten en etsen en sneed met een diamant 
op kristal (zie Immerzeel). Volgens Francq van Berkhey {Oudhollands vriendschap blz. 196) bezat het dichtgenoot- 
schap ^Jionstliefde spaart geen vlij f ^ van dezen „roemwaardigen kunstenaar" een bokaal, waarop de beeltenis van 
Vondel kunstrijk gestipt was. 

7) Omtrent dezen Hoolaart, die ook door Schinkel in zijn vroeger aangehaald geschrift schijnt bedoeld te 
zijn, vind ik nergens, zelfs niet bij Kramm, gewag gemaakt. Immerzeel vermeldt slechts J. Hoolaart, portret-, 
glasschilder en graveur, geboren te Dordrecht 17 16. Van G. H. Hoolaart is mij geene andere glasgravure bekend. 

®) Kramm en anderen vermelden W. Fortuyn slechts als teekenaar, doch spreken hoegenaamd niet van zijn 
arbeid op glas. 

36 



282 EEN EN ANDER OVER GLASGRAVURE. 

van den voet gemerkt: jPc Luyten fecit 1799, ^^ berust in mijne verzameling. Dat van 
Willem Fortuyn maakt deel uit van de collectie op het Oudheidkundig Genootschap. Het 
is een drinkglas, waarop eene dame aan het klavier zit, terwijl een heer achter haar staat; 
muziekinstrumenten en ornament werk omgeven het tafereel, dat in rococostijl bewerkt is. 
Het glas is gemerkt: Willem Fortuyn Me fecit 1757. 

Het is hier vooral de plaats te wijzen op den grootmeester der glasgravure, den 
tot nog toe onovertroffen WOLFF. 

„Wolff') is te Utrecht geboren en woonde te 's Gravenhage, waar hij het beroep 
„van schilder uitoefende. Hij was een zonderling man. Toen hij omstreeks 1787 in het 
„huwelijk trad, had hij noch geldelijk vermogen, noch maatschappelijk bestaan. In zijne 
„huishouding moetende voorzien, wist hij er niets beters op, dan de meubelen, die hij bij 
„zijn trouwen gekregen had, voor zijne deur uit te stallen en evenals een uitdrager, aan 
„den gaande en komende van de hand te doen. 

„Die uitdragerij niet toereikend vindende voor zijne behoeften, kwam hij als gezel 
„in de werkplaats van Dirk van der Aa, toentertijd een beroemd rijtuig- en beeldjes- 
„schilder te 's Hage, op den Dennenweg. 

„Aldaar leerde Wolflf met eene uitstekende vaardigheid kinderbeêldjes en beesten 
„teekenen, en paste die kunst, met behulp eener etsnaald, door een hamertje gedreven, 
„weldra op het glas toe, en bepaaldelijk op roemers en bokalen. Hierdoor verwierf hij 
„zich eenig bestaan. Hij was zoo gemeenzaam met die kunst geworden, dat (volgens de 
„verzekering van een oud man, die hem gekend heeft) hij in gezelschap van anderen vaak 
„met een kort pijpje in den mond en over allerlei voorvallen pratende, zijne kinderbeeldjes 
„of beestjes op het glas stipte 1^). 

„Wolff is op vroegen leeftijd gestorven. Zijn leermeester van der Aa, die in 1809 
stierf, heeft hem nog lang overleefd." 

In dtn Navorscher (dl. III. bl. 217), waaraan ik deze weinige bijzonderheden ontleend 
heb, worden tevens vijf door Wolff gegraveerde bokalen als overschoon en onovertrefbaar 
vermeld ; één daarvan bevat het wapen van den erfstadhouder Prins Willem V ; een tweede 
een paardje, dat in de weide loopt; de drie overigen zijn met in wolken gehulde kinder- 
beeldjes versierd. 

Deze twee eerstgenoemde bokalen zijn thans in mijn bezit. Verder zijn in mijne 
verzameling van dezen meester nog acht andere bokalen, waarvan ik de beschrijving hier 
laat volgen: 



*) Zijn voornaam vindt men nergens vermeld. Zou deze niet in de stedelijke registers van Utrecht of van 
s'-Hage op te sporen zijn? 

ïo) De redeneering van den ouden man, die Wolff glazen zag graveeren met een etsnaald door een hamertje 
gedreven, komt mij wel eenigszios vreemd voor. Ieder, die de door Wolff gestipte glazen met aandacht beziet, be- 
wondert het mee:t den aard van bewerking. Zijne figuren zijn als door een ademtocht op het glas aangebracht, en 
toch correct geteekend. De veronderstelling is dus wel gewaagd, dat deze uitvoering door hameren verkregen is. 



EEN EN ANDER OVER GLASGRAVURE. 283 

1. Een bokaal ook met het wapen van den Erfstadhouder Prins Willem V, met 
twee op wolken zwevende geniussen als tenants. Links boven het schild verheft zich een 
genius met een olijftak in de hand "). Op de eerst vermelde bokaal, met het wapen van 
den Erfstadhouder, schieten boven het schild stralen uit, en heeft dit tot supports tAvee 
gekroonde leeuwen. Ook vindt men onder het schild een uitgespreid lint, waarop: 
Je maintiendray, 

2. Een dergelijk glas met het wapen der Vereenigde Nederlanden, tusschen twee 
leeuwen geplaatst. Onder het schild is ornamentwerk aangebracht. 

3. Een dergelijk glas, waarop twee wapenschilden (het eene der familie Piggen, het 
andere der stad Medemblik), door middel van linten aan eene daarboven geplaatste graven- 
kroon bevestigd. De schilden worden door twee op wolken zwevende geniussen met de 
eene hand ondersteund. In de andere hand heeft de genius links een speer, waarop een 
vrijheidshoed, de genius rechts een sleutel, terwijl een hondje naast hem zit 

4. Eveneens een bokaal, waarop twee jeugdige knapen, tusschen geboomte zittende. 
De eene knaap vat met zijne linkerhand eene kruik aan, die op een zodenbank staat. In 
zijne rechterhand houdt hij een wijnglas, dat hij den anderen knaap toereikt. Boven deze 
twee figuren een uitgespreid lint, waarop het woord „ Vriendschap,^^ 

5. Weder een dergelijke bokaal, waarop twee invaliden van de oude garde, zit- 
tende tusschen geboomte op zodenbanken, waarvan de een den anderen een kruik toereikt. 
Boven deze twee figuren weder een uitgespreid lint, met het woord y^Vriendschapy 

6. Een bokaal, waarop een jongen en een meisje, tusschen geboomte zittende. Het 
meisje bespeelt de guitaar, de jongen de fluit. 

7. Een dergelijk glas, waarop een meisje en een jongen, tusschen geboomte op 
een bank zitten. De jongen houdt een blad muziek in de hand, waarop het meisje 
een blik werpt Ter zijde een staande knaap, de fluit bespelende. 

8. Een bokaal, waarop een knaap, die uit een hoorn van overvloed bloenien over 
een bijlbundel uitstrooit. Achter den bijlbundel komt een leeuw halverlijve uit, hebbende 
in den opgeheven lii^ervoorpoot een speer, waarop een vrijheidshoed. Aan beide zijden 
dezer voorstelling geboomte. 

Vermelden wij nog te dezer plaatse, als ook tot het werk van WOLFF behoorende, 
twee in het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap aanwezige bokalen. 

Op de eene, een op wolken rustende leeuw, die zich door een engeltje laatstreelen. 
Daar achter Minerva-Pallas, voorgesteld door een kind met den helm op het hoofd, de 
speer in de eene en het schild met het Medusa-hoofd in de andere hand. Ter zijde van 
het engeltje een andere engel met een slang in de eene en een spiegel in de andere hand. 
Boven deze gravure leest men op een ontplooid lint: sic oportet (zóó behoort het). 



") In het Museum „de Lakenhal" te Leiden bevindt zich ook een dergelijk glas met het wapen van den 
Erfstadhouder en nog een Wolffsglas met de beeltenis der gerechtigheid daarop gestipt. 

36* 



284 EEN EN ANDER OVER GLASGRA\aJRE. 

Op de andere bokaal ziet men twee geniussen op wolken, de een den anderen 
uit een kelk te drinken gevende, waarboven op een lint het woord : Vriendschap. ") 

In het kabinet Six alhier trof ik twee prachtige Wolffsglazen aan : 

I*. Een boka^ll van grooten omvang, waarop allerschoonst bewerkt, tusschen ara- 
besken, verschillende kinderfiguren, waarvan een op de rechterhand een vrijheidshoed 
draagt; een tweede, zittende, op een triangel slaat; een derde zeepbellen blaast; twee 
figuurtjes omhelzen elkander, terwijl een hondje daartusschen als zinnebeeld der trouw 
zich bevindt, ten laatste een dergelijk figuur die, op een bazuin blaast; de verschillende 
figuren zijn als een band die om het glas loopt, bewerkt, 

2*. Een bokaal met de w^ens van Willem V en zijne gemalin Prinses Frederica 
Sophia Wilhelmina van Pruisen; ter zijden twee kleine wapens: een paal, welke naar men 
wil een loopend water verbeeldt (Delft), en een burg (Voorburg?); in het midden een 
vrouwenfiguur, de vrijheid voorstellende, met de voeten ketenen vertrappende en in de 
hand eèn speer houdende, waarop de vrijheidshoed. 

Verder zag ik bij de firma Zahn te Amsterdam, een hoogs tbelangrijk Wolffsglas, 
waarop twee staande kinderfiguurtjes, voorstellende vriendschap en tooneelspeelkunst, die het 
symbool der eeuwigheid, een slang, welke zich in den staart bijt, vasthouden boven een 
altaar, waaruit rook opstijgt; iets lager ter rechter en linkerzijde twee zich opwaarts be- 
wegende palmtakken, op het voetstuk: 

D. WOLF 
1794. 

Terwijl een toestemmend antwoord mag worden gegeven op de vraag of dit glas 
door den beroemden Wölff is bewerkt, is het niet duidelijk of de naam, die op het glas 
voorkomt, als den zijnen mag worden beschouwd en of die niet eerder aanduidt, dat dit 
glas ter eere van zekeren D. WOLF werd gestipt 

Dat er nog vele andere glazen, door Wolff bewerkt, zullen bestaan, houd ik voor 
zeker; dit blijkt reeds uit den catalogus van de verzameling van BJr. J. van Buren, welke 
te 's Hage den 7 November 1808 verkocht werd. In dezen catalogus worden veertien glazen 
aan Wolff toegeschreven, terwijl wij daaruit tevens kunnen leeren, dat Wolff vóór 7 Nov, 



'2) [Deze beker is evenals die met sic oportet afkomstig van den in 17 18 opgerichten, „Saturdaagsche krans*' 
te Amsterdam. Bij de papieren van dezen krans, nu op het Oudheidkundig Genootschap bewaard, bevindt zich nog 
de kwitantie voor dit glas, luidende: 

's Hage 1786. 
Gelevérd Aan de Heere Leden van de Saterdagdaagsche Krans Te Amsterdam 

door de Wed. C. Le Maitre en Zoon 
April I Engelsche Pocaal met Een gesleepen steel waarop Een 

24 Extra Fraaij gestipte Vriendschajy met bijschrift is f 42. — 

Voldaan dén i Mcy 1786 
Wed. C. Le Maitre en Zoon. DE Vries Az.] 



EEN EN ANDER OVER GLASGRAVURE. 285 

1808 is overleden. Wij laten hier een uittreksel uit dezen Catalogus volgen en wijzen er 
op, dat N<*. 105 hetzelfde glas is, dat thans in mijne verzameling berust en hiervoor onder 
No. 5 werd beschreven. 

Extra fraaye gestipte Bocaalen door wijlen den beroemden Wolff, alle schoon van 
teekening en van zijn besten tijd: 

No. 

98. Een Chineesch, speelende op een cither, benevens een jonge op bellen speelende, 
verbeeldende de muziekkonst, zeer fraay. 

99. Een dito, niet minder als de voorgaande, zijnde een oude Chineesch, welke muziek 
maakt voor een jonge dame. 

ICO. Een met twee kindertjes, welke een vogel uit een kooy laten vliegen, met 't op- 
schrift : aurea libertas, op de vrijheid. 

lOi. Een met beeltjes en een autaar, waar op twee brandende harten, verbeeldende 
de trouw. 

102. Een, waar op een Turk zijne koopwaren aan een Nederlands koopman aanbiedende, 
op den koophandel. 

103. Een met drie kindertjes met een mantje met bloemen. 

104. Een met twee kindertjes op de wolken met het devies l*amitié, op de vriendschap. 

105. Een met twee oude lieden, welke elkander een glas aanbieden met 't devies de 
vriendschap 

106. Een met twee boertjes, in de manier van Ostade, extra fraay, met 't devies de 
vriendschap. 

107. Een met twee jonge lieden en een Cupido, met 't devies de inclinatie. 

108. Een overheerlijk fraay met twee kindertjes, met de hoorn des overvloeds. 

109. Een met een kindje op de wolken, hebbende in de eene hand het zwaart, in de 
andere een schaal, met 't devies justitie. 

iio. Een met twee kindertjes op de wolken, hebbende de een een speer in de hand, 
waar op de hoed van vrijheid, zeer fraay. • 

III. Een met een gekroond wapen, waar in een adelaar, ter zijde twee Herculessen 
met knotsen. 

Uit de beschouwing der kunstvoorwerpen van WOLFF, die mij bekend zijn, is mij 
gebleken, dat hij volgens twee methoden gewerkt heeft; de eene, zijne oudste, die meer 
tot het g^aveeren overhelt en waartoe de N**V3 en 8 uit mijne verzameling behooren; de 
andere, die enkel in stippen bestaat en volgens welke de overige bovengenoemde glazen 
bewerkt zijn. Bij deze laatste methode trad WoLFF geheel in de voetstappen van Green- 
wood. Wat de compositie aangaat, herinnert hij ons daarbij 2ian den beroemden Wateau 
en Fran9ois Boucher. 

Het talent van Wolff als glasgraveur was inderdaad omvangrijk; vinden wij van 
hem wapens, allegorische voorstellingen, betreffende de woelingen op het einde der vorige 



286 EEN EN ANDER OVER GLASGRAVURE. 

eeuw, tafereeltjes genre Wateau, ook drie portretten vond ik van dezen kunstenaar. 
Lang twijfelde ik of dit wel het werk van Wolff was, de aard van bewerking met het 
gewapende oog bezien, nam den twijfel gedeeltelijk weg, ook het lint, waarop Wolf! 
de deviezen zijner glasgravure schreef, deed èn door letter èn door wijze van plooien, 
allen twijfel bij mij verdwijnen. 

Onder anderen berust in het Oudheidkundig Genootschap een wijnglas, waarop de 
buste van Jacob van Nuys Klinkenberg (geboren 1766 te Westgraftdijk, als predikant 
beroepen te Amsterdam in 1778, aldaar aangesteld tot proffessor Theologiae et Historiae 
ecclesiasticae aan het Athenaeum lUustre te Amsterdam in 1784), door de dames Glasius 
aan het Genootschap afgestaan. Ook in den catalogus is dit glas als Wolfïsglas genoemd. 
Verder zag ik nog een glas, met de beeltenis van Cornelis de Gijzelaar, pensionaris van 
Dordrecht, waaronder de spreuk „inclinat non cogit", aanwezig in de porte de Hal te 
Brussel ^'); zoo ook op de Internationale Tentoonstelling, in 1883 in het Museum te 
Amsterdam gehouden, een glas waarop het portret van den burgemeester Hendrik Hooft 
Danielszoon met de twee volgende versregels: 

„Dit *s Hollandsch Cato, Hooft gevlugt om dwinglandij, 
,,Keerd hij in zegepraal, dan wordt heel Neerland vrij. 

De glasgraveur J. Van den Blijk is mij slechts eenmaal voorgekomen; zijn werk 
is geheel inWolffs trant, al bereikt hij diens hoogte niet Het Oudheidkundig Genootschap 
bezit van dezen meester een wijnglas, waarop de Vriendschap^ allegorisch voorgesteld door 
twee kindertjes, die elkadr liefkoozen op wolken gezeten. Iets meer naar achteren even- 
eens een kinderfiguur, met de eene hand tegen eene zuil, en in de andere een ontplooid 
lint vasthoudende, waarop : Fc^mitié, 

Dit glas is gemerkt J: Van Den Blijk, ƒ. ") 



") Dit museum is ook de gelukkige beiitter van vijf kostbare glazen, aangekocht uit de verzameling Disch 
te Keulen, • 

") [Behalve de door den heer de Gastro in zijn artikel vermelde glasgraveurs uit de 17e en i8e eeuw waren 
mij nog de volgende bekend: 

Anna Maria Schuurmans, van wie Cats getuigt; dat zij „de wetenschap hadde met een diament op het gla« 
gheestigh te schrijven" (zie het bijschrift 'van Schuurman's portret in de werken van Cats, uitgegeven bij Schipper 1655). 

Charlotte van Santen ; Constantijn Huygens vermeldt haar in dit sneldicht : (Korenbloemen ed. 1672 II. blz. 182) 

Op een Schoon Vrouwenbeeld in Glas gesneden door wijlen JufFrou Charlotte van Santen: 

D'Onwedergalicke van Santen, 

Die korts in d'aerde wierd geleit, 

Besteedden hier haer' Diamanten 

Aen een^ volmaeckte schoonigheit : 

Den welstand van haer' eigen* leden 

Beschreef sj op de brooste stofF, 

Maer die men geeft den grootsten lof 

Van all' Natures wonderheden: 

Sy wilde thoonen op een glas 

Hoe kloeck, hoe schoon, hoe broos sy was. 



EEN EN ANDER OVER GLASGRAVÜRE. . 287 

Onder de warme bewonderaars vanWOLFF's kunst behoorde ook wijlen mijn vader 
Daniël Henriquez de Castro. Niet onbedreven in het teekenen, beproefde hij ook, 
zich diens wijze van werken op glas eigen te maken, waarin hij na langdurige studie 
eindelijk gelukkig slaagde. Allengs bracht hij nu een aantal door hem bewerkte glazen 
voor den dag, die om hun bevallig ornamentwerk en keurig letterschrift door kunstkenners 
geprezen worden. Met een hoogst eenvoudig werktuig, dat nog in mijn bezit is en door 
mij als reliquie bewaard wordt, namelijk een pijpesteel, waaraan met cement een diamant- 
scherf bevestigd is, bracht hij zijn werk ten uitvoer. Vele zijner glazen zijn zoogenaamde 
gelegenheidsbekers, waarop de voorstellingen door hoUandsche, hebreeuwsche en andere 
opschriften of gedichten begeleid zijn, en welke aan familieleden of vrienden weggeschonken 
werden. Een prachtbokaal werd in 1860 ^an Z. M. den Koning, en een dergelijke terzelfder 
tijd aan wijlen H. M. de koningin Sophia aangeboden. Een niet minder keurig glas werd 
in 1861 aan de commissie voor den watersnood te 's Gravenhage, ten behoeve harer verlo- 
ting, afgestaan. De voorstelling daarop is eene navolging van de titelprent van Hofdijks 
geschrift : „de kroon van Willem den Goede" — Een ander werd aan het Koninklijk Oud- 
heidkundig Genootschap geschonken en berust thans in zijn museum. Op dit glas ziet men 
de Amsterdamsche stedemaagd, door een adelaar gekroond, en geplaatst tusschen de zin- 
nebeeldige voorstellingen van Amstel en IJ. — De overige glazen gingen bij het over- 
lijden van mijn vader in 1863 in mijn bezit over en bestaan in de navolgende: 

I*. Een wijnglas. Voorzijde het wapenschild der de Castro's ; keerzijde een met 
linten aan een roset hangend schild, waarop de ineengevlochten initialen D. H. D. C. ; on- 
der het schildje staat: ter uwer verjaring. Het geheel is van eenig ornamentwerk om- 
geven. Het glas is gemerkt: D. H. de Castro fee, 1833. 



CoRNELiA Kalff. Hnjgens wijdde haar een drietal sneldichten (t. a. p. bl. 3S9 en 390); een dezer heeft tot 
opschrift : Op een gesneden Roemer van Juffroyw Cornclia Kalf. 

VL M. VAN Gelder, van wien ,^en venetiaansch glas met dansende beeren, fraay met de diamant gegraveerd" 
en met het jaartal 1673 gemerkt; op de verkooping van^. Le Francq van Berckhey in 1783 voorkwam. (Zie de mede 
deeling van den heer D. Franken Dz. in het Archief voor kunstgeschiedenis II 287). 

De monogramist W. M. — Van dezen vindt men op het Oudheidkundig Genootschap een glas gemerkt 
W, M, (aan elkaar) 1686, waaronder nog een paar onduidelijke dooreengevlochte letters, (de dansende boerin op 
dit glas is copie naar Pieter Nolpe) en een ander in het Rijksmuseum te Amsterdam gemerkt : W, M, (aan elkaar) 
l69-(7*)— 9— 23 d. i. 23 September 169(7*), waarop drie allegorische groepen en de woorden: Pax atque Ltbertas 
waarschijnlijk doelende op den, 20 September 1697 gesloten, vrede van Rijswijk. 

De monagramist I. B. S. oi S. B. I., van wien het Oudheidkundig Genootschap een glasruit bezit met afbeelding 
van een engelsch schip en een visschersschnit, op den wimpel van deze laatste de letters P. N. 

Mejttfvrouw Crama, vgL Archief voor kunstgeschiedenis, t. a. p. 

H. ËMAUS. Mr. J. C. de Marez Oyens te 'sHage bezit van dezen meester een glasruit met een gezicht op de 
stad Dordrecht, gem. H, Emaus 1775. 

M. J. Ellinkhuysen; in het Museum boven de Beurs te Rotterdam is een glasruit met het ruiterportret van ,^etrus 
Petrovitz Gross-Furst van Ruszland" gemerkt: M, J, Ellinkhuysen^ luy tenant ter a^^ /<?«'/ 1783, die alleen vermelding 
verdient om der curiotiteitswille, niet om de kunstwaarde. 

Van Jacob Sano, die tot de gltLSsliJpers behoort en dus eigenlijk hier geen plaats verdient, berust op het Ond- 
heidkundig-Cjènootschap een glas, waarop de ^yAurea Ltbertas*^ wordt voorgesteld door een vogel, die zijn kooi ont- 
vlucht. Op den voet is dit glas gem. Jacob Sang^ inv : et Fee, Amsterdam , 1760. de Vries Az.] 

T 



288 EEN EN ANDER OVER GLASGRAVURE. 

2**. Een bokaal, voorstellende eene oude straatzangeres, met een knijpbril op de 
neus, van een blad, dat ze inliare handen houdt, hare liedjes afzingende. Daaronder de regels : 

Die met mijn spodt^ gaet vry van hier 
lek sit^ een deuntien op mijn tnanier. 

» 

Deze voorstelling is eene copie naar eene gravure, vervaardigd door C. Bloemaart, 
naar eene schilderij van G. Honthorst. 

Het glas is gemerkt: D. H, de Castro fee, 1856. 

3**. Een roemer. Op de voorzijde de bekende figuren van Schultze en Muller, met 
onderschrift : Schultze und Muller, Van boven is deze voorstelling omgeven door een met 
vruchten rijk beladen wijnrank ; van onder schieten korenaren uit, waarop van terzijde een 
vlinder toevliegt. Op de keerzijde twee vechtende hanen aan den kant eener sloot, waar- 
uit rietgewas opschiet; rechts een wilgenboom bij een hekje; links ander geboomte. Tus- 
schen deze beide voorstellingen ziet men aan de eene zijde een pauw, op stok 
zittende; aan de andere zijde tusschen rozen en andere bloemen, twee figuren, die, naar 
ik mij herinner, uit een der geïllustreerde romans van Dickens gecopieerd zijn. Het glas 
is gemerkt: D, H, de Castro f. 1856. 

4. Gelegenheidsbokaal. Op de voorzijde de inscriptie: 

€ter Herinnering 
cAan de Jaren 
1830— 183 1 

Antwerpen Citad"- 

Aan mijnen Vriend 
den WelEd' Gestr H'. 
M. Brandon Mondolfo 
Ridder der Mil. W. Orde 
Amsterdam 26 Aug 1856. 

Tusschen het eerste en het tweede gedeelte van dit inschrift is een sierlijke guir- 
lande aangebracht. Aan de andere zijde van den beker: de twee eerste coupletten van 
het y,Wien Neêrlandsch bloed'' met het woord Volkslied daarboven. Rechts van deze 
coupletten eene afbeelding van de voorzijde, links die van de keerzijde van het metalen 
kruis; onder de voorzijde een krans, waartusschen verschillend wapentuig uitkomt; binnen 
dezen krans : „Hasselt en Leuven", met de data van de inneming dezer steden. De krans 
is door linten aan de voorzijde van het metalen kruis bevestigd; een dergelijke krans, 
waarbinnen „Bautersem" met den datum zijner inneming is aan de keerzijde vastgehecht; 
rondom een en ander bloemwerk; tusschen de twee bloemstengels, onder het lied is 
eene harp aangebracht en de naam „Tollens." 

Het glas is gemerkt: B. H, d. C. fee. 1856. Door aankoop uit den boedel van den 
heer Brandon ben ik weder in het bezit van dezen beker gekomen. 



EEN EN ANDER OVER GLASGRAVURE. 289 

5. Een bokaal, waarop een Oosterling is afgebeeld. Daaronder de naam y,José 
Abbolafia". Het glas is gemerkt: D, H, de Castro fee, 1857. 

6. Een wijnglas. Op de voorzijde, omgeven dooreen fraaien bloemslinger, het opschrift: 

Op den Verjaardag 

mijner 

Geliefde Echtgenoot 

24 April 1860. 

Aan de andere zijde van het glas een toepasselijk gedicht. 

7 Een vaasje met deksel. Op de voorzijde de volgende dichtregelen van Göthe: 

iWillst du iramer weiter schweifen, 
iSieh, das Gute liegt so nah; 
>Leme nur das Glück ergreifen 
>Denn das Glück ist immer da.'* 

Aan beide zijden dezer dichtregelen een met bloemen gevulde vaas, terwijl onder 
en boven deze regelen bloem- en ornamentwerk is aangebracht. Van ter zijde schiet 
een vlinder op een der bloemvazen toe. Het vaasje is gemerkt: D. H, de C, 1860. 
Het deksel dezer vaas is met ornamentwerk versierd. 

8. Een roemer, voorgesteld als met tule overtrokken, waarop een wijnrank. Vooral 
om de tulebekleeding, die langs werktuigelijken weg en volgens eene eigenaardige 
methode is aangebracht, verdient dit glas de aandacht. Het is gemerkt: D, H. de 
Castro fee, 1861. 

9. Een dergelijk glas, vervaardigd voor de Internationale Tentoonstelling te Lon- 
den in 1862, Voorzijde: Een straatmuziekant op de viool spelende ; daaronder : „naar 
Ostade"; en de inscriptie: 

„Engraved with Diamond 

by 

Daniël Henriques de Castro. 

Ao. 1862 

Amsterdam" 

Sierlijk bloemwerk omgeeft de bovenzijde van deze woorden. 

ïo. Een andere roemer, voor deze tentoonstelling vervaardigd. Voorzijde: het 
Engelsche wapen. Keerzijde: hetzelfde opschrift als het vorige nummer. Boven het 
opschrift is eene wijnrank aangebracht. 

11. Nog een roemer. Voorstelling: Le messager d^amour^ naar de bekende schil- 
derij van M. Calisch. 

12. Een glas, bestemd voor Sabbath en Hoogtijden, bij het uitspreken der zegen- 
spreuk over den wijn. Op de voorzijde in het Hebreeuwsch „kelk voor de zegenspreuk." 

Boven dit opschrift eene wijnrank, daaronder bloemwerk. Op de keerzijde, binnen bloem- 

37 



290 EEN EN ANDER OVER GLASGRAVURE. 

kranzen : de Hebreeuwsche namen der feestdagen, waarop die zegenspreuk wordt uitge- 
sproken. Dit glas is niet gemerkt. 

Vermelden wij last not least nog een bescheiden stukje glas van weinige duimen 
in het vierkant, waarop, volgens de ^//J^methode een kapel, die door hare doorzichtigheid 
ons het werk van Wolff in niet geringe mate voor den geest terug roept Het glaasje 
is gemerkt: D H de C, fee. 

Behalve van D. H. DE Castro zijn mij van Nederlandsche glasgraveurs uit de 
19* eeuw geen andere werken bekend dan die van Andries Melort. 

Ik bezit van dezen een stukje glas, waarop volgens de stipmethode van Green- 
wood en Wolff een drinkebroer in de kleeding der vorige eeuw is afgebeeld, hij houdt 
de rechterhand in de borst gestoken en in de linkerhand een bierglas. Op eene tafel voor 
hem ziet men een bierkan^ tabakspijp en komfoor, zoomede een spel kaarten. Gemerkt : 
A. Melort 1840. ^^) 

In het museum boven de B^urs te Rotterdam bevindt zich een glasruit van dezen 
meester, voorstellende een staande en een liggende koe en drie liggende schapen, gemerkt : 

A. Melort i April 1834. 

aan dit museum in bruikleen afgestaan. 

Hoewel zij niet geheel tot de glasg^veurs behooren, mag ik toch eenige personen 
niet onvermeld laten, die de diamantstift tot het schrijven van kunstige letters op bokalen 
gebruikt hebben en daarom vermelding verdienen. 

In het archief van het stadhuis te Amsterdam bevindt zich een groote bokaal van 
groen glas, waarop het volgende vers sierlijk geschreven is: 

Gesegent Raethuys pronck vant 

gantse Nederlant 
Soo heerelyck versien met mannen 

van vers tan t 
Daer vree gerechtichheyt en eendragt 

vult de saaien 
En gcdt sijn gunstich oogh soo 
rijcklijck in laet daalen 

1655 Juljus 29 

V Buil fecit 

Wie van de familie van Buil dit kunststuk vervaardigd heeft, weet men niet met 
zekerheid. Was het Claes v. Buil, die met Truitje Roemers Visscher gehuwd was en in 



») „Andries Melort is te Dordrecht geboren en heeft zich op kunstgebied vooral door zijn heerlijk graveerwerk 
op glas naam verworven. In het kabinet van kunst en zeldzaamheden van A. D. Schinkel te 'sHage bevond 
* zich van hem eene glasgravure, voorstellende de Emausgangets^ naar de bekende prent van Rembrandt vervaardigd. 
Hij overleed te *sHage in 1849 in den ouderdom van 70 jaar. Zijn zoon S. J. Melort, eveneens te Dordrecht gcbo. 
ren, beoefende dezelfde kunst. Kramm bezat van dezen laatste vier stuks met koetjes en schapen in 1855, naar 
etsen van Potter vervaardigd.'* (Zie Kramm en den Navorscher 1853, bijbl. CLXIII). 



EEN EN ANDER OVER GLASGRAVURE. 291 

163S onderschout te Amsterdam was, of Willem van Buil, die in 1655 zeven jaar dat ambt 
had waargenomen en voor 1673 overleed? of zijn zoon Adriaen? wie de artist ook 
moge geweest zijn, èn als glas èn als glasschriftuur verdient deze bokaal met zoo vele 
keurige kunstschatten een betere plaats dan den zolder van het stadhuis. 

Verder vermeld ik nog een flesch van groen glas in het Oudheidkundig Genoot- 
schap, sierlijk van vorm, gesloten met een zilveren stop. Met flinke correcte schrijfletters 
is op den buik der flesch geschreven : 

fghebruick elck ding tot nut", 
terwijl onder, om de ziel der flesch met kleine letters geschreven staat: 

»Cathrina volgt uws vaders Raed 
Wijl 't Nut gebruik van alFs bestaat 
In 't houden van de middelmaat 

Willem van Heemskerk Ae 71 Ao. 1684 Leiden. 

Waarschijnlijk van dezelfde hand is het schrift op een flesch, insgelijks in voor- 
noemd Genootschap, waarop met ferme trekken geschreven is: 

„Vermenghd U vreugd met sorge." 

In het stedelijk museum, de Lakenhal te Leiden, zag ik nog een veldflesch van 
paarsch glas met het gesneden opschrift: ^fiod leeft^ die '*t geeff* boven aan den hals: 
I Timoth. Cap. 6 vs. 17, gravure van Willem van Heemskerk ") terwijl ik er op wijs, dat 
ook in het Nederlandsch Museum te Amsterdam een aantal zijner werken berust. 

En hiermede is de taak, die ik op mij genomen heb ten einde. Ik heb medegedeeld, 
wat mij op het gebied der Nederlandsche glasgravure merkwaardigs voorkwam, met het 
doel, de belangstelling in deze vroeger ten onzent, met zooveel glans, beoefende kunst te 
verlevendigen en te gelijk tot wederopvatting daarvan aan te sporen. Maar nog eene 
andere overweging zat daarbij voor. Voor zoo ver mij bekend is, werd eene geschiedenis 
der Nederlandsche glasgravure nog niet geleverd. Zal men daartoe geraken, zal zulk eene 
naar eisch voldoen dan is het aandragen van ruime bouwstoffen in de eerste plaats nood- 
zakelijk. Mogen alzoo mijne mededeelingen ook daartoe strekken, om anderen op te 
wekken, ons met hetgeen zij op dit gebied bezitten, of onder hun bereik hebben voor te 
lichten. 



W) Over Willem van Heemskerk vergelijke men D. v. D. Kellen Jr. Les Antiquités des Pays-Bas en Colinet 
en DE Vries. Kunstvoorwerpen uit vroegere eeuwen^ No. XXIV. 




87» 



AANTEEKENINGEN 

NAAR AANLEIDINÓ VAN 

REMBRANDTS ETSEN, 

DOOR 

Mr. A. D. de vries Az. 



Buste d'homtne au bonnet crne de plumes; Buste de la mire de Rembrandt (B 353); 

La Juite en Egypte griffonée en Rembrandt au visage rond; Jaartallen van 

La grande Mariée juive en de Ecce Homo; Antre vendeur de 

mort-aux-rats ; La Mauresse blanche en Nègre Blanc, 

A. DE Haen ; Landscapes rejected; P, de WlTH, 

de DE Konincken; Maria Boortens. 



ES Sieurs Helle et Glomy" zijn de eerste, die een be- 
schrijving der prenten van Rembrandt in het licht gaven; 
deze beschrijving, die in 1751 te Parijs verscheen, was niet 
hun eigen werk, maar was nagelaten door Gersaint en 
door dezen opgesteld met gebruikmaking van de uitnemende 
verzameling, die eens het eigendom van Jan Six was ge- 
weest en toen Gersaint haar gebruikte aan den graveur 
Jacobus Houbraken toebehoorde. Na Gersaint en Helle 
en Glomy hebben Pieter Yver, DaniEl Daulby, Adam 
Bartsch, Le Chevalier Claussin, Thomas Wilson, 
Charles Blakc, C. Vosmaer, Seymoue Haden en 
Ch. HeNRY Middleton en EugÈNE Dutuit de resultaten hunner studiCn van Rembrandt's 
etsen in meer of minder lijvige boekdeelen medegedeeld. Ofschoon Thomas Wilson, die 
zich achter de besc? jiden pseudoniem „a» amateur" verborg, reeds in zijn, in 1836 ver- 
schenen, werk een lijst had gegeven van Rembrandfs gedateerde etsen in chronologische 



AANTEEKEl^lNGEN NAAR AANLEIDING VAN REMBRANDT'S ETSEN. 293 

volgorde, was het aan VOSMAER, Ch. MiDDLETON, en Seymour Haden voorbehouden al 
het gewicht te doen gevoelen van een chronologische rangschikking. 

Een tentoonstelling in de Burlington fine arts club te London, waar die rangschikking 
was gevolgd, had dan ook aan de beide laatsten een blik op Rembrandt's etsen mogelijk 
gemaakt, als voor dien tijd slechts aan weinigen was vergund. Het beste resultaat van 
de verschillende studièn, is m. i. het in 1878 verschenen boek van CHARLES Henry 
MiDDLETON. Ik .bedoel hier niet mede dat de rangschikking der etsen in vier klassen: 
Studies and Portraits^ Scriptural and Religious, Fancy compositions en Landscapes^ die 
door Mitidleton gevolgd wordt, mij juist de beste toeschijnt, öf dat men op zijne beschrijving 
der verschillende staten geene aanmerkingen zou kunnen maken, bf dat de beschouwingen, 
die b. V. Ch. Blanc naar aanleiding der etsen ten beste geeft, mij niet op haar tijd zouden 
bekoren, maar ik ondervond, dat de chronologische lijst, die door Middleton wordt gegeven, 
de beste is, die bestaat, en dat men, door deze te bestudeeren en te verbeteren, wellicht 
eenmaal het ideaal zal bereiken, dat Rembrandt's etswerk, tevens op goede gronden ontdaan 
van al wat daartoe niet behoort, ons in juiste chronologische volgorde zal kunnen voorbij 
trekken. Toch is de heer Middleton somwijleii te ver gegaan en is het stelsel van den 
heer Vosmaer vooralsnog misschien te verkiezen, dat voor sommige der niet-gedateerde 
etsen liever een tijdperk van eenige jaren dan een bepaald jaar aanwijst. 

Ik meen de werken, die over Rembrandt's etsen zijn verschenen, ook in Nederland 
als bekend te mogen onderstelfen en zal dus niet in herhalingen vallen, maar hier slechts 
enkele resultaten van mijn onderzoek mededeelen, voor zooverre die eenig nieuw licht 
verspreiden of bijdragen zijn om vragen op te lossen. 

Bij de beschouwing der etsen, die door Middleton gebracht worden op het eerste 
jaar, waarvan gedateerde etsen van Rembrandt bekend zijn, namelijk op 1628, dringt zich 
reeds dadelijk de vraag naar voren, of de drie eerste nommers van Middleton werkelijk van 
dit jaar dagteekenen; *t zijn les griffonnements séparés par une ligne (B. 373. M. i), At buste 
d^homme au bonnet orné de plumes en la petite téie de femme. Wat het eerste betreft, de 
heer Middleton zal zelf niet veel waarde hechten aan zijne tijdsbepaling en waarschijnlijk 
heeft hij dit etsje het eerst genoemd, omdat het slechts uit een krabbeling bestaat; 't kan 
echter even goed van een ander jaar zijn. Met Ie buste d^homme au bonnet orné de plumes is het 
een ander geval. Dit etsje, ^) waarvan Charles Blanc op pag. 229 van zijn tweede deel (ed. in 8**) 
een niet zeer getrouwe reproductie geeft, behoort tot de grootste zeldzaamheden, daar er 
van de beide staten slechts unieke exemplaren bekend zijn, die thans te Amsterdam be- 
rusten. YvER is de eerste geweest, die het een plaats gaf in Rembrandt's werk; gedurende 
meer dan honderd vijf en twintig jaar heeft 't die plaats behouden ; het zij echter nu voor 



>) YvER 130. Bartsch 335. WiLSON 331. Ch. Blanc 261. Midd. 2. Dutuit 326. 



i 



294 AANTEEKENINGEN NAAR AANLEIDING VAN RENfBRANDTS ETSEN. 

goed uit het werk van Rembrandt verbannen, want het bewijs is te leveren, dat het niet van 
dezen, maar van een zijner leerlingen is. Op den tweeden staat toch vindt men in den linker 
bovenhoek in 17^ eeuwsch handschrift met inkt de letters S v H, die de naanüetters vormen 
van Rembrandt's leerling Samuel VAN HOOGSTRATEN, wiens werk door hem, die de rij 
van Rembrandt's kunstwerken wil zuiveren van alles wat ten onrechte aan den meester 
wordt toegeschreven'), nauwkeurig moet worden bestudeerd; de letters op Ie buste d'homme 
au bonnet orné de plumes zullen voor hem, die met Hoogstraten's etsen bekend is, niet 
noodig zijn om tot de overtuiging te komen, dat dit etsje van zijn hand is; vergelijking 
met zijne andere etsen, b. v. met zijn Israëlieten voor Pilatus *) van 1648, is* zonder 
twijfel voldoende om de juistheid van hetgeen die letters ons leeren, voor goed vast 
te stellen. Hoogstraten had meer de gewoonte op zijne etsen met inkt de voorletters van 
zijn naam te plaatsen; dit is evenzeer het geval bij een klein door hem geötst portretje van 
den predikant Johannes Wtenbogaert *), dat ik nergens anders aantrof dan in het British 
Museum en dat ter vergelijking wordt aanbevolen. Ook la petite téte de femme (M. 3) heeft 
iets van het matte en kleurlooze, dat de etsen van Hoogstraten kenmerkt; ik zou het dan 
ook eerder aan hem dan aan Rembrandt durven toeschrijven. De heer Vosmaer houdt 
dit voor een studie van een der beide portretjes, die voor Rembrandt's moeder doorgaan 
(B 354); ik meen er echter op te mogen wijzen, dat dit laatste een oude vrouw te aan- 
schouwen geeft, terwijl la petite téte de femme iemand in de kracht van het leven voorstelt 
Een ets, die door Wilson, noch Middleton wordt besproken, waarschijnlijk omdat 
zij daarvan geen exemplaar gezien hebben, is eene andere: buste de la mère de Rem-- 
brandt^ die door Bartsch onder n*. 353 werd beschreven, maar aan geen der latere schrijvers, 
naar het schijnt, onder de oogen kwam '). Ik zag hetzelfde exemplaar, dat Bartsch beschreef, 
in de Hofbibliotheek te Weenen en houd dit voor een copie naar den eersten bijgeteekendèn 
staat van Bartsch 352, Midd. 6. Het bestaan van dezen staat, waarvan een exemplaar te 
Amsterdam berust, was aan Bartsch, blijkens zijn noot op blz. 285, slechts uit het supple- 
ment van YvER bekend en hij heeft dus zijn n*. 353 daarmede waarschijnlijk niet in 
gedachte kunnen vergelijken. 



>) Zoo is ook de beroemde teekening la mort de la vierge uit het kabinet De Vos, die aan Rembrandt werd 
toegeschreven en die als zoodanig in de collecties Goll van Frankenstein en Verstolk van Soelen berustte, van niemand 
anders dan van Samuel van Hoogstraten; fk vond ten overvloede in den linkeronderhoek onder den vervalschten naam 
van Rembrandt nog daidelijk zijne initialen: STH. 

*) Rechts Pilatus achter een tafel op een soort van troon, waarboven een schild hangt, met de letters SPQR; 
hij verheft zich van zijn zetel en spreekt tot een der joodsche geestelijken, achter wien verscheidene personen volgen, 
een van deze is in gesprek met een geheimschrijver, die aan een tafel voor een lessenaar gezeten, een verzoekschrttt 
heeft aangenomen, rechts op de tafel staat een globe. Op den achtergrond aan den ingang vertoont zidi een krub. 
Op den rand der tafel: S, v. Hoogstraten en v. o. links 1648. br. 140 h. 103 m.m. 

^) Borstbeeld naar rechts, kapje op het hoofd, geplooide kraag, toga met bont; achter hem staat een boek met 
sloten; de letters S v -^met inkt in den rechterbovenhoek. 

') Vgl. Ch. Blanc (ed. v. 1880) No. 194. Dütuit Cat 342. Ch. Blanc verandert ten onrechte de woorden 
dirigê vers la gauche^ zoo als bij Bartsch gelezen wordt, in dirigê vers la droite. 



AANTEEKE^l^GEN NAAR AANLEIDING VAN REMBRANDT'S ETSEN. 295 

Een aardig voorbeeld hoe men bewijzen kan vinden voor de tijdsbepaling van 
sommige der etsen, levert la fuite en Egypte griffonée (B. 54 M. i8i). Zooals men weet 
werd de koperen plaat, waarop de meester de heilige familie had afgebeeld, in stukken 
gesneden en werd de figuur van Jozef afzonderlijk gedrukt en in verschillende staten 
verspreid. Wat er met een der overige gedeelten der koperen plaat geschiedde, bleek 
mij, toen ik bemerkte, dat het vrouwenkopje, waarvan Middleton spreekt bij de vermelding 
van den eersten staat van Rembrandt au visage rand (B. 5 M. 19), niets anders is dan het 
hoofd van de Mariafiguur, die op de genoemde vlucht van Egypte voorkomt. Nadat de plaat in 
stukken was gesneden, heeft Rembrandt op het rechterbovendeel derzelfde koperen plaat 
zijn eigen portret geëtst; daar voor dit portret door vergelijking der andere portretten, 
zoowel door Vosmaer als Middleton terecht het jaar 1630 is vastgesteld, mogen we dus 
veilig aannemen, dat la fuite en Egypte griffonée van dit jaar of van nog vroeger dagteekent. 
De prent draagt dan ook geheel hetzelfde schetsachtige los daarheen ge worpene karakter, 
dat vele etsen uit Rembrandt's eerste jaren als etser kenmerkt. 

Hoe vreemd het moge schijnen, toch heeft het meer dan een eeuw geduurd, eer de 
achtbare rij van hen, die zich met Rembrandt's etsen bezig hielden, er in slaagde den 
vorm van Rembrandt's cijfers voldoende te bestudeeren; de groote verwarring, die steeds 
in de chronologie heeft geheerscht, is dan ook voornamelijk te wijten aan onbekendheid 
met 17* eeuwsche schrijfwijze; zoo heeft men uit het jaartal op La chaumière entourée de 
plancher 1632 in plaats van 1642 gelezen, op het portret van Sylvius (B. 280) 1645 voor 
1646, op Le tombeau allégorique nu eens 1650, dan weer 1648 in plaats van 1658, uit dat 
op La grange è foin 1636 in plaats van 1650, op Les trois croix 1655 in plaats van 1653, 
op de St. Pierre (B 96) 1655 in plaats van 1645; zijn al deze fouten en meer andere reeds 
verbeterd •), ik wijs er hier op, dat de beroemde ets, die den naam draagt wdLïi La grande 
mariée juive, niet zooals Charles Blanc meent, van 1634, maar van 1635 dagteekent. 
Laatstgenoemde, die het eerst den datum op de prent ontdekte, heeft het laatste cijfer m. i. 
niet juist gelezen. Nog van een andere prent meen ik, steunende op het op de prent voor- 
komende jaartal, de tijdsbepaling te mogen veranderen ; ik bedoel het mansportret, dat den 
naam draagt wdsiHomme au chapeau et grand bord (B. 311. M28.)en dat aan onze vader- 
landsche iconographen ter bestudeering zij aanbevolen, daar het tot die portretten behoort, 
die zonder twijfel ons het beeld vertoonen van iemand uit Rembrandt's omgeving. Men 
heeft 't steeds op het jaar 1630 gebracht, ik meen echter dat het laatste cijfer van het 
jaartal een 8 is en dat dit portret tot 's meesters werken van 1638 moet worden gebracht; 
het monogram, bestaande uit de letters R H, dat het jaartal vergezelt, werd gewoonlijk 
door Rembrandt na 1632 niet meer gebruikt, maar ook op dezen regel kunnen uitzonde- 
ringen worden toegelaten. 



ö) Met Bartsch lees ik op PEspthgle (B. 188) 1642, niet 1640 zooals Middleton doet. 



296 AAiNTTEEKENINGEN NAAR AANLEIDING VAN REMBRANDT'S ETSEN. 

Een der prenten, waarover het meeste verschil bestaat, is de groote Ecce Homo 
(B. 77 M. 200); van deze prent, die in 17 ii den naam droeg van de dertig-gulden-prent ^, 
bestaat, zooals men weet, een eerste staat, op welkende middengroep nog geheel ontbreekt; 
die middengroep mist die distinctie, welke de andere figuren eigen is, en is, wat compositie 
en uitdrukking betreft, lang zoo voortreffelijk niet als 't overige der prent. De Engelsche 
kunsthistorici hellen er toe over deze prent aan Rembrandt en een zijner leerlingen toe te 
schrijven. Zonder eenige conclusie te durven trekken, kan ik niet ontkennen, dat de naam 
Salomon Koninck mij steeds in de gedachte kwam, als ik het karakter der figuren dier 
middengroep, niet de wijze van etsen, met den eersten staat vergeleek, en wijs ik op het 
feit, dat Pilatus, zooals hij op de ets voorkomt, naar hetzelfde model is genomen als de 
buste (Tun Oriental^)^ door Salomon Koninck in 1638*) geetst, met ongeveer denzelfden 
tulband als hoofddeksel. Tot nog toe werd de Ecce Homo steeds op 1636 gebracht; er was 
dan ook reden voor, want in het marge van den derden staat Xc^stm^n: Rembrandt f 1636 
cum privé Ie {et f). 

Onopgemerkt is het gebleven, dat de eerste staat van een jaar vroeger dagteekent 

en voluit onder het uurwerk gemerkt is : Rembrandt fee, 

1635 

Zooals men zich herinneren zal worden in het werk van Rembrandt twee prenten 
aangetroffen, waarop een rattenkruitverkooi>er is afgebeeld. De een is de karakteristieke 
en fraaie ets van 1632, die door Bartsch onder n"*. 121, door Charles Blanc onder N*. 95 
en door Middleton onder n^ 261 wordt beschreven. Een veel zeldzamer, zij 't ook niet 
zoo belang^jke ets, is de tweede rattenkruitverkooper, die Bartsch beschrijft als j4«/r^ 
Vendeur de mort-^ux-rats *•), waarvan Charles Blanc twee en Middleton- drie exemplaren 
(nl. te Parijs, te Amsterdam en te Haarlem) zeggen te kennen. Charles Blanc voegt bij 
zijne beschrijving van deze prent de volgende: 

^^Nota, Il en existe une fort belle épreuve au Musée d' Amsterdam, et j'en ai pris 
„les dimensions, ayant remarqué qu'elle était plus grande que celle, dont les mesures ont 
,,été données par Adam Bartsch, Claussin et Wilson, qui ne 1'avaient vue apparament que (>v 
„rognée", en hij voegt er de opmerking bij, dat het ook mogelijk is, dat het onderscheid 
der afmetingen veroorzaakt wordt door de omstandigheid, dat het papier van een der 



7) Uffenbach zegt dit in zijne Merkwürdige Reisen^yjXm^ 1754 II, p. 581) als hij melding maakt van een bezoek, 
dat hij op I Maart 171 1 met zijn broeder bij David Bramen, een Amsterdamsch prentverzamelaar bracht: Den 
I Martii, waren wir bey David Bramen, um seine Kupferstiche zu sehen, weil er in der Wochen keine Zeit hat, 
selbige zu zeigen. £r hat deren eine ziemliche Anzahl, darunter das vomehmste eine grosse Menge von Rembrandt 
doch batte er die besten, und sogenannte Hundert-Gulden-/'r^«/ nicht. Selbige wird also genennet, weil sie einsmals 
in einer Anction so hoch bezahlt worden. Sie stellet das Wunderwerk Christi vor, wie er einen blinden und taaben 
gesund macht. Die dreyssig Gulden^ und zwanzig Gulden Prent aber hatte Herr Bramen, wiewohl selbige mein Bruder 
in Holland gleichffalls erkauft. Jene ist das ecce homol diese aber die Abnehmung Christi vom Creute. 

8) Beschreven bij Bartsch Rembrandt II p. 131. 

•) Niet 1630, zooals de heer Vosmaer, Rembrandt^ sa vie et ses^auirres pag. 97, schijnt te meenen. 
10) B. 122, Ch. BI. 96, M. 260. 



AANTEEKENINGEN NAAR AANLEIDING VAN REMBRANDT'S ETSEN. 297 

beide exemplaren kan gekrompen zijn. Van dit alles is ongelukkig niets aan; ik zeg 
ongelukkig, want de exemplaren te Amsterdam en die in Teyler's verzameling te Haarlem 
zijn niet de door Bartsch onder N**. 122 beschreven zeldzame ets van Rembrandt, maar 
een lang niet uitmuntende copie naar den rattenkruitverkooper van 1632 (B. 121). 

Die copie is van de tegenzijde genomen, de figuur van den rattenkruitverkooper is 
dus even als op de zeldzame ets naar rechts gewend. Vandaar de verwarring. De laatst- 
genoemde prent, die werkelijk een schets van Rembrandt voor Le vendeur de mort-aux-rats 
van 1632 kan zijn, is duidelijk te onderscheiden van de prent, die zoo vele jaren te 
Amsterdam voor deze schets heeft doorgegaan; men leze slechts de beschrijving van 
Bartsch, die de andere schrijvers hebben gevolgd en merke op, dat de prent van 1632, 
even als die, welke nu blijkt daarnaar een copie") te zijn, nog andere figuren dan den 
man met zijn rattenkooi te aanschouwen geeft èn deze den stok, waarop de kooi bevestigd 
is, in de hand houdt, terwijl die stok op de zeldzame ets niet door hem wordt vastge- 
houden, maar naast hem in den grond staat. 

Vergelijking van de reproductie *') der zeldzame prent, waarvan de Bibliothèque 
Nationale in de rue Richelieu, zooals nu blijkt, het eenig bekende exemplaar bezit in haar 
Rembrandt-verzameling, die gevormd is o. a. uit de collecties Beringhen, MaroUes en Peters, 
terwijl Nederland helaas geen exemplaar rijk is, toont duidelijk aan, hoe de verschillende 
beschrijvers van Rembrandt's etsen er zijn ingeloopen; daartoe heeft waarschijnlijk het 
feit niet weinig bijgedragen, dat op het exemplaar van de bedoelde prent te Amsterdam, 
aan de achterzijde met een hand uit het laatst der vorige eeuw is geschreven: 

This print is extremely scarce, there is no other known to be^ except that in the King 
of Francos collection & collected by Beringhen, 

Van boven staat nog met dezelfde hand: J By waaruit ik meen te mogen besluiten, 
dat deze prent afkomstig is uit de verzameling van JEAN Barnard, die in 1793 verkocht 
werd en waarin dan ook, naar Dutuit ") bericht, de Autre vendeur de mort-aux-rats aan- 
wezig zou zijn geweest De prent heeft dus gedurende minstens vijf en tachtig jaar een 
onverdiende reputatie genoten ") 

Dat de heer 'M\\>t>\.^TO^ La Mauresse blanche (B. 357) verwerpt, dunkt mij vreemd 
en zonder grond. In eersten staat toch heeft deze ets het monogram, bestaande uit de 
letters R. H (met kruUetters) in spiegelschrift, van boven een weinig links van het 



'*) Deze is h. 145 en br. 99 m.m. Charles Blanc geeft onjuist 160 m.m. voor de hoogte op. De boerderij op 
den achtergrond heeft de copiïst weggelaten. 

") Zooals die voorkomt in Charles Blanc, Rembrandt 1880 fol. 

") Cat Dutuit, V pag. 558. 

"; Behalve de exemplaren te Amsterdam en te Haarlem (welk laatste den 4*" April 1873 ^P ^^ auctie de Witt 
in de Brakke Grond te Amsterdam door Teylers stichting werd aangekocht) zijn mij nog exemplaren bekend in 
de Albertina te Weenen en het Germanische Mnseum te Nümberg; dit laatste heeft het merk van de collectie 
£. Zimmerman, terwijl aan de achterzijde in handschrift de letters G, D. V, H. staan. 

38 



298 AANTEEKENINGEN NAAR AANLEIDING VAN REMBRANDT'S ETSEN. 

midden ^') ; de wijze van etsen brengt deze prent tot de allereerste jaren. De heer Middleton 

schrijft haar met een vraagteeken aan A. DE Haes toe, hetgeen het vermoeden wettigt, 

AdX La Mauresse blanche slechts door hem verworpen is, omdat zekere iV^^r^ blanc{^, 339) 

niet zooals Bartsch zegt ,,indubitablement de Rembrandt" is, maar van een etser, die tot 

tweemaal toe zijn naam op zijn werk plaatste, zij 't ook beide keeren niet duidelijk en 

onvolledig, en wiens naam de heer Middleton A. DE Haes leest. Ik vraag met nadruk, dat 

La Mauresse worde toegelaten, waar Le Nègre wordt verstooten. Vergelijkt men de prenten, 

dan is het duidelijk genoeg en behoeven er geen woorden aan verspild, om te betoogen, 

dat zij niet van denzelfden meester zijn. 

De etser van le Nègre is, in den linkerbovenhoek, zijn naam aldus begonnen te 

schrijven : 

A d Hae 

en heeft in den achtergrond rechts dien naam nog eens geplaatst; daarvan is echter niet 

veel meer te lezen dan de letters A d k tn een teeken, dat zeer veel van een s heeft. De 

heer Middleton was dus in zijn volle recht, toen hij uit deze letters den naam A. de Haes 

samenstelde; 't zou echter kunnen zijn dat 't laatste teeken een zeventiende-eeuwsche n 

was, die aan het eind van een woord licht met een s kan worden verward. Ik vestig 

daarom de aandacht op den schilder, wiens huwelijksproclamatie ik hieronder laat volgen, 

zooals die voorkomt in de Amsterdamsche kerkelijke huwelijksproclamatiön : 

II Oct 1664 
Compareerden Antoni DE Haen *•) van 's gravenhage schilder oud 24 jaer 
geass(isteerd) met syn moeder Corn de Jager woont ind haeg en DiNA 
Martense van A(msterdam) oud 19 jare geass. met haer vader marten 
p(iete)rs de Haen woont ind Nes. 

eil ik hoop, dat zijne schilderijen *^) voor den dag zullen komen en daardoor zal zijn te 
beslissen of de Nègre blanc aan hem mag worden toegekend. Een 17* eeuwsche schilder 
of etser, die A, de Haes heet, kwam mij tot heden niet voor. 

Tot de prenten, die terecht uit het werk van Rembrandt zijn verwijderd, behooren 
verscheidene landschappen, die door Middleton in een afzonderlijke rubriek ?X^ Landscapes 
rejected zijn behandeld. Over het algemeen steunt zijne verwerping op vergelijking met 



1*) Middleton sphijnt dit niet bemerkt te hebben, ofschoon Ch. Blanc en Vosmaer het monogram vermelden. 
Vosmaer brengt de Mauresse op 1635, wat mij te laat toeschijnt. 

^') Ook uit den naam, zooals hij hier in het oorspronkelijk handschrift is geschreven, zon men licht de Haes 
kunnen lezen, wat echter onjuist zou zijn. 

'O Vgl. over Antony db Haen en zekeren Andrirs de Haen, die in 1642 en 1681 leefde: Dr. F. Schue, 
Beschreibendes Verteichniss der Gemdlde-G aller ie %u Sckwerin^ blz. 225 en Abr. Bredius in YitX. Archief xfoor kunstge' 
schiedeniSf III 265, IV iio, 150 en 158. Dr. Schlie beschrijft eene schilderij, voorstellende een hond en eenige 
eenden, die A. de' Haen f. gemerkt is. 



AANTEEKENINGEN NAAR AANLEIDING VAN REMBRANDTS ETSEN. 299 

Rembrandt's andere etsen en op dat, niet altijd onder woorden te brengen, gevoel, hetwelk 

hem, die de verschillende kunstenaars kent, zegt, van welken meester het een of ander 

werk kan ^ijn. Dit gevoel is voorzeker een niet te versmaden leidsman en wanneer men 

dezen gids slechts niet blindelings volgt, kan hij den in ervaring gerijpte tot uitmuntende 

resultaten brengen. Toch blijven sterkere bewijzen noodig om een ieder de overtuiging te 

schenken, dat dit gevoel waarheid heeft gesproken. Voor sommige dezer etsen kan ik ook 

dergelijk bewijs leveren. 

Onder de prenten in de manier van Rembrandt, die Bartsch in zijn tweede deel 

beschrijft, vindt men op bl. 132 onder N**. 73 het volgende landschap, aan SalomoN 

KONINCK toegeschreven: 

Paysage 

Un paysage représentant un hameau, ou Ton voit quelques maisons entourées 
d'arbres et au milieu une espece de tour ruinée. Tout au bas de la 
gauche on lit: 5 Koninck 1663. 

Largeur: 5 pouces, 9 lignes. Hauteur: 3 pouces, 9 lignes. 

Daar mij uit mijne onderzoekingen op het Amsterdamsche archief was gebleken, 
dat Salomon Koninck den 8 Aug. 1656 in de Nieuwe Kerk werd begraven en het mij 
dus duidelijk was, dat hier bf een verwarring in den naam bf een vergissing in het jaartal 
moest hebben plaats gehad, sloeg ik den catalogus van de verkooping -A^. Marcus 
(26 Nov. 1770) op, naar welken Bartsch bij de beschrijving verwijst en vond ik tot mijn 
verwondering, dat deze catalogus het etsje aan zekeren J. KONlNCK toeschrijft en Bartsch 
deze J. in een S. scheen veranderd te hebben. Daar oude catalogi echter geen alte 
vertrouwbare bronnen zijn, schortte ik mijn oordeel op, totdat mijne nasporingea mij de 
prent onder de oogen zouden brengen. Ik vond haar in de Albertina te Weenen en ben zoo* 
gelukkig den lezer hierachter van dit exemplaar een reproductie te kunnen aanbieden. 
Zooals men 4ipt had de catalogus Marcus gelijk en heeft de anders niet onnauwkeurige 
Bartsch de voorletter willekeurig, veranderd en staat er in den linkeronderhoek : 

Maar de prent loste meteen een andere vraag op. Bartsch heeft onder n**. 238 
een landschap aan Rembrandt toegeschreven, dat niet in de collectie te Amsterdam berust 
en dat gemerkt zou zijn Rembrandt 1653\ hij gaf het den naam van Le village è la grosse 
tot0' carrée; het eeriig bekende exemplaar berust in het British Museum. Toen ik het 
aldaar voor het eerst zag, vestigde zich ook bij mij de overtuiging, dat dit etsje niet het 
werk van Rembrandt kon zijn en dat de naam, die in den linkeronderhoek staat, in 
lateren tijd met de pen in dien van Rembrandt was veranderd. Aan wien het moest 
worden toegeschreven, bleef mij een raadsel, waarvan ik echter de oplossing te Weenen 
voor mij had liggen, tegelijk met die, betreffende het ten onrechte aan Salomon Koninck 

38* 




SOfl AANTEEKENINGEN NAAR AANLEIDING VAN REMBRANDT'S ETSEN. 

toegeschreven landschapje, want beide zijn dezelfde ets, die Bartsch op de eene plaats 
aan Rembrandt, op de andere aan S. Koninck had toegeschreven, maar die duidelijk 
I. Koninck gemerkt is. 

Een der teekeningen, die in het British Museum aan Rembrandt worden toegekend, 
geeft hetzelfde landschapje te aanschouwen; het is met de pen geteekend, andersom als 
de ets en wat breeder dan deze"); ik meen, dat deze teekening zeer goed van I. Koninck 
kan zijn en de oorspronkelijke teekening voor de ets is. 

In de Albertina liggen bij dit landschapje als het werk van /, Koninck de volgende 
prenten, die allen in de beschrijvingen van Rembrandt voorkomen: 

Les deux maisons au pignon pointu, B. 214. w. 211. Bh 317. M. Rej. 2. (zonder 

O. I. inkt) 
Le pêcheur dans une barque ^'j, w. 253. Claussin Supp. n*. 64. M. Rej. 17. 
Le paysage k la barrière blanche, B. 342. M. Rej. 11. 
Le paysage aux deux allées, of, zooals de Engelschen het noemen: An orchard 

with a barn, (B. 230 w. 227 BI. 330 M. 316. D. 227). 

Wat de drie eerste betreft, schaar ik mij geheel aan de zijde van hen, die ze niet 
aan Rembrandt willen toekennen; evenmin durf ik ze echter met zekerheid voor het werk 
van I. Koninck houden; de laatste ets, een landschap, waarover tot nog toe niemand 
twijfel heeft geopperd, en dat steeds voor het werk van Rembrandt werd gehouden, 
maar dat mij reeds sedert vele jaren zeer twijfelachtig voorkwam, schrijf ik zonder eenige 
aarzeling aan L Koninck toe, nu ik haar heb kunnen vergelijken met de ets, die zijn 
naam draagt. 

Intusschen was er ook omtrent andere der landschappen, die m. i. ten onrechte 
aan Rembrandt werden toegeschreven en die Middleton heeft verworpen, nieuw licht voor 
mij opgegaan. ^ 

Reeds Charles Blanc en Vosmaer hadden beiden op een klein aaraig landschapje 
gewezen, dat in de verzameling te Amsterdam berust, dat Claussin het eerst had beschreven 
onder n^ 65 van zijn supplement als le village séparé par une digue, en dat doorWilson 
wordt vermeld onder n^ 254 als a village separated by adike. ^) De onderscheidingsgaven, 
Claussin toebedeeld, waren niet vele, en de zucht om nieuwe etsen van Rembrandt te 
vinden was bij hem zoo groot, dat hij b. v. deze ets in het werk van Rembrandt opnam, 
al deelde hij zelf mee, dat daarop de letters P D W R zouden voorkomen, die weinig op 
het monogram van Rembrandt geleken. 



^^) De teekening (n^. 81 van het British Moseom) is br. 186 h. 98 m.m.; de ets br. 152 h, 99 m.m. 

'^) De beschrijving van deze prent, waarvan tot nog toe slechts twee exemplaren, namelijk die te Amsterdam 
bekend waren, is niet in alle deelen juist, er zijn niet drie, maar vier personen in de boot 

2*^) Te Cambridge zag ik het tweede bekende exemplaar van dit prentje, het is br. 205 en h. 76 m.m. Van 
het exemplaar te Amsterdam is ter linkerzijde een gedeelte afgeknipt. 



AANTEEKENINGEN NAAR AANLEIDING VAN REMBRANDT'S ETSEN 808 

Wilson, die van het reeds genoemde Paysage è la barrière blanche een exemplaar 
bezat, waarop met krijt P. de Koning f 1659 stond, meende dat ook /e Village séparé 
par une digue van dezen moest zijn en las dus de bedoelde letters als P Z? ^K'/ de heer 
Vosmaer, die blijkbaar overwoog, dat in elk geval de letters P.D.W op de ets stonden, 
kwam tot de gewaagde bewering, dat zij anders-om moesten worden gelezen en de 
initialen vormden van Rembrandt's leerling Willem de Poorter. Had men slechts het 
vergrootglas wat beter gehanteerd, en ware men met 17* eeuwsch letterschrift wat meer 
vertrouwd geweest, men zou al spoedig bemerkt hebben, dat op de ets niet anders te 
lezen staat dan 

dat behoort te worden verklaard als: 

P. D. WiTH. 

Toen eenmaal mijne belangstelling voor deze zeldzame landschappen g^nde was 
gemaakt, onderwierp ik ook de andere aan een nauwkeurig onderzoek en weldra bleek 
mij,, dat niet alleen La maison basse sur Ie bord du canal*^) voluit met den naam van 
P. D. WiTH aldus is gemerkt: 

maar dat ook het monogram 

hetwelk op Ie paysage non fini^ voorkomt en dat Bartsch tot tweemalen toe, met behulp 
van de verhaspeling van Rembrandt's naam in Paul VAN Rhijn, op Rembrandt heeft 
trachten toe te passen "), aan P. D. WiTH moet worden toegekend, terwijl Ie bouquet 
d*arbres au bord du chemin **) voluit in den linker bovenhoek 



PJD^A 



% 



is gemerkt Ook Le Paysage au canal (Canal and fisherman, and a man with milk 
pails)"). waarvan Middleton, Charles Blanc en nu onlangsookdeheerDutuit,**) het bestaan 



*^) B. 245 w. 241. BL 342 M. Rej. i4. Er zijn drie exemplaren van deze ets bekend. Dat te Amsterdam is 
met O. I. opgeteekend, waardoor de naam niet goed zichtbaar is, die te Londen en ie Haarlem geven den naam 
niet onduidelijk te lezen in den voorgrond op de plek tusschen 35 en 50 m.m. van de linkerbordure. 

^) B. 255, W. 251, M. Rej. 12. Ik ken hiei-van twee exemplaren, een in de Hof bibliotheek te Weenen; het monogram 
staat een weinig links van htt midden, in den r. b. h. het jaartal 16^9 (de twee laatste cijfers in spie gelschrift), in 
den 1. b. h. de letter P, waaronder hetzelfde jaartal. Het tweede exemplaar behoort aan den heer Rovinski te 
Petersburg; naar ik meen, is daarop het monogram in het midden niet gemakkelijk te onderscheiden. 

^) Zie Bartsch Rembrandt p. 211. en Bartsch Anleitung %ur Kupferstichkunde II. p. 55. 

**) B. 229 w. 226. M. Rej. 15. D. 226. 

*) B. 256 w. 252. M. Rej. 27. 

*) L'ceuvre complet de Rembrandt décrit et catalogué par Eugirte Dutuit N». 253. De heer Dutuit geeft in 
zijn werk de beste reproducties, die ooit van Rembrandt's etsen zijn gemaakt. Van le Paysage au canal is hem 
niets anders bekend dan de copie, die te Parijs in de Bibliothèque berust. 



804 AANTEEKENINGEN NAAR AANLEIDING VAN REMBRANDTS ETSEN. 

betwijfelden, maar dat ik het genoegen had in de Hof-bibliotheek te Weenen aan te 
treffen, is in den linker onderhoek evenzeer P D Wüh f gemerkt. Behalve deze prent zag 
ik aldaar ook het eenig bekende exemplaar van La rue du village^)\ ook dit schijnt mij 
toe van P. de With te zijn, en het zou mij niet verwonderen, indien men zijn naam in 
den linker onderhoek vond'*); CharlesBlanc heeft deze ets gereproduceerd ; ook hij schreef 
die niet aan Rembrandt toe, maar meende, dat zij eerder door een Idnd (I) was gemaakt, 
welke meening hem de vraag uit de pen deed vloeien, ofdeze ets wellicht van Rembrandt's 
zoon TiTUS zou kunnen zijo ? ! *•) 

Indien de lezer na het bovenstaande meent, dat ik nu elk der ten onrechte aan 
Rembrandt toegeschreven landschappen aan een bepaalden meester zal toeschrijven, vergist 
hij zich; er blijven nog zooveel vragen over, die eerst na voortgezette studie zullen kunnen 
worden opgelost, dat ik aarzel daartoe over te gaan. Of is het niet nog altijd een raadsel, 
wie de etser is van Le paysage au carosse (B. 2x5 Mid. Rej. i) en andere etsen, die blijk- 
baar van dezelfde hand zijn? Blijft het niet nog altijd de vraag welk aandeel Philip DE 
KONINCK in de aan Rembrandt toegeschreven etsen toekomt**)? 



Tot hiertoe was DE Vries genaderd, toen zijne onverwachte ziekte hem belette 
voort te gaan. 

Weinige dagen later. . . en hij was niet meer. 

Slechts enkele bladzijden blijven in deze aflevering ter beschikking van zijn mede- 
redacteur over, om daarin op te nemen, wat de te vroeg ontslapene daarvoor met de hem 
eigene zorgvuldigheid had bij elkaéU* gelegd**). 

Het waren de bouwstoffen voor eene korte biografie van Jacobus DR KONiNCK. 
Hij had zich voorgenomen daarbij in 't licht te stellen, welke betrekking er tusschen 
Salomon en Philips de Koninck en dezen Jacobus, den tot dusver bijna onbekenden 
meester, bestond, om later op beide eerstgenoemde kunstenaars uitvoeriger terug te komen. 

In weerwil van de ijverigste nasporingen was hij er niet in geslaagd iets te vinden, 
wat hem aanleiding gaf om aan te nemen, dat de door hem aangeteekende bizonderheden 
over personen van den naam P. DE With op den door hem in zijn eer als etser her- 



»7) B. 254. w. 250. BI. 347. M. Rej. 28. 

^ Ik ben daarvan nfet geheel zeker, daar de hoeveelheid licht, die in de studiezaal van de Hof bibliotheek 
doordringt, voor hem die Rembrandt bestudeert, onvoldoende is. 

*•) Charles Blanc, fol. ed. p. 308. 

^ Zooals wij zagen, zegt Wilson, dat hy een exemplaar bezit van Le Paysage h la barrüre hkmche, dat 
P de Kdning f, 1659 met krijt gemerkt was. Dit exemplaar is verloren gegaan; of zou het een der twee zijn, die 
in het British Museum berusten, en die met inkt P ko en P koJH 1659 gemerkt zijn? 

^) Hij had mij medeged eeld op welke wijs hij dit opstel dacht te voltooien. Met zijnen schat van aanteeke- 
ningen naast mij zal het mij wellicht gelukken in zijn geest voort te gaan. (N. DB Roever). 



AANTEEKENINGEN NAAR AANLEIDING VAN REMBRANDTS ETSEN. 805 

Stelden kunstenaar betrekking hadden"). Ik laat deze daarom hier achterwege, evenals 
zijne gegevens voor het werk en het leven van MARIA BOORTENS. 

De bekende biografen van onze vaderlandsche kunstenaars noemen een schilder van den 
naam JACOB KONING, die onder de regeering van den Deenschen Koning Christiaan V 
(1670 — 1699) naar Denemarken'geroepen werd,en van wienweweten, sedert de uitgave van Phil. 
Weilbach. Dansk Konstner-Lexikon. (Kjöbenhavn 1878), dat hij nog in het jaar 1708 leefde. 

Is dit de kunstenaar, wiens werk, gelijk hiervoren is aangetoond, gedurende vele 
jaren in het werk van Rembrandt is beschreven geworden? 

Dat op deze vraag een bevestigend antwoord moet gegeven worden blijkt uit de 
samenvoeging der bijeengelegde gegevens. 

Om dit aan te toonen moeten we een blik werpen op de ouders en familiebetrekkingen 
van onzen kunstenaar. 

Eerst kortelings kwamen DE Vries op het Amsterdamsche archiet een viertal acten 
onder de oogen, die niet alleen een licht doen opgaan over deze betrekkingen, maar ook 
de zekerste middelen aan de hand doen tot bepaling van des kunstenaars geboortejaar, 
dat men tot dusver omstreeks 1650 stelde, maar dat voorzeker vóór of in 161 6 moet 
worden gezocht. Deze acten staan geboekt in de registers der kwijtscheldingen van vaste 
eigendommen. Op den 9 September 1641 verschenen voor schepenen van Amsterdam, 
Jacob Coning, schilder, wonende te Rotterdam, en David Coningh, die te samen een 
derde part in een- huis op de Westzijde van de Keizersgracht verkochten aanMAlLLAERT 
Brest"). Den 25 November verkoopt Daniel Coning, Diamantslijper, aan denzelfden 
Brest een zesde part "), terwijl de gebroeders Aert, PlETER en PHILIPS CoNiNG te samen 
de helft van hetzelfde huis op den 28 Januari 1642 ") aan evengenoemden kooper overdroegen. 

In September 1641 was onze Jacob alzoo meerderjarig en te Rotterdam woon- 
achtig, alwaar blijkens de extra-ordinaris huwelijks-inteekenboeken van Amsterdam, reeds 
in 1640 Philips Coninck gevestigd was, toen, op den 8 December van dat jaar, 
diens ondertrouw werd aangeteekend met eene mede aldaar woonachtige juffer CORNELIA 

FURNERIÜS of FOURNIER »•). 



") Als der aandacht waard deelde hij mij echter mede, dat op een van de hierna te vermelden teekeningen 
in het Museum Bojmans, met een zeventiende-eeuwsche hand stond aangeteekend „12 tekeningen van d. Hr. (lees: 
de Heer) P. de Widt en Jacobus Conink". Dat de With hier als ,^eer" werd aangeduid, deed bij hem de vraag 
ontstaan of deze kunstenaar een persoon „van qualiteit" was, wellicht de „liefhebber" van dien naam, die op den 
liggere van 't St. Lucasgilde te Antwerpen ingeschreven werd. 

•■) Kwytscheldingen R. bl. 212. 

^) id. R. bl. 250. 

») id. S. bl. iivo. 

**) Deze acte luidt: Den 8 Dec. 1640 sijn op de acte van.... van Berlicom secret tot Rotterdam ingeteekend 
Philips Coninck van A. en Cornelia Fürnerius beijde woofi tot Rotterdam. Deze acte wordt hier gegeven 
omdat Havard (Art et Artistes Holl. IV bl. 154) eene minder juiste lezing geeft De catalogus van het R^jks- 
Museum van schilderijen heeft eene evenmin juiste lesing van den naam der vrouw. Aan dé mededeeling, dat het 

89 



306 AANTEEKENINGEN NAAR AANLEIDING VAN REMBRANDT'S ETSEN. 

Eer ik overga tot het mededeelen van eenige levens-bizonderheden van onzen kun- 
stenaar, wil ik allen twijfel wegnemen over de vraag of de in 1641 25-jarige] of mis- 
schien oudere JaCDb Coning of DE Koninck dezelfde is, die aan het hof des deenschen 
konings nog in 't begin van de 18^ eeuw wordt genoemd. 

Daartoe stelt mij eene acte in staat van den 3 Juni 1690, bewaard in het archief 
der Amisterdamsche Weeskamer ^''), waarbij Daniël de Koninck, Mr. Konstschilder ge- 
boortig van Amsterdam, door huwelijk meerderjarig en nevens zijne moeder, de weduwe 
Daniël de Koninck Senior, gevestigd te Oxford, machtiging geeft om ter Weeskamer 
gelden te lichten en daarmede te betalen de drie jaren leergeld, het eerste jaar tegen 
40 gl. en de beide volgende tegen 20 gl., welke Jacob DE KONINCK zijn oom, schilder 
v»tot Coppenhagen in Deenemarcken" van hem te vorderen had, waarover evenzeer als 
over de voldoening van eenige andere schuldvorderingen tusschen beiden verschil was ont- 
staan. Uit deze acte blijkt verder, dat zijn oom Philip de Koninck voogd was geweest. 

De in den loop van het jaar 1668 geboren zoon van Daniël de Koninck Sr. sprak alzoo 
in 1690 van zijn kortelings overleden oom Philip, en van zijn nog levenden oom Jacob. 
Hieruit blijkt dat Daniel Senior en Philip en Jacob broeders waren, bij welk broedertal 
op grond van de kwijtscheldings-acten hiervoor gegeven nog moeten gevoegd worden 
-^RT en PlETER, benevens David, van wien uit de terstond te noemen acte van 7 Mei 
1641 blijkt, dat bij de zesde en waarschijnlijk ook de oudste der broeders was. 

Hoe Jacob in 1641 te Rotterdam kwam, is vooralsnog niet opgelost. Of er ver- 
wantschap bestond tusschen de talrijke personen van den zelfden familienaam omstreeks 
dien tijd te Rotterdam levende '®) ? Wie zal 't zeggen ? Zeker is het, dat een acte van 
7 Mei 1642 het bewijs levert, dat hij op dien dag nog te Rotterdam was gevestigd *•). 

Wat Philip er deed, dit leert ons een post uit de rekening van de voogden over 
de twee minderjarige nagelaten kinderen van Aert DE KONiNCK, waarvan Philip toen 
ongeveer 20 jaren oud was. Zij boekten op den 2 Januari 1640, dat aan jACOB, schilder, 
voor een half jaar leergeld van Philip een som van dertig gulden uitgekeerd was. 

Al deze data vergelijkende is de stelling wis niet al te gewaagd, dat ook jACOB 
reeds in 1640 een inwoner van de Maas-stad was. Wellicht kan het Rotterdamsche 
archief, nadere bewijzen voor en bizonderheden van zijn verblijf in die stad aanbrengen. 

Het zestal hier vermelde broeders had tot vader Aert DE KoNiNCK, een juwelier, 
naar 't schijnt geen onvermogend man, die echter — het bleek mij uit het archief van 



tweede huwelijk van Philips te Rotterdam werd voltrokken, heeft Havard het bericht toegevoegd, dat de onder- 
trouw te Amsterdam plaats had op 24 (lees 26) April 1657 en beide personen te Amsterdam, (de bruigom op de 
Keizersgracht — geenszins echter op de Nieuwe Keizersgracht, die toen nog niet bestond, — woonachtig waren. 

Philip Coninck werd begraven 6 Sept. 1688. Hij stierf dus dertien maanden vroeger dan Houbraken 0[^eeft . 

87) Lade 122. 

^ De Heer J. H. W. Unger had de goedheid ze voor de Vries op te teekenen. Opmerkelijk is het, dat 
enkele hunuer dezelfde voornamen droegen als de amsterdamsche de Koninck^s. 

3») Kwytschelding S. bl. 42. 



AANTEEKENINGEN NAAR AANLEIDING VAN REMBRANDT'S ETSEN. 307 

de weeskamer — niet ongeneigd was 'zijn fortuin in den tulpenhandel te beproeven. Bij 
zijn dood, voorgevallen in Mei 1639, liet hij eene weduwe achter, met name Cornelia 
TEN Weert, die echter niet de moeder van Aert's zes zonen is geweest. Deze COR- 
NELIA werd, toen zij op den 21 Augustus 1646 aan haren zwager PiETER DE KONiNG 
kwijtschelding gaf voor de kooppenningen van ^/g part van twee huizen op de oostzijde 
van de Prinsengracht, bijgestaan door voogd en vierendeelen, en onder de laatste — 
gewoonlijk bloedverwanten — wordt SalomON Coninck genoemd*^). Dat er alzoo 
een familieband bestond tusschen Jacob en Philip de Koninck aan de eene, en Salomon 
DE Koninck aan de andere zijde, schijnt duidelijk. Welk, zal een nader onderzoek 
moeten uitmaken. 

Ook SalOMON's vader droeg den naam PlETER, en ook hij was goudsmid of 
juwelier, twee beroepen, die voormaals vaak waren saamgesmolten. Deze PlETER DE ' 
Koninck werd echter den 8 Februari 1627 in de Nieuwe kerk begraven, en kan dus niet 
de bovengenoemde zwager van CoRNELlA TEN Weert zijn geweest. 

Doch keeren we tot Jacob de Koninck terug. 

Gedurende de eerstvolgende vijf jaren ontbreken ons levensbizonderheden, en als 
we zijn naam op 2 Mei 1647 weder in de archieven ontmoeten, dan blijkt het, dat hij 
Rotterdam metterwoon voor 's Gravenhage had verlaten. 

Merkwaardige bijdragen voor de geschiedenis van onzen kunstenaar teekende de 
heer Abr. BrediüS, voornamelijk uit de notarieele archieven van 's Gravenhage op. Met 
de meeste bereidwilligheid heeft hij die aanteekeningen aan DE Vries afgestaan, en hem 
daarmede een dienst bewezen, die deze zeer waardeerde. 

Op den 2 Mei 1647 dan, verkocht bij acte voor den Notaris VAN DER Drift te 
's Hage verleden. „Sinjeur jACOB DE CONiNCK, schilder woonende alhier in 's Gravenhage, 
aan Francoys Strick te Amsterdam zijn zesde deel van eenige juweelen onder zijn 
broeder PlETER aldaar berustende. 

Ongeveer een jaar later, op den 26 Juli 1648 begaf jACOB zich op nieuw in onder- 
trouw. Opnieuw — want uit de huwelijksinteekenacte blijkt, dat hij op dat oogenblik 
weduwnaar was. Van dat eerste huwelijk is echter niets bekend. Een maand ongeveer 
te voren, omstreeks Delftsche kermis, die half Juni invalt, kwam hij nog in aanraking 
met den in dit tijdschrift besproken dichter Matthijs GANSNEB Tengnagel, die hem „in 't 
discourreeren van de vrijerij" een ondeugend liefdesavontuurtje had verteld **). Of hij even 
loszinnig was als deze „overaertige poöet" blijkt niet, wel blijkt het, dat hij kort na zijn 
huwelijk met SüSANNA Dalbeny **) nu eens door dezen dan weder door genen om betaling 



<«) Kwytschelding X bl. 23. Met deze acte komt overeen een andere, voor den Notaris van Nieuwland 
verleden. Pak 195 bl. 42, 43. 

<ï) Acte van 26 Septemb. 1649 in 't protocol van den Notaris Johannes Keun, te 's-Hage. 

^5) Zij was weduwe van Job Hackaert en mede te 's-Hage gevestigd (Reg. v. ondertrouw. Haagsche 
gemeente archief). 

89* 



308 AANTEEKENINGEN NAAR AANLEIDING VAN REMBRANDT'S ETSEN. 

van niet altijd aanmerkelijke geldsommen werd aangesproken ^). Meermalen schijnt hij 
geld te hebben moeten leenen en daarvoor of obligatlën („handteyken") te hebben moeten 
afgeven, of b.v. schilderijen in onderpand te hebben moeten stellen**^. In Februari 1651 
was hij aan Antony Motyn, een fransch kramer, de som van 497 gl. schuldig, die hij 
wilde aflossen door het „voltrecken van de conterfeytsels van den voorn. Antqny Motyn 
y»en diens huys vrouw,' die jegenwoordig onder handen sijn, en voltrokken wesende sal 
,,daervoor gecort worden 97 gl." — Voor de resterende som beloofde hij te leveren 
yjCunst van schilderijen by hem comparant gedaen binnen den tijd van dit verlopen jaer, 
y,volgens taxatie van luyden dien verstaende." **) 

Het schijnt, dat de schuldeischers het hem al lastiger en lastiger maakten zoodat 
hij de echtelijke woning verliet. In het protocol van den notaris Herman van Aller, 
te VHage, van den jare 1651. berust de 

„Inventaris van de goederen bevonden in den huyse van Albert Berckman* 
„toebehoorende JACOB DE Coninck, schilder, op den XVIII^«» Aug. 
„1651 bij mij Not*. en getuygen opgeteyckent. Gedaen maecken door 
„den voorschr. Berckman en Sussannah DE CONiNCK huysvrouv van 

„Jacob de Coninck daerinne gebleven voor haer rest van bedra- 

ghende / 244-10-0. 
De boedel bevat niet veel bizonders, tafels, stoelen, bankjes, bedden en ook 

2 teyckeninghetjes drie conterfejrtsels 

een landschap een steenen moriaanshooft 

5 printen met rolletjes 2 teyckeninghetjes 

een oud stuk schilderije noch een out stuck schilderije 

een lantschap een paneel met een print daerin. 

een eesel. 

Reeds op den 21 Juli 165 1 had Sus ANNA Dabeny (sic) zijn vrouw, een huis gehuurd 
-op de nieuwe Schoenmarkt te 's Hage voor 50 gl. 's jaars. **) Reeds vóór dien tijd 
schijnt hij zich dus verwijderd te hebben. 

Waarheen.^ Het antwoord op deze vraag moet ik U schuldig blijven. 

Het schijnt, dat hij in 1659 wederom in zijne geboortestad gevestigd was. 

Aan den boedel van den ebbenhoutmaker Willem Aldertsz. Eentgens, was 
Jacob de Koningh althans in 1659 de som van 14 gl., 9 st. schuldig, voor geleverde lijsten. *'} 

Van toen af verliezen wij zijn spoor om het in 1680 in Denemarken terug te vinden. 



*') Zoo b. V. 28 Juli 1648 door Jan Minuiï te Amsterdam voor 56 gl. (Rollen. Schepen archief s Gravenhage). 
^P 29I Juïi 165 1 o. a. door een bakker voor geleverd brood tot een bedrag van 64 gl. (idem). 

**) o. a. aan zekeren heer Vollenhoven blijkens acte van 2 Dec. 1648 in 't protocol van den Notaris Keun 

^*) Acte van 28 Febr. in hetzelfde protocol. 

*•) Protocol van den Notaris Keün te "s-Hage. 

*') Protocol van den Notaris Joannes d'Amour te Amsterdam, pak No. 142 bl. 86. 



AANTEEKEKINGEN NAAR AANLEIDING VAN REMBRANDT'S ETSEN. 309 

In November van dat jaar vervaardigde hij schilderijen voor de vensters van de 
slaapkamer der Koningin en omstreeks 1689 schilderde hij het portret van JOH. MüSCULUS. 
den Hof-prediker van Koningin SOPHIA Amalia, een portret dat in dit jaar door H. ScHATEN 
werd gegraveerd. Tien jaren later had hij een vaste aanstelling als Hof-schilder met een 
wedde van 400 Rijksd. Blijkbaar was hij aan het hof zeer gezien. Hij was althans een 
van de zes kunstenaars, die op 6 October ipgi door koning Frederik IV werden uitge- (^ 
noodigd, om het beschermheerschap der kunstenaars- vereeniging op zich te nemen. Hij heeft /^ 
meermalen Noorwegen bezocht. Zijn werken verraden, dat hij in 1699 te Frederikstad 
en in 1705 te Christiania was. Voor 't laatst wordt van hem melding gemaakt in 1708 
toen hem op den i"*" Februari 86 Rijksd. werden uitgekeerd voor drie schilderijen^ 
voorstellende gezichten in Noorwegen. Van het tijdstip van zijn dood is niets bekend. 

Wanneer we mogen aannemen, dat deze bizonderheden in het Deensche lexikon 
genoemd, alle betrekking hebben op denzelfden Jacobus DE CoNiNCK, die, gelijk wij 
zagen, in 1690 te Kopenhaven gevestigd was, dan weten we, dat hij nogin 1708 hetpenceel 
hanteerde, en dan komen we tot het besluit, dat deze kunstenaar een zeer hoogen ouderdom 
heeft bereikt en minstens 92 jaren oud werd. 

Des te meer is het te verwonderen, dat in onze kunstverzamelingen slechts uiterst 
zelden, een zijner werken voorkomt Terwijl de Deensche kunsthistorici van zijne hand 
althans bij name portretten, voorstellingen uit de gewijde geschiedenis, landschappen geschil- 
derd en geteekend, ja zelfs geschilderde glazen (?) kennen en ons weten te verhalen van de 
groote achting, die zijne werken in 't Noorden genoten, werden in zijn geboorteland zijn 
naam en zijn werk bijkans der vergetelheid ten prooi. 

Een opgaaf volge hier van de werken van dezen kunstenaar, die DE Vries heeft 
gezien, of van wier bestaan hij de berichten vond. 

Drie teekeningen met sepia in het Museum Boymans te Rotterdam, waarvan de 
beide laatste aan de achterzijde met rood krijt geteekend zijn J. KONING. 

1. De zoom van een bosch, op den voorgrond rechts eenige struiken, br. 318, - 
h. 143 (cat. Boymans No. 357-) 

2. Op den voorgrond een heuvelachtig terrein, links met boomen bezet; rechts op 
den tweeden grond een rivier aan de overzijde waarvan eene ruïne tusschen de 
boomen aan den voet van een heuvelen-rij ligt. Op de heuvels aan den horizon 
een molen tusschen geboomte, br. 288. h. 175, (cat Boymans No. 358.) 

3. Rechts een weg over een heuvel, een huis met laag torentje en windwijzer 
komt aan dezelfde zijde boven de boomen uit, links op den voorgrond een 
water, daarachter een heuvelachtig verschiet, br. 341. h. 167 (cat. Boymans N*. 360), 

4. Een teekening berustende in het Britsch Museum**) 

Op den voorgrond een naar links oploopend terrein, waarop een ten halve 



^•) De afmetingen van deze teekening vond ik niet opgegeven. D. R. 



810 AANTEEKENINGEN NAAR AANLEIDING VAN REMBRANDT-S ETSEN. 

zichtbare zware van boven ontbladerde boom, daarachter een waterpartij, op den 
tweeden grond rechts het zware bouwwerk van een kasteel met zijn omgeving op 
een vlakte, waarop een dikke boom staat ; op den achtergrond links heuvelen en in 
't midden geboomte. geteekend rechter onderhoek Ja, KONING. 

5. Een teekening berustende in het prentenkabinet te Berlijn, zijnde een landschap 
geii.erkt Jacob Coninck. f. ") 

6. Een landschap, geteekend JaCOB Koning, verkocht in de auctie LapeyRIÈRE 
den ig April 1825. 

terwijl we uit eene gravure van Ch. Bruneseau kennen 

7. Een schilderij indertijd deel uitmakende van het kabinet LE Brun, „peint par 
I. DE Koning" voorstellende, links op den voorgrond water, rechts een huisje 
tusschen de boomen, waarbij een hek uit twee palen en een lat bestaande. 
Ongeveer in 't midden een vrouw, die iets op 't hoofd draagt, meer op den 
achtergrond een man op den rug te zien, In 't verschiet een uitgestrekt vei^ezicht. 

Uit deze weinige werken zoowel als uit de etsen leeren we den meester als een landschap- 
schilder**) kennen, die onmiskenbaar onder den invloed van Rembrandt heeft gestaan. 

Deze opsomming van werken van Jacob de KONlNCK is te beschouwen als een 
geringe bijdrage voor de kennis van het werk van den meester. Ik tmjfel ér niet aan of 
De Vries zou een uitvoeriger lijst hebben kunnen geven, wanneer hem de tijd ware ge- 
bleven om zijne aanteekeningen, in verschillende buïtenlandsche musea gemaakt, te door- 
loopen. Dit was juist het eenige wat hem tol het bijeenbrengen der gegevens voor dit 
opstel nog te doen stond, en wat, helaas, door een ander, niet of althans ntet voor 't 
oogenblik kon worden gedaan. 

*•) De Heer A. Bredius ontdekte die teekening aldaar. 

*°) In de Albertina te Weenen wordt een teekening bewaard op den naam van Jacob Konihck, die echter 
gemerkt is D. Honing. 



MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL 



EEN NALEZING, 

lX)OK 

J. H. W. UNGER. 



iAS het reeds uit zijn werken genoegzaam gebleken, hoe loszinnig TENG- 
NAGEL was, thans staan mij bovendien offideele bescheiden ten dienste 
3 om mijn beweren te staven. In de welbekende gedenkschriften van den 
l Amsterdamschen Schepen Hans BONTEMANTEL, waarop in dit tijdschrift 
ï reeds meermalen de aandacht is gevestigd, vindt men de volgende 
aanteekening : 

TeNGNAGEL synde een poëet, wiens goederen waren ter Weeskamer, synde 
gedebaiicheert van leeven, ende mondich wordende, hebt>en de voochden ver- 
socht aen Weesmeesteren, volgens het 25' art. haerder instructie dat mochte 
in voochdye blyven, dat Weesmeesteren met kennisse van Burgemeesteren 
hebben geconsenteert. 

Is geweest in den jaere 1635 ofte daeromtrent. 

Eener syner voochden, synde een suyckerbacker, heeft het myn selfs verhaelt 
Daar onze TENGNAGEL in 1613 geboren was, moet dit verzoek minstens in 1638, toen 
hij meerderjarig kon wezen, gesteld worden. Wie die voogd was, zal ons zoo aanstonds blijken 
uit een andere aanteekening uit de Weesboeken, waardoor tevens mijn gissing bevestigd 
wordt, dat de substituut -schout jAN Tengnagel, de vader van MATTHEUS, in 1635 over- 
leden ia. De tweede aanteekening is door mij ontleend aan het Weesboek; door den 
brand van het Amsterdamsche Stadhuis (l6$2) ging het oorspronkelijke deel verloren, 
zoodat het thans bestaande register slechts gereconstrueerd is uit de niet door het 



812 MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL. 

vuur aangetaste losse stukken. Op blz. 198 van het 22* Weesboek vindt men de volgende aantee- 
kening, die mij, even als de vorige, welwillend afgestaan werd door mijn vriend De Roever : 

16 Novembris 1635 heeft Meynsgen Symons, geassisteert met JOOST Bake, 
haer voocht in desen, bewesen hare drie kinderen Mattheus 22 j., Jan 16 j., 
Symon 9 j., daer vader af was jAN TENGNAGEL, substituut-schout, voor 
vaders erf 

pen huis op de Coningsgraft (nu Singel) over de Appelmarkt met het getim- 
merte daarachter uitkomende op de Heerengracht. 

Eene obligatie van 6000 gulden ten laste van de Oost-Indische Compagnie 
ter kamer Rotterdam. 
Aan contanten of obligatiën 1000 gulden. 
Het bewijs geschiedde onder goedkeuring van JoosT Kemp, neef van de kinderen, 
die met JOOST Bake ') aangenomen had, de voogdij en de zorg over de kinderen te 
dragen. Zonder twijfel is deze JoosT Kemp de bovengemelde suikerbakker'). 

Tengevolge van het verloren gaan van het register, vindt men er ook geen melding 
in van 't feit, dat Mattheus „steekind" werd. 

I 
Verder nog eenige aanvullingen •) voor de Bibliographie van Tengnagel's werken. 

Kort na het verschijnen van de derde aflevering, zond de heer J. L. Beyers te 
Utrecht mij het bericht, dat de door mij, uit den catalogus Leempoel aangehaalden druk 
van de klucht van ^Frik in 't veur-huys'' in zijn bezit was. De titel is als volgt: 

M, G, Tengnagels. |) Klucht || Van B Frik in 't Veur-huys. || X Vinjet: Wapen van 
Amsterdam. || t' Amsterdam. \ Voor lohannes lacott, Boek-verkooper by de Beurs op 't 
Rokin in de || Vergulde Chronijk, Anno 1642. Het boekje telt 36 blz. in 4* oblong. Het 
eenige merkwaardige, wat deze druk ons biedt, is, dat boven het gedichtje: Ai^ oordeelt 
van etc. op blz. 2, dit opschrift geplaatst is : Een verzoek in 't gemeen ; maer inzonderheid 
aen D' P' P', en zijn zoonen. Hierbij aan DiRCK PlETERSZ. PERS te denken, schijnt mij 
wel wat ongerijmd. In alle volgende edities is dit opschrift verdwenen; eindelijk zij nog 
opgemerkt, dat deze druk niet uitmunt door zorgvuldige correctie. 



1) Deze is zeer waarschijnlijk dezelfde als de zwager van Hooft. Van Lennep vergist zich echter, als hij 
1605 voor zijn geboortejaar opgeeft (Vondel XII, i85>. Hij zou dan wel wat jong geweest zijn om als voogd 
over TENGNAGEL op tc kunnen treden. , 

») Het is echter ook mogelijk, dat deze suyckerbacker een bloedverwant van Tengnagel was. Het register 
der kerkelijke huwelijksproclamatien bevat op den 13 Julij 1602 deze aanteekening: Claes Tbngenagel, suycker- 
backer oudt XX Jaeren, wonende op de Ossemerckt, geassisteert met Maritgen Colijns syn moeder ende Jaepjbn 
idesdr, van Eemden, oudt XXV jaren, woonende in Sint-Jacobs-straat. Ik wijs er op, dat een van de getuigen bij 
Mattheus* doop Klaerken Kolyns heette. 

•) Op bl. 205 sprak ik terloops over de „bekende" herberg: 't Fransche schiltje, zonder rekenschap te geven 
waarom ik er dit epitheton bijvoegde. Deze benaming berustte op de mededeeling van de heeren van Lennep 
en Ter Gouw in hun interessant boek De Uithangteekens I bl. 80, waaruit men tevens zien kan, hoe voornaam en 
tevens hoe duur deze herberg was. 



MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL. 813 

Door een toeval kwamen mij twee uitgaven van hetzelfde blijspel, in het bezit van 
de Maatschappij van Ned. Letterkunde, niet in handen. Thans ben ik in staat ze volledig 
te beschrijven ; het zijn de edities E en I. Hunne titels luiden aldus : 

- R M, G, Tengnagels H Klucht l van H Frick in 't Veur-huys. f X Vinjet: een 
houtsnede, een loopenden man voorstellende, die aan een stok gevogelte draagt. \ Gedrukt 
naer de Copye, in 't Jaer M. VI.* LXI, 28 genumm. blz. in 4°. 

I. M, G, Tengnagels | Klucht | v;in II Frik in 't Veurhuys. || X Vinjet: Kruloma- 
ment. 11 t' Amsterdam, Ij By Jan Winkel, Boekverkooper in de II Lange-Brugsteeg 1731. 
48 genumm. blz. in 8°. 

Eindelijk schijnt er nog een uitgave bestaan te hebben van den Frik en van den 
geestvan Tengnagel; in den Catalogus van de auctie Dr. G, D. J, Schotel, bij M. Nijhoff» 
(1877) wordt op No. 3415 het volgende vermeld : Tengnagel M. G. De geest van Tengnagel 
in de andere werrelt ld. klucht van Frik in 't Veur-huys. Leyd. t668. 12". Waar dit 
exemplaar gebleven is, heb ik niet kunnen ontdekken. 

De vraag, of Frik ooit op den schouwburg vertoond is, had ik niet behandeld, 
omdat ik stellig meende, dat over het algemeen de situatie en de taal van dien aard 
waren, dat het stuk moeilijk ten tooneele kon gebracht worden. Een vriendenhand wees 
mij echter op een titel, die voorkomt in het bekende overzicht van het repertoire gedurende 
de jaren 1638—65, Op den 20 December 1649 werd op den Schouwburg vertoond „de 
klucht van Frits {Nastuk). Er behoeft wel geen twijfel meer te bestaan, dat hier de 
klucht van Frick tn 't Veurhuys bedoeld wordt. 

Rotterdam, Januari 1884. 



ERRATA. 



Z. IC 


reg. 


20 V. b. s/aa/: 


Tnus 


iees: Titia 


> 19 


> 


19 > > 




1627 


> 1626 


» 25 


> 


7 » > 




graveurkunst 


> graveerkunst 


» 25 


> 


12 > > 




laar 


> iaar 

> MERIUS 


> 27 


> 


6 » » 




Mebius 


» 39 


> 


10 V. 0. 




weerlegt 


» weerlegd 


> 48 


» 


2 > > 




gewerkte 


> gemerkte 


» 55 


» 


12 > > 




oostzijde van den Voor- of op de 
westzijde van den Achterburgwal » westzijde van den Voor- of op de 












oostzijde van den Achterbui^gwal 


» 59 


> 


10 V. b. 




uitwijding 


> uitweiding 


> 62 


> 


22 » > 




gcmakkelijkker 


> gemakkelijker 


> 66 


» 


17 V. 0. 




op de toen 
MlCH. Vlack 


9 toen op de 


> 66 


(in noot 3) 




> Hans Matthijsz 


• 67 


> 


> 2 




blz. 203 


» 103 


> 67 


» 


* 3 




> 202 


» 102 


> 68 


reg. 


3 V. b. 




ROSIMUNDA 


» ROSIMONDA 


> 68 




3 V. 0. 




in grasrycke 


> in de grasrycke 


> 77 




9 > > 




zelve 


» zelve n 


» 80 




II V. b. 1 




dit 


> die 


> lOI 




6 V. 0. : 




EVCK ; 


> EVCK 


> 139 




9 V. b. : 




bezit» 


> bezit van J. Westerbaen 


> 144 




I » > 




gerichtte 


» gerichte 


» 144 


in noot i 




tot 'andren, 


» tot 's andren. 


» 147 


en 148, achter i 


•eg. 


2, 26, 49 en 54 van 


i het hoUandsche gedicht plaatse men komma's 




achter 


reg. 6 een 


komma-punt. 




> 148 


^^ 


8 V. 0. s/i 


aat 


.• waarschijnlijk door VoNDEL zelven ^^x.' door Brandt 


» 157 




3 » » 




I. A(SSELIJN) 


» T. A(SSELUN) 


> 158 




3 » » 




I st.» 


» I p. 


> 171 




6 V. b. 




gehouden ') 


> gehouden ') 


» 171 




10 » » 




Amsterdam*) 


> Amsterdam •) 


» 188 




3 » • 




gegrifd 


> gegrift 


» 197 




6 V. 0. 




en een bundel 


» en van een bundel 


> 199 




19 > » 




Amtsteldam 


> Amsteldan^ 


> 206 




6 V. b. 




van het jaartal 


> met het jaartal 


> 209 




14 V. 0. 




door t 


» door het 


> 209 




4 » » 




Dit was 


» Zij was 


» 209 




4 > » 




bl. (207) 


» bl. 197 


> 210 




8 V. b. 




1640 


» 1642 


» 210 




13 V. 0. : 




noch 


» toch 


» 211 




8 V. b. 




is óf Jan Krul óf Jan 


SoET bedoelt > is zonder twijfel Jan Krul bedoeld 


» 217 




14 V. b. j 




309 


» 304 


» 219 




29 » » 




325 . 


» 315 


» 219 




10 V. 0. : 




Belgien 


» Beigica 


> 225 




3 V. b. : 




167. 


> 167 1 


» 225 




17 » » 




67 gen. 


> 67. gen. blz. 


t 229 




12 » >» 




olianten 


» folianten 


t 240 




11 V. 




1884 


. 1584. 


1 241 




16 » > 




den datum 


> de datum 


» 243 




12 V. b. 




verdient 


» verdiend 


> 256 




4 V. 0. 




genoemden 


^> genoemde 


> 261 




8 > > 




Chattram 


m Chattam 


> 287 




2 V. b. 




Henriquez 


> Hknriques 


> 292 




6 > > 




ome 


» omé 

• 



BLADWIJZER 

OVER DEN JAARGANG 1883. 



A. 

Aa (van der) 195 

Aa (Dirk van der), schilder 282 

Aardewerk 179, 180 

Aardewerk (Delftsch) 48 

Abeel 204 

Abeele (Christiaen van den) 

plateelbakker 53, 61 

Abeele (Pieter van den),stem- 

pelsnijder 117 

Achabs treurspel 117 

Ackersdijck. 204 

Acl de pottenbiikster f 57 

A ernt de pottenbakker 57 

Aerntsz (Jan) pottenbakker... 58 
Aerts (Catharina) zie Cath. 

van Wyck. 

Aerti (Pieter) acteur 216 

Afgeslagen Bloemsel van de 

Aemst, Lindebladen 198, 206, 208 

323 

Afzetter 69 

Akersloot (W.) graveur 279 

Al met der tyd, 1 10 

Alba (beeld van) v 124, 131 

Alberdingk Thijm(Prof: J. A.) 239 

Albonus en Rostmunda ... (i(i^ dZ 

Aldeweereld (Jan)...... 209 

Alexander VII (portret van). . . 27 

Alleen de Hope 65, 67 

AUertsz (Herman), boekhan- 
delaar. 184 

Alout (Jacob Tansi.) 180 

Amsterdam, (profiel van) 1 14 

ATisterdam,(Historische tentoonstel- 
ling van) in 1876 73, 77 



Amsterdamse he Doele-vreucht , 169 
Amsterdamsche Lindebladen. . ao6 

223 
AmsterdamscheManeschijn 2 oo, 2 2 2 
Amsteldams Minnebeeckje. 202 ^ 2 1 9 
AmsterdamscheSonneschijn202 y222 

Andries (Aeltgen) 66 

Anecdoten van A. v. Overbeke. 366 

270 
Anthonisz (Cornelis), schilder. 50 

Antieksnijder 182 

Antonides (Johannes) 28, 33, 138 

Argel 170 

Arnold (Th. I. J.) 221 

Arp (Jan van) dichter.... 215 

Artenne (Charles d^... ...... 186 

Asselin (J.), dichter en schilder. 157 
Asselyn (Thomas), dichter.. . . 100 

Avercamp (schilderij van)..*". ... 166 



Bi 



Bacchus en Ariadne 121, 122, 123, 125 

Backen 193, 205 

Hacker (Willem Cornelisz). 145 

Backhuisen (Ludolf) 76 

Badens (Francisco), schilder.. 197 

Baeck (Joost) 143,312 

Baeck (Jakob).. 199, 204, 209, 217 

Baen (Jan de), schilder 262 

Baerten (Baer te), pottenbakster 57 
Balsemen van de Ruyter's lijk. 77 
Balthasarsz (Floris). Zie op 

Berckenrode. 
Ban (J. A.), pastoor en musicus.. 97 

Bara (J), dichter... 22, 157 

BarendsZ'(B arend), kleermaker. 15 



fiarentsen (Dirk), schilder.... 196 

Barentsen (Willem) 113 seq. 

Barentsen (Portretvan Willem) 114 
Bargois (Jonas), fonteinmaker 31 

34* 35. 37i 43, IÏ9. 122. 123 
Barlaeus (C). 140, 141, 142, 146, 149 

199, 208, 2I4« 216 
B a r n ar d (Prentverzameling J e a n) 297 
Bary (Hendrick), graveur.'.... 25 

Bas 205 

Bas (Raadsheer Dirck) 173, 184, 193 

Baselius (Jacob) loi 

Bassen (van) , 205 

Bat (Jean de la) 176 

Batavia (kunstenaars te) 256 

BaudottS (Catharina) 117 

Baudous (Lambert) 117 

Baudous (Robbert de), graveur 117 

Baudous (Willem de) 117 

Bax (geslacht) 98, 100 

Bax (leden van *t geslacht) loi 

Beelden in het Doolhof. 126 seq. 

Beeldsnijder (Geurt) 164 

Beeringh 205 

Beest (Wapen van Van) loi 

Beet8(Kicolaa6)64,66,239,24i,244 

Bel vil Ie (N. de) 130, 133, 134 

Benning (J. Bodecheer) 216 

Benningh (Grietje) 144 

Benningsz (Jan) 229 

Berchem(Nicolae8 van), schil- 
der 156, 157, 161 

Berckenrode (Balthasar Flo- 
ris z van), landmeter34, 35, 36, 39 
Berckenrode (Cornelis Flo- 
rissen van), plaatsnijder. . 31, 33 

37 «cq- 43 
Berckenrode (FlorisBaltha^ 

sersz van), goudsmid, plaat- 
snijder 38, 39, 40, 4» 



II 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1883. 



Berckenrode (Frans Floris- 

sen van) 38, 41 

BereDdrecbt(J. B.),boekdnikker 67 

Berge (P. v. d.) graveur 120 

Bergh (Adriana van den), 

tooneelspeelster 1 10, 212, 216 

Bergh (Jacobus van den), 
boekverkooper in de Amst. biblio- 
theek 22 

Bergh (Joannes van den), 

boekverkoorer 22 

Beringen (Tieleman van)... . 176 
Beringhen (Prentverzameling 

van) -, 297 

Beringhe (Henri de).... 74 

Bestje van Meurs 124, 132, 135 

Betiel-bakkers 53 

Betielbakkers-gang. 60 

Beugel(Guiliam van den) bor- 
duurwerker 175 

Bevers 205 

B e y s (wapen van) loi 

Bleker *. 205 

Bicker (Andries) 197 

Bidloo (Lambert) 195,214 

Biltius (J.) schilderij van 166 

Blaeu (Willem Jansz), boek- 
drukker 139, 185 

Blaeu (Atlas van) te Weencn 160. 

Blaeu (Aleyde Michielsd).. . 160 
Blaeulaken (Cornelis Wil- 
le m s z), uitgever 65, 66, 67 

BlanckerhofT (Catharina). 7, 8 
Blanckerhoff(JanTheunisz), 

Schilder 9, 14 seq., 87 seq. 

Blasius (Joannes), dichter. 22, 129 
Blessius (Henricus), pastoor.. 138 

Blieck (D. D.) schilderij 66 

Block (Agnes) 137 

Blocq (Jan de) 156 

Blom (Henrickgen) 270 

Bloteling (Abraham), graveur. 160 

281 

Bloys 205 

Blijk (J. van den), glasgraveur. 286 
Bodegraven (gedicht op 't verbran- 
den van) 265 

Bodel Nyenhuis (Mr. J. T.).. 37 

38» 39 
Boekbinders 226 seq. 

Boelens (Andries) 22B 

Boelens (Griet Claësdr.).... 194 

Boelens Qacob) 193 

Boener (J. A.), duitsch graveur. 255 
Boestius (Philippus), pastoor. 227 
Bol (Fe rd in and), schilder. 145, 146 
Bolhamer (Gerrit), musicus... 213 

Bonnal (Jean) 176 

Bontemantel (Hans). 189, 205, 311 
Boom (Dirck), boekverkooper... 138 

Boortens (Maria) 305 

Bor (P. C.) 160 

Borduurwerker 175 

Bos (Jan), tooneelspeler 216 

Bosch (Antonie v. d.), teeken- 
meester 159 

Bo xtel 105 

B o y e r , boekbinder 237 



Bramen (Prentverzameling van 

David) 296 

Branden (van den) 216 

Brands 135 

Brandt (Gerard). 108, 138, 140, 141 

146, 241, 242 
Brandt (G.), Vondeluitgave . . 1 9} 25 

Br ay (de), tooneelspeler 216 

Breder 00. 64, 66, 67, 109, 117, 197 

206, 210, 212, 215, 220 
Brederoo (onbekend gedicht van) 66 

Breder ode, steenhouwer 75 

Bredius (A.) 39 

Breedt (Jacob) 174 

Br e en (J. van), dichter 22 

Brest (Malliaert) 305 

Breugel (Albrecht van)..... 264 

Brillen om verre te sien 186 

Brink (Dr. Jan ten) 195, 210 

Broch (Jonkheer Willem)... 269 

Broekerhuis 135 

Brouwer(schilderijenvan A.) 158, 210 
Bruin (B. T. de), componist.... iio 

Brun (kunstkabinet van Ie) 

Bruneseau (Ch.), fransch gra- 
veur 310 

Bruno (Henr.), dichter.. 22, 99, 157 

Büchler Dz. (A. H.) 100 

Buren (Mr. J. v.), kunstauctie. . . 284 

Burger (W.) 7 

Burgersdijck(FrancoPieter) 28 
Burgersdijck (Mr. Pieter) 28, 29 

Bu y ck (familie) 243 

6u y c k (pastoor) 228 

Buyl (Adriaen van) 291 

Buyl (Claes van).... 197, 246, 290 

Buyl (Willem van) 291 

Buyl (va n), glasgraveur 290 

Buys i 205 

Bye (Wapen van de) lOi 

Byler (Fran9ois van) 10, 12 

C. 

CafTa-werkers 1 78 

Calanbryn (Monsr.) 205 

Calasires sterf dagh. 65, 67, 68, 72 
Camerbeecq (Rogier), wapen- 
smid, 186 

Campanus (M.). Zie Velden. 
Campen (Cornelis Jacobsz 

van) 244, 245 

Campen (Jacob v a n), 240, 244, 245 
Campen (Machteld van),.... 244 
Campen (Nicolaas van).. 218, 219 

Cappit 205 

Castro (Daniel Henriques 
de), en zijn gegraveerde glazen 

287 seq* 

Cats (Jacob) 213 

Can (Pieter Pietersz.) 175 

Ceulen (Ludolf van), wiskun- 
dige 38 

Chattam (Gedicht op tocht naar) . 262 
Chennier (Louis), boekhande- 
laar te 's Hage ^ 184 

Christina van Zweden..., 124, 131 



Chronologische rangschikking van 

Rem brandt 's etsen 293 

Cinseer (Arend) schilder 14 

Claermond (Gilles) 146 

Clarenbeek (Jan.).... 155 

Clcomenes 129 

Cloeck. 205 

Cloeck (Willem Janz.), 69 

Cloppenburch, Herbergier.. . . 128 

Codde (P.), dichter. 216 

Coleveit (Jacob Jansz.),dich- 

ter 68, 216, 217 

Colpyn 205 

Colyns (Chrispjn), schilder... 182 

Colyns (David), vergulder 182 

Colyns. Zie ook Kolyns. 
Commelyn (Isaack). . 20, 120, 197 
Commissie (Anna-V isschers-) 239 
Coninck. Zie Koninck. 

Constantinopel 171 

Conti (Prins van) 31, 34, 42 

Contra-remonstranten 190 

Coppenol (Lieven Willemss 

van), schoonschrijver 88 

Cordosa (Steven) 177 

Corentius (Jan Symonsen).. 210 

Coster (Aug.) 114 

Coster (Dr. Samuel). . 66, 20%, 215 

Courantes nouveiles 212 

C r a b e t h (Portretten van W. en D.) 25 
Cracht (Stephen), pastoor .... 27 
Craen (Andries Pietersen).. 68 
Craen (Pieter A n dr i e sz,) dich- 
ter 68 

C r am a (Mej.), glasgrav 287 

Crayers (Louis) 11, 12 

Cremer (Theod.) 273 

Croix(dela). 129 

Crombalch (A.) 143 

Cromwell (Olivier) 131 

Croock(Grietje enClaesgen) 245 
Croock. Zie qpk Kroock. 

Cupidoos Lust-hof 21, 24 

Cuyper (Caspar), timmerman.. 76 

D. 

Dabeny. Zie Dalbeny. 
Daey (portretten van den heer en 

mevrouw) 80 

Dalbeny (Susanna) 307, 308 

Dalen (Mr. Claes van), chi- 
rurgijn 27, 28 

Dalen (Johannes van), chi- 
rurgijn 27, 28 

Dalen (J. van), dichter 157 

Danckerts (Dancker), boek- 
verkooper en plaatsnijder. . 154, 155 

Dan ex (F.), schilder 159 

Davelaer. 205 

Degens (Servaes) 117 

Delnsch aardewerk 48 

Dell (Elbert) 146 

Dell (Elisabeth) 146 

Dertig guldens prent, (de), 296 

Dicx. Zie Dircx. 
Dircksz (Nanning), pottenbak- 
ker 58 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1883. 



III 



Dircx (Johan), musicus... 269, 270 

Domselaer (T. van) 120 

Doolhof (Nieuwe) 121 

Doolhof (Oude), 34, 120, I2i 

Doolhoven 34, 35 

D oomer (teekeningen van) 160 

Doop 241,251 

Dorsman 75 

Dubbels (P.), dichter 22, 157 

Dullacrt (J.), dichter 157 

Dusart (C), dichteres 213 

Duurkant (A.), dichter 216 

Duverdez (Barbara van),.... 77 
Dyserinck (Johs.) 139 

E. 

Ebbe (dubbele), 265 

Eeckhoudt (Gerbrand van) 
den), dichter en schilder.. 151, 152 

Een Hoof i alleen ... : 66 

Een ick meen 68 

Een in V Hart. 68 

Een vooral. 66 

Eentgens (W. A.) ebbenhout- 

werker 3<^ 

Eiken (Koert), Olie-koek-bakker 209 

Elias (Mr. W. H.) 73 

Ellinkhuijsen (M. J.), glasgra- 
veur. *^7 

Elsevier (Daniel), boekdruk- 
ker. 230, 235 

Elsevier (Jhr. W. J. C. Ram- 

m e 1 m a n) 7^» ^* 

Erna tts (H.), glasgraveur 287 

Erasmus (Jacob), lijstenmaker. 157 
Erasmus (Jan), lijstenmaker... 157 

Erp (leden der familie van) 144 

Esselens (teekeningen van) 160 

Estrik-bakkers 51. 5* 

Etsen ten onrechte aan Rem- 
b randt toegeschreven 294, 296, 

298, 300» 303 
Euterpe o/t Speelgoddin. 102,110 
Everard of Everhardi (Nico- 

1 a a s), boekverkooper 225 

Eversz (Johan), boekbinder te 

Kampen. 226 

£v ertsen (Jan), boekbinder te 

Amsterdam 229 

Eyck (Anna van) 99, 100, 104 

105, 106, 269 
Eyck (Gaspard van) 104, 270, 272 

Eyck (Heylwich van) 269 

Eyck (Jacob van) 97 seq., 268 seq. 

Eyck (Ida van) 269 

Eyck (neef van) I04t 1^7 

Eycke (Lucas van der), kaar- 
senmaker 183 

F. 

Fabri (Johannes), boekdrukker 227 

Febure (Jacob P) 186 

Feldt (Cornelis) 181 

Fellebier (Rameken) 175 

Feytama (Jakob) 199,206 



Fierlands (leden der familie)... 269 

Flinck (Govert), schilder 145 

Florijn (Anthonis) 39, 43 

Florijn (Susanna) 39, 43 

Florijn (leden der familie) 43 

Floriss(Balthasar). ZieBerc- 
kenrode 
Florisz (Frans). Zie Bereken- 
rode. 

Flo ris (Frans), schilder 38 

FluwceL 175, '76 

Fluweel-fabrieken 178 

FUtyten Lusthof {Der) 99, 100, 108 

109 

Flyssier (Balt), schilder. 124 

Focquenbroch (W.G.), dichter. 195 

Fokkens (Melchior) 128, 131 

Fontein (Barent) 216 

Fontein (Klaes) 216 

Fontein (Jan) 216 

Fontein in het Oude Doolhof (Af- 
beelding van de) 31 

Foogelaar (Baltes) 120 

Fop 203 

Fortuyn (Willem), glasgraveur. 281 

Fournier (Cornelia) 305 

Francius (Petrus), Prof. 76 

Francius (Portret van), 76 

Franken Dz. (D.) 121 

Frans de acteur. 212 

Fransen (Abraham), Apothe- 

car 251, 252 

Fredensborg (Kasteel) 166 

Frederik Hendrik 140 

Erick in V Veurhuys. . . . 199, 219, 

224,312,313 

Fuchs (Olfert) 41 

Fulpwerkers 178 

Furnerius. Zie Fournier. 

Fyn (Adriaen de) 251, 253 

G. 

Gascon (Ie), boekbinder.. . 236, 237 
Geerdincx (Samuel), 4 

Geest van M. G. Tengnagel 

197,214,221,225,313 

Geestelijke meditatien. 197 

Gelder (Anna van) 74 

Gelder (A. van) 209 

Gelder (K. van)« 209 

Gelder (M. M. van) glasgraveui; 287 

Geley-bakkers 51, 52 

Geley-steeg 56 

Genever 181 

Gentillessen. 186 

Gerritsz (Hessel) graveur, uit- 
gever van kaarten 41, 229 

Gerrits (Heyltje) 39 

Gerritsz. (Jan) Koperwerker... 75 

Geslachten (Amsterdamsche) 247 

Geslachtlijst van Van Campen.. 248 

Geslachtlijst van V a n L o o 16 

Geslachtlijst van Anna Roemers 248 

Geslachtlijst van Visscher 249 

Geslachtsnamen 90 



Geysbeek (P. C. Witsen). 66, 195 

Gheel (Elias van) 175 

Glaserus (Elisabeth) 128 

Glasblazerijen 182 

Glasgravure 274seq. 

Gleye, gleysen 51 

Goden Fluythanel {der) . . 102,110 

Golstein (O. van) 200, 209 

Goltzius (Henrick), Vondels 

gedicht op. 26 

Goltzius (H.), schilder en gra- 
veur 117, 241 

Gotzkowsky (L E.) 92 

Goudlaken., 175 

Granida. 125 

Grebber (Maria de) 78, 79 

Greenwood (Frans), glasgra- 
veur 280 

Grelles (Maria de) 78 

Grieninger (I. G.) 93 

Griethuysen (Sybilla van), 

dichteres 2i6 

Groeneveld TReinier van).' . 139 
Groot (Isaack de), dichter... . 157 

Grove Roffel ofte Quartier des 

Amst. Maneschijn 203, 223 

Gustaaf Adolf. . 120, 124, 132, \x$ 

Gysels (Corn.) 167 

Gysels (Margrita), 167 

Gijzelaar (Cornelis de), por- 
tret op glas 286 

H- 

Haarlem (Dirk van) schilder 184 

Hack (Wapen van), * loi 

Hack (Anna), loi 

Hack (Lucia) loi 

Hackaert (Job) 307 

Haen (Antonie de), schilder, 

etser 298 

Haes (Makelaar de) 204 

Haes (Johan de), dichter 137 

Haga (Cornelis), 171 

Halen (Arnold van), zwarte- 
kunst graveur 15* 

Halman (Hendrick), pastoor.. 138 
Harp (Jan de), tooneelspeler. . . . 216 

Harripoen, tooneebpeler 216 

Harten (Klaas van) 217 

Hartgers (Joost), boekverkoo- 
per 212, 219 

Harviner of Heuvener (Jan). 187 

Hase (A.), schilderij van 166 

Hasselaer 205 

Hasselaer (Nicolaes) 144 

Hasselaer (Pieter) 144 

Hasselaer (PielerDircksen) 144 

Havard (Henry) ", 49, 7» 

Hecmskerck (Jacob) 115, "6, 118 
Heemskerk(Willemvan),glas- 

graveur 291 

Heerde (Dominicus) 199» 209 

Hcerdc (Jakob) I99 

Heereman (Jacob), boekbinder 229 

Heerman (Jakob).... 217 

Hegenitius (Gotfried) 33 



IV 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1883. 



Heiblocq (Album van Jacob). 219 

H e kking, teekenaar 135 

Hellemans (Heleonora) 139 

Helwig (Dr. Johan Otto v.).. 254 

255 

Hemm (van der) 160 

Hemony (Franco is), klokken- 

gieter 98, 107, 272, 273 

Hemony (Pieter), klokkengieter 98 

107, 272, 273 

Hendrik IV 124, 132 

Hendrikss (G er rit), boekbinder 228 
Hendriksz(Magnus),boekb.229 seq. 
Herberg 't Franse Schutje, 205,31^ 

Herckmans (£.), dichter 216 

Hermans (Barbara) 66 

Hese (Geslacht van der) loi 

HetDaghetuytden Oosten. 65, 67 

Hettens (Dienwertje) 164 

Heukelom (Me> A. H. van)... 73 

Heuvel (Claes van den) 204 

Heyde (van der), schilder 161 

Heyden (Kasp. van der) 19 

Heykens (Hester) 128 

Heyns (Heyltgen) 117 

Hobbema (Meyndert) schilder 81 

Hoeffyser (Marlen) 174 

Hoeve (Heilwich van. den 

Hove oO ..• loi 

Hoeven (Wapen van' Van der), loi 
Hoeven (Robbert van der).. 209 

Hogendorp. dichter 215 

Hoing (Jacob Gerritsz.). I93) '94 

Holsteyn (P.) graveur 122, 130 

Honderd guldens prent (de) 296 

Hondius (Hen ar ik) uitgever. . 67 
Hondius (Jodocus) boekhan- 
delaar 42 

H ooft (familie) 243 

Hooft (Corn. Pietersz.) 191 

Hooft (Garbrecht), vers van 

Vondel aan 19 

Hooft (P. C.) 125, 136, 137, 139 

140, 141, 142, I43i «44» 146, 147, 148 
149, 202, 207, 214, 216, 312 

Hooft (W. D.) 66, iio 

Hooghe (Romein de) graveur. 161 
Hoogstraten (S. van).. 6, 109, 167 
Hoogstraten (S. van), etsen van 294 
Hoolaart (G. H.), glasgraveur.. 281 

Horat U8 140,141 

Horst (Anthoni van der).... 68 
Horst (G. van der) schilder.... 67 
Horst (Schilderijen van G. v, d.) 67 

Hosee (Geutje) 253 

H o s e e (leden der familie) 253 

Houbraken(Arn)6,78, 150, 152, 153 
154. 155. 156, 166, 167, 169 
Houthaeck (Dirck Corne- 

lisz.) boekdrukker. 121, 122, 130, 212 

Houtman, zeevaarder 118 

Huis de ses steenen kruycken .... 5^ 

— de vijf Cruycken 58 

— de kruykjes 58 

•» het schip de Hoop 82 

^ de oude Tobias 88 

— het schip van Breda 89 

— de kreeft 244 



Huis 't Moriaanshooft. 244 

— van Roemer Visscher 246 

— de Duyf. 246 

Huybrechts, Wed. J.van Loo 

(Anna) il 

Huydecoper Qan Jacobsz.).. 191 
Huydecoper van Maersse* 

veen Ohr.) 144 

Huygens (Constantyn) 19, 20, 74 

97, 100, loi, 102, 105, 136, 137, 139 

143, 148, 149» 200, 206, 237, 244, 

266, 272 
Huygens' gedicht: Z^tfira/^xM/V . . 20 

Huygens (Brieven van) 74 

Huygens* /'jMiï^iö 97 

Huygens (VondePs welUkomst 

aan C.) 19 

Huygens (Constance) 272 

Huygens (Maurits) loi 

Huys (Adolf), passementwerker. 177 



I. 



Jaartallen opRembrandt^setsen 

(verkeerd gelezen) 295 

ac o b s (Neeltje) 197 

acobsz(Bartholomeus) boek- 
binder 228 

acobsz (Claes), pottenbakker. 58 
acobsz (Hendrik) koopman.. 181 
acobsz (Rombout) koopman.. 197 

a cot t (J.) boekverkooper 212 

aeghers (Hendrickie) 5, 13, 250 

251 

ager (Dr. A. de) 18 

akob (Tengnagel's vriend) 201 

202 
amin (D. C. de Groot), kunst- 
verzameling 159 

amin Jr. Q. G. de Groot).... 159 
an-maat. Zie Blanckerhoff 
ansonius (Jodocus), boekver- 
kooper 20 

ansonius (Susanna) 20 

ans (Aeffgen) 240, 242 

ans (Aeltje) 246 

ans (Anna) 250 

ansz (Barend) koopman...... 181 

an sz (Gerrit), boekbinder. 228, 229 
ansz (Hendrik), boekbinder.. 228 
ansz (Jan), boekverkooper in de 

Pascaert 20 

ansz (Lourens) boekbinder... 229 

ansz (Lucas), stoelmaker 175 

ansz (Pieter), pottenbakker... 58 
ardin (Karel du) schilder..^. 161 
as (Albert), pastoor 228 

Ick laet^ die haet 66 

desdr. (Jaepjen) 312 

elisz (Claes) 170 

e l y s , boekverkooper binnen 
Zwolle 226 

Jephtha ende zijn Eenighe 

Dochters^ treurspel ,. . . 117 

Jeroensen (Jeroen) 53, 151 

1 1 1 (van) tooneelspeler 216 

Immerzeel 3 



oachimi (raadsheer) 173 

ochemus I2i 

oesten (Gert) boekbinder 226 

olie (Pierre Ie) 131 

onckbloet (Dr. W. J. A.). 69, 74 

97. 208 

on ge (M. W. de) dichter 22 

ongejans (Grietjen) 91 

ongh (Johan de), graveur.... 256 

onghe (Jacomyne de) 144 

o ri s s e n (Dr. Th.) loi 

pelaer '.^ 205 

pelaer (David Jansz) notaris 153 

saksoon (Isak) teekenaar 213 

slam 172 

Juste 16, 143 

K. 

Kaap (Commandeurs aan de) 264 

Kaarten 184, 185 

Kalf, dichter. ^ 157 

K a 1 f f (C o r n e 1 i a) glasgraveur . . 287- 

V Kan verkeer en 66 

Kantwerk (Namen van) 211 

Katel n 154, 160 

Kayser (Jan Adriaens) 78 

Keizer, herbergier. 154 

Kemp (A.) dichter .! 216 

Kemp (Joost) 312 

K e s se 1 (Jan va^ schflder 84 

Keyser (Cornelis) dichter 66 

Keyzer (Har men) dichter 217 

Keyzer (Hendrik de) stads- 
bouwmeester 181, 182 

Keyser (Thomas) tooneelspe- 
ler iio, 215, 216 

Kick (Cornelis) dichter 182 

Kick (Willem) i8a 

Kinckhuysen (Hendrik) 234 

Klinkenberg (Profl Jacob v. 

N u y s) portret op glas. 286 

Kliplel (C. J. C.) 93, 95. 96 

Klokken te Deventer 107 

Kluchten op het Tooneel 201 

Klyn (I. D.) dichter IS4 

Knies (Dierick) koopman 183 

Knijff (Gerrit) linnenkoopman. 178 

Koddigen opdisser (den) 199 

Koeman (Jacob) 22 

Koenerding (Jan.) 129 

Koesvelt (Adr. van) 19 

Kolm (S. A.) dichter 216 

Kolyns (Klaerken) '97. 3»^ 

Kolyns (Maritgen) 312 

Koninck (Abraham de), uit- 
gever 115, 116, 117, 215 

Koninck (Aert de) ..' 305 

Koninck (Aert de), juwelier... 306 
Koninck (Daniel de),diamant- 

slijper 305 

Koninck Jr. (Dan iel de), schil- 
der 3^ 

Koninck (David de) 30$ 

Koninck (Jacob de), schilder, 

etser 298, 304 seq. 

Koninck (Philip de). 165, 303, 304 






BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1883. 



Konin^ck Sr. (Pieter de) 307 

Koninck (Pieter de) 305, 307 

Koninck (Pieter de), goudsmid 307 
Koninck (S al om on), etsen 296, 299 

304, 307 

Koning, advocaat 201 

Koning (J.) 309 

Koning (Jacobns) 99, 130 

Kool (Jacomina) 79 

Kramm (C.) 37» 3^, 7» 

Krelis Louwen 132 

Kretzer (M.) 158 

Kromhout (Bartholt) 193 

Kroock (Mons.) 205 

Kroock (Cornelis Laurensz) 

balletdanser 205 

Krul (Jan Hermansz) 24, 215, 217 
Kunstgeschiedenis en letterkunde 

24. 25 

Kuyper (Dr. Abriham) 239 

Kuyper (Jan Adriaens) 78 



L. 



Labyrinth 123 seq. 

Lak-werkers 181, 182 

Laken 245 

Lakenhandel 170, 171 

Land (Dr. J. P. N.) 97 

Langhe (Michiel Cornelisz 

d e), linnenkoopman. 178 

Landscapes rejected 298 

Landskroon (Maria van).... 209 
Laurensz (Hendrik) boekbinder 229 

Langendyk (P.) 132 

Lastman (Pieter) schilder 209 

Lavacrye 103 

Leendertz (P.) 19 

Lennep (Mr. Jac Van) 137, 139, seq. 
Lennick (Lucas van) musicus. 107 
Letterkunde en kunstgeschiedenis 24, 25 

L e u p e (P. A.) 41 

Leuw (Catharyntie de) 68 

Levant 170 

Levecourt 272 

Ley-werkers 51 

Liedboekjes *.*...•... 21, 65 

Liedboekjes op Amsterdam betrek- 
king hebbende 21 

Lieshout (Frans van) boek- 
binder 228, 229 

Sara, zijne wed 229 

L ie v en s (Jan) schilder 108 

Lingelbach (David) 33»36»37, "9 

120, 121, 122, 127, 
Lingelbach Jr. (David) chi- 
rurgijn 128, 129 

Lingelbach (Joh ann es). schil- 
der 128, 129, 154, 161 

Lingelbach (Portret van) 121 

Lingelbach (Philips) horlo- 
gemaker 127, 129 

Lingelbach (Sophie) 129 

Linsbeek (Adam van) 155 

Linschoten (Jan Huygen) 

115, 116 
Lintman (Alex. Jan&z.) 130 



Lintmolens 177 

Lochorst (Adam van) 145 

Loen (Jannetjen Boelens) . . 197 

Loffelt (A. C.i 195,214 

Lons (Dirck £ ver se n) graveur 66 
Loo (geslachtlijst der famiSevan) 16 

Loo (Albertus van) 11 

Loo (Magdalena van) 11 

Loo (Elisabeth van) 13 

Loo (Tan van), zilversmid 11 

iLoo (Sara van) 13 

Loon (van) 205 

Loon (collectie van) 80 

Loterijspelen 117, 118 

Lucas (H.) organist 99 

Lucas-güd (St) 50 

Lui de wijk (Matthias) pastoor 138 

Luther (Marten) .*. . 77 

Lux (J.), graveur 116 

Luyten (Pieter), glasgraveur... 281 
Lijnwaad 178, 179 

M. 

Maes (Nicola es), schilder 145 

Magnus (Al bert), boekbinder te 

's Hage 230, 235 

Magnusz (Hendrick), boekbin- 
der 229 

Magnusz (Jacob), boekbinder 

te *s Hage 230 

Maire (Jacob Ie) zeevaarder... 20 

Maire (Isaac Ie) 20 

Manart (Dr. Jan) 77 

Mander (Karel van) schilder.. 216 
Marcelis (O.). Zie Marseus. 

Maria van Engeland 124, 132 

Maria de Medicis 208 

Ma riet te, kunstkenner 150, 160 

Mar o lies (Prentverzameling van) 297 
Marseus (O tt o) schilder 166, 167^ (68 
Martensz (Hermanes), goud- 
smid 186 

Massa (J.) dichter 157 

Massa (Maria) dichteres 157 

M a t h a m (A d r.), teekeningen van 1 60 
Matham (Theod. of Dirk), gra- 
veur 26, 27, 279 

Maton (Madaleene) 138 

Matthysz (Paulus) boek-enmu- 
ziekdrukker 108, 109, 1 10 

Maurits (Prins) 103, 115, 116, 123, 131 

Mayer(H.D.) 159 

Medor 71 

Melis 20fy 

Melort (Andries), glasgraveur. 290 

Me rius, pastoor 27 

Metsu (Gabriel) schilder 78, 79, 80 

Meulen (Joan van der) loi 

Meyer (Lodewijk) dichter 272 

Middellandsche Zee 170 

Miereveld(Michiel van),schil- 

der 184 

Mildert (A.) dichter 216 

Minnaers Harten Jacht {Der) . 1 10 

Mocht icky ick sou 109 

Moerbezien boom-cultuur 176 



U Moei verwacht zijn 68 

Molen (Betgen van der) 61 

Molenaer (Johannes) boek- 
binder 228 

Moll (Mr. G.) 5 

Molnere(Johannes)boekbinder 227 

Molyn, advocaat 201 

Molyn (Pieter du), schilder.... 252 

Monconys (De) 168 

Monogramist B. S. L, glasgraveur. 287 
Monogramist C. F. M., glasgraveur 276 
Monogramist W. M., glasgraveur. . 287 

Montecuculi 140 

Moor, dichter 202, 215 

Moscovie 171 

Mostart (D aniel). ... 208, 213, 216 
Motyn (Antony), fransch kra- 
mer : 308 

Moucheron (Frederik), schil- 
der 156, 157. 160, 161 

Muelen (Wapen van Van der). 101 

Muller (F.) boekhandelaar 1 14 

Muller (Jan) graveur 116 

Muller (Mr. S.) • 268 

Munster (Barend van) 91 

Munsterschen oorlog (gedicht op). 261 

Munter, burgemeester 156 

Musculus (portr. Van Joh.).... 309 

Mylen (Van der) 103 

Mywers (Aeghje) 138 

N- 

Nachtegaeltje {Hollands en 

Zeeuwsch) 67 

Nagler 41 

Nautilus bekers 186» 187 

Neeff (J. D.) dichter 66 

Nes (Lucas Jansz van) 75 

Neus (Cornelia) 155 

Neus (Maria) 154, 155, 156 

Neus (Nicolaes Cornelisz.).. 155 
Neuye (J.) dichter 22 

St, Nicolaes milde gaven, , 204, 223 
Niegeman (J. F. C.) kopergieter 134 

Niet sönder God, 113 

Nieulandt (Adriaan van) 

schilder 117 

Nieulant (G.) dichter 216 

Nieuwenhaen, tooneelspeler . .• 216 

Nieuwenhoven 205 

Nieuw- Jaerlieden der Academie... 69 

St, NicoUusgift, 199 

Nil Volentibus Arduum 129 

Nimmermeer groot genoech, , , 69 
Nolpe (P i e t e r) plaatsnijder 159, 213 

280 
Non omnia possumus omnes, .117 
Noort (Olivier van) zeevaar- 
der 115, 116 

No o se man (J.) acteur 199 

N 00 1 m ans (P.) dichter 216 

Notarieele protocollen (Archief der) 

4, 253 

Nummer groot genoech 66 

Nijverheid 173 



VI 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1883. 



O. 

Oetgens van W averen (An- 

tonie) 194 

Offenberg (Francina van).. . 20 
Oldenbarnevclt (Joan van). 138 
OUpodrigo {Dé). 157, 158, 162, 163 

Oltpodrigo {Koddige) 157 

01 y (Jac o b), pastoor 27 

Ontdekte schijndeugd. 129 

Oosterhout (Andries van), 

timmerman 7^ 

Orondates en Statira 129 

O snabrück (Hertog van) 74 

Ostade (A. van) schilder 210 

Outgers 205 

Üverbekc (Aernont van) 198, 257 

seq. 270 
Overbeke (leden der familie 

van) 257. 258 

Overbeke (Rij mwerken van A. v.) 266 

Overlander (Volckert) 193 

Oyens (Abraham) advokaat... 205 
Oyens (Isack) 7S 

P. 

Palamedess (Anna) 165 

Palamedesz (Begraafplaats van 

Antonie) 164 

Palamedesz (Arthur) 165 

Palamedesz (Palamedes). ... 164 
Pancras (Gerbrant Clacsz.) 159 

160, 161 
Pancras van Erpecom (Ger- 

brandt) 160 

Panneel (A. M.) dichter 66 

Pannenbakkers pad 59 

Panopticum 135 

Papenbroeck 205 

Papenbroek (G. v.), papieren 

van 140 

Parthey 168 

Parijs (Jan Gerritsen) 68 

Pas (Crispyn de) graveur. 33, 120 

121, 122, 124, I27> 136 

Passement en lintwerkersgild 177 

Pauw (Brechje) 1 204 

Pauw (Cornelia) 145 

Pauw Reiniersz (Cornelis). . 172 

Pauw (Maria) 145 

Pauw (Michiel) 145, 194 

Pauw (Reinier). 173, 178, 192, 194 
Pauw van Wieldrecht (Jhr. 

M. C. H. Ridder) , . 174 

Pegasus {Amsterdamsche) . 21, 65 

66, 67 
Pelgrom(Paulu8 enSteffano) 183 

Pels (Andries) dichter 128 

Pels (E.) dichter iio 

Pels (Nicolaes) dichter... 202, 215 

Penon pr. G.) 18 

Per8(Dirck P i e t e r s z) boekver- 

kooper 312 

Persyn (J. H.) I2r 

Persyn (Reinier van), graveur 25 
Peters (Prentverzameling van)... 297 



Petit (Louis D.) 221 

Pcylder(Vincent)34,35,36,37, 122 
Piek e ring (Cornelia) 165 

Pie 26, 27 

Pieters (Gier te) 240, 244 

Pietersz (Lieven) 246 

Pieteisz (Sy brand) 245 

Pinas (Jan), schilder 197, 209 

Pinas(Meyn8gen Symonsdr.) 197 

3" 

Pinas (Simon Jansz.) 197 

Plancius, predikant 118 

Plasse (Cornelis Lod. van 

d e r), boekverkooper 64 

Plateelbakkers 61 seq. 

Plateelbakkers-merken 49 

Ploos van Amstel (Elisa- 

b e t h) 154 

Pluimer (J.) dichter 129 

Polyander (Johannes) Prot.. 117 
Poorter (Willem de), schilder. 303 

Poot (H. K.) dichter 137 

Porcelein. 179, 180 

Porcelein-fabriek te Berlijn 92 

Porte zie Sultan. 

Portretten door Dirk van Haar- 
lem geschilderd, 184 

Pot (Tryn Floris wed. Jan)... 55 

Pots, predikant 74 

Pottenbakkers-paden 59, 61 

Pottenbakkerij de gulden braedtpan 58 
Pottenbakkerij aan dsn Overtoom. 54 
Pottenbakkerijen te Amsterdam. 54 seq. 

Pottenbakkersbrug, 56 

Pottenbakkerssteeg 55, 61 

Pottenbakkerswijken 55, 58, 59 

Potten-^ pannen- en glasverkoopers- 

gild 49 

Poutsy (Tietje Hendricks).. 129 

Pozzo, geneesheer 213 

Prenten op satijn 183 

Proost (Dirk Pietersz) 174 

PrudenterigtdxQhXtn van) 108, 273 
Pruyssen (Lambert van), 

ivoorwerker, 186 

Psalmbenjming van A. v. Over- 
beke 260 

Puiboeken.. 240 

Putte (Abraham van der).... 235 
Pynas. Zie Pinas. 

Pynacker, schilder 161 

Pijpenfabrieken te Amsterdam 48 

Q. 

Quast (Pieter), schilder 213 

Queeckels (Catharina) 244 

Questiers (Catharina) graveur 

157, 159 
Questiers (David),dichter 151, 157 
Questiers (Salomon), dichter. 216 

R. 

Raet (de) 205 

Ransdorp (Doopboeken van) 251 

Ravesteyn (Nicolaas van), 
boekverkooper 19 



Ravesteyn (Pau us Aertsz. 

v a n), bciekverkooper 19 

Rathem de Jonge (Pieter van), 

vergulder 175 

Rattenkruitverkooper(ets van R e m- 

brandt) 296 

Rechter (Susanna de) 272 

Regeerings verandering van 1618. . 189 
Regius (Abr.), Zie Koninck. 

Rembrandt*s etsen. 292 seq. 

^Rembrandt's etsen (beschnj- 

vers van) 292 

Rembrandt*s dochte r.. . . 250 seq. 

Rembrandt's kleinzoon 256 

Rendorp 205 

Rénialme (Johannes de) 252 

Rentebrieven 242 

Re y e r de pottenbakker 57 

Reynst (Cornelis) 85 

Reynst (Lambert), burgemees- 
ter 85 

Reynst (Gerrit) 186 

Ri e ke, teekenaar 13 

Rigo (Hieronimo) 9 

Rixtel (Maria van) 16 

Robbertsz (Jan), dichter 66, 68, 217 
Rodenburgh (Ridder Th.) 196, 215 

Roeland (Steenen) 202 

Roelant, dichter 215 

Roelants (Hans), dichter 117 

Roemers(Anna).ZieVisscher 243 

Roemster oen den Aemstei {De) 21 

64 seq. 

Roeters 205 

Rogbman (Roeland), schilder. 166 
Rogiers (Hans), koperwerker.. 182 
Roosendael (J. P.), dichter. 66, 109 

Rotgans (Anna) 19 

Rovenius (Philippus), portret 

van 27 

Ruellcs (P. D.), dichter 157 

Ruysdael (Jacob van), schil- 
der 84 

Ruytenborgh (Christin a Pie- 
ters) 19 

Ruyter (Engel de) 74 

Ruyter (Michiel Adriaensz. 

de) 73. 74. 76, 77 

Ruyter (Willem), acteur 216 

Ruyter's graf (de) 75 

Ruyter de Wildt (de) 73 

Ryn(Corneliavan)5,7, 10.251, seq. 
Ryn (Rembrandt van) zie 

Rembrandt. 
Ryn(RembrandtLubbertsz)4, 5 

Ryn (Titia van) 10, 11 

Ryn (Titus van) 4. 5. 3^4 

Rynders (Erve H.) I33 

Ryssel (Gerrit van) 153 

Ryssen (Constantia van).... 153 

Saftleven (H.) teekeningen van. 160 

Sahlier (Pieter) 12 

Sampson (Frans Jansz.) 175 

Sanderus (Josua), predikant.. 99 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1883. 



VII 



Sanderus (Lambertus). . . 97, 100 
SandrartQoachi m),schilder 26, 255 

Sanen (Jan van), acteur. 216 

Sang (J ac ob) glasslijper 287 

Santen (van), acteur. 216 

Santen (Charlotte van) glas- 
graveur 286 

Sardanapalus 129 

Sasborch 205 

Satijn 176 

S a V r 7 (R.) teekeningen van 160 

Schaé-baet 244 

Schaeck (Petrus), predikant... 155 
Schaep(Gerrit Pietersz.) 144, 145 

Schagen (Adriana van) 40 

Schagen (Anna van) 99 

Schaten (H.) Deensch graveur.. 309 

Schellinks (Constantia) 155 

Schellinks (Daniel) landmeter 153 

155» Ï56 

Schellinks (Jacobus) 153 

Schel links (Laurens).i53, 154, 155 
Schellinks (Maria Jacoba).. 155 
Schellinks (Willem), schilder 150 

seq. 220 
Schellinks (Etsen door W.).... 162 
Schelt erna (Jac.).- 64, 67, 240, 241 
Scheltema (Dr. P.). 3» 82, 120, 133 

135 
Scheltregt (Daniel) 122 

Schinkel (A. D.), boekhandelaar. 275 

Schipper (Jan Jansen), boek- 

verkooper 199, 219 

Schlie (Dr.) 168 

Schoemaker (Gerrit) .^129 

Schonck (Daniel) 149 

Schoonhovcn(Dirk Jacobsz) 174 
Schouman (Aert), glasgraveur. 281 
Schouten (Willem Corn.) 20, 21 

Schrevelius (Ewaldus) 197 

Schut (Maria) 155 

Schuurmans (Anna Maria), 

glasgraveur 286 

S c h u y t (C), musicus 97 

Scriverius (P.) 140, 208 

Seep (Claes), dichter 157, 204 

Serwouters (Pieter), graveur. 117 

Severyn, boekdrukker 75 

Sichem (C. van), graveur 116 

Silvia 69 

Simson, treurspel 117 

Six 204, 205 

Six (Jan) 29 

S i X {Pandora van) 29 

Six (Prentverzameling van Jan).. 292 
S i X (kabinet van Jhr. Dr. J. P.) 161, 275 
S 1 a d e (verzameling van glazen van 

Felix) 280 

Slagregen (P.), verzameling van 121 

128, 139 

Slingeland (Govert) 273 

Slord^heid van kosters en dood- 
gravers 89 

Smith (Dirk), metselaar 129 

Smith (George) 160 

Snellius (W.), Prof 38 

Solms (Am al ia van) 140 

Som er (Bern.), predikant 74 



Soop (Floris) 205, 218 

Soop (Jan Hendriksz), glas- 
blazer 183 

Sophia Amalia 309 

Soutendam (Mr. J.) - 39 

Sou t man (P.) schilder 25 

SpaanscAf heidin 196, 197,213,224 

Specx (Jacob), dichter 137 

Spiegel (Anna) :....* 194 

Spiegel (Cornelia) 145, 146 

Spiegel (Hendrik Dirksz.)... 146 

Spiegel (Hillegond) 145, 194 

Spiegel (Jan Lanrensz.) 194 

Spiegel (Laurens Jansz) 145, 193, 

194 
Spilbergen (Joris van).. 115, 116 

Splitberger (Atlas) 159 

Spookende tninnaer 129 

Springer •.. 135 

Stalpert van der Wiele (J.).. 109 
Starter (Jan Jansen) 109, iio, 196 

ai5 

Steentjes (blauwe) 52 

Steentjes-bakkers 52 

Stevensz. (Pieter). 245 

Stoc (Andr.), graveur 124, 125 

Stoelen 175 

Stoelmaker (Spaansche) 175 

Stoffels (H end rickie).ZieJae- 
ghers. 

Stoop (D.) schilderij van 1 66 

Strada (Famiaen) Vondel's 
gedicht op Ned. oorlogen van.. 19 

Stribee (C), acteur 216 

Struyck (Jannetje) 135 

Struys (Jacob), dichter.... 66, 215 

Styrus en Ariame 66, 68 

Sultan.. 171 

Suythoff (Bartholomeus).... 253 
Suythoff(Cornelis) schilder 250 seq. 

Sweelinck, musicus 97 

Sweerts Manuelsdr. (Elisa- 

beth) 19 

Sweerts (Hieronymus) schil- 
der en dichter.... 99, 151, 157, 158 

Sweers (Isaak), admiraal 73 

Swigters (Clara) 84 

Symonsz (Lieven) 4 

T. 

Taffijn (Adriaen) 253 

Tapijten 1 83 

Teeckmannus (Helena) 99 

Tengnagel (Catharina Gans- 
neb) 197 

Tengnagel (Claes) 312 

Tengnagel (Jan) 196, 197, 311, 312 

Tengnagel Jr. (Jan) 197, 312 

Tengnagel (Jan Hermansz. 

Gansneb) 197 

Tengnagel (Mattheus Gans- 
neb) 158, 195, seq. 307, 311 

Tengnagel (Symon) 197, 312 

Tengnagel's werken (Bibliogra* 

phie van) 22 1, 312 

Thierry de Jonge (Jacob),.. 154 



Thomas Claesdr. (Anna) .... 40 

Thoveling (Dirck) 20S 

Thym. Zie Alberdingk. 

Thysius (Antonius) 197 

Tiel (Jan), uitgever 124 

Tiele (P. A.) 20 

Tinnegieters gild 49 

Tis al Bot iio 

Tongerlo (Abraham van) glas- 
blazer 1 82 

Toont oock liefde 66 

Triakel-water » i8i 

Triglandius (Jac.) prof 99 

Tromp (Marten Harpertsen) 209 

Trijpfabrieken. 1 78 

Tulpen 187 

Tuyl van Serooskerken (J. 

C. Baron van) 77 

Twintigguldens-prent (de) 296 

U. 

Uitnemend kabinet ('/) iio 

Uylenburgh K^ornelia van). 11 
Uylenburgh(Saskia van) 5,6,251 

V. 

Vaerlaer(JeanMichielsvan) 
Vonders Fransch gedicht aan .... 19 

Valckenier (Cornelis Jansz.) 197 

Valckenler (Burgem. Gilles) 
portret van 26 

Valckenier (Jellis) boekver- 
kooper 20 

V al e r iu s (A.), musicus 97 

Valk (Jacob) I99 

Veegens (Mr. D.) 146 

Veelwaard (Daniel), graveur.. 55 
Veer (Joost de) horlogemaker.. 185 

Veidt (Laurent).. 143 

Velde (Jan van de), graveur.. 67 

Velden (M.)» 64, 65, seq. 

Veldener (Johannes) boek- 
drukker 227 

Veldhuyzen(Lambertusvan) 93 

Venus Minne-gifjens , 66, 68, 69 

Verbiest (G.), dichter 157 

Verbout (Jan) n 

Verduyn (Nicolaes), notaris.. 270 

Verglaesde-wercx-bakkers 5 ^ 

Verhaer (Lambert) 173 

Veris (Barent) 138 

Veris (Johanna) 138 

V Verkeert hoest 66 

Verloove (Karel), dichter 199 

Verstraeten (Joost) aanspreker 76 
Vertangen (D.) schilderij van.. 166 
Verwers (Katalina), dichteres 213 
Verwoestingh des Stat Naer- 

den 197 

Verwon (A eitje), boekverkoopster 

212, 213 

Victoryn (Mr. Joan) 208, 273 

Vierdaagsche zeeslag (gedicht op) 261 






VIII 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1883. 



Vinck 205 

Vinckboons (David) schilder. 117 
Vinkenbrinck (Albert) beeld- 
houwer 122, 123, 130, 133 

Visscher (Claes Jansz.) gra- 
veur 36, 42, 117 

Visscher (Corneli8)graYeur25, 27 
Visscher (Anna Roemers)64, 67 

214, 216, 239 seq. 
Visscher (Anna), glazen van.. 275 

Visscher (Gcertruy) 243 

Visscher (Grietje) 243 

Visscher (Jacob Pietersz)... 244 
Visscher (Pieter Jacobsz)... 243 

Visscher (Pieter) 243 

Visscher (Pieter Roemersz). 243 

246 
Visscher (Roemer).. 216, 240 seq. 
Visscher (Ma riaTesse Is cha- 

de)... 138, 142, I97« 214^ 216, «40 
Visscher(MariaTetselscha- 

de) glazen van 275 

Visscher (J. de), graveur 108 

Vlack (Michiel), dichter 66 

Vlaming. 205 

Vliegen (Eva) 124, 125, 132 

Vlieger (Jacob), portret van 

pastoor .... 1 26, 27 

Vlieger (Simon de), schilder 153, 213 
Vloten (van), Vondel-uitgave 19, 25 

64, 65, 66 

Vloten (Dr. van) 140, 144, 196 

Voerman van*t Schouburgh (d*on- 

bekende) 217 

Vogelzangh 205 

Vollenhoven (de Heer) 3<^ 

Vollenhoven (Joannes). 138, 146 

240 

Vondel (Joost van den) .. 17 seq. 

34, 108, iio, 117, 136 seq., 157, 199 

202, 205, ao8, 216, 218, 219, 272,273 

Vondel en Hooft (Verhouding 

van) 141 

Vondel en Huygens (Verhou- 
ding van) 142 

Vondel-bibliographie 18 

VondeTs handschriften 136 

Vondei's Boetpsalmen iio 

V o n d e I's bruiloftsgedichen 24 

V o n d e Ts Fransche gedichten. ... 20 

V o ndeTs Pascha. 19 

VondeTs portret door J.Lievens 108 
VondeTs portret door D. Ma- 

tham 26 

VondeTs portret door C. Vis- 
scher 25 



Vondel's portret door J. de Vis- 
scher 108 

Vondel's portret op glas gestipt. 281 
Vondel- tentoonstelling in 1 879 . 1 8 
V o n d e Ts werken, uitgegeven door 
Mr. J. van Lennep bij Gebr. 

• Blnger 17. 18, 25 

Voorhout (Johannes) schilder 14,87 

Vos (Izak), dichter 216 

Vos (Jan), dichter 125, 215, 259 

Voskuyl(M.P.),dichter 66, 68.215,216 
Vosmaer (C.) Rembrandt sa vie 

et ses oenvres. 2 

Vredeman de Vries 34 

Vries (Abraham de), schilder.. 144 

Vries Az. (Mr. A. D. de), 304 

Vries (Jeronimo de) 195 

Vries (R. W. P. de) 33 

Vyler (Diego de) 177 

Vijver (van de) 134 

w. 

Wachtelaer (Johannes) por- 
tret van 27 

Waerd (Elisabeth van) 153 

Waerd (Johannes van) 153 

Wagenaar (J.) 129, 132 

Walravens (Cornelis) I87 

Wapensmeden. 185 

Warenar 207 

Wassenaer (van) 217 

Wastelier (Joanna) 22 

Waterloo (teekeningen van).... x6o 

Waterrijk 168 

Weert (Cornelia ten), wed. 

A. de Koningh 307 

Wees (Abraham de), boekverk. 212 

Wely (Jan van) juwelier 180 

Wesel(DominicusBooth van) 241 
Wesel (Romanus van)... 240, 242 
Westerbaen (Jacob) iio, 139, 259 

Westerkerk en kerkhof. 87 

Weverijen 170 

Weytsen (Anna) 139 

Wickevort (Joachim van). .. 148 

149, 209 
Wickevort (Mevr. van)... 146, 147 

Wie carU onivlien 66 

Wie ghenoeght 66 

W ie rix, graveur 41 

Wilde (I. de), dichter 157 

Wilde, advocaat 201 

Wilhelm I (Keizer) 135 

Wilhem (David Ie Leu de)... 105 



Wilhem (Juffr.de) 148 

Willem de Zwijger 123 

Willem m 74 

Willemsz (Mattheus) 245 

WiUemsz(Reij er), pottenbakker 55 
Willet (verzameling van A.) .... 276 
Wit (Franciscus de), mtnnebr. 138 

With (P. de) séhflder etser 303 

With (Corn. de) schilderij 262 

Withoos (Frans) schilder 256 

Witkamp 120, 122, X33, 135 

Witsen (Jonas) 154 

Witte (Mr. Joan de) 273 

Woedewarts (Aagje) 164 

W ol ff (D.);^ glasgraveur 282 

Wolff (Isabella de) 78, 79 

Wolphaerts (Sara) 144 

Wouden 69 

Wouwerman (P.) schilder 161 

Wurfbain (J.W.) Atlas van 124, 152 

159 
Wyck (Catharina van)4, 7, 9, 10 

14, 90 

W ij nants, schilder 161 

Wijnroeiers-ambt 83 

Wytmans (Claes Jansz.) 179 



z. 



Zacharyas, de acteur 216 

Zande (Willem van den) por- 
tret van pastoor 25, 26 

Zande (wapen van pastoor W. v. d.) 

Zeegersz. (Hugo) 244 

Zeeman, teekeningen van 160 

Zes (David) 219 

Zesen (PhiU van).... 120, 127, 131 
Ze ven bergen (Cornelia Adri- 
aans van) 197 

Zevenbergen (Hester van) .. 209 
Zevenbergen(Susanna Adri- 
aans van) 197,209 

Zoet (Jan), dichter 22, 199, 204, 211 

Zuiderkerkstoren 116 

Zuivel-industrie. 181 

Zutphen (klokken te) 272 

Zwoll (van), dichter 215 

Zijde-haL 1 76 

Zijde-industrie 176, 177 

Zijdelaken. Zie satijn. 
Zijde-manufacturen (Commissaris- 
sen van de) 176 

Zijde-ververs 176 

Zylvelt (Antony van),graveur 27 



INHOUD. 



Bladz. 

Een Huwelijk van Rembrandt, door M'. N. de Roever, {met een facsimile). . i \J 
VONDEUANA, door M'. A. D. de Vries Az. en J. H. W. Unger. 

I. Vergeten Gedichten van Joost van den Vondel 17 

II. Vondel's Handschriften 136 

Het Oude Doolhof te Amsterdam, door D. C. Meijer Jr. (met een prent) 30 en 119 
De Plaatsnijder en Landmeter Cornelis Klorissen van Berckenrode, door 

M'. A. D. de Vries Az. {nut facsimile's), . ... 37 \/ 

Bijdragen tot de Geschiedenis van de Amsterdamsche Potten- en Plateel- 

BAKKERIJEN, door M'. N. de Roever {met een prent). ........ 44 ^ 

De Dichter van de Roemster van den Aemstel, door M'. A. D. de Vries Az. 64 

De Ruyters Lijk en Begrafenis, door M'. A. D. de Vries Az 73 

Maarten Luther, door E. S G jj 

Het Testament en Sterfjaar van Gabriêl Metsu, door M'. A. D. de Vries Az. 78 

Meindert Hobbema, door M'. N. de Roever * 81 

Nadere bizonderheden betreffende Jan Theunisz. Blanckerhof {Jan-Maat) 

door M'. N. de Roever, {met fcu^-simiUs) 86 ^ 

Eenige bescheiden betreffende de Koninklijke Porcelein-Fabriek te 

Berlijn, door M'. N. de Roever 92 

CONSTANTIJN HUYGENS EN DE FAMILIE VAN EYCK door J. H. W. U n g e r . . 97 

Het Portret van Willem Barentsen, door M'. A. D. de V r i e s Az. {met een prent). 113 v 
Willem Schellinks, schilder — teeken aar — etser — dichter door M'. A. D . 

• d e V r i e s Az, {met een prent) 150^^ 

Iets over de kinderen en de begraafplaats van Anthonie Palamedesz door 

M'. N. de Roever , 164 

Otto Marseus door M'. A. D. de Vries Az, . . . . , 16 



INHOUD. 

Bladz. 

Een vorstelijk geschenk. Een blik op de vaderlandsche nijverheid in den 

AANVANG DER ZEVENTIENDE EEUW, door M'. N. de RoCver 169 

Een raadselachtige bladzijde bij Geeraert Brandt, opgehelderd door 

Bontemantel, door J. F. Gebhard Jr 189 

Mattheus Gansneb Tengnagel, door J. H. W. Unger 195 

Iets over Magnus Hendricksz. en Hendrick Magnusz. „vermaarde boekbin- 
ders" der 17' EEUW, door J. F. van Someren {met een prent) 226 v 

Een verjaard verjaarfeest, door M'. N. de Roever 238 

Rembrandt's Dochter, Cornelia van Rijn en haar echtgenoot, Cornelis 

Suvthof, door M'. A. D. de Vries Az. {met een facsimile) 250 v 

Mr. Aernout van Overbeke, door D'. J. A. Worp 257 

Nog iets over Jacob van Evck en zijn familie, door J. H. W. Unger. . . 268 
Een en ander over glasgravure, door D. Henriques de Gastro Dz. {met 

een prent en facsimile) 278 

Aanteekeningen naar aanleiding van rembrandt's etsen door M'. A. D. de 

Vries Az. {met een prent en facsimilé s) . ; 292 v 

Mattheus Gansneb Tengnagel; een nalezing, door J. H. W. Unger . . . 311